WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
berechting van politieke delinquenten en het opleggen van bijzondere
maatregelen krachtens het Tribunaalbesluit zo spoedig mogelijk aan de
organen van de gewone rechterlijke macht over te dragen door de
bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de
tribunalen op te heffen en de rechtsmacht dezer colleges te doen
overgaan op de organen der gewone rechterlijke macht, alsmede enige
andere met de bijzondere rechtspleging verband houdende voorzieningen te
treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Afdeling I. Opheffing van de bijzondere gerechtshoven en overgang van
hun rechtsmacht.
Artikel 1
Een bijzonder gerechtshof wordt - gehoord de president daarvan -
opgeheven op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Artikel 2
Indien een bijzonder gerechtshof is opgeheven, nemen de
arrondissements-rechtbanken binnen zijn voormalig rechtsgebied kennis
van de misdrijven, waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van
toepassing is.
Artikel 3
Voor het bij uitsluiting behandelen en beslissen van de misdrijven
waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is, vormen en
bezetten de besturen van de rechtbanken één of meer bijzondere
strafkamers.
De bijzondere strafkamers bestaan uit drie rechters.
Artikel 4
Wij behouden Ons voor in verband met de instelling van bijzondere
strafkamers meer vice-presidenten, rechters, substituut-officieren van
justitie en substituut-griffiers te benoemen dan is toegelaten volgens
de wet van 18 December 1947 (Staatsblad no. H 430).
Artikel 5
Eenzelfde persoon kan bij meer dan één arrondissements-rechtbank
als lid van een bijzondere strafkamer werkzaam zijn.
Artikel 6
1. De op het tijdstip van opheffing van een bijzonder
gerechtshof bij dat hof aanhangige zaken - daaronder begrepen de
zaken, waarin een bevel, als bedoeld bij artikel 14a van het
Wetboek van Strafrecht, is gegeven - worden op de wijze, door de
Minister van Justitie te regelen, overgebracht bij de door de
president van het bijzonder gerechtshof aangewezen, of - mocht
zodanige aanwijzing op het tijdstip van opheffing niet hebben plaats
gehad - door de Minister van Justitie aan te wijzen
arrondissements-rechtbanken binnen het rechtsgebied van het hof. In
afwijking van de geldende regelen betreffende de betrekkelijke
bevoegdheid is iedere aangewezen rechtbank bevoegd van de bij haar
overgebrachte zaak kennis te nemen.
2. In de gevallen, waarin de wet een taak opdraagt aan het
bijzonder gerechtshof, dat een sententie heeft gewezen, treedt in de
plaats van het opgeheven hof de arrondissements-rechtbank ter plaatse,
waar de kamer van het hof, die de sententie heeft gewezen, placht
zitting te houden.
3. De overbrenging der bescheiden van de parketten en griffies
wordt door de Minister van Justitie nader geregeld.
Artikel 7
Op de rechtspleging in zaken, waarop de bepalingen van het Besluit
Buitengewoon Strafrecht van toepassing zijn en waarvan de
arrondissements-rechtbanken kennis nemen, zijn de artikelen 3, 6, 11,
14, 15, 20, 26, 29, tweede lid, 31, 33, 35, 43, 44 en 46-48 van het
Besluit Buitengewone Rechtspleging van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
1. Een beklag, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering ten aanzien van een misdrijf, waarvan na de
opheffing van een bijzonder gerechtshof de vervolging bij een
arrondissements-rechtbank zou behoren plaats te vinden, kan worden
gedaan bij de Bijzondere Raad van Cassatie en na de opheffing van die
Raad bij de Hoge Raad der Nederlanden.
2. Artikel 5, derde lid, van het Besluit Buitengewone
Rechtspleging is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
Voorlopige hechtenis kan worden ten uitvoer gelegd als bewaring,
bevolen of verlengd krachtens het Besluit politieke delinquenten 1945.
Artikel 10
Tegen de beslissingen van de arrondissements-rechtbanken in zaken,
waarop de bepalingen van het Besluit Buitengewoon Strafrecht van
toepassing zijn, staat geen hoger beroep open.
Artikel 11
1. Tot het tijdstip, waarop de Bijzondere Raad van Cassatie
wordt opgeheven, wordt beroep in cassatie tegen vonnissen en
beschikkingen van de arrondissements-rechtbanken in zaken, waarop de
bepalingen van het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing
zijn, behandeld door de Bijzondere Raad van Cassatie.
2. Artikel 16, eerste lid, van het Besluit op de Bijzondere
Gerechtshoven, benevens de artikelen 10, eerste lid, tweede zin, en
36-39 van het Besluit Buitengewone Rechtspleging zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
1. Tot het tijdstip, waarop de Bijzondere Raad van Cassatie
wordt opgeheven, wordt herziening van in kracht van gewijsde gegane
vonnissen van arrondissements-rechtbanken in zaken, waarop de
bepalingen van het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing
zijn, behandeld door de Bijzondere Raad van Cassatie.
2. De artikelen 40 en 41 van het Besluit Buitengewone
Rechtspleging zijn van overeenkomstige toepassing. In afwijking in
zoverre van het bepaalde in artikel 461, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering geschiedt zowel in het daar, als ook in het in artikel
465, tweede lid, van dat wetboek bedoelde geval de verwijzing hetzij
naar een bijzonder gerechtshof hetzij naar een arrondissementsrechtbank
binnen het rechtsgebied van een opgeheven bijzonder gerechtshof.
Afdeling II. Opheffing van de Bijzondere Raad van Cassatie en
overgang van diens rechtsmacht.
Artikel 13
De Bijzondere Raad van Cassatie wordt, gehoord de president van de
Raad en de president van de Hoge Raad der Nederlanden, opgeheven op een
nader door Ons te bepalen tijdstip.
Artikel 14
1. De rechtsmacht van de Bijzondere Raad van Cassatie gaat met
ingang van het tijdstip, bedoeld in het voorgaande artikel, over op de
Hoge Raad der Nederlanden.
2. Artikel 16, eerste lid, van het Besluit op de Bijzondere
Gerechtshoven, de artikelen 36-41 van het Besluit Buitengewone
Rechtspleging en artikel 12, tweede lid, tweede zin, van deze wet zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
1. De op het tijdstip van opheffing van de Bijzondere Raad van
Cassatie bij die Raad aanhangige zaken - daaronder begrepen de zaken,
waarin een bevel, als bedoeld bij artikel 14a van het Wetboek
van Strafrecht, is gegeven - worden op de wijze, door de Minister van
Justitie te regelen, overgebracht bij de Hoge Raad.
2. In de gevallen, waarin de wet een taak opdraagt aan de
Bijzondere Raad van Cassatie nadat een arrest is gewezen, treedt in de
plaats van die Raad de Hoge Raad.
3. De overbrenging der bescheiden van het parket en van de
griffie wordt door de Minister van Justitie nader geregeld.
Afdeling III. Opheffing van de tribunalen en overgang van hun
rechtsmacht.
Artikel 16
1. De tribunalen worden opgeheven met ingang van 1 Juni 1948.
2. De leden der tribunalen, die door Ons tot het einde van het
kalenderjaar 1948 zijn benoemd, worden geacht benoemd te zijn tot 1 Juni
1948.
Artikel 17
1. De rechtsmacht van de tribunalen gaat met ingang van de
datum, genoemd in het voorgaande artikel, over op de kantongerechten.
2. Door Ons worden voor ieder arrondissement één of meer
kantonrechters aangewezen om te beslissen omtrent de oplegging van de in
de eerste titel van het Tribunaalbesluit bedoelde maatregelen.
3. Wij behouden Ons voor meer substituut-griffiers bij de
rechtbanken te benoemen dan is toegelaten volgens de wet van 18 December
1947 (Staatsblad no. H 430).
4. De beslissing omtrent de oplegging van de in de eerste titel
van het Tribunaalbesluit bedoelde maatregelen geschiedt uitsluitend door
kantonrechters of kantonrechters-plaatsvervangers, door Ons aan te
wijzen.
Artikel 18
1. De op 1 Januari 1948 bij de tribunalen aanhangige zaken -
daaronder begrepen de zaken, waarin het fiat-executie nog niet is
verleend, en die, waarin een bevel, als bedoeld in artikel 3a
van het Tribunaalbesluit, is gegeven - worden op de wijze, door de
Minister van Justitie te regelen, overgebracht bij een door de
procureur-fiscaal aan te wijzen kantongerecht, dat krachtens artikel
17, tweede lid, tot kennisneming van tribunaalzaken bevoegd is.
2. De stukken betreffende zaken, die op 1 Januari 1948 nog niet
in behandeling zijn genomen, worden aan de procureur-fiscaal
teruggezonden.
3. De overbrenging van de bescheiden van de tribunalen wordt door
de Minister van Justitie nader geregeld.
Artikel 19
Voor de toepassing van het Tribunaalbesluit treden in plaats van:
a. het tribunaal: de kantonrechter;
b. de secretaris, de adjunct-secretaris of de
waarnemend-secretaris van het tribunaal: de griffier, de
substituut-griffier of de waarnemend-griffier bij de rechtbank.
Artikel 20
In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op
de rechtbanken is overgegaan, kan de officier van justitie na verlening
van een fiatbehandeling de aangifte met de op de zaak betrekkelijke
stukken in handen stellen van een krachtens artikel 17, tweede lid, tot
kennisneming van tribunaalzaken bevoegde kantonrechter binnen het
rechtsgebied van de rechtbank, waarbij hij is geplaatst.
Artikel 21
1. Met ingang van de dag, waarop in enig gebied de rechtsmacht
van een bijzonder gerechtshof op de arrondissements-rechtbanken is
overgegaan, kan in dat gebied in geval van een gedraging, genoemd in
artikel 1 van het Tribunaalbesluit, door de officier van justitie of
de hulpofficier een bevel tot inverzekeringstelling en op vordering
van de officier van justitie een bevel tot voorlopige hechtenis worden
gegeven.
2. De artikelen 57-69, 73, 77-86, 88-90, 92 en 93 van het Wetboek
van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat hetgeen in die artikelen omtrent de rechter-commissaris,
de rechtbank en de rechter is bepaald, ten deze geldt voor de krachtens
artikel 17, tweede lid, tot kennisneming van tribunaalzaken bevoegde
kantonrechter binnen het rechtsgebied van de rechtbank, waarbij de
officier van justitie is geplaatst. Artikel 9 is van overeenkomstige
toepassing.
3. Een vordering van de officier van justitie tot verlening of
verlenging van een bevel tot voorlopige hechtenis geldt als verlening
van een fiatbehandeling.
Artikel 22
Met ingang van een nader door Ons te bepalen tijdstip gaan de
bevoegdheden van de Hoge Autoriteit, bedoeld in het Koninklijk besluit
van 23 December 1944 (Staatsblad no. E 153), houdende tijdelijke
wijziging van het Tribunaalbesluit, over op de president van het
gerechtshof, binnen welks ressort het tribunaal of het kantongerecht,
dat de uitspraak heeft gedaan, is gevestigd.
Artikel 23
Met ingang van een nader door Ons te bepalen tijdstip kan de
bijzondere maatregel van internering overeenkomstig door de Minister van
Justitie te geven regelen en aanwijzingen worden ten uitvoer gelegd als
gevangenisstraf, te ondergaan in een rijkswerkinrichting.
Afdeling IV. Slotbepalingen
Artikel 24
1. In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder
gerechtshof op de arrondissements-rechtbanken is overgegaan, treden de
artikelen 12-22 van het Besluit politieke delinquenten 1945, behoudens
het bepaalde in het tweede lid, buiten werking.
2. Een bevel tot bewaring, gegeven of verlengd krachtens het
Besluit politieke delinquenten 1945, verliest zijn kracht drie maanden
na de dag van overgang der rechtsmacht. Dit bevel wordt voor de
toepassing van artikel 67, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering en voor de overeenkomstige toepassing van dat artikel
krachtens artikel 21, tweede lid, van deze wet beschouwd als een bevel
tot gevangenhouding, bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van
Strafvordering.
3. Ten aanzien van personen, die zich op de dag van overgang der
rechtsmacht krachtens het Besluit politieke delinquenten 1945 in
bewaring bevinden, vindt artikel 77 van het Wetboek van Strafvordering
geen toepassing noch overeenkomstige toepassing krachtens artikel 21,
tweede lid, van deze wet.
Artikel 25
In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op
de rechtbanken is overgegaan, treden voor de toepassing van de
afdelingen III, VII en VIII van het Besluit politieke delinquenten 1945
volgens door de Minister van Justitie nader te stellen regelen de
officieren van justitie in de plaats van de procureur-fiscaal en treedt
voor de toepassing van artikel 32 van dat besluit de
voorzieningenrechter van de rechtbank in de plaats van de president van
het bijzonder gerechtshof of een door deze aangewezen rechtsgeleerde
raadsheer.
Artikel 26
In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op
de arrondissementsrechtbanken is overgegaan, treedt voor de toepassing
van de artikelen 10, tweede lid, en 11, tweede lid, van het Besluit
Vijandelijk Vermogen de officier van justitie in de plaats van de
procureur-fiscaal.
Artikel 27
Voor de toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht
wordt met betrekking tot personen, die tot gevangenisstraf zijn
veroordeeld wegens het begaan van een misdrijf, waarop het Besluit
Buitengewoon Strafrecht van toepassing is, onder de werkelijke straftijd
begrepen de tijd in bewaring of voorlopige hechtenis doorgebracht,
waaromtrent is bepaald, dat hij bij de uitvoering van de opgelegde
gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 29
De Minister van Justitie is bevoegd nadere regelen te stellen ter
uitvoering van deze wet.
Artikel 30
1. Deze wet kan worden aangehaald als "Wet overgang
bijzondere rechtspleging".
2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die harer
afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, 13 Mei 1948
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven de achttiende Mei 1948
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen