Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 6 december 2001 tot wijziging van
de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de modernisering van
de organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (Wet
organisatie en bestuur gerechten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op
de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de
modernisering van de organisatie en de instelling van een bestuur bij de
gerechten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
Artikel II
[Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren]
Artikel III
De Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten wordt
ingetrokken.
Artikel IV
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling]
Artikel V
[Wijzigt de Beroepswet]
Artikel VI
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel VII
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel VIII
[Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden]
Artikel IX
1. De benoemingen van
degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet
als kantonrechter zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een
benoeming tot vice-president van de rechtbank tot het rechtsgebied
waarvan het kantongerecht behoort. Zij worden als zodanig niet beëdigd
en geïnstalleerd. In afwijking van artikel 15 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren worden zij in salariscategorie 8 ingepast op het
bedrag dat zij voorafgaand aan hun benoeming tot vice-president genoten.
Zij worden belast met het behandelen en beslissen van kantonzaken. De
kantonrechters die de werkzaamheden van kantonrechter in een
nabijgelegen kanton op zich hebben genomen en in verband hiermee op
basis van artikel 11 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
een salarisvermeerdering genieten, blijven in het genot hiervan voor
zolang zij deze werkzaamheden na inwerkingtreding van deze wet blijven
verrichten.
2. De benoemingen van degenen,
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als
kantonrechter-plaatsvervanger zijn benoemd, worden van rechtswege
gewijzigd in een benoeming tot rechter-plaatsvervanger in de rechtbank
tot het rechtsgebied waarvan het kantongerecht behoort. Zij worden als
zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd. Indien een
kantonrechter-plaatsvervanger voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet tijdelijk is aangewezen voor het verrichten van een taak voor
een periode tot na de datum van inwerkingtreding van de wet, wordt deze
aanwijzing van rechtswege beëindigd. De eerste en tweede volzin zijn
niet van toepassing ten aanzien van de kantonrechters-plaatsvervangers
die al president van, coördinerend vice-president van, vice-president
van, rechter in of rechter-plaatsvervanger in een rechtbank zijn.
3. In afwijking van het eerste
lid worden de benoemingen van de kantonrechters, die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn aangewezen als
coördinerend kantonrechter, van rechtswege gewijzigd in een benoeming
tot coördinerend vice-president van de rechtbank in het rechtsgebied
waarvan zij als coördinerend kantonrechter zijn aangewezen. Zij worden
als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd. De aanwijzingen als
coördinerend kantonrechter worden van rechtswege beëindigd.
4. De benoeming van een
kantonrechter tot rechter-plaatsvervanger in de rechtbank, waarvan hij
op grond van dit artikel tot vice-president onderscheidenlijk
coördinerend vice-president wordt benoemd, of in een of meer andere
rechtbanken, vervalt van rechtswege.
5. De benoemingen van degenen, die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn benoemd als
lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid van de pachtkamer van een
kantongerecht, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot
deskundig lid onderscheidenlijk plaatsvervangend deskundig lid van een
pachtkamer binnen de sector kanton van de rechtbank tot het rechtsgebied
waarvan het kantongerecht behoort.
Artikel X
1. De benoemingen van
degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet
als president van een gerechtshof zijn benoemd, worden van rechtswege
gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president senior van
hetzelfde gerechtshof. Zij worden als zodanig niet beëdigd en
geïnstalleerd.
2. De benoemingen van degenen,
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als
president van een arrondissementsrechtbank zijn benoemd, worden van
rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president
senior van dezelfde rechtbank. Zij worden als zodanig niet beëdigd en
geïnstalleerd.
3. De benoeming van degene,
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als
president van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk president
van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is benoemd, wordt van
rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president
senior van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van
Beroep voor het bedrijfsleven.
4. Voor de toepasselijkheid
van het bij of krachtens de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde worden degenen die als
coördinerend vice-president senior van een gerechtshof
onderscheidenlijk een rechtbank zijn benoemd, aangemerkt als rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
de Wet op de rechterlijke organisatie, werkzaam bij een gerechtshof
onderscheidenlijk een rechtbank.
