| |
|
|
|
|
vorige
WET
OPNEMING BUITENLANDSE KINDEREN TER ADOPTIE
(Wobka)
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit inzake het onderzoek
naar buitenlandse contacten van aspirant-pleegouders
- Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie
- Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000
WET van 8 december 1988, houdende regelen
inzake de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het
oog op adoptie
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
voorwaarden waaraan moet zijn voldaan bij de opneming in Nederland van
een buitenlands pleegkind met het oog op adoptie in de wet neer te
leggen en tevens bij de wet te bepalen dat bemiddelende werkzaamheden
inzake een zodanige opneming slechts kunnen worden verricht door
organisaties aan welke daartoe een vergunning is verleend en op de bij
of krachtens de wet bepaalde wijze, zulks ter bevordering van een
verantwoorde gang van zaken rond de opneming in Nederland van
buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
buitenlands kind: een buiten Nederland geboren, de Nederlandse
nationaliteit niet bezittende minderjarige in de zin van de Nederlandse
wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het
ouderlijke wordt of zal worden verzorgd en opgevoed in zodanige
omstandigheden dat de verzorgers in feite de plaats van de ouders
innemen;
aspirant-adoptiefouders: echtgenoten of een persoon die een
buitenlands kind met het oog op adoptie wensen op te nemen of hebben
opgenomen;
adoptiefouders: echtgenoten of een persoon die een buitenlands kind
hebben geadopteerd;
beginseltoestemming: de schriftelijke mededeling van Onze Minister
omschreven in artikel 2;
vergunninghouder: de rechtspersoon die houder is van een vergunning
als bedoeld in de artikelen 15 en 16.
bemiddeling: elke activiteit van een vergunninghouder gericht op
totstandkoming van, of ondersteuning bij, de plaatsing van een
buitenlands kind met het oog op adoptie bij aspirant-adoptiefouders.
Hoofdstuk 2. De beginseltoestemming
Artikel 2
De opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op
adoptie is uitsluitend toegestaan, indien van Onze Minister een
voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel
voor zodanige opneming toestemming verleent.
Artikel 3
1. De beginseltoestemming geldt voor een periode van vier jaren en
kan telkens voor een periode van vier jaren worden verlengd. De
periode waarvoor zij wordt verleend of verlengd, overschrijdt evenwel
niet het tijdstip waarop een van de aspirant-adoptiefouders de
leeftijd van zesenveertig jaren zal hebben bereikt, tenzij bijzondere
omstandigheden daartoe aanleiding geven.
2. Een beginseltoestemming betreft de opneming van een buitenlands
kind of in het geval van broers en zussen, dan wel van kinderen die op
andere wijze zodanig aan elkaar gehecht zijn dat zij bezwaarlijk van
elkaar gescheiden kunnen worden, van twee buitenlandse kinderen
tegelijk. Onze Minister kan in verband met bijzondere omstandigheden
toestemming verlenen tot opneming van meer kinderen tegelijk.
Artikel 4
Een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming of tot
verlenging van de geldigheidsduur ervan wordt slechts in behandeling
genomen, indien:
a. het verzoek door de aspirant-adoptiefouders is ingediend. Is
de aspirant-adoptiefouder die het verzoek alleen indient, gehuwd of
heeft deze een geregistreerde partner of andere levensgezel, dan kan
het verzoek slechts met instemming van diens echtgenoot,
geregistreerde partner of levensgezel worden ingediend;
b. het verzoek, indien het strekt tot verlenging van de
geldigheidsduur van een beginseltoestemming, ten minste twaalf weken
voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande
beginseltoestemming is ingediend;
c. de aspirant-adoptiefouders daarbij hebben overgelegd:
1°. de door Onze Minister vastgestelde gegevens die
noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek;
2°. de verklaring dat zij bereid zijn het buitenlandse kind
de gangbare preventieve en curatieve behandelingen te doen
ondergaan die van levensbelang zijn voor het kind;
d. de aspirant-adoptiefouders, ingeval in hun gezin reeds één
of meer eigen kinderen of met het oog op adoptie opgenomen kinderen
verblijven, deze kinderen gedurende ten minste een jaar hebben
verzorgd en opgevoed;
e. de aspirant-adoptiefouders vóór de aanvang van het ingevolge
artikel 5, eerste lid, in te stellen onderzoek het bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde bedrag ter bestrijding van de
kosten van de in artikel 5, derde lid, bedoelde voorlichting hebben
voldaan.
Artikel 5
1.Onze Minister beslist op het verzoek tot verlening van een
beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan
eerst nadat de raad voor de kinderbescherming een onderzoek heeft
ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de
verzorging en opvoeding van een buitenlands kind of, indien de
aspirant-adoptiefouders hierom hebben verzocht, van twee buitenlandse
kinderen tegelijk.
2.Ter voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde onderzoek
ontvangen de aspirant-adoptiefouders, indien het de opneming van een
eerste buitenlands kind betreft, algemene voorlichting omtrent de
opneming en de adoptie van buitenlandse kinderen, welke voorlichting
onder toezicht van Onze Minister zal worden verstrekt.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ten aanzien van de organisatie, de inhoud en de bekostiging
van de aan de aspirant-adoptiefouders te verstrekken algemene
voorlichting.
4.Het rapport van het onderzoek wordt met de
aspirant-adoptiefouders besproken voordat het door de raad voor de
kinderbescherming wordt uitgebracht. De raad voor de kinderbescherming
verschaft de aspirant-adoptiefouders inzage in het uit te brengen
rapport. In de gevallen waarin een beginseltoestemming wordt verleend
of de geldigheidsduur ervan wordt verlengd, wordt het oorspronkelijke
exemplaar van het rapport na daartoe strekkend schriftelijk verzoek
van de aspirant-adoptiefouders uitsluitend verstrekt aan de
vergunninghouder wiens bemiddeling door de aspirant-adoptiefouders is
ingeroepen. In geval van afwijzing van een verzoek tot verlening van
een beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan
wordt aan de aspirant-adoptiefouders op hun schriftelijk verzoek een
afschrift van het rapport verstrekt.
5.Onze Minister beslist afwijzend op een verzoek tot verlening van
een beginseltoestemming:
a. indien hij een aspirant-adoptiefouder niet geschikt acht
voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind;
b. indien een der aspirant-adoptiefouders op het tijdstip van
de indiening van het verzoek de leeftijd van tweeënveertig jaren
heeft bereikt, tenzij bijzondere omstandigheden inwilliging van
het verzoek naar zijn oordeel wenselijk maken.
6.Onze Minister beslist afwijzend op een verzoek tot verlening of
verlenging van de geldigheidsduur van een beginseltoestemming indien
te verwachten is dat op het tijdstip waarop een buitenlands kind zou
kunnen worden opgenomen, het verschil in leeftijd tussen een der
aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind meer dan veertig
jaren bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden inwilliging van het
verzoek naar zijn oordeel wenselijk maken.
7.Onze Minister kan met het oog op het vereiste dat het
leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouders en buitenlands kind
de veertig jaren niet te boven gaat, een voorwaarde stellen met
betrekking tot de leeftijd van het buitenlandse kind.
8.De afwijzing van een verzoek tot verlening van een
beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan
wordt met redenen omkleed schriftelijk ter kennis gebracht van de
aspirant-adoptiefouders.
Artikel 6
1.Indien blijkt dat aspirant-adoptiefouders aan wie een
beginseltoestemming is verleend, niet langer geschikt zijn voor de
verzorging en opvoeding van een buitenlands kind, besluit Onze
Minister tot intrekking van de beginseltoestemming.
2.Een besluit tot intrekking van een beginseltoestemming wordt
eerst genomen nadat de raad voor de kinderbescherming opnieuw een
onderzoek heeft ingesteld.
Artikel 7
1. Ten behoeve van de beslissing op bezwaar tegen een besluit,
inhoudende de afwijzing van een verzoek tot verlening van een
beginseltoestemming of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan
alsmede de intrekking van een beginseltoestemming wint Onze Minister,
onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende bescheiden,
schriftelijk advies in van de Raad voor strafrechtstoepassing en
jeugdbescherming. Artikel 7:13, tweede tot en met zevende lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2. Door de Raad opgeroepen getuigen en deskundigen ontvangen
desverkiezend een vergoeding uit de openbare kas, door de voorzitter
van de Raad te begroten overeenkomstig het bij of krachtens de Wet
griffierechten burgerlijke zaken bepaalde.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing:
a. indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit tot afwijzing
van het verzoek tot verlening van een beginseltoestemming op grond
van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, en de
aspirant-adoptiefouders zich bij het bezwaar niet op bijzondere
omstandigheden hebben beroepen;
b. indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit tot
verlenging van de geldigheidsduur van de beginseltoestemming voor
een duur korter dan vier jaren en artikel 3, eerste lid, tweede
volzin, van toepassing is, en de aspirant-adoptiefouders zich bij
het bezwaar niet op bijzondere omstandigheden hebben beroepen.
Artikel 7a
1.Indien de aspirant-adoptiefouders gebruik wensen te maken van
activiteiten van autoriteiten, instellingen of personen in het
buitenland, doen zij hiervan onder overlegging van alle voor deze
procedure relevante bescheiden opgave aan de vergunninghouder aan wie
het rapport is verstrekt. De vergunninghouder onderzoekt deze
autoriteiten, instellingen of personen op zuiverheid en zorgvuldigheid
van handelen.
2.Naar aanleiding van het in het eerste lid bedoelde onderzoek
brengt de vergunninghouder schriftelijk, met redenen omkleed, advies
uit aan Onze Minister. Van de toezending van het advies doet hij
schriftelijk mededeling aan de aspirant-adoptiefouders.
3.Na ontvangst van het advies besluit Onze Minister of de
doorzending van het rapport en de bemiddeling zullen plaatsvinden. Aan
dat besluit kan hij voorwaarden verbinden. De doorzending en de
bemiddeling zullen niet plaatsvinden indien aannemelijk is dat de
aspirant-adoptiefouders bij de opneming van een buitenlands kind niet
zullen handelen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8,
onder d en e, of door hun handelen schade zullen toebrengen aan de
door de vergunninghouder opgebouwde relaties met instellingen,
autoriteiten of personen in het buitenland, dan wel indien er gegronde
redenen zijn om te twijfelen aan de zuiverheid en de zorgvuldigheid
van hun handelen. Tot die redenen behoort in ieder geval de
omstandigheid dat aan de bemiddeling voor aspirant-adoptiefouders
onevenredig hoge kosten zijn verbonden.
4.Indien het in het tweede lid bedoelde advies niet aan Onze
Minister is toegezonden binnen acht weken nadat opgave is gedaan van
de in het buitenland gelegde contacten, kunnen aspirant-adoptiefouders
zich tot Onze Minister wenden met het verzoek over de doorzending te
beslissen. Het besluit omtrent de doorzending wordt binnen acht weken
na de ontvangst van dat verzoek genomen.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
ten aanzien van de maatstaven die bij het in het eerste lid bedoelde
onderzoek dienen te worden gehanteerd.
Hoofdstuk 3. Het buitenlandse kind en zijn opneming
Artikel 8
Onverminderd het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000,
dient bij de binnenkomst in Nederland van een buitenlands kind met het
oog op adoptie aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
a. het buitenlandse kind mag op het tijdstip van binnenkomst in
Nederland de leeftijd van zes jaren niet bereikt hebben, behoudens
de bevoegdheid van Onze Minister om in bijzondere gevallen, op
schriftelijk verzoek van de aspirant-adoptiefouders, een afwijking
van deze leeftijdsgrens toe te staan;
b. door de aspirant-adoptiefouders dient een medische verklaring
met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd;
c. door de aspirant-adoptiefouders dient te worden aangegeven, op
welke wijze bij de opneming van het buitenlands kind is gebruik
gemaakt van de bemiddeling van een vergunninghouder;
d. door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze
door middel van bescheiden te worden aangetoond dat de afstand door
de ouder of de ouders van het buitenlandse kind naar behoren is
geregeld;
e. door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze
door middel van bescheiden te worden aangetoond dat de autoriteiten
in het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van
het buitenlandse kind.
Artikel 9
1.De aspirant-adoptiefouders dan wel de adoptiefouders zijn vanaf
het tijdstip van het vertrek van het buitenlandse kind naar Nederland
verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van dat
kind als ware het hun eigen kind. De kosten van terugkeer naar het
land van herkomst komen eveneens te hunnen laste.
2.De in het eerste lid omschreven verplichtingen rusten eveneens op
degene die in strijd met artikel 2 heeft gehandeld.
3.De bepalingen van titel 17 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3a. Tegemoetkoming kosten
Artikel 9a
1. Onze Minister verleent adoptiefouders op hun verzoek een
tegemoetkoming in de kosten die zij gemaakt hebben in verband met de
interlandelijke adoptie van een kind indien:
a. het verzoek is ingediend binnen drie jaren nadat het kind
door de adoptiefouders is geadopteerd;
b. het kind de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of,
indien geen van de adoptiefouders de Nederlandse nationaliteit
heeft, het kind de nationaliteit van ten minste één van de
adoptiefouders heeft verkregen;
c. de adoptie in overeenstemming met deze wet is afgerond.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
aanvraag van de tegemoetkoming.
Artikel 9b
1. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van interlandelijke
adoptie als bedoeld in artikel 9a bedraagt € 3 700.
2. Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in het
eerste lid, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan
de hand van de consumentenprijsindex.
Artikel 9c
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op kinderen die tussen 1
januari 2009 en 1 januari 2013 zijn geadopteerd.
Artikel 10
1.Indien is gehandeld in strijd met artikel 2 kan de kinderrechter
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige,
tenzij dit niet verenigbaar is met het belang van de minderjarige. In
geval van voorlopige voogdij wendt de raad voor de kinderbescherming
zich binnen zes weken tot de rechter ten einde een voorziening in het
gezag over de minderjarige te verkrijgen. Artikel 241, vierde, vijfde
en zesde lid alsmede artikel 306a van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 813, tweede lid
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
2.De voorlopige voogdij eindigt, behoudens eerdere intrekking, op
het tijdstip waarop hetzij de voogdij over de minderjarige, dan wel
diens verblijf bij aspirant-adoptiefouders aan wie een
beginseltoestemming is verleend, een aanvang neemt, hetzij de
minderjarige in het land van herkomst wordt teruggeplaatst.
3.De kosten die de stichting ten behoeve van de minderjarige moet
maken, komen ten laste van degene die de minderjarige in strijd met
artikel 2 heeft opgenomen. De artikelen 69 en 71 tot en met 76 van de
Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Het gezinsonderzoek na binnenkomst in Nederland van een
tijdens gewoon verblijf in het buitenland opgenomen buitenlands kind
Artikel 11
Wanneer het buitenlandse kind, na opneming door
aspirant-adoptiefouders in een periode waarin zij hun gewone
verblijfplaats in het buitenland hadden, te zamen met de
aspirant-adoptiefouders in Nederland is binnengekomen, wordt ambtshalve
het onderzoek bedoeld in artikel 5, eerste lid, ingesteld.
Artikel 12
1.Op grond van het in artikel 11 bedoelde onderzoek beslist Onze
Minister of hij de aspirant-adoptiefouders geschikt acht voor de
verzorging en opvoeding van het buitenlandse kind.
2.Indien Onze Minister de aspirant-adoptiefouders niet geschikt
acht voor de verzorging en opvoeding van het buitenlandse kind, doet
hij van zijn beslissing tevens mededeling aan de officier van
justitie. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
In geval van bezwaar bij Onze Minister tegen het in artikel 12
bedoelde besluit is artikel 7 van overeenkomstige toepassing. Een
zodanig bezwaar schorst niet een maatregel die met overeenkomstige
toepasing van artikel 10 is genomen.
Artikel 14
1.De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing indien het
buitenlandse kind, na opneming door aspirant-adoptiefouders in een
periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hebben,
door hen gedurende ten minste een jaar aldaar is verzorgd en opgevoed
en de verzorging en opvoeding van dat kind na binnenkomst in Nederland
door hen zal worden voortgezet.
2.De bepalingen van deze wet blijven eveneens buiten toepassing
indien de adoptie, in een periode waarin de aspirant-adoptiefouders
hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, is tot stand
gekomen in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot
stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de
samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993,
197), welke overeenstemming blijkt uit een schriftelijke verklaring
van de bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptie heeft
plaatsgevonden.
Hoofdstuk 5. De vergunning en de werkzaamheden van vergunninghouders
Artikel 15
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister te bemiddelen
inzake de opneming van een buitenlands kind met het oog op adoptie.
Artikel 16
1.De vergunning wordt door Onze Minister op verzoek verleend aan
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid wiens zetel zich in
Nederland bevindt en die voldoet aan het bij en krachtens de volgende
leden bepaalde.
2.De aanvrager dient krachtens zijn doelstellingen te bemiddelen
inzake de opneming hier te lande van buitenlandse kinderen, in de
gevallen dat deze opneming in het belang van de betrokken kinderen kan
worden geacht.
3.De werkzaamheden van de aanvrager mogen niet zijn gericht op het
maken van winst.
4.Het bestuur van de aanvrager moet uit ten minste drie leden
bestaan en zodanig zijn samengesteld dat de behartiging van de
belangen van de buitenlandse kinderen en de aspirant-adoptiefouders is
gewaarborgd.
5.De aanvrager moet zodanig zijn toegerust dat een zorgvuldige en
doeltreffende uitvoering van zijn werkzaamheden is gewaarborgd.
6.De aanvrager moet bereid zijn tot samenwerking met andere
vergunninghouders, in het bijzonder op het terrein van de algemene
voorlichting van de aspirant-adoptiefouders.
7.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
inzake de eisen bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid. Daarin
worden in ieder geval regels gesteld betreffende de verzameling van
gegevens over het kind voor zijn komst naar Nederland.
Artikel 16a
Een vergunning wordt verleend voor een geldigheidsduur van drie
jaren. Op verzoek van de vergunninghouder kan Onze Minister de
geldigheidsduur van de vergunning verlengen voor een periode van telkens
vijf jaren. Een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de
vergunning wordt uiterlijk twaalf weken voor het verstrijken van de
geldigheidsduur van de bestaande vergunning ingediend.
Artikel 17
Onze Minister beslist afwijzend op een verzoek tot verlening van een
vergunning of tot verlenging van de geldigheidsduur ervan indien hetzij
gegronde vrees bestaat dat de aanvrager het bij of krachtens deze wet
bepaalde niet zal naleven, hetzij de aanvrager naar verwachting te
weinig toekomstmogelijkheden met betrekking tot bemiddeling inzake de
opneming van buitenlandse kinderen heeft.
Artikel 17a
1.De volgende werkzaamheden maken deel uit van de taak van de
vergunninghouder:
a. hij onderhoudt ten behoeve van de aspirant-adoptiefouders
contacten met de Nederlandse en de buitenlandse autoriteiten,
instellingen en personen die bij de opneming van het buitenlandse
kind betrokken zijn. Hij zendt hun de noodzakelijke gegevens toe
omtrent de aspirant-adoptiefouders en omtrent de kinderen waarvoor
zij de zorg op zich zouden kunnen nemen.
b. hij doet zo nodig onderzoek verrichten door en vraagt advies
aan deskundige personen of instellingen in Nederland of in de
staat van herkomst van het buitenlandse kind;
c. hij assisteert de aspirant-adoptiefouders bij de in het
buitenland in verband met de opneming van het buitenlandse kind te
volgen procedures en bij de verkrijging van de voor toelating van
dat kind in Nederland noodzakelijke bescheiden;
d. hij ziet erop toe dat tussen de aspirant-adoptiefouders en
de ouders van het kind of een andere persoon aan wie de zorg voor
het kind is toevertrouwd geen contact wordt gelegd totdat
vaststaat:
1°. dat het kind voor adoptie in aanmerking komt;
2°. dat de autoriteiten van de staat van herkomst
instemmen met de opneming van het kind door de
aspirant-adoptiefouders, en
3°. dat de vereiste toestemmingen van personen en
instellingen in de staat van herkomst zijn verkregen;
e. hij belast zich met het aanvragen van de machtiging tot
voorlopig verblijf voor het buitenlandse kind;
f. hij assisteert de aspirant-adoptiefouders bij het regelen
van de overkomst van het buitenlandse kind naar Nederland en ziet
erop toe dat deze overbrenging in alle veiligheid en onder
passende omstandigheden geschiedt, zo mogelijk in gezelschap van
de aspirant-adoptiefouders;
g. hij geeft de aspirant-adoptiefouders dan wel de
adoptiefouders begeleiding nadat het buitenlandse kind is
opgenomen.
2.Het eerste lid, onderdeel d, geldt niet indien de adoptie
plaatsvindt binnen eenzelfde familie of indien aan de door de bevoegde
autoriteit van de staat van herkomst ten aanzien van dat contact
gestelde voorwaarden is voldaan.
Artikel 17b
1.De vergunninghouder vergaart zoveel mogelijk gegevens met
betrekking tot de afkomst en de achtergrond van het buitenlandse kind
in de staat van herkomst.
2.De vergunninghouder houdt een dossier bij van elke door hem
verleende bemiddeling. Het dossier bevat afschriften van alle
correspondentie die met betrekking tot de opneming van het
buitenlandse kind is gevoerd alsmede kopieën van de bescheiden die
bij de binnenkomst van het kind in Nederland zijn getoond. Voorts
bevat het alle in het eerste lid bedoelde gegevens. Het dossier wordt
gedurende ten minste dertig jaren na de binnenkomst van het
buitenlandse kind in Nederland bewaard.
3.Indien de adoptieprocedure geen voortgang vindt, zendt de
vergunninghouder de originelen van de door hem ontvangen bescheiden
betreffende het buitenlandse kind terug aan de autoriteiten die deze
hebben verzonden.
Artikel 17c
1.Indien de staat van herkomst partij is bij het op 29 mei 1993 te
's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de internationale
samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de
interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197), dan wel indien de
regelgeving van de staat van herkomst zulks vereist, houdt de
vergunninghouder de bevoegde autoriteiten van de staat van herkomst op
de hoogte van de adoptieprocedure en de maatregelen die worden genomen
om deze af te wikkelen alsmede van het verloop van de aan de adoptie
voorafgaande verzorgingsperiode.
2.Voorts geeft de vergunninghouder, na de aspirant-adoptiefouders,
de adoptiefouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het kind
daaromtrent te hebben geïnformeerd, gevolg aan met redenen omklede
verzoeken van de autoriteiten van de staat van herkomst om informatie
over de situatie met betrekking tot de adoptie.
Artikel 17d
1.De vergunninghouder verstrekt aan het buitenlandse kind alsmede
aan de aspirant-adoptiefouders, de adoptiefouders dan wel de
wettelijke vertegenwoordiger desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in
en afschrift van de bescheiden die hij met betrekking tot de adoptie
onder zich heeft.
2.De inzage in of het afschrift van de bescheiden wordt aan het
buitenlandse kind geweigerd indien het:
a. jonger dan twaalf jaar is, of
b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat
kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
terzake.
3.In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, worden desgevraagd aan
de aspirant-adoptiefouders, de adoptiefouders of de wettelijke
vertegenwoordiger inlichtingen, dan wel inzage in of afschrift van de
bescheiden verstrekt.
Artikel 17e
1.Onverminderd de overige bepalingen van deze wet, verstrekt de
vergunninghouder aan anderen dan het buitenlandse kind of de
aspirant-adoptiefouders, de adoptiefouders dan wel de wettelijke
vertegenwoordiger geen inlichtingen over de adoptie dan wel inzage in
of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van het
buitenlandse kind, indien het de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt. Heeft het buitenlandse kind de leeftijd van zestien jaren nog
niet bereikt of heeft het deze leeftijd bereikt, doch kan het niet in
staat worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter
zake, dan is voor de hier bedoelde verstrekking de toestemming van de
aspirant-adoptiefouders, de adoptiefouders of de wettelijke
vertegenwoordiger vereist.
2.Onder anderen dan het buitenlandse kind en de
aspirant-adoptiefouders, de adoptiefouders dan wel de wettelijke
vertegenwoordiger zijn niet begrepen instanties die bij de adoptie
betrokken zijn en degenen die betrokken zijn bij de uitvoering of de
voorbereiding van een maatregel van kinderbescherming.
Artikel 17f
1.Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan
worden geweigerd indien de persoonlijke levenssfeer van een ander dan
het buitenlandse kind daardoor zou worden geschaad.
2.Van het rapport, bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt geen
afschrift verstrekt.
3.Voor de verstrekking van een afschrift kan de kostprijs daarvan
in rekening worden gebracht.
Artikel 17g
In het geval, bedoeld in artikel 7a, blijft artikel 17a buiten
toepassing, behoudens het eerste lid onder e. Voorts blijven in dat
geval buiten toepassing de artikelen 17b, eerste lid, en artikel 17e.
Artikel 18
1.Onze Minister trekt een vergunning in:
a. indien de gegevens die met het oog op de verkrijging van de
vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken
dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij
de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend
zouden zijn geweest;
b. indien niet langer wordt voldaan aan een der eisen gesteld
bij of krachtens artikel 16.
2.Onze Minister kan een vergunning intrekken:
a. indien de vergunninghouder het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 20 tot en met 23, dan wel het bepaalde bij de artikelen
8 of 32 niet heeft nageleefd;
b. indien de vergunninghouder gedurende ten minste twee jaren
geen bemiddeling inzake de opneming van een buitenlands kind heeft
voltooid.
Artikel 19
Indien artikel 18 wordt toegepast, beslist Onze Minister desgewenst
door welke vergunninghouder of vergunninghouders de werkzaamheden van de
rechtspersoon wiens vergunning is ingetrokken, voortgezet en zo nodig
beëindigd zullen worden.
Artikel 20
1.De vergunninghouder bemiddelt inzake de opneming van een
buitenlands kind uitsluitend ten behoeve van de
aspirant-adoptiefouders die beschikken over een geldige
beginseltoestemming overeenkomstig het in die beginseltoestemming
bepaalde.
2.De vergunninghouder bemiddelt niet inzake de opneming van een
buitenlands kind buiten Nederland.
3.De vergunninghouder betaalt geen onevenredig hoge vergoedingen
voor in verband met zijn bemiddeling verrichte diensten.
4.De vergunninghouder knoopt geen betrekkingen aan met instellingen
of organisaties in het buitenland die reeds met andere
vergunninghouders betrekkingen onderhouden met het oog op bemiddeling
inzake de opneming van buitenlandse kinderen met het oog op adoptie.
5.Onze Minister stelt regels met betrekking tot de gegevens die
door de vergunninghouder in verband met het toezicht op de naleving
van het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel moeten
worden verstrekt betreffende zijn betrekkingen met instanties in het
buitenland.
Artikel 21
1.De vergunninghouder schrijft uitsluitend aspirant-adoptiefouders
in die beschikken over een beginseltoestemming, tenzij dezelfde
vergunninghouder reeds eerder heeft bemiddeld voor de
aspirant-adoptiefouders.
2.De vergunninghouder schrijft geen aspirant-adoptiefouders in die
reeds bij een andere vergunninghouder zijn ingeschreven.
3.De vergunninghouder houdt bij zijn bemiddeling zo veel mogelijk
de volgorde aan waarin de bij hem ingeschreven aspirant-adoptiefouders
een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming hebben
ingediend.
4.De vergunninghouder draagt de gegevens van de bij hem
ingeschreven aspirant-adoptiefouders die zich bij een andere
vergunninghouder willen laten inschrijven, over aan die andere
vergunninghouder onder gelijktijdige uitschrijving van die
aspirant-adoptiefouders.
5.De vergunninghouder verstrekt de gegevens van de bij hem
ingeschreven aspirant-adoptiefouders slechts aan autoriteiten of
instellingen in het buitenland voor zover de noodzaak daartoe uit zijn
werkzaamheden met het oog op zijn bemiddeling inzake de opneming van
een buitenlands kind voortvloeit.
6.De vergunninghouder stelt Onze Minister in kennis van elke
opneming van een buitenlands kind door aspirant-adoptiefouders dan wel
de adoptiefouders die ten tijde van de opneming bij hem waren
ingeschreven.
Artikel 22
Ingeval aspirant-adoptiefouders hun inschrijving bij een
vergunninghouder beëindigen en zich bij een andere vergunninghouder
laten inschrijven, geeft deze laatste hiervan kennis aan Onze Minister.
Artikel 23
1.De vergunninghouder voert een deugdelijke administratie en houdt
van zijn vermogenstoestand en van alles wat zijn werkzaamheden betreft
een zodanige boekhouding bij, dat daaruit te allen tijde zijn rechten
en verplichtingen kunnen worden gekend.
2.De vergunninghouder doet jaarlijks verslag van zijn werkzaamheden
zowel in als buiten Nederland aan Onze Minister en zendt hem tevens
binnen zes maanden na afloop van het boekjaar zijn balans en staat van
baten en lasten met toelichting zoals deze na vaststelling van het
bedrag der inkomsten en uitgaven en, indien vereist, goedkeuring
luiden.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld
waaraan de stukken welke ingevolge het tweede lid aan Onze Minister
moeten worden toegezonden, moeten voldoen; tevens kunnen daarbij
regelen worden gesteld ten aanzien van de overdracht van de
administratie van de vergunninghouder na intrekking van diens
vergunning dan wel beëindiging van diens werkzaamheden op andere
wijze.
Artikel 24
1.Onze Minister wijst ambtenaren aan die tot taak hebben het beheer
van een centrale lijst van aspirant-adoptiefouders die over een
geldige beginseltoestemming beschikken.
2.De centrale lijst van aspirant-adoptiefouders kan te allen tijde
door belanghebbenden worden ingezien.
Hoofdstuk 5A. De klachtencommissie
Artikel 24a
1.Er is een klachtencommissie voor klachten over gedragingen van
vergunninghouders. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gegeven over benoeming, samenstelling en bevoegdheden alsmede
over de klachtenprocedure.
2.Het ontwerp van de in het eerste lid genoemde maatregel wordt aan
de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen een termijn van
vier weken na de overlegging kan door of namens een der kamers of door
ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der
kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de
algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval
wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk
ingediend.
Hoofdstuk 6. Toezicht en strafbepalingen
Artikel 25
1.Met het toezicht op de naleving door de vergunninghouders van de
voor hen geldende voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen
16 en 20 tot en met 23, zijn belast de door de Inspectie jeugdzorg
aangewezen personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht.
2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij de artikelen
2 en 8, zijn belast:
1°. de directeur van de raad voor de kinderbescherming alsmede
de door hem aangewezen ambtenaren;
2°. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen en
de grensbewaking.
Artikel 26
De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden genoemd in de
artikelen 5:15, 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 27
1.Hij die uit winstbejag handelt in strijd met artikel 15 of
artikel 20, eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 28
1.Hij die handelt in strijd met artikel 2, artikel 8, artikel 15 of
artikel 20, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
2.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 32 [Vervallen per 01-10-1998]
Artikel 33
1.Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2.Deze wet is niet van toepassing op verzoeken tot verlening van
een beginseltoestemming welke voorafgaande aan de dag van haar
inwerkingtreding zijn ingediend.
3.Voor verenigingen en stichtingen die gedurende tenminste drie
jaren onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet
bemiddeling hebben verleend bij de opneming in Nederland van
buitenlandse pleegkinderen geldt het bepaalde in artikel 15 niet
gedurende een maand na de inwerkingtreding van deze wet, en, indien
zij binnen die maand een vergunning tot bemiddeling hebben
aangevraagd, evenmin zolang op die aanvrage niet onherroepelijk is
beslist.
Artikel 34
Deze wet wordt aangehaald als: Wet opneming buitenlandse kinderen ter
adoptie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 8 december 1988
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
V.N.M. Korte-van Hemel
Uitgegeven de twintigste december 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|