Nadere regelgeving:
- Reclasseringsregeling
1995
- Uitvoeringsbesluit artikel 58 Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
- Uitvoeringsregeling
reclassering 2005'
WET van 10 september 1986, houdende
regelen betreffende de overname van de tenuitvoerlegging van
buitenlandse strafrechtelijke beslissingen en de overdracht van de
tenuitvoerlegging van Nederlandse strafrechtelijke beslissingen naar het
buitenland
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede met het oog op de
uitvoering door Nederland van het Benelux-verdrag inzake de
tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26
september 1968 (Trb. 1969, 9), het Europees Verdrag inzake de
internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970 (Trb.
1971, 137), het Europees Verdrag inzake het toezicht op voorwaardelijk
veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden van 30 november
1964 (Trb. 1965, 55) en het Verdrag inzake de overbrenging van
gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74) wenselijk
is te voorzien in een algemene regeling betreffende de overname en
overdracht van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen
van en aan vreemde Staten, alsmede enkele wetten in verband daarmede te
wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I
Afdeling A. Begripsbepalingen
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
Rechterlijke beslissing: een bij vonnis of arrest gewezen
rechterlijke beslissing naar aanleiding van een strafbaar feit;
Sanctie: elke bij rechterlijke beslissing opgelegde straf, met
inbegrip van elke naast of in plaats van een straf opgelegde
maatregel;
Veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd.
2.Onder rechterlijke beslissing wordt mede begrepen een door een
bestuurlijke autoriteit ter zake van een strafbaar feit genomen
beslissing, houdende oplegging van een niet tot vrijheidsbeneming
strekkende straf of maatregel, waartegen beroep op de rechter is
opengesteld.
Afdeling B. Voorwaarden voor de overname van de tenuitvoerlegging van
buitenlandse rechterlijke beslissingen in strafzaken
Artikel 2
Tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse rechterlijke
beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.
Artikel 3
1.Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland
slechts worden ten uitvoer gelegd voor zover:
a. de rechterlijke beslissing in die Staat voor
tenuitvoerlegging vatbaar is;
b. de sanctie niet bestaat uit de betaling van proceskosten of
uit een veroordeling tot schadevergoeding aan een benadeelde
partij;
c. de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit
dat naar Nederlands recht eveneens strafbaar is;
d. in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht
eveneens strafbaar zou zijn geweest.
2.Voor de toepassing van het vorige lid wordt een feit naar
Nederlands recht strafbaar geacht, indien krachtens de Nederlandse wet
eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde, als blijkens de in de
vreemde Staat gewezen rechterlijke beslissing op de rechtsorde van die
Staat is gemaakt, strafbaar is.
Artikel 4
Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet
worden ten uitvoer gelegd indien deze betrekking heeft op een
vreemdeling, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft,
of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor
houdt in Nederland, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste
woonplaats in Nederland heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing
voor zover de in de vreemde Staat opgelegde sanctie strekt tot de
betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of
vermogensontneming van vergelijkbare strekking.
Artikel 5
Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet
worden ten uitvoer gelegd indien naar het oordeel van Onze Minister een
gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de
oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras,
godsdienst, levensovertuiging, nationaliteit of politieke overtuiging
van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed.
Artikel 6
1.Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet
worden ten uitvoer gelegd indien het recht tot uitvoering van de straf
naar Nederlands recht zou zijn verjaard.
2.Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet
worden ten uitvoer gelegd indien de veroordeelde ten tijde van het
feit waarvoor de sanctie werd opgelegd de leeftijd van twaalf jaren
nog niet had bereikt.
Artikel 7
1.Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet
worden ten uitvoer gelegd voor zover de veroordeelde ter zake van het
zelfde feit in Nederland wordt vervolgd.
2.Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland
evenmin worden ten uitvoer gelegd voor zover een vervolging in
Nederland onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 68 van het
Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering ten grondslag liggende beginsel.
Hoofdstuk II. Voorlopige maatregelen
Afdeling A. Voorlopige aanhouding
Artikel 8
Voor zover een verdrag daarin voorziet kan de veroordeelde die zich
in Nederland bevindt en aan wie een tot vrijheidsbeneming strekkende
sanctie is opgelegd, waarvan blijkens de in de vreemde Staat
uitgesproken rechterlijke beslissing nog ten minste drie maanden moeten
worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde
redenen bestaan voor de verwachting dat op korte termijn deze sanctie in
Nederland zal worden ten uitvoer gelegd.
Artikel 9
1.Iedere officier van justitie en hulpofficier is bevoegd de
voorlopige aanhouding overeenkomstig artikel 8 te bevelen.
2.De veroordeelde wordt na zijn voorlopige aanhouding binnen
vierentwintig uur geleid voor de officier van justitie of hulpofficier
die het bevel tot de voorlopige aanhouding heeft gegeven.
3.De officier van justitie of hulpofficier kan, na de veroordeelde
te hebben gehoord, bevelen dat deze gedurende achtenveertig uur, te
rekenen van het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering
gesteld zal blijven. De hulpofficier geeft van zijn bevel ten
spoedigste schriftelijk kennis aan de officier van justitie.
4.De termijn van inverzekeringstelling kan door de officier van
justitie eenmaal met achtenveertig uur worden verlengd.
5.De veroordeelde kan te allen tijde door de officier van justitie
in vrijheid worden gesteld. Zolang de termijn van
inverzekeringstelling nog niet is verlengd, komt deze bevoegdheid mede
toe aan de hulpofficier die het bevel tot de voorlopige aanhouding
heeft gegeven.
Artikel 10
1.De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken
in de rechtbank van het arrondissement waarin de veroordeelde
overeenkomstig artikel 9 in verzekering is gesteld, kan, op vordering
van de officier van justitie bij die rechtbank, de bewaring van de
veroordeelde bevelen.
2.Alvorens een bevel ingevolge het vorige lid te geven, hoort de
rechter-commissaris zo mogelijk de veroordeelde.
Artikel 11
1.De bewaring kan worden gelast voor een termijn van ten hoogste
veertien dagen. Zij kan op vordering van de officier van justitie
telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen worden verlengd,
totdat de rechtbank ingevolge artikel 29, tweede lid, over de
gevangenhouding beslist.
2.De veroordeelde wiens bewaring is gelast wordt, behoudens de
mogelijkheid van vrijheidsbeneming uit anderen hoofde, in vrijheid
gesteld:
a. zodra zulks door de rechtbank, de rechter-commissaris of de
officier van justitie ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde
of diens raadsman wordt gelast;
b. zodra de bewaring veertien dagen heeft geduurd en de
officier van justitie de in de artikelen 15 of 17 bedoelde stukken
niet heeft ontvangen;
c. indien de duur van de inverzekeringstelling en de bewaring
die van het voor tenuitvoerlegging vatbare gedeelte van de in de
vreemde Staat opgelegde sanctie zou overtreffen.
Artikel 12
Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een
autoriteit van een vreemde Staat, genomen krachtens een der artikelen
8-11, wordt onverwijld kennis gegeven aan Onze Minister.
Afdeling B. Inbeslagneming
Artikel 13
1.Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een
vreemde Staat kan in Nederland een strafrechtelijk financieel
onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van de
negende afdeling van Titel IV van Boek I van het Wetboek van
Strafvordering, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of
verworven wederrechtelijk verkregen voordeel van een persoon die in de
verzoekende Staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen.
2.Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden
ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit
of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende Staat wordt
verdacht in Nederland zouden zijn begaan.
3.Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan
inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 94, tweede lid,
en artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts
plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat
te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde Staat een verzoek tot
tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden
gedaan.
4.De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting
van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift
aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de
verzoekende vreemde Staat dienstige inlichtingen.
Artikel 13a
1.Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek van een
vreemde Staat voorwerpen in beslag worden genomen:
a. ten aanzien waarvan naar het recht van de vreemde Staat een
tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd,
b. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een tot
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende
verplichting tot betaling van een geldbedrag welke naar het recht
van de vreemde Staat kan worden opgelegd, of
c. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan
te tonen.
2.Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan
slechts plaatsvinden indien blijkens de door de vreemde Staat bij zijn
verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die
Staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven
indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied
zouden bevinden, en inbeslagneming naar Nederlands recht is
toegestaan.
3.Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming naar
Nederlands recht toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn
geweest wanneer het feit of de feiten naar aanleiding waarvan de
inbeslagneming door de vreemde Staat wordt verzocht in Nederland zou
of zouden zijn begaan.
4.Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid,
onder a en b, kan voorts slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen
bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende
vreemde Staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een
verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.
Artikel 13b
1.Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen voorwerpen, ten
aanzien waarvan door een rechter van een vreemde Staat een bevel is
gegeven van vergelijkbare strekking als verbeurdverklaring of
ontneming als wederrechtelijk verkregen voordeel, op verzoek van de
vreemde Staat in beslag worden genomen.
2.Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid kan slechts
plaatsvinden in gevallen, waarin gegronde redenen bestaan voor de
verwachting dat het in dat lid bedoelde bevel op korte termijn in
Nederland zal worden tenuitvoergelegd.
Artikel 13c
1.Het bepaalde in het derde lid van artikel 13 en in het vierde lid
van artikel 13a staat er niet aan in de weg, dat inbeslaggenomen
voorwerpen desverzocht worden overgeleverd aan de verzoekende vreemde
Staat met het oog op de oplegging en tenuitvoerlegging van een
verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel strekkende sanctie. Daartoe worden inbeslaggenomen
voorwerpen ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor
zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag,
daartoe verlof verleent.
2.Het krachtens het eerste lid vereiste verlof wordt slechts
verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse
autoriteiten wordt bedongen, dat de voorwerpen worden teruggezonden,
ook wanneer deze zijn verbeurd verklaard of als wederrechtelijk
verkregen voordeel ontnomen, in welk geval zij in eigendom aan de
Nederlandse Staat worden overgedragen, dan wel dat de verzoekende
Staat een door Onze Minister te bepalen geldbedrag, overeenkomende met
het geheel of een deel van de waarde van de voorwerpen, aan de
Nederlandse Staat doet overmaken. Onze Minister kan besluiten af te
zien van de aanspraak op overmaking van het bedongen geldbedrag,
indien de verzoekende Staat aantoont dat de afgegeven voorwerpen zijn
overgedragen aan derden rechthebbenden.
3.De behandeling van een verzoek of vordering tot verlening van
verlof door de raadkamer geschiedt in het openbaar. Op de behandeling
is het bepaalde in de zesde afdeling van Titel I van Boek I van het
Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
4.Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden
ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking en
door de overige procesdeelnemers binnen veertien dagen na de
dagtekening van de brief waarmee de beschikking is toegezonden.
Artikel 13d
1. Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 13a en 13b zijn
bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheid niet aan
de rechter-commissaris is voorbehouden, iedere officier van justitie
en hulpofficier.
2. Het bepaalde in de artikelen 94b, 94c, 94d, 97-102, 103,
104-114, 116-117a, 118, 118b, 119, 552a, 552c -552e en 556 van het
Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13e
1.Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 552a,
onderscheidenlijk 552c van het Wetboek van Strafvordering treedt de
rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van
belanghebbenden, indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een
uitspraak is gedaan. De rechter kan echter wel in een dergelijk nieuw
onderzoek treden indien:
a. die uitspraak betrekking heeft op rechten terzake van in
Nederland gelegen onroerende goederen of in Nederland te boek
gestelde registergoederen;
b. die uitspraak betreft de geldigheid, de nietigheid of de
ontbinding van in Nederland gevestigde rechtspersonen of de
besluiten van hun organen;
c. die uitspraak is gedaan, zonder dat de belanghebbende, tegen
wie verstek werd verleend, zo tijdig tevoren als met het oog op
zijn verdediging redelijkerwijs nodig was van het geding officieel
in kennis was gesteld;
d. die uitspraak onverenigbaar is met een ter zake eerder in
Nederland gewezen rechterlijke beslissing;
e. erkenning van die uitspraak onverenigbaar zou zijn met de
Nederlandse openbare orde.
2.Indien en zolang ter zake van de rechten van een belanghebbende
een procedure voor de rechter van de vezoekende vreemde Staat
aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet
ontvankelijk.
Artikel 13f
1.Tot het in behandeling nemen van verzoeken als bedoeld in deze
afdeling is bevoegd de officier van justitie in het arrondissement
waar de gevraagde handeling moet worden verricht. Indien handelingen
in meer dan één arrondissement moeten worden verricht, is in elk van
die arrondissementen de officier van justitie tot het in behandeling
nemen van het gehele verzoek bevoegd. De officier van justitie die het
gehele verzoek in behandeling heeft genomen roept voor de uitvoering
ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere
rechtsgebieden. In het belang van een doelmatige afdoening kan hij ook
de behandeling van het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een
ander arrondissement.
2.Verzoeken als bedoeld in deze afdeling worden, zo zij niet tot
een officier van justitie zijn gericht, door de geadresseerde
onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie in het
arrondissement waar de gevraagde handeling moet worden verricht of
waarin het verzoek is ontvangen.
3.Klaagschriften als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van
Strafvordering, alsmede rechtsgedingen als bedoeld in artikel 552c van
dat Wetboek, dienen te worden aanhangig gemaakt bij de rechtbank van
het arrondissement bij welke de officier van justitie is geplaatst bij
wie het gehele verzoek in behandeling is.
Hoofdstuk III. Procedure
Afdeling A. Behandeling van buitenlandse verzoeken tot
tenuitvoerlegging
Artikel 14
Indien de door de vreemde Staat overgelegde stukken naar het oordeel
van Onze Minister onvoldoende zijn om op een verzoek tot
tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de autoriteiten van
de verzoekende Staat de gelegenheid binnen een door hem te stellen
redelijke termijn aanvullende stukken of inlichtingen te verschaffen.
Artikel 15
1. Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het
verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, stelt hij het met
de daarbij behorende stukken in handen van de officier van justitie in
wiens rechtsgebied de veroordeelde zijn woonplaats heeft of zich
bevindt.
2. Wanneer een verzoek om voorlopige aanhouding is voorafgegaan
worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie die in
verband met dat verzoek reeds bij de zaak betrokken is geweest.
3. Indien tegen de veroordeelde in Nederland een vervolging gaande
is kunnen, in afwijking van het voorgaande, de stukken worden
toegezonden aan de officier van justitie die met deze vervolging is
belast.
4. Is de veroordeelde een in artikel 2 van de Wet militaire
strafrechtspraak bedoelde persoon, dan zendt Onze Minister de stukken
toe aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de
rechtbank is gelegen die ingevolge die wet bevoegd is over die persoon
rechtsmacht uit te oefenen.
5. Betreft het verzoek de tenuitvoerlegging van een
vermogenssanctie en is de veroordeelde een natuurlijke persoon zonder
vaste woon- of verblijfplaats in Nederland of een rechtspersoon
waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in Nederland, of
waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in Nederland
heeft, dan worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie
in wiens rechtsgebied voorwerpen aanwezig zijn waarop de sanctie
tenuitvoer kan worden gelegd. Wanneer een verzoek om inbeslagneming is
voorafgegaan worden de stukken toegezonden aan de officier van
justitie die dat verzoek in behandeling heeft genomen.
6. Is op grond van de voorgaande leden voorshands geen bevoegde
officier van justitie aan te wijzen, dan zendt Onze Minister de
stukken toe aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket
Amsterdam.
Artikel 16
Indien de officier van justitie, die het verzoek tot
tenuitvoerlegging heeft ontvangen, van oordeel is dat het niet voor
inwilliging vatbaar is of dat aanleiding bestaat gebruik te maken van
een der in het toepasselijke verdrag omschreven gronden tot weigering
van de tenuitvoerlegging, brengt hij dit oordeel onverwijld vergezeld
van zijn advies ter kennis van Onze Minister, die daaromtrent beslist.
De officier van justitie deelt de veroordeelde, die krachtens deze wet
van zijn vrijheid is beroofd, onverwijld mede op welke dag hij zijn
advies aan Onze Minister heeft uitgebracht.
Afdeling B. Behandeling van Nederlandse verzoeken tot
tenuitvoerlegging in Nederland van in een vreemde Staat opgelegde
sancties
Artikel 17
1. Wanneer een vreemde Staat heeft bewilligd in de
tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in Nederland,
stelt Onze Minister de door de autoriteiten van die Staat overgelegde
stukken in handen van de officier van justitie in het arrondissement
waarin de veroordeelde zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft, of
bij gebreke daarvan in die van de officier van justitie bij het
arrondissementsparket Amsterdam.
2. Is de veroordeelde een in artikel 2 van de Wet militaire
strafrechtspraak bedoelde persoon, dan zendt Onze Minister de stukken
toe aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de
rechtbank is gelegen die ingevolge die wet bevoegd is over die persoon
rechtsmacht uit te oefenen.
Afdeling C. Gerechtelijke procedure
Artikel 18
1.De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag
waarop hij de in artikel 15 of 17 bedoelde stukken heeft ontvangen,
schriftelijk, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging.
Bij zijn vordering legt de officier van justitie de stukken aan de
rechtbank over. Een afschrift van de vordering wordt aan de
veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de officier van
justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die
ingevolge afdeling B van Hoofdstuk II zijn in beslag genomen.
2.De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst van het
tijdstip waarop de officier van justitie overeenkomstig artikel 16
adviseert aan Onze Minister tot het tijdstip waarop de officier van
justitie van Onze Minister bericht ontvangt dat de tenuitvoerlegging
dient te worden gevorderd.
3.Indien de veroordeelde ingevolge deze wet van zijn vrijheid is
beroofd, eindigt de schorsing in elk geval na veertien dagen.
4.Het in de vorige leden bepaalde is niet van toepassing indien de
ten uitvoer te leggen sanctie uitsluitend bestaat uit een geldboete.
Artikel 19
1. De officier van justitie kan naar regelen te stellen bij
algemene maatregel van bestuur de medewerking inroepen van personen en
lichamen, welke op het gebied van de reclassering of op dergelijk
gebied werkzaam zijn, en aan deze de nodige opdrachten geven. De
personen of lichamen, belast met de uitvoering van de opdrachten,
stellen de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, tenzij de opdrachten in een inrichting worden
uitgevoerd.
2. Heeft de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren nog niet
bereikt, dan wint de officier van justitie omtrent diens
persoonlijkheid en levensomstandigheden inlichtingen in bij de raad
voor de kinderbescherming. De laatste volzin van het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1.De in artikel 18 bedoelde vordering wordt bij de politierechter
aanhangig gemaakt, tenzij naar het aanvankelijk oordeel van de
officier van justitie
a. de zaak niet van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ten
aanzien van de beoordeling van de strafbaarheid van het feit of
van de veroordeelde naar Nederlands recht, of
b. door de rechtbank een vrijheidsstraf dient te worden
opgelegd waarvan het alsnog in Nederland ten uitvoer te leggen
gedeelte de duur van een jaar overschrijdt.
2.De politierechter is bevoegd ingevolge deze wet vrijheidsstraf
van meer dan een jaar op te leggen, mits het in Nederland ten uitvoer
te leggen gedeelte van die straf de duur van een jaar niet
overschrijdt.
3.Indien de politierechter oordeelt, dat de zaak door een
meervoudige kamer van de rechtbank moet worden behandeld, verwijst hij
de zaak daar heen. De zaak wordt alsdan op de bestaande vordering door
de meervoudige kamer verder behandeld.
Artikel 21
1.De in artikel 18 bedoelde vordering wordt, indien de veroordeelde
op dat tijdstip de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,
bij de kinderrechter aanhangig gemaakt, tenzij naar het aanvankelijk
oordeel van de officier van justitie en de kinderrechter
a. de zaak niet van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ten
aanzien van de beoordeling van de strafbaarheid van het feit of
van de veroordeelde naar Nederlands recht, of
b. door de rechtbank een vrijheidsstraf dient te worden
opgelegd waarvan het alsnog in Nederland ten uitvoer te leggen
gedeelte de duur van zes maanden overschrijdt.
Maakt de officier van justitie zijn vordering bij de meervoudige
kamer aanhangig, dan neemt de kinderrechter aan het onderzoek ter
terechtzitting deel.
2.De kinderrechter is bevoegd ingevolge deze wet vrijheidsstraf van
meer dan zes maanden op te leggen, mits het in Nederland ten uitvoer
te leggen gedeelte van die straf de duur van zes maanden niet
overschrijdt.
3.Indien de kinderrechter oordeelt dat de zaak door een meervoudige
kamer van de rechtbank moet worden behandeld, verwijst hij de zaak
daar heen. De zaak wordt alsdan op de bestaande vordering door de
meervoudige kamer verder behandeld. De kinderrechter neemt aan het
onderzoek ter terechtzitting deel.
Artikel 22
Betreft de in artikel 18 bedoelde vordering een in artikel 2 van de
Wet militaire strafrechtspraak bedoelde persoon, dan geschiedt de
behandeling daarvan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, voor de
militaire politierechter dan wel de militaire kamer van de rechtbank,
die ingevolge die wet bevoegd is over die persoon rechtsmacht uit te
oefenen.
Artikel 23
De politierechter, de kinderrechter en de militaire politierechter
bezitten elk de bevoegdheden die aan de voorzitter van een meervoudige
kamer van de rechtbank toekomen.
Artikel 24
1.Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 18 bedoelde
vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank het tijdstip waarop
de rechtbank een aanvang zal maken met de behandeling van de
vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter terechtzitting te
verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die der terechtzitting
moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen.
2.Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden
verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring
blijkt.
Artikel 25
De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van
justitie en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de
behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde,
van wie niet blijkt dat hij reeds een raadsman heeft, opmerkzaam gemaakt
op zijn bevoegdheid een of meer raadslieden te kiezen en op de
mogelijkheden tot toevoeging van een raadsman, alsmede op zijn recht op
kennisneming van de processtukken.
Artikel 26
1.De officier van justitie en de veroordeelde zijn bevoegd ten
behoeve van het onderzoek dat de rechtbank ingevolge deze wet heeft te
verrichten en de beslissingen die zij heeft te nemen getuigen en
deskundigen te doen oproepen.
2.De officier van justitie kan bij met redenen omklede beslissing
weigeren getuigen of deskundigen op te roepen, indien redelijkerwijs
moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven
ten einde ter terechtzitting verklaringen af te leggen ter betwisting
van feiten, als bedoeld in artikel 28, derde lid. De beslissing wordt
onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij
wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel 28, zesde
lid.
Artikel 27
1.De behandeling van de vordering heeft plaats in tegenwoordigheid
van de officier van justitie. De veroordeelde wordt in de gelegenheid
gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door zijn raadsman doen
bijstaan.
2.De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar, tenzij
de rechtbank op verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in het
proces-verbaal der zitting te vermelden, redenen sluiting der deuren
beveelt.
Artikel 28
1. De rechtbank onderzoekt de identiteit van de veroordeelde op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het
Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van de
officier van justitie, de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in
Nederland van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en
de feiten en omstandigheden die voor haar beslissing van belang zijn.
De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de veroordeelde vast
te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat
wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a,
tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.
2. De officier van justitie en de veroordeelde en diens raadsman
worden in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting van de rechtbank
te worden gehoord.
3. De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten die
de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag
heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.
4. De artikelen 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, eerste
lid, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid, 280,
281, 286, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 293, 299, 300, 301,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 310, 311, tweede tot en met
vierde lid, 315 tot en met 317, 319, 320, 322, eerste en tweede lid,
324 en 326 tot en met 331 van het Wetboek van Strafvordering vinden
overeenkomstige toepassing.
5. Indien getuigen zijn opgeroepen ter verkrijging van inlichtingen
omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde of indien de rechtbank
het noodzakelijk acht feiten te onderzoeken ter beoordeling van het
bestaan van gronden die naar Nederlands recht, doch niet naar dat van
de vreemde Staat, de strafbaarheid van het feit of de dader
uitsluiten, vinden voorts de artikelen 287, tweede lid, 288, vierde
lid, 289, eerste tot en met derde lid, 290 tot en met 292, 294 tot en
met 297, 301, derde lid, en 311, vijfde lid, van het Wetboek van
Strafvordering overeenkomstige toepassing.
6. Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 26,
tweede lid, heeft geweigerd een getuige te doen oproepen kan de
veroordeelde de rechtbank verzoeken alsnog de oproeping van de getuige
te bevelen. De rechtbank gaat hiertoe over indien zij van oordeel is
dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing
heeft kunnen komen.
7. De in het derde en het vijfde lid genoemde artikelen vinden geen
toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens
identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
8. De officier van justitie legt, na voorlezing, een conclusie aan
de rechtbank over. Indien de conclusie strekt tot bewilliging in de
tenuitvoerlegging, omschrijft zij de straf of maatregel welke naar het
oordeel van de officier van justitie in plaats van de buitenlandse
sanctie behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de officier van
justitie in dat geval met welk strafbaar feit naar Nederlands recht
het feit op grond waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie
is onderworpen, overeenkomt.
Artikel 29
1.Op vordering van de officier van justitie kan de rechtbank ter
zitting de gevangenneming van de veroordeelde bevelen in gevallen
waarin overeenkomstig artikel 8 voorlopige aanhouding mogelijk is.
2.Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de
rechtbank ambtshalve over de gevangenhouding van de veroordeelde die
krachtens deze wet voorlopig van zijn vrijheid is beroofd.
3.Een krachtens een der vorige leden bevolen vrijheidsbeneming
blijft na de uitspraak van de rechtbank van kracht totdat deze
uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
4.Zij wordt, behoudens de mogelijkheid van verdere
vrijheidsbeneming uit anderen hoofde, beëindigd:
a. zodra zulks door de rechtbank of door de officier van
justitie ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde of diens
raadsman, dan wel door de Hoge Raad bij zijn beslissing op een
beroep in cassatie, wordt gelast:
b. indien de duur van die vrijheidsbeneming gelijk is geworden
aan de duur van de door de Nederlandse rechter opgelegde straf of
maatregel.
Artikel 30
1.Bevindt de rechtbank:
a. dat de overgelegde stukken niet voldoen aan de door het
toepasselijke verdrag gestelde eisen;
b. dat de veroordeelde zich met vrucht op een grond, die naar
Nederlands recht wel, doch naar het recht van de vreemde Staat
niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, had
kunnen beroepen, en dat hij geen gedwongen psychiatrische
verpleging behoeft;
c. dat de tenuitvoerlegging in Nederland op grond van het in
een der in de artikelen 2, 3, 4, 6 of 7 bepaalde niet kan
plaatshebben; of,
d. in een geval waarin volgens het toepasselijke verdrag
tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, dat bij afweging van alle
betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in
Nederland in redelijkheid niet kan worden genomen;
dan verklaart zij de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.
2.De officier van justitie kan, zolang het onderzoek ter
terechtzitting niet is gesloten, zijn vordering intrekken. Hij stelt
de veroordeelde van het intrekken van de vordering terstond in kennis.
3.In andere dan de in de vorige leden voorziene gevallen verklaart
de rechtbank de tenuitvoerlegging toelaatbaar, zulks met vermelding
van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen. De artikelen 345,
met uitzondering van het vierde lid, 346 en 347 van het Wetboek van
Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
4.Indien de vordering is behandeld door een enkelvoudige kamer van
de rechtbank vinden de artikelen 378-381 van het Wetboek van
Strafvordering overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover deze
artikelen betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of
slechts ten dele blijkt. Is de vordering behandeld door een
meervoudige kamer, dan vindt artikel 362 van dat Wetboek
overeenkomstige toepassing.
5.De artikelen 363-365 van het Wetboek van Strafvordering vinden
overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
1.De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent
verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke
beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het
toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke
op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De
uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak
geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of
tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de
omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte
van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis
beveelt de rechtbank, dat de tijd gedurende welke de veroordeelde in
de vreemde Staat ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie,
met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van deze
wet van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de uitvoering van die
straf geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank kan een
overeenkomstig bevel geven bij het opleggen van een geldboete. Indien
zij dit bevel geeft, bepaalt zij in haar uitspraak volgens welke
maatstaf de aftrek zal geschieden.
3.De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt
afschrift van haar uitspraak toe.
Artikel 31a
1. Verlof tot tenuitvoerlegging van een in de vreemde Staat
opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel kan worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de
verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat, dat in
omvang slechts een gedeelte van dat voordeel vertegenwoordigt.
2. Indien de in de vreemde Staat opgelegde sanctie strekt tot de
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, spreekt de
rechtbank, indien de vreemde Staat uitdrukkelijk heeft verzocht die
sanctie slechts ten uitvoer te leggen op voorwerpen die dat voordeel
vertegenwoordigen, de verbeurdverklaring daarvan uit.
3. Op uitspraken, houdende een verbeurdverklaring, is het bepaalde
in de artikelen 552b, 552d, 552e en 552g van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
4. Op uitspraken, houdende de oplegging van een verplichting tot
betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel, is het bepaalde in artikel 577b
van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 13e is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
1.Tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot
tenuitvoerlegging kan zowel door de officier van justitie als door de
veroordeelde beroep in cassatie worden ingesteld.
2.Van verklaringen waarbij afstand wordt gedaan van het recht om
beroep in cassatie in te stellen, of waarbij een zodanig beroep wordt
ingetrokken, geeft de griffier van de rechtbank onverwijld kennis aan
Onze Minister.
3.De officier van justitie is, op straffe van
niet-ontvankelijkheid, verplicht om binnen een maand nadat hij beroep
in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te
dienen, houdende zijn middelen van cassatie.
4.De veroordeelde die cassatieberoep heeft ingesteld, is op straffe
van niet-ontvankelijkheid verplicht om vóór de dienende dag bij de
Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende
zijn middelen van cassatie.
5.De voorzitter bepaalt na overleg met de procureur-generaal de
rechtsdag. De procureur-generaal doet de dag voor de behandeling van
het beroep bepaald ten minste acht dagen vóór de rechtsdag aanzeggen
aan de veroordeelde. Deze termijn kan, met toestemming van de
veroordeelde, worden bekort indien van die toestemming blijkt op
overeenkomstige wijze als bepaald in artikel 265, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van tijdige aanzegging wordt
door de Hoge Raad de aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen,
tenzij voor de veroordeelde een raadsman is verschenen. In dat laatste
geval kan op diens verzoek uitstel worden verleend.
6.In de gevallen waarin op de zitting de behandeling van het beroep
voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, heeft geen
nieuwe aanzegging aan de veroordeelde plaats.
7.De artikelen 431, 432, 434, eerste lid, 438, 439, 440, eerste
lid, 441, 442, 443, 444, 449, eerste lid, 450, 451, 451a, 452, 453,
454, eerste, tweede en derde lid, 455, eerste lid, en 456 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
8.Indien de uitspraak waartegen beroep is ingesteld is gedaan door
een enkelvoudige kamer, wordt het beroep in cassatie behandeld door
een uit drie raadsheren bestaande Kamer van de Hoge Raad.
9.Indien de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk wordt
vernietigd doet de Hoge Raad in geval dat mogelijk is zelf de zaak af.
Indien de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen kan hij deze hetzij
terugwijzen naar de rechtbank, wier uitspraak vernietigd is, hetzij
verwijzen naar een andere rechtbank. Alsdan vinden de artikelen 18-28,
29, tweede lid, 30 en 31 en de voorgaande leden van dit artikel
wederom toepassing.
10.De Hoge Raad zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt
afschrift van zijn arrest toe.
11.Indien de Hoge Raad de zaak verwijst naar een andere rechtbank
blijft een krachtens artikel 29 bevolen vrijheidsbeneming,
onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dat artikel, van
kracht tot het tijdstip waarop die rechtbank over de gevangenhouding
beslist.
Artikel 33
Zodra de rechterlijke uitspraak betreffende de toelaatbaarheid van de
tenuitvoerlegging in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de griffier
van het gerecht dat de zaak het laatst heeft behandeld daarvan kennis
aan Onze Minister. De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 31
opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van het bij of
krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering of
enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van
rechterlijke beslissingen bepaalde.
Afdeling D. Buiten-gerechtelijke procedures
§ 1. Geldboeten
Artikel 34
1.Indien de in de vreemde Staat opgelegde sanctie uitsluitend
strekt tot de betaling van een geldboete, eventueel onder bedreiging
met een vervangende tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie, wordt
deze ten uitvoer gelegd krachtens een beslissing van de officier van
justitie.
2.Alvorens een beslissing te nemen ingevolge het vorige lid stelt
de officier van justitie de veroordeelde in de gelegenheid te worden
gehoord.
3.De officier van justitie drukt overeenkomstig het bepaalde in het
toepasselijke verdrag het bedrag van de geldboete uit in Nederlandse
valuta. Indien het verdrag daaromtrent geen voorschriften bevat
bepaalt de officier van justitie de hoogte van het bedrag volgens de
wisselkoers die gold op het tijdstip van veroordeling in de vreemde
Staat. Als wisselkoers geldt de middenkoers van de op de koopmansbeurs
te Amsterdam tot stand gekomen notering.
4.Voor valuta waarvan de wisselkoers niet dagelijks op de
koopmansbeurs te Amsterdam wordt genoteerd geldt de wisselkoers die
wordt verkregen uit de waarde in speciale trekkingsrechten van de
desbetreffende valuta op de laatste werkdag van de maand waarin de ten
uitvoer te leggen sanctie in de vreemde Staat werd opgelegd.
Artikel 35
1.De ingevolge artikel 34 genomen beslissing en de dag waarop het
daarbij vastgestelde bedrag moet worden voldaan worden vanwege de
officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde ter
kennis gebracht.
2.Tegen de beslissing van de officier van justitie kan de
veroordeelde binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft
voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de beslissing hem bekend is, een
bezwaarschrift indienen bij de rechtbank, indien de opgelegde
geldboete het bedrag van € 22,50 overschrijdt.
3.Het bezwaarschrift wordt behandeld door de politierechter. Indien
de politierechter oordeelt dat het bezwaarschrift door een meervoudige
kamer van de rechtbank moet worden behandeld, verwijst hij de zaak
daar heen.
4.Is het bezwaarschrift ingediend door een in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak bedoelde persoon, dan wordt het behandeld
door de militaire politierechter. Indien de militaire politierechter
oordeelt dat het bezwaarschrift door een meervoudige kamer van de
rechtbank moet worden behandeld, dan verwijst hij de zaak naar de
militaire kamer.
5.Op de wijze van indiening en intrekking van een bezwaarschrift
zijn de artikelen 449, derde lid, en 450-454 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
6.Op de behandeling van het bezwaarschrift zijn de artikelen 25,
26, 27, 28 en 30 van deze wet van overeenkomstige toepassing.
7.Verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond, dan vernietigt zij de
beslissing van de officier van justitie of vult deze aan met
inachtneming van het bepaalde in artikel 24a van het Wetboek van
Strafrecht. Acht zij, ondanks vernietiging de tenuitvoerlegging wel
toelaatbaar, dan doet zij wat de officier van justitie had behoren te
doen. In alle gevallen dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van een
geldboete toelaatbaar verklaart, bepaalt zij tevens de duur van de
vervangende hechtenis.
8.De artikelen 32 en 33 van deze wet zijn toepasselijk.
Artikel 36
1.Beslissingen als bedoeld in artikel 34 kunnen zodra zij zijn
genomen worden ten uitvoer gelegd, tenzij het toepasselijke verdrag
anders bepaalt. Door het indienen van een bezwaarschrift binnen de
daarvoor gestelde termijn wordt de tenuitvoerlegging opgeschort.
2.Beslissingen genomen krachtens artikel 34 worden ten uitvoer
gelegd met inachtneming van het bij of krachtens het Wetboek van
Strafvordering omtrent de tenuitvoerlegging van geldboeten bepaalde,
met uitzondering van het derde lid van artikel 575 van dat Wetboek.
Artikel 37
Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis moet worden
overgegaan doet de officier van justitie met het oog daarop een
vordering overeenkomstig artikel 18, tenzij de rechtbank krachtens
artikel 35, zevende lid, de duur van de vervangende hechtenis reeds
heeft bepaald.
§ 2. Toezicht op de naleving van voorwaarden
a. overneming van het toezicht
Artikel 38
1.Indien de officier van justitie, aan wie op de voet van het
bepaalde in artikel 15 een verzoek in handen is gesteld tot overneming
van de uitoefening van toezicht op de naleving van voorwaarden, in een
vreemde Staat aan de veroordeelde opgelegd, van oordeel is dat het
geheel of gedeeltelijk niet voor inwilliging vatbaar is of dat
aanleiding bestaat gebruik te maken van een der in het toepasselijke
verdrag omschreven gronden tot weigering, brengt hij dit oordeel
onverwijld vergezeld van zijn advies ter kennis van Onze Minister, die
daaromtrent beslist.
2.Indien aan het verzoek geheel of gedeeltelijk gevolg wordt
gegeven, wordt de kennisgeving van dit besluit aan de veroordeelde in
persoon betekend. Van zijn beslissing geeft de officier van justitie
bericht aan Onze Minister.
Artikel 39
Indien de officier van justitie termen aanwezig acht om een opdracht
te geven tot het verlenen van hulp en steun aan de veroordeelde, wijst
hij de daarmee te belasten reclasseringsinstelling aan. Alvorens te
beslissen wint hij het advies van deze instelling in.
Artikel 40
1.Het te houden toezicht strekt zich niet uit over de naleving van
bijzondere voorwaarden, gesteld bij de beslissing die aan het verzoek
ten grondslag ligt, welke in strijd zijn met het Nederlandse recht.
2.Het toezicht wordt uitgeoefend met inachtneming van het bij of
krachtens de artikelen 14b, vierde lid, 14d, eerste lid, en artikel 16
van het Wetboek van Strafrecht bepaalde.
3.De aanvang en duur van de proeftijd worden bepaald naar het recht
van de verzoekende Staat. De proeftijd duurt in geen geval langer dan
zij naar Nederlands recht had kunnen duren.
Artikel 41
1.Van iedere ernstige overtreding van de voorwaarden geeft de
officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.
2.Zodra de proeftijd is verstreken brengt de officier van justitie
aan Onze Minister rapport uit omtrent de naleving van de voorwaarden.
b. toepassing van buitenlandse voorwaardelijke beslissingen
Artikel 42
De officier van justitie draagt, behoudens het bepaalde in artikel
16, zorg dat overeenkomstig afdeling C van dit hoofdstuk wordt
gehandeld, indien hij een verzoek heeft ontvangen tot toepassing van een
beslissing van een buitenlandse autoriteit, op grond waarvan voorwaarden
gelden waarvan overtreding kan of moet leiden tot tenuitvoerlegging van
een rechterlijke beslissing in een strafzaak.
§ 3. Onmiddellijke tenuitvoerlegging
Artikel 43
1. Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op
aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere
tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat opgelegde tot
vrijheidsbeneming strekkende sanctie in Nederland plaatsvinden buiten
toepassing van afdeling C van dit hoofdstuk.
2. De in het vorige lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden
gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring
blijkt dat hij met zijn instemming naar Nederland is overgebracht met
het oog op de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de
hem opgelegde sanctie.
3. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden
gegeven nadat advies is ingewonnen van de bijzondere kamer van het
gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de
rechterlijke organisatie.
4. Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing, kan de
veroordeelde met toepassing van de artikelen 8-12 voorlopig van zijn
vrijheid worden beroofd.
5. De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie
geschiedt op last van de officier van justitie, aan wie op de voet van
het bepaalde in de artikelen 15 of 17 de stukken in handen zijn
gesteld.
Afdeling E. Tenuitvoerlegging van bij verstek gewezen beslissingen
Artikel 44
Verzoeken, bedoeld in afdeling D, par. 2, die betrekking hebben op
bij verstek gewezen rechterlijke beslissingen zijn niet voor inwilliging
vatbaar, tenzij de beslissing in hoger beroep is gewezen en het
rechtsmiddel van hoger beroep door de veroordeelde tegen een op
tegenspraak gewezen vonnis werd ingesteld.
Artikel 45
1.Een verzoek om tenuitvoerlegging van een in de verzoekende Staat
bij verstek gewezen rechterlijke beslissing kan niet in behandeling
worden genomen dan nadat deze beslissing vanwege de officier van
justitie, die het verzoek heeft ontvangen, aan de veroordeelde in
persoon is betekend. Betekening vindt niet plaats indien het recht tot
strafvervolging ter zake van het feit waarvoor de beslissing werd
gewezen naar Nederlands recht zou zijn verjaard, met dien verstande,
dat handelingen, verricht in de verzoekende Staat, die de verjaring
aldaar stuiten of schorsen, in Nederland dezelfde rechtskracht hebben.
Van de betekening worden de autoriteiten van de Staat, waarvan het
verzoek is uitgegaan, schriftelijk in kennis gesteld.
2.Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde tegen
een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing, als bedoeld in het
vorige lid, verzet doen bij de rechtbank van het arrondissement waarin
hij zijn woonplaats heeft of daadwerkelijk verblijft, gedurende een
door het toepasselijke verdrag bepaalde termijn na de betekening. Is
de veroordeelde een persoon als bedoeld in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak dan kan deze verzet doen bij de rechtbank,
welke ingevolge die wet bevoegd is over die persoon rechtsmacht uit te
oefenen.
3.Verzet wordt gedaan door een verklaring, af te leggen door de
veroordeelde op het parket van het openbaar ministerie bij de in het
vorige lid bedoelde rechtbank of bij aangetekende brief aan dat
parket, houdende - op straffe van niet-ontvankelijkheid - de
vermelding van de woon- of verblijfplaats van de veroordeelde, alwaar
gerechtelijke stukken aan hem kunnen worden uitgereikt. In geval van
verzet bij aangetekende brief geldt als dag van verzet de dag van
ontvangst van de brief ten parkette. De artikelen 450 en 451a van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
4.De officier van justitie stelt iedere tijdig afgelegde verklaring
of ontvangen brief, bedoeld in het vorige lid, ter hand van de
griffier, die daarmee handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel
451 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 46
1.Indien de veroordeelde overeenkomstig artikel 45 rechtsgeldig
verzet heeft gedaan met het oog op een behandeling daarvan in de
verzoekende Staat, doet de griffier de akte van verzet onverwijld
toekomen aan Onze Minister ter doorzending aan de verzoekende Staat.
2.Indien de veroordeelde overeenkomstig artikel 45 rechtsgeldig
verzet heeft gedaan met het oog op een behandeling daarvan in
Nederland, wordt het verzoek om tenuitvoerlegging van het in de
verzoekende Staat bij verstek gewezen vonnis beschouwd als een door
Onze Minister ingewilligd en op een verdrag gegrond verzoek tot
strafvervolging.
Artikel 47
1.Aan de veroordeelde die overeenkomstig artikel 45 rechtsgeldig
verzet heeft gedaan met het oog op een behandeling daarvan in
Nederland wordt zo spoedig mogelijk een dagvaarding om ter
terechtzitting van het in die dagvaarding aangeduide gerecht te
verschijnen bij aangetekend schrijven toegezonden of in persoon
betekend.
2.Verschijnt hij ten dienenden dage niet in rechte, dan wordt het
verzet vervallen verklaard en vindt afdeling C, onderscheidenlijk
afdeling D, toepassing, tenzij de rechter, bij niet-verschijning van
de veroordeelde, schorsing van het onderzoek heeft bevolen teneinde
deze, indien hij verhinderd was het onderzoek bij te wonen, daartoe
alsnog in de gelegenheid te stellen.
3.Indien de veroordeelde die in verzet is gekomen ten dienenden
dage verschijnt wordt voor de toepassing van het Nederlandse recht de
buitenlandse rechterlijke beslissing als vervallen beschouwd en de
zaak overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering behandeld.
Afdeling F. Bijzondere vormen van tenuitvoerlegging
Artikel 48 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De in de artikelen 3-7 gestelde voorwaarden voor de toelaatbaarheid
van de tenuitvoerlegging van bij rechterlijke beslissing opgelegde
sancties zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling en
tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen krachtens
§ 5 van Hoofdstuk I van het Benelux-verdrag inzake de tenuitvoerlegging
van rechterlijke beslissingen in strafzaken, gesloten te Brussel op 26
september 1968 (Trb. 1969, 9).
Artikel 49 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Een veroordeelde, op wie een gedeeltelijke beslissing als bedoeld
in § 5 van Hoofdstuk I van het in artikel 48 genoemde verdrag
betrekking heeft, en die zich in Nederland bevindt, kan op verzoek van
een bij dat verdrag aangesloten Staat voorlopig worden aangehouden,
indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op korte
termijn een voor inwilliging vatbaar verzoek tot aanvulling en
tenuitvoerlegging van een in die Staat gewezen vonnis zal worden
gedaan ter zake van feiten waarvoor naar Nederlands recht voorlopige
hechtenis mogelijk is.
2.De artikelen 9-12 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 50 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1.Op verzoeken tot aanvulling en tenuitvoerlegging, bedoeld in
artikel 48, zijn de afdelingen A, C en E van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat:
a. met de tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat
opgelegde sanctie wordt gelijkgesteld de aanvulling en
tenuitvoerlegging van een in een vreemde Staat genomen
rechterlijke beslissing, inhoudende, dat de veroordeelde het hem
ten laste gelegde strafbare feit heeft begaan en dat deswege hem
een straf of maatregel moet worden opgelegd;
b. de vordering van de officier van justitie, bedoeld in
artikel 18, er toe strekt dat de rechtbank de buitenlandse
rechterlijke beslissing aanvult;
c. tegen de uitspraak van de rechtbank door de veroordeelde en
de officier van justitie hoger beroep kan worden ingesteld bij het
gerechtshof en het in artikel 33 omtrent de uitspraak van de
rechtbank bepaalde van overeenkomstige toepassing is op die van
het gerechtshof. De artikelen 407-412, 413, eerste lid, en 414,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering vinden
overeenkomstige toepassing.
2.Op het rechtsgeding voor het gerechtshof zijn de in artikelen 28,
30 en 31 genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering,
alsmede de artikelen 416-418, 423, eerste lid, 423a en 424, tweede
lid, van dat Wetboek van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Overdracht van de tenuitvoerlegging van Nederlandse
rechterlijke beslissingen
Afdeling A. Van Nederland uitgaande verzoeken
Artikel 51
Indien het openbaar ministerie, met de tenuitvoerlegging van een
rechterlijke beslissing belast, het in het belang van een goede
rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde Staat een door de
Nederlandse rechter opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of
verder ten uitvoer legt dan wel toezicht uitoefent op de naleving van
door de Nederlandse rechter opgelegde voorwaarden, geeft het, onder
overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en
eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde
stukken, aan Onze Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht
van de tenuitvoerlegging of het toezicht aan die Staat.
Artikel 52
1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid beslist Onze Minister
zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een advies als bedoeld in het
vorige artikel omtrent het daaraan te geven gevolg. Daarbij neemt hij,
indien het verzoek tot tenuitvoerlegging of tot overname van toezicht
op een verdrag kan worden gegrond, de bepalingen van dat verdrag in
acht.
2. Indien het advies van het openbaar ministerie betrekking heeft
op een veroordeelde die zich in Nederland bevindt, aan wie een tot
vrijheidsbeneming strekkende sanctie is opgelegd en die niet heeft
verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie
in te stemmen, dan laat Onze Minister, zo hij voornemens is gevolg te
geven aan dit advies, alvorens een beslissing te nemen de veroordeelde
schriftelijk van dit advies in kennis stellen. Daarbij wordt de
veroordeelde medegedeeld, dat hij binnen veertien dagen na ontvangst
van de kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een
bezwaarschrift kan indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke
instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend
bezwaarschrift onderzoekt het in het vorige lid bedoelde gerecht of
Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid
tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het
onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien niet blijkt dat de
veroordeelde reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het
bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een
raadsman.
4. De artikelen 21–26 en 29a van het Wetboek van Strafvordering
zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de
veroordeelde schriftelijk in kennis. Acht het gerecht het
bezwaarschrift gegrond, dan geeft Onze Minister aan het advies van het
openbaar ministerie tot overdracht van de tenuitvoerlegging geen
gevolg.
Artikel 53
1.Onze Minister geeft het openbaar ministerie, dat een advies als
bedoeld in artikel 51 heeft uitgebracht, schriftelijk kennis van de
beslissing die hij terzake heeft genomen alsmede van de door hem
ontvangen mededelingen omtrent beslissingen van de autoriteiten van de
vreemde Staat naar aanleiding van het verzoek tot tenuitvoerlegging of
tot overname van toezicht dat op advies van het openbaar ministerie is
gedaan.
2.Een aan de autoriteiten van een vreemde Staat gedaan verzoek tot
tenuitvoerlegging of tot overname van toezicht kan uiterlijk tot de
ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die Staat genomen
beslissing worden ingetrokken, onverminderd het bepaalde in artikel
36, tweede lid, van het Benelux-verdrag inzake de tenuitvoerlegging
van rechterlijke beslissingen in strafzaken.
Artikel 54
Degene tegen wie in Nederland bij verstek uitspraak is gedaan,
houdende de oplegging van een straf of maatregel of een gedeeltelijke
beslissing als bedoeld in § 5 van Hoofdstuk I van het Benelux-verdrag
inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken,
kan, wanneer een verzoek tot tenuitvoerlegging of aanvulling daarvan is
gedaan aan de autoriteiten van een vreemde Staat, ook als de
einduitspraak reeds kracht van gewijsde heeft gekregen, tegen die
uitspraak verzet doen tot het verstrijken van een door het toepasselijke
verdrag bepaalde termijn nadat de uitspraak hem door de autoriteiten van
die Staat in persoon is betekend. Zulk verzet kan slechts worden gedaan
op overeenkomstig de in de wetgeving van de aangezochte Staat
voorgeschreven wijze bij de bevoegde autoriteiten van die Staat.
Artikel 55
1.Zodra van de autoriteiten van de aangezochte Staat de akte is
ontvangen, waaruit blijkt van een rechtsgeldig gedaan verzet, wordt
aan degene die in verzet is gekomen een dagvaarding om ter
terechtzitting van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan te
verschijnen in persoon betekend. Op straffe van nietigheid wordt
tussen de dag waarop de dagvaarding is betekend en die ter
terechtzitting een termijn van tenminste eenentwintig dagen of zoveel
minder als het toepasselijke verdrag toelaat in acht genomen. Met
toestemming van de gedagvaarde kan deze termijn worden verkort, mits
van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring blijkt.
Vrijwillige verschijning op een dagvaarding betekend in strijd met de
voorschriften van dit artikel dekt de nietigheid.
2.Indien de gedagvaarde niet ten dienenden dage in rechte
verschijnt wordt het verzet vervallen verklaard, tenzij de rechter bij
niet-verschijning schorsing van het onderzoek heeft bevolen teneinde
deze, indien hij verhinderd was het onderzoek bij te wonen, daartoe
alsnog in de gelegenheid te stellen. Het openbaar ministerie geeft van
een vervallen verklaard verzet zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis
aan de autoriteiten van de aangezochte Staat en aan Onze Minister.
3.Indien degene die in verzet is gekomen ter terechtzitting
verschijnt wordt de zaak overeenkomstig titel VI, VII of VIII van het
Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering behandeld, als ware het
rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan. De rechter bekrachtigt de
bij verstek gewezen uitspraak of doet met gehele of gedeeltelijke
vernietiging van die uitspraak opnieuw recht.
Afdeling B. Tot Nederland gerichte verzoeken
Artikel 56
Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek
van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van de tenuitvoerlegging
van een in Nederland opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij
omtrent de vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen
inwilliging van het verzoek verzet het advies in van het gerecht dat in
hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft opgelegd en van het
openbaar ministerie met de tenuitvoerlegging belast.
Artikel 57
1.Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de in het vorige artikel
bedoelde adviezen beslist Onze Minister over het gevolg, te geven aan
het in dat artikel bedoelde verzoek. Artikel 52 is van overeenkomstige
toepassing.
2.Van zijn beslissing geeft Onze Minister onverwijld kennis aan het
gerecht en aan het openbaar ministerie die terzake advies hebben
uitgebracht.
Afdeling C. Overbrenging
Artikel 58
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
omtrent de procedure volgens welke een verklaring van of namens een zich
in Nederland bevindende veroordeelde, houdende instemming met de
overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde tot
vrijheidsbeneming strekkende sanctie, dient te worden afgelegd.
Artikel 59
1.Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
ingevolge dit Hoofdstuk geschiedt slechts onder het algemene beding,
dat de door de Nederlandse rechter opgelegde straf, maatregel of
voorwaarden niet ten nadele van de veroordeelde worden gewijzigd en
dat daarbij met het reeds hier te lande ten uitvoer gelegde gedeelte
van die straf of maatregel rekening wordt gehouden.
2.Een veroordeelde die in Nederland een tot vrijheidsbeneming
strekkende sanctie ondergaat of nog zal moeten ondergaan wordt,
wanneer met een vreemde Staat overeenstemming is bereikt omtrent de
verdere tenuitvoerlegging van deze sanctie, zo spoedig mogelijk ter
beschikking gesteld van de autoriteiten van die Staat, zulks op een
door Onze Minister, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd
en plaats.
3.De overbrenging van een veroordeelde, die niet heeft verklaard
met de overdracht van de tenuitvoerlegging in te stemmen, geschiedt
niet dan onder het algemene beding, dat hij alleen met uitdrukkelijke
toestemming van Onze Minister:
a. zal worden vervolgd, gestraft of op enige wijze in zijn
persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van feiten, die voor het
tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan en ter zake waarvan de
tenuitvoerlegging niet is overgedragen; en
b. ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van
een derde Staat ter zake van feiten, die voor het tijdstip van
zijn overbrenging zijn begaan, tenzij de veroordeelde nadien de
gelegenheid heeft gehad het grondgebied van de Staat naar welke
hij is overgebracht te verlaten.
4.Op het moment dat een veroordeelde ter beschikking van de in het
tweede lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, wordt de
tenuitvoerlegging in Nederland van de hem opgelegde sanctie van
rechtswege geschorst.
5.In geval van hervatting van het recht tot tenuitvoerlegging van
de sanctie wordt het in het buitenland reeds ten uitvoer gelegde
gedeelte daarop in mindering gebracht.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 60
Waar in deze wet bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard zijn deze bepalingen, voor
zover zij betrekking hebben op de verdachte, van overeenkomstige
toepassing op de veroordeelde.
Artikel 61
Krachtens deze wet gegeven bevelen tot inverzekeringstelling,
bewaring of gevangenneming, dan wel tot verlenging van een termijn van
vrijheidsbeneming, worden gedagtekend en ondertekend. De grond voor
uitvaardiging wordt in het bevel vermeld. Aan de veroordeelde op wie het
bevel betrekking heeft, wordt onverwijld een afschrift daarvan
uitgereikt.
Artikel 62
De bevelen tot vrijheidsbeneming, bedoeld in het voorgaande artikel,
zijn dadelijk uitvoerbaar. Bevoegd tot het ten uitvoer leggen van
bevelen tot vrijheidsbeneming zijn de in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering genoemde ambtenaren. Op de tenuitvoerlegging en de last
daartoe zijn de artikelen 564-568 van het Wetboek van Strafvordering van
toepassing.
Artikel 63
Veroordeelden die overeenkomstig deze wet in verzekering of in
bewaring zijn gesteld, of wier gevangenneming of gevangenhouding is
bevolen, worden behandeld als verdachten die krachtens het Wetboek van
Strafvordering aan een overeenkomstige maatregel zijn onderworpen.
Artikel 64
1. Het bij en krachtens artikel 40 van het Wetboek van
Strafvordering bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van een krachtens artikel 9 in verzekering gestelde veroordeelde.
2. Aan de veroordeelde die overeenkomstig artikel 10 in bewaring
wordt gesteld, of te wiens aanzien een bevel tot gevangenneming
overeenkomstig artikel 29 wordt gevorderd, wordt, zo hij nog geen
raadsman heeft, een raadsman toegevoegd door het bestuur van de raad
voor rechtsbijstand op last van de voorzitter van de rechtbank van het
arrondissement waar hij zich bevindt. De officier van justitie geeft
de voorzitter onverwijld schriftelijk kennis dat toevoeging moet
plaats hebben.
3. Het bij en krachtens de artikelen 42, derde lid, en 45 tot en
met 49 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, alsmede het in dat
Wetboek bepaalde betreffende het optreden en de bevoegdheden van de
raadsman en de kennisneming van processtukken is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 64a
Op de bevelen tot bewaring en gevangenhouding, krachtens deze wet
gegeven, is artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
1.In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de
voorlopige vrijheidsbeneming van een veroordeelde kan of moet worden
genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk
wordt opgeschort of geschorst.
2.Op bevelen krachtens het vorige lid gegeven door de rechtbank,
dan wel door de rechter-commissaris zijn de artikelen 80-88 van het
Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
3.De termijn, genoemd in artikel 11, tweede lid, onder b, loopt
niet gedurende de tijd dat de veroordeelde zich aan de verdere
tenuitvoerlegging van de gelaste bewaring heeft onttrokken.
Artikel 66
Op bevelen tot beëindiging van voorlopige vrijheidsbeneming
krachtens deze wet gegeven en tot tenuitvoerlegging van zodanige bevelen
zijn de artikelen 73, 79, 569 en 570 van het Wetboek van Strafvordering
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat
tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing in
Nederland niet behoort plaats te vinden kan de rechtbank, die de zaak
heeft behandeld, op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten
laste van de Staat toekennen voor schade die hij heeft geleden en kosten
die hij heeft gemaakt ten gevolge van voorlopige vrijheidsbeneming
bevolen krachtens deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet
in vermogensschade bestaat.
De artikelen 89, derde, vierde en zesde lid, 90, 91, 93, 591 en 591a
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 68
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen gedaan krachtens deze
wet zijn de artikelen 585 tot en met 588, 589 en 590 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing, tenzij deze wet anders
bepaalt.
Artikel 69
Op verzoeken om doorvoer over Nederlands grondgebied van personen die
ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing
door de autoriteiten van een vreemde Staat ter beschikking van de
autoriteiten van een andere Staat worden gesteld, zijn de artikelen 48
en 50 van de Uitleveringswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
Waar in deze wet de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen van
personen, is artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 71
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 72
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 73
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 74
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 75
De bepalingen van de voorgaande hoofdstukken zijn niet van toepassing
op de tenuitvoerlegging van door buitenlandse rechterlijke autoriteiten
opgelegde vrijheidsstraf, ingevolge artikel 6 van de Wet van 7 augustus
1953 (Stb. 438), houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag van
Londen van 19 juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten.
Artikel 76
1. Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Wet overdracht
tenuitvoerlegging strafvonnissen.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
3. Wij kunnen bepalen dat de verschillende onderdelen van deze wet
op afzonderlijke tijdstippen in werking treden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 10 september 1986
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. van den Broek
Uitgegeven de vijfentwintigste september 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|