5. Voor de toepasselijkheid
van het bij of krachtens de Beroepswet onderscheidenlijk de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie bepaalde wordt degene die als
coördinerend vice-president senior van de Centrale Raad van Beroep
onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven is
benoemd, aangemerkt als lid met rechtspraak belast, bedoeld in artikel
2, tweede lid, van de Beroepswet onderscheidenlijk artikel 3, tweede
lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Wat hun
bezoldiging en onkostenvergoeding betreft worden de coördinerend
vice-presidenten senior van de Centrale Raad van Beroep en het College
van Beroep voor het bedrijfsleven gelijkgesteld met datzelfde ambt bij
een gerechtshof.
Artikel XI
1. Degene die op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van deze wet de president van een gerechtshof, een
arrondissementsrechtbank, de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk
het College van Beroep voor het bedrijfsleven is, wordt van rechtswege
benoemd als voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 15, eerste
lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, van hetzelfde
gerechtshof, dezelfde rechtbank, de Centrale Raad van Beroep
onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
2. Degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet de functie van directeur beheer bij een gerechtshof, een
arrondissementsrechtbank, de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk
het College van Beroep voor het bedrijfsleven vervult, wordt van
rechtswege benoemd als niet-rechterlijk lid, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, van hetzelfde
gerechtshof, dezelfde rechtbank, de Centrale Raad van Beroep
onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
3. Degene die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is benoemd als
kantonrechter en tevens is aangewezen als coördinerend kantonrechter,
wordt van rechtswege benoemd als sectorvoorzitter, bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, van de sector
kanton binnen de rechtbank in het rechtsgebied waarvan hij als
coördinerend kantonrechter is aangewezen.
4. Degene die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze bepaling is benoemd als rechterlijk ambtenaar
met rechtspraak belast bij een gerechtshof onderscheidenlijk een
arrondissementsrechtbank en tevens functioneert als sectorvoorzitter,
wordt bij inwerkingtreding van deze wet van rechtswege benoemd als
sectorvoorzitter, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, bij hetzelfde gerechtshof onderscheidenlijk
dezelfde rechtbank, indien bij dat gerechtshof onderscheidenlijk die
rechtbank op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
bepaling ten hoogste vier sectorvoorzitters functioneren.
5. Degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet is benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij
een gerechtshof onderscheidenlijk een arrondissementsrechtbank, tevens
functioneert als sectorvoorzitter en voorkomt op een lijst als bedoeld
in het zesde lid, wordt bij inwerkingtreding van deze wet van rechtswege
benoemd als sectorvoorzitter, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Wet op de rechterlijke organisatie, bij hetzelfde gerechtshof
onderscheidenlijk dezelfde rechtbank, indien bij dat gerechtshof
onderscheidenlijk die rechtbank op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze bepaling meer dan vier sectorvoorzitters
functioneren.
6. Indien op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling
bij een gerechtshof onderscheidenlijk een arrondissementsrechtbank meer
dan vier sectorvoorzitters functioneren, stelt de president van dat
gerechtshof onderscheidenlijk die arrondissementsrechtbank uit deze
sectorvoorzitters een lijst vast van ten hoogste vier sectorvoorzitters.
De gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad worden vooraf over
de lijst gehoord. Deze lijst alsmede de adviezen van de
gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad worden aan Onze
Minister gezonden. Indien twee maanden voor inwerkingtreding van deze
wet de president van het gerecht geen lijst heeft vastgesteld, stelt
Onze Minister in overeenstemming met het hoofdbestuur van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak de lijst vast. De tweede volzin is van
overeenkomstige toepassing.
7. Degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze bepaling is benoemd als lid met rechtspraak belast bij de Centrale
Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het
bedrijfsleven, niet zijnde president, en tevens deel uitmaakt van het
dagelijks bestuur van dat college, wordt bij inwerkingtreding van deze
wet van rechtswege benoemd als lid van het bestuur, niet zijnde
voorzitter of niet-rechterlijk lid, bedoeld in artikel 3 van de
Beroepswet onderscheidenlijk artikel 4 van de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie, van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, indien bij dat college op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling ten hoogste
vier bestuursleden, niet zijnde president of directeur beheer, deel
uitmaken van het dagelijks bestuur.
8. Degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet is benoemd als lid met rechtspraak belast bij de Centrale Raad
van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het
bedrijfsleven, niet zijnde president, tevens deel uitmaakt van het
dagelijks bestuur van dat college en voorkomt op een lijst als bedoeld
in het negende lid, wordt bij inwerkingtreding van deze wet van
rechtswege benoemd als lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of
niet-rechterlijk lid, bedoeld in artikel 3 van de Beroepswet
onderscheidenlijk artikel 4 van de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie, van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, indien bij dat college
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling meer dan vier
bestuursleden, niet zijnde president of directeur beheer, deel uitmaken
van het dagelijks bestuur.
9. Indien op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling
bij de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep
voor het bedrijfsleven meer dan vier bestuursleden, niet zijnde
president of directeur beheer, deel uitmaken van het dagelijks bestuur,
stelt de president van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het
College van Beroep voor het bedrijfsleven uit deze leden van het
dagelijks bestuur een lijst vast van ten hoogste vier bestuursleden,
niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid. De
gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad worden vooraf over de
lijst gehoord. Deze lijst alsmede de adviezen van de
gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad worden aan Onze
Minister gezonden. Indien twee maanden voor inwerkingtreding van deze
wet de president van het college geen lijst heeft vastgesteld, stelt
Onze Minister in overeenstemming met het hoofdbestuur van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak de lijst vast. De tweede volzin is van
overeenkomstige toepassing.
10. Artikel 15, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
eerste benoemingstermijn van de sectorvoorzitters bij de gerechtshoven
en de rechtbanken en van de bestuursleden, niet zijnde voorzitter of
niet-rechterlijk lid, van de Centrale Raad van Beroep en het College van
Beroep voor het bedrijfsleven drie jaar bedraagt.
11. Het eerste tot en met
tiende lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de presidenten,
directeuren beheer, coördinerend kantonrechters, sectorvoorzitters en
van een dagelijks bestuur deel uitmakende leden met rechtspraak belast,
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tevens
een functie vervullen die in artikel 15 van de Wet op de rechterlijke
organisatie wordt aangemerkt als onverenigbaar met het zijn van lid van
het bestuur van een gerecht dan wel op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet tevens zijn aangewezen als kwartiermaker
voor de Raad voor de rechtspraak.
Artikel XII
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, die krachtens deze wet wordt
of is benoemd in een ambt met een andere taakinhoud dan wel wordt of
is benoemd in een ambt met een zelfde taakinhoud bij een ander gerecht
of een zelfde gerecht met een andere standplaats, kan op zijn verzoek
ontslag worden verleend bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister van Justitie, indien hij ten tijde van die benoeming de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en ten minste tien aaneengesloten
jaren bij een gerecht een rechtsprekend ambt dan wel het ambt van
gerechtsauditeur of griffier heeft vervuld en het belang van de dienst
zich naar het oordeel van Onze Minister van Justitie, gehoord de
functionele autoriteit, niet tegen ontslag verzet. De rechterlijk
ambtenaar doet zijn verzoek uiterlijk een jaar nadat hij is benoemd.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste lid kan alleen worden
verleend, indien de rechterlijk ambtenaar krachtens deze wet wordt of is
benoemd in:
a. een ambt waarvan de taakinhoud voor ten minste een derde deel
afwijkt van die van het ambt dat hij daaraan voorafgaand vervulde en
van hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet
kan worden gevergd dat hij dat nieuwe ambt vervult;
b. een ambt dat in hoofdzaak wordt vervuld in een plaats die ten
minste 50 kilometer verder verwijderd is van zijn woonplaats dan de
plaats waar hij zijn ambt voorafgaand aan de benoeming in dat nieuwe
ambt in hoofdzaak vervulde dan wel in een plaats die zodanig is
gelegen dat de reistijd in verband met het woon-werkverkeer door
middel van openbaar vervoer per dag totaal ten minste twee uur meer
bedraagt dan voorafgaand aan de benoeming in dat nieuwe ambt, van hem
gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet kan
worden gevergd dat hij op werkdagen heen en weer reist tussen de
plaats waar hij zijn nieuwe ambt in hoofdzaak vervult en zijn
woonplaats, en hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden in
redelijkheid niet een verplichting als bedoeld in artikel 40 van de
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren kan worden opgelegd; of
c. een ambt, met een taakinhoud die overwegend hetzelfde is als die
van het ambt dat hij daaraan voorafgaand vervulde, bij een ander
gerecht waarvan de organisatiestructuur in aanzienlijke mate verschilt
van die van het gerecht waar hij daaraan voorafgaand zijn ambt
vervulde, hij ten tijde van zijn benoeming in het ambt dat hij daaraan
voorafgaand vervulde redelijkerwijs er niet rekening mee hoefde te
houden dat hij zou worden benoemd in een ambt bij een ander gerecht,
en van hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat hij dat nieuwe ambt vervult.
3. Voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld
in het tweede lid wordt advies ingewonnen bij een toetsingscommissie
uittreding zittende magistratuur. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot de
samenstelling en de werkwijze van deze toetsingscommissie.
4. Onze Minister van Justitie kan in uitzonderlijke gevallen, op
advies van de toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur, een
rechterlijk ambtenaar, ten aanzien van wiens benoeming zich niet
volledig een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of
c, voordoet, bij de Kroon voordragen voor ontslag als bedoeld in het
eerste lid.
5. De rechterlijk ambtenaar aan wie op zijn verzoek met
toepassing van het eerste tot en met vierde lid ontslag wordt verleend,
heeft aanspraak op een ontslaguitkering overeenkomstig de bepalingen die
gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren die buiten hun schuld of
toedoen zijn ontslagen.
6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op
de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.
Artikel XIII [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel XIV
1. [Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren]
2. Degenen die ingevolge
artikel X zijn benoemd als coördinerend vice-president senior van een
gerechtshof, een rechtbank, de Centrale Raad van Beroep of het College
van Beroep voor het bedrijfsleven blijven in het genot van het bij die
benoeming behorende salaris en de daarbij behorende onkostenvergoeding
voor zolang zij:
a. zijn benoemd als coördinerend
vice-president senior van dat gerecht; of
b. zijn benoemd in een rechtsprekend ambt bij een gerecht, mits zij
met ingang van het tijdstip van die benoeming bij dat gerecht ook zijn
benoemd als lid van het bestuur en de benoeming aansluit op een
benoeming in een rechtsprekend ambt bij een ander gerecht waarvan zij
met ingang van het tijdstip van die benoeming ook lid van het bestuur
zijn geweest.
Artikel XV
De tewerkstellingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet bij een kantongerecht in een functie,
anders dan die van kantonrechter of kantonrechter-plaatsvervanger, op
basis van een aanstelling werkzaam zijn, worden van rechtswege gewijzigd
in een tewerkstelling in een gelijke functie bij de rechtbank tot het
rechtsgebied waarvan het kantongerecht behoort.
Artikel XVI
1. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet zijn benoemd als waarnemend griffier bij
een kantongerecht, een arrondissementsrechtbank onderscheidenlijk een
gerechtshof, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als
buitengriffier bij de rechtbank tot het rechtsgebied waarvan het
kantongerecht behoort, bij dezelfde rechtbank onderscheidenlijk bij
hetzelfde gerechtshof, tenzij zij op dezelfde dag bij een van deze
gerechten tevens op basis van een aanste lling
werkzaam zijn, als rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding
doorbrengen of als rechterlijk ambtenaar zijn benoemd. Zij worden als
zodanig niet beëdigd.
2. De benoemingen van degenen,
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn
benoemd als plaatsvervangend griffier bij de Centrale Raad van Beroep,
worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als buitengriffier bij
de Centrale Raad van Beroep, tenzij zij op dezelfde dag bij dat college
tevens op basis van een aanstelling werkzaam zijn, als rechterlijk
ambtenaar in opleiding de opleiding doorbrengen of als rechterlijk
ambtenaar zijn benoemd. Zij worden als zodanig niet beëdigd.
Artikel XVII
Het archief van een kantongerecht wordt van rechtswege overgedragen
aan de rechtbank tot het rechtsgebied waarvan dat kantongerecht behoort.
Artikel XVIIA
1. Bij het voor de eerste maal vaststellen van de algemene
maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet
op de rechterlijke organisatie blijft artikel 41, derde lid, buiten
toepassing.
2. Bij het voor de eerste maal vaststellen van de algemene
maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Wet
op de rechterlijke organisatie blijft artikel 59, derde lid, buiten
toepassing.
Artikel XVIII
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
Artikel XIX
Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaren na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel XX
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister
van Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en
hoofdstukken van de Wet op de rechterlijke organisatie opnieuw vast, en
brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de
artikelen,paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van de Wet op de
rechterlijke organisatie met de nieuwe nummering van die wet in
overeenstemming.
Artikel XXI
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel XXII
Deze wet wordt aangehaald als: Wet organisatie en bestuur gerechten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 december 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de achttiende december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|