WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is
regelingen te treffen betreffende de opheffing van de particuliere
banken van leening;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Toelatingen, als bedoeld in artikel 13 der Pandhuiswet 1910, Staatsblad
no. 321, worden niet meer verleend.
Artikel 2
1. De vóór de inwerkingtreding van deze wet verleende
toelatingen worden geacht te zijn ingetrokken op den eersten dag van
de zevende maand na de inwerkingtreding van deze wet.
2. Tegen deze intrekking staat geen beroep open.
Artikel 3
De houder van de Bank bevestigt binnen acht dagen na de
inwerkingtreding van deze wet een voor het publiek duidelijk zichtbare
kennisgeving aan het pandhuis, vermeldende den datum, waarop ingevolge
deze wet geen panden meer in beleening mogen worden aangenomen.
Artikel 4
Indien de houder van de Bank niet voldoet aan het bij artikel 3
bepaalde, wordt de toelating geacht te zijn ingetrokken op den negenden
dag na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 5
Het besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van
Binnenlandsche Zaken en van Justitie betreffende de beëindiging van de
werkzaamheden der particuliere banken van leening van 24/27 November
1942 ( Nederlandsche Staatscourant 14 Januari 1943, no. 9)
vervalt.
Artikel 6
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag volgende op dien
harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 28sten October 1946
WILHELMINA
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Beel
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven den negentienden November 1946
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen