WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de
deelneming van Nederland aan de derde fase van de Economische en
Monetaire Unie wenselijk is regels te stellen inzake de overgang op de
heffing en de invordering van rijksbelastingen in euro's;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING
Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder belastingen: belastingen, premies en
andere heffingen die worden geheven en ingevorderd door de
rijksbelastingdienst met toepassing van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990.
2. Het bij deze wet bepaalde met betrekking tot belastingen is
mede van toepassing op renten, bestuurlijke boeten, kosten en dergelijke
die met betrekking tot belastingen kunnen worden vastgesteld of
opgelegd.
HOOFDSTUK II. HEFFING EN INVORDERING MET BETREKKING TOT DE
OVERGANGSPERIODE
Artikel 2
De heffing en de invordering van belastingen met betrekking tot
tijdvakken die aanvangen onderscheidenlijk tijdstippen die zijn gelegen
in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 vinden nog
plaats in guldens.
Artikel 3
Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke belastingen in
afwijking in zoverre van artikel 2 de heffing en de invordering reeds
geheel of gedeeltelijk kunnen plaatsvinden in euro's.
HOOFDSTUK III. HET NA DE OVERGANGSPERIODE VASTSTELLEN VAN
BELASTINGAANSLAGEN EN NEMEN VAN BESCHIKKINGEN MET BETREKKING TOT DE
PERIODE VOOR DE OVERGANGSPERIODE EN DE OVERGANGSPERIODE
Artikel 4
1. Het vaststellen van belastingaanslagen alsmede het nemen van
beschikkingen met betrekking tot tijdvakken die eindigen
onderscheidenlijk tijdstippen die zijn gelegen voor 1 januari 1999,
vindt na 31 december 2001 plaats in euro's.
2. In afwijking in zoverre van artikel 2 vindt het vaststellen
van belastingaanslagen alsmede het nemen van beschikkingen met
betrekking tot tijdvakken die aanvangen onderscheidenlijk tijdstippen
die zijn gelegen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december
2001, na 31 december 2001 plaats in euro's.
HOOFDSTUK IV. OMREKENING, AFRONDING EN RECHTSGELDIGHEID
Artikel 5
1. Bij de omrekening van bedragen in guldens onderscheidenlijk
euro's met toepassing van de artikelen 4 en 5 van verordening nr.
1103/97 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juni 1997
over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PbEG L
162), worden de bedragen rekenkundig afgerond met inachtneming van het
aantal decimalen waarin het oorspronkelijke bedrag is gesteld.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bedragen in
guldens die worden afgeleid van andere bedragen of die het resultaat
zijn van een rekenkundige bewerking van andere bedragen, worden
omgerekend in euro's door dezelfde afleiding of rekenkundige bewerking
toe te passen met behulp van de in euro's omgerekende andere bedragen.
Artikel 6
De rechtsgeldigheid van een belastingaanslag of een beschikking wordt
niet aangetast door de vermelding van het bedrag in guldens of in
euro's.
HOOFDSTUK V. WIJZIGING VAN ENKELE BELASTINGWETTEN C.A.
Artikel 7
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen]
Artikel 8
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968]
Artikel 9
[Wijzigt de Invorderingswet 1990]
Artikel 10
[Wijzigt de Wet op de accijns]
Artikel 11
[Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992]
Artikel 12
[Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994]
Artikel 13
[Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen]
HOOFDSTUK VI. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 14
1. Voor de heffing van de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting behoeft met betrekking tot een schuldvordering
luidende in een geldeenheid van een van de andere lid-staten die
deelnemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie,
welke vordering niet verband houdt met een in die andere geldeenheid
luidende schuld, een koerswinst die als gevolg van de invoering van de
euro ontstaat, in afwijking in zoverre van artikel 3.25 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, bij de bepaling van de winst pas in
aanmerking te worden genomen naar de mate van de ter zake van de
schuldvordering te ontvangen aflossingen.
2. Voor de heffing van de inkomstenbelasting en de
vennootschapsbelasting behoeft met betrekking tot een schuld luidende in
een geldeenheid van een van de andere lid-staten die deelnemen aan de
derde fase van de Economische en Monetaire Unie, welke schuld niet
verband houdt met een in die andere geldeenheid luidende
schuldvordering, een koerswinst die als gevolg van de invoering van de
euro ontstaat, in afwijking in zoverre van artikel 3.25 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, bij de bepaling van de winst pas in aanmerking
te worden genomen naar de mate van de ter zake van de schuld te betalen
aflossingen.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden met aflossingen
gelijkgesteld andere handelingen waardoor de schuldvordering
onderscheidenlijk de schuld afneemt of verdwijnt als
vermogensbestanddeel uit het vermogen van de onderneming.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden geldmiddelen niet
begrepen onder schuldvordering.
Artikel 15
Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen van f 180,10 en
f 531 in artikel 25a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
worden verhoogd voorzover zij leiden tot tarieven die lager zijn dan de
tegenwaarde in guldens van de minimumtarieven, genoemd in richtlijn nr.
93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
betreffende de toepassing door de Lid-Staten van de belastingen op
sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van
de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven
tolgelden en gebruiksrechten (PbEG L 279).
Artikel 16
Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen, genoemd in artikel 10
en artikel 14, vierde lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen
worden aangepast in overeenstemming met de uitkomsten van het overleg
over de toepassing van artikel 8, zevende lid, van het op 9 februari
1994 te Brussel tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten
voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Trb. 1994,
69) tussen de bij dat verdrag aangesloten landen.
Artikel 17
1. Voor de toepassing van artikel 30f, vijfde lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 29 van de
Invorderingswet 1990 wordt de depositorente van de Europese Centrale
Bank die geldt op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand
voorafgaande aan een kalenderkwartaal in de periode van 1 april 1999
tot en met 31 december 2001 verminderd – doch niet verder dan tot
nihil – of vermeerderd met een bij ministeriële regeling
vastgesteld aantal procentpunten indien de op 4 januari 1999 geldende
depositorente hoger onderscheidenlijk lager is dan het op 31 december
1998 geldende promessedisconto van De Nederlandsche Bank N.V.
2. Het in het eerste lid bedoelde aantal procentpunten waarmee de
depositorente wordt verminderd of vermeerderd is gelijk aan het verschil
in percentage tussen de op 4 januari 1999 geldende depositorente en het
op 31 december 1998 geldende promessedisconto van De Nederlandsche Bank
N.V.
3. Voor de toepassing van artikel 60, tweede lid, van de Wet op
de accijns en artikel 17, zevende lid, van de Wet op de belasting van
personenauto's en motorrijwielen 1992 wordt de depositorente van de
Europese Centrale Bank in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31
december 2001 verminderd – doch niet verder dan tot nihil – of
vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal
procentpunten indien de op 4 januari 1999 geldende depositorente hoger
onderscheidenlijk lager is dan de op 31 december 1998 geldende
voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V.
4. Het in het derde lid bedoelde aantal procentpunten waarmee de
depositorente wordt verminderd of vermeerderd is gelijk aan het verschil
in percentage tussen de op 4 januari 1999 geldende depositorente en de
op 31 december 1998 geldende voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V.
5. Voor de toepassing van artikel 60, tweede lid, van de Wet op
de accijns en artikel 17, zevende lid, van de Wet op de belasting van
personenauto's en motorrijwielen 1992 wordt het over januari 1999 te
vergoeden rentebedrag in afwijking in zoverre van artikel 60, derde lid,
van de Wet op de accijns en artikel 17, achtste lid, van de Wet op de
belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 berekend naar de
rente die geldt op 4 januari 1999.
Artikel 18
1. Ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet kunnen
bij ministeriële regeling nadere, zo nodig afwijkende, regels worden
gesteld.
2. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop de
krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling in werking
treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt
ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal besluit tot
het niet aannemen van het voorstel, wordt die regeling onverwijld
ingetrokken.
Artikel 19
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1999,
met uitzondering van de artikelen 7 en 9, die in werking treden met
ingang van 1 april 1999 alsmede artikel 14, dat in werking treedt met
ingang van 31 december 1998.
2. Deze wet wordt aangehaald als: Wet overgang belastingheffing
in euro's.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de negenentwintigste december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals