WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 20 januari 1989
daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot integratie van taken en
bevoegdheden van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de
Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven in het Produktschap voor Vis
en Visprodukten, daartoe de Instellingswet Productschap voor Vis en
Visproducten te wijzigen en, in samenhang daarmee, beide voornoemde
bedrijfschappen op te heffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Het Visserijschap, ingesteld bij het koninklijk besluit van
23 december 1955 (Stb. 615), is opgeheven. De door het
bedrijfschap vastgestelde verordeningen, voorzover nog van kracht bij
de inwerkingtreding van deze wet, vervallen.
2. Het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante
Bedrijven, ingesteld bij het koninklijk besluit van 31 januari 1955 (Stb.
65), is opgeheven. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen,
voorzover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet,
vervallen.
Artikel 2
1. Van de inwerkingtreding van deze wet af berust het beheer
van het vermogen van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de
Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven bij het Produktschap voor
Vis en Visprodukten.
2. Rechtsvorderingen, welke tot het vermogen van het
Visserijschap danwel het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en
Aanverwante Bedrijven behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp
hebben, worden ingesteld door of tegen het Produktschap voor Vis en
Visprodukten.
Artikel 3
1. Het Produktschap voor Vis en Visprodukten is belast met de
vereffening van het vermogen van beide in artikel 1 genoemde
bedrijfschappen. Het kan daartoe de tot het vermogen van beide
bedrijfschappen behorende roerende en onroerende zaken vervreemden.
2. Het produktschap maakt met het oog op de vereffening een
boedelbeschrijving op. Het stelt tevens de rekening van inkomsten en
uitgaven van beide in artikel 1 genoemde bedrijfschappen vast over het
tijdvak, aanvangende op de eerste januari van het jaar, volgende op het
kalenderjaar waarover laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven
door het bestuur van het Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap
voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven werd vastgesteld, en
eindigende op de dag van inwerkingtreding van deze wet.
3. De in het tweede lid bedoelde boedelbeschrijving en rekening
van inkomsten en uitgaven behoeven de goedkeuring van de
Sociaal-Economische Raad.
4. De goedkeuring van de rekening van inkomsten en uitgaven door
de Raad strekt tot décharge van het bestuur van het Visserijschap
respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en
Aanverwante Bedrijven, behoudens in geval van later gebleken valsheid in
bewijsstukken of andere onregelmatigheden.
Artikel 4
1. Het Produktschap voor Vis en Visprodukten maakt het tijdstip
van de aanvang der vereffening bekend in de Staatscourant en in
het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie, alsmede in de daartoe
naar zijn oordeel in aanmerking komende nieuwsbladen, onder vermelding
van de afkondiging van deze wet.
2. In de bekendmaking worden degenen die een vordering op het
Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in
Vis en Aanverwante Bedrijven hebben, opgeroepen die vorderingen binnen
een daarbij aangegeven termijn bij het Produktschap voor Vis en
Visprodukten in te dienen. Deze termijn wordt niet korter gesteld dan
zes maanden, te rekenen vanaf de dag van bekendmaking.
Artikel 5
1. De opheffing van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor
de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven tast de rechtskracht
van de door deze lichamen wettig opgelegde heffingsaanslagen niet aan.
2. Bij de inning van nog niet betaalde heffingsaanslagen van het
Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in
Vis en Aanverwante Bedrijven oefent de voorzitter van het Produktschap
voor Vis en Visprodukten zonodig de in artikel 127 van de Wet op de
Bedrijfsorganisatie aan de voorzitter van het Visserijschap
respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en
Aanverwante Bedrijven toegekende bevoegdheden uit.
3. Het produktschap kan, voorzover dit ter voldoening van de
schulden van het Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de
Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven noodzakelijk is, bij
verordening aan de ondernemers in het betrokken deel van het
bedrijfsleven die over het jaar 1988 heffing verschuldigd waren, een
heffing opleggen volgens dezelfde maatstaven als in voormeld jaar werden
toegepast. De verordening behoeft de goedkeuring van de
Sociaal-Economische Raad.
4. Ten aanzien van een heffingsverordening als in het derde lid
bedoeld en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen, zijn de
artikelen 126, 127 en 127a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. De rechten en verplichtingen van de gewezen werknemers van
het Visserijschap, voortvloeiende uit de Verordening pensioenen
Personeel Visserijschap 1988, de Verordening Vrijwillig Vervroegde
Uittreding Personeel 1986, blijven ook na de opheffing van het
Visserijschap in stand.
2. De rechten en verplichtingen van de gewezen werknemers van het
Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven,
blijven ook na de opheffing van het Bedrijfschap voor de Groothandel in
Vis en Aanverwante Bedrijven in stand.
3. Voorzover de rechten en verplichtingen betrekking hebben op de
wachtgelden en pensioenverzekeringen, kunnen zij na de opheffing geldend
worden gemaakt onderscheidenlijk moeten zij worden gekweten tegenover
het Produktschap voor Vis en Visprodukten.
Artikel 7
1. Zo spoedig mogelijk nadat het Produktschap voor Vis en
Visprodukten het vermogen van het Visserijschap respectievelijk het
Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven heeft
vereffend, brengt het daarover verslag uit aan de Sociaal-Economische
Raad.
2. De vaststelling van het verslag en van de rekening van baten
en lasten betreffende de vereffening kan slechts plaatsvinden nadat de
ontwerpen van deze stukken gedurende twee maanden ten kantore van het
produktschap voor een ieder ter lezing zijn neergelegd en tegen betaling
van de kosten algemeen verkrijgbaar zijn gesteld en indien binnen die
termijn bij het produktschap geen bezwaren zijn ingekomen. Van de
nederlegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving
in de Staatscourant en in het Mededelingenblad
Bedrijfsorganisatie.
3. Elk ingekomen bezwaar wordt door het produktschap onderzocht;
wordt het gegrond bevonden, dan zet het produktschap de vereffening
voort en maakt, zonodig, een nieuw verslag en een nieuwe rekening op
waarin aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Ten aanzien van laatstbedoeld
verslag en laatstbedoelde rekening is het tweede lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat het produktschap nieuwe bezwaren,
welke reeds tegen het eerste verslag en de eerste rekening hadden kunnen
worden ingebracht, niet in overweging neemt. Wordt het bezwaar ongegrond
bevonden, dan stelt het produktschap het verslag en de rekening alsnog
vast.
4. De rekening behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische
Raad. De goedkeuring strekt tot décharge van het produktschap. Het
produktschap doet van het verlenen van de goedkeuring zo spoedig
mogelijk openbare kennisgeving op de wijze als is aangegeven in het
tweede lid.
Artikel 8
Hetgeen blijkens de goedgekeurde rekening aan vermogen van het
Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in
Vis en Aanverwante Bedrijven over is, komt ten goede aan het
Produktschap voor Vis en Visprodukten.
Artikel 9
1. De opheffing van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor
de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven heeft geen gevolg voor
de ontvankelijkheid van beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie.
2. Uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
gedaan tegen het Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de
Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven of, op grond van het eerste
lid, tegen het Produktschap voor Vis en Visprodukten worden door het
produktschap uitgevoerd, voorzover nodig ten laste van het vermogen van
het opgeheven Visserijschap respectievelijk het opgeheven Bedrijfschap
voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven.
Artikel 10
Het Produktschap voor Vis en Visprodukten bewaart in de zin van de
Archiefwet 1972 (Stb. 313) de archiefbescheiden van het
Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en
Aanverwante Bedrijven.
Artikel 11
Het Instellingsbesluit Visserijschap en het Instellingsbesluit
Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven worden
ingetrokken.
Artikel 12
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 13
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 29 mei 1991
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de elfde juli 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin