Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 18 Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Besluit
uitvoering afwikkeling liquidatie-uitkeringen en voorzieningen
WET van 2 februari 1967,
houdende overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
WIJ JULIANA, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
regelen vast te stellen inzake overgangsrecht met
betrekking tot de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk
I. Algemene bepalingen
Artikel
1
- 1.
- Voor de toepassing
van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen
besluiten wordt verstaan onder:
- a.
- Wet:
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- b.
- Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers: de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, zoals deze wet
luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop
zij werd ingetrokken;
- c.
- Ongevallenwet
1921, Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en
Zeeongevallenwet 1919: de Ongevallenwet 1921,
de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919,
zoals deze wetten luidden op de dag,
voorafgaande aan die, waarop zij werden
ingetrokken;
- d.
- ongeval:
een ongeval, in verband met de
dienstbetrekking of de uitoefening van een
verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als
bedoeld in de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of de
Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die
wetten mede als ongeval, in verband met de
dienstbetrekking overkomen, werd beschouwd,
dan wel daarmede werd gelijkgesteld.
- 2.
- Voor de toepassing
van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
met lichamelijk letsel, gevolg van een ongeval,
gelijkgesteld lichamelijk letsel in een
betrekkelijk korte tijd ontstaan als bedoeld in
artikel 1, vierde lid, van de Ongevallenwet 1921
en artikel 2, vierde lid, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922.
Artikel
2
| 1. |
De
beslissingen en verstrekkingen ingevolge deze
wet worden voor de toepassing van wettelijke
voorschriften geacht beslissingen en
verstrekkingen te zijn ingevolge de Wet.
|
| 2. |
De
bepalingen van de Wet
en van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, alsmede de
uitvoeringsbesluiten van die wetten zijn met
inachtneming van de wijzigingen, welke de aard
van het onderwerp vordert, en voor zover deze
wet en haar uitvoeringsbesluiten daarvan niet
afwijken, van kracht ten aanzien van de in
deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vervatte
regeling.
|
Hoofdstuk
II. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
§
1. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op
bijslag ingevolge de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers
Artikel
3
| 1. |
Degene,
die over de maand, voorafgaande aan de
dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
recht heeft op een bijslag als bedoeld in
artikel 3 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers en op genoemde
dag ten minste 15% arbeidsongeschikt is,
heeft recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
|
| 2. |
Het
bepaalde in het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degene, die over de in dat lid bedoelde
maand geen recht heeft op een bijslag als
daar bedoeld, uitsluitend in verband met
het bepaalde bij of krachtens artikel 10,
eerste lid, onder a, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers in verbinding
met het derde lid, onder d, van dat
artikel.
|
Artikel
4
| 1. |
Degene,
die ter zake van invaliditeit, welke is
ingetreden vóór de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
eerst op of na die dag op grond van het
bepaalde in artikel 1, onder c, dan wel
artikel 2, eerste lid, onder a, b, c of d,
van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers als
rentetrekker zou zijn aangemerkt, indien
die wet niet zou zijn ingetrokken, heeft
recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wanneer
hij op het tijdstip, met ingang waarvan
hij, indien de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn
ingetrokken, als rentetrekker zou zijn
aangemerkt, recht op bijslag als bedoeld
in artikel 3 van die wet zou hebben gehad.
|
| 2. |
Voor
de toepassing van het bepaalde in het
vorige lid blijft het bepaalde bij of
krachtens artikel 10, eerste lid, onder a,
van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding
met het derde lid, onder d, van dat
artikel, buiten beschouwing.
|
| 3. |
Het
bepaalde in de vorige leden blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene, die op
de dag met ingang van welke hij als
rentetrekker zou zijn aangemerkt, aan deze
wet een vóór die dag ingegane
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
|
Artikel
5
| 1. |
Bij
toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van het bepaalde in artikel 3 of 4 wordt
het daaraan ten grondslag te leggen
dagloon gesteld op het hoogste van de
bedragen, welke worden verkregen door het
produkt van 106/80, 106/65, 106/50
onderscheidenlijk 106/40 maal
onderscheidenlijk de in artikel 5, onder
a, b, c en d, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers bedoelde
bedragen, zoals deze laatstelijk zijn
vastgesteld, te delen door 260.
|
| 2. |
Zolang
degene, aan wie
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend op grond van het bepaalde in
artikel 3 of 4, niet gehuwd, noch gehuwd
geweest is en de leeftijd van 23 jaar nog
niet heeft bereikt, wordt het in het
vorige lid bedoelde dagloon, eventueel
verhoogd of verlaagd overeenkomstig de
artikelen 23, 24, 25 en 27 van deze wet
en/of artikel
15 van de Wet, met 10% verminderd
voor elk jaar of gedeelte daarvan, dat de
betrokkene jonger is dan 23 jaar.
|
| 3. |
Onze
Minister kan regelen stellen ingevolge
welke kan worden afgeweken van het
bepaalde in het eerste lid ten aanzien van
gehuwde vrouwen.
|
Artikel
6
| 1. |
Indien
degene, aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend op grond of mede op grond van
het bepaalde in artikel 3, 4 of 12, recht
heeft op een overheidspensioen of een
uitkering als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b,
van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding
met het tweede en het derde lid, onder a,
b, c, e, f, g en h, van dat artikel, wordt
de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald voor zover deze het
gezamenlijke bedrag van het
overheidspensioen en de op dat pensioen
verleende wettelijke toeslagen en
bijslagen onderscheidenlijk het bedrag van
de vorengenoemde uitkering, overtreft.
|
| 2. |
Voor
de toepassing van het vorige lid wordt
onder arbeidsongeschiktheidsuitkering mede
verstaan de vakantie-uitkering als bedoeld
in Hoofdstuk
II, § 2a, van de Wet.
|
| 3. |
Het
bepaalde in artikel 10, vierde lid, van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers is
van overeenkomstige toepassing.
|
Artikel
7
- 1.
- Indien degene,
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend op grond of mede op grond van het
bepaalde in artikel 3 of 4, doch zonder
toepassing van artikel 12, recht heeft op een
vóór de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingegaan
weduwenpensioen ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald, indien en voor zover deze het
bedrag van het weduwenpensioen overtreft.
- 2.
- Indien artikel
30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet toepassing vindt, wordt voor
de toepassing van het vorige lid als
weduwenpensioen in aanmerking genomen het
bedrag van het weduwenpensioen vóórdat de in
artikel 30,
eerste lid, van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet voorziene vermindering heeft
plaatsgevonden.
- 3.
- Voor de
toepassing van het bepaalde in het eerste lid
wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk weduwenpensioen tevens
verstaan de vakantie-uitkering, waarop uit
hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk dat weduwenpensioen recht
bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen
over dezelfde perioden zijn berekend.
Artikel
8
- 1.
- In de gevallen,
waarin over een tijdvak, waarover reeds
arbeidsongeschiktheidsuitkering is uitbetaald,
naderhand pensioen of uitkering als bedoeld in
artikel 6 of 7 wordt toegekend of een zodanig
reeds toegekend pensioen of toegekende
uitkering wordt verhoogd, kan hetgeen als
gevolg van het bepaalde in die artikelen aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering teveel of ten
onrechte is uitbetaald worden teruggevorderd
dan wel in mindering worden gebracht op de nog
uit te betalen bedragen aan pensioen of
uitkering en de daarop verleende wettelijke
toeslagen en bijslagen of op de later uit te
betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering.
- 2.
- Indien na
toepassing van artikel 6 of 7 blijkt, dat
pensioen of uitkering, bedoeld in die
artikelen, ten onrechte of tot een te hoog
bedrag is uitbetaald, als gevolg waarvan
alsnog arbeidsongeschiktheidsuitkering of meer
arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden
uitbetaald, kan hetgeen aan pensioen of
uitkering ten onrechte of teveel is uitbetaald
in mindering worden gebracht op de alsnog uit
te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering of
meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
- 3.
- Voor de
toepassing van het bepaalde in de vorige leden
wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk pensioen als bedoeld in
artikel 7 tevens verstaan de
vakantie-uitkering, welke uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk dat pensioen is verleend.
Artikel
9
- 1.
- Indien
degene, die recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan
wel mede ontleent aan artikel 3, 4 of 12, in
het genot is van een invaliditeitsuitkering,
ontleend aan artikel 59bis
van het op 31 december 1935 geldende reglement
van het Algemeen Mijnwerkersfonds van de
Steenkolenmijnen in Limburg, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald, indien en voor zover deze het
bedrag van die invaliditeitsuitkering
overtreft.
- 2.
- Aan
degene, die recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan
wel mede ontleent
hetzij
aan artikel 3, terwijl hem het recht op
bijslag als in dat artikel bedoeld was
toegekend met toepassing van artikel 2, eerste
lid, onder b, van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers,
hetzij
aan artikel 4 of 12, terwijl hij, indien de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou
zijn ingetrokken, op grond van het bepaalde in
artikel 2, eerste lid, onder b,
van die wet als rentetrekker zou zijn
aangemerkt,
wordt
de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald, indien en voor zover deze
overtreft het bedrag, dat de
invaliditeitsrente als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder b,
en tweede lid, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met
artikel 8, eerste lid, onder b,
en tweede lid, van die wet, geacht zou worden
te bedragen, indien die wet niet zou zijn
ingetrokken.
- 3.
- Het
bepaalde in de vorige leden blijft buiten
toepassing, indien het Algemeen
Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in
Limburg, onderscheidenlijk het fonds, waarin
is ondergebracht een pensioenregeling ten
aanzien waarvan een verklaring is afgegeven
als bedoeld in artikel
39 van de Invaliditeitswet, gebruik
maakt van de in artikel
54, tweede lid, van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten gegeven
bevoegdheid.
Artikel
10
| 1. |
Bij
scheiding van tafel en bed, alsmede
wanneer de echtgenoten duurzaam gescheiden
leven, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aan de
uitkeringsgerechtigde toekomende
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is
toegekend op grond of mede op grond van
het bepaalde in artikel 3, geheel of
gedeeltelijk aan diens echtgenote
onderscheidenlijk haar echtgenoot
betaalbaar stellen.
|
| 2. |
Het
bepaalde in het vorige lid vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de vakantie-uitkering als bedoeld in hoofdstuk
II, § 2a, van de Wet.
|
Artikel
11
- 1.
- Ten aanzien van
degene, bedoeld in artikel 3, op wie het
bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers van
toepassing was op de dag, voorafgaande aan
die, met ingang waarvan die wet is
ingetrokken, terwijl op eerstbedoelde dag de
in het tweede lid van laatstgenoemd artikel
gestelde termijn van acht weken nog niet was
verstreken, wordt, zolang vorengenoemde
termijn nog niet is verstreken en behoudens in
het geval, dat artikel 28 van toepassing is,
bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheid
slechts in aanmerking genomen, voor zover zij
voor de toepassing van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers bij de indeling in
een invaliditeitsklasse reeds in aanmerking is
genomen.
- 2.
- Behoudens in het
geval dat artikel 28 van toepassing is, wordt,
wanneer in de gevallen, bedoeld in het vorige
lid, de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken acht weken heeft geduurd, bij de
vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid met de toegenomen
arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met
ingang van de dag, met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
toegekend.
§
2. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op
ziekengeld krachtens de Ziektewet
of een daarmede overeenkomende uitkering
Artikel
12
| 1. |
Degene,
wiens ziekengeld krachtens de Ziektewet
ter zake van ongeschiktheid tot werken,
welke is ingetreden vóór de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
bij of na het in werking treden van
genoemd artikel, anders dan door herstel
van de geschiktheid tot werken,
| 1°. |
eindigt;
|
| 2°. |
zou
zijn geëindigd, indien hij niet
op grond van het bepaalde in
artikel 1, onder c, in verbinding
met artikel 1a, van de Ziektewet,
in de artikelen
1, onder d, 20
en 21
van die wet of de artikelen 1a of
1b van het Koninklijk besluit van
28 januari 1931 (Stb.
24) - zoals die bepalingen luidden
op de dag, voorafgaande aan die,
waarop artikel
19 van de Wet in werking
treedt - van de verzekering
ingevolge de Ziektewet
zou zijn uitgezonderd;
|
heeft,
indien hij op de dag, volgende op die,
waarop dat ziekengeld eindigt,
onderscheidenlijk zou zijn geëindigd, ten
minste 15% arbeidsongeschikt is, recht op
toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
|
| 2. |
Voor
de toepassing van het in het vorige lid
bepaalde wordt de betrokkene geacht nog
aanspraak te hebben op ziekengeld
krachtens de Ziektewet,
indien hem in verband met het bepaalde in
de artikelen
42 en 44
van die wet, dan wel in verband met het
bepaalde in artikel
11, eerste lid, onder a en b, en tweede
lid, van de Wet overgangsregeling
Ziektewet geen ziekengeld wordt
uitgekeerd.
|
| 3. |
Het
bepaalde in het eerste lid blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene, die bij
het intreden van de in dat lid bedoelde
ongeschiktheid tot werken in verband met
het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onder a of b, van de Wet
niet verzekerd zou zijn geweest, indien de
Wet
toen reeds in werking was geweest.
|
| 4. |
Het
bepaalde in het eerste lid blijft voorts
buiten toepassing ten aanzien van degene,
die op de dag, volgende op die, waarop het
in dat lid bedoelde ziekengeld eindigt of
zou zijn geëindigd, aan deze wet een vóór
eerstbedoelde dag ingegane
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
|
§
3. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op
uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919
Artikel
13
Degene,
die op de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16
van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste
lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 en die
op laatstbedoelde dag dat recht zou hebben
behouden indien die wetten niet zouden zijn
ingetrokken, heeft, tenzij het recht op die
uitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel
5 van de Liquidatiewet ongevallenwetten
blijft behouden dan wel overeenkomstig het
bepaalde in artikel
17 van die wet wordt afgekocht, recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel
14
Degene,
die op grond van het bepaalde in artikel
10, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten, geen recht meer heeft op
een uitkering, ontleend aan artikel
4, 5
of 6 van
die wet, heeft, tenzij het recht op die uitkering
overeenkomstig het bepaalde in artikel
17 van die wet wordt afgekocht, recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel
15
Degene,
die overeenkomstig het bepaalde in artikel
7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten
recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37
van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of
artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919 heeft, tenzij het
recht op die uitkering overeenkomstig het bepaalde
in artikel 17
van de Liquidatiewet ongevallenwetten wordt
afgekocht, recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel
16
- 1.
- Bij toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van het bepaalde in artikel 13 wordt
daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter
hoogte van 6/5 maal het dagloon, waarnaar de
in artikel 13 bedoelde uitkering was berekend.
- 2.
- Bij toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van het bepaalde in artikel 14 of 15,
dan wel terwijl artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten van toepassing is,
wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon
ter hoogte van 6/5 maal het dagloon, dat aan
de aan artikel
4, 5,
6 of 7
van de Liquidatiewet ongevallenwetten
ontleende uitkering ingevolge die wet ten
grondslag zou zijn gelegd zonder toepassing
van artikel
8, vijfde lid, van die wet.
Artikel
17
- 1.
- Het
in artikel 16, eerste en tweede lid,
eerstbedoelde dagloon wordt, indien het
ongeval ter zake waarvan recht op uitkering
werd ontleend aan artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919,
onderscheidenlijk aan
artikel 4, 5,
6 of 7
van de Liquidatiewet ongevallenwetten,
plaatsvond in een van de hierna genoemde
tijdvakken, verhoogd tot het percentage van
dat dagloon, hetwelk achter dat tijdvak is
vermeld:
|
vóór
1 januari 1932
|
603
|
|
1
januari 1932 tot 1 januari 1941
|
685
|
|
1
januari 1941 tot 1 januari 1943
|
584
|
|
1
januari 1943 tot 1 januari 1945
|
531
|
|
1
januari 1945 tot 1 januari 1946
|
445
|
|
1
januari 1946 tot 1 januari 1947
|
383
|
|
1
januari 1947 tot 1 januari 1949
|
349
|
|
1
januari 1949 tot 1 januari 1951
|
318
|
|
1
januari 1951 tot 1 januari 1952
|
283
|
|
1
januari 1952 tot 1 januari 1954
|
274
|
|
1
januari 1954 tot 1 april 1954
|
266
|
|
1
april 1954 tot 1 juli 1954
|
260
|
|
1
juli 1954 tot 1 oktober 1954
|
252
|
|
1
oktober 1954 tot 1 januari 1955
|
242
|
|
1
januari 1955 tot 1 oktober 1956
|
227
|
|
1
oktober 1956 tot 1 april 1957
|
214
|
|
1
april 1957 tot 1 juli 1957
|
205
|
|
1
juli 1957 tot 1 oktober 1957
|
199
|
|
1
oktober 1957 tot 1 januari 1958
|
195
|
|
1
januari 1958 tot 1 april 1960
|
185
|
|
1
april 1960 tot 1 juli 1960
|
183
|
|
1
juli 1960 tot 1 oktober 1960
|
177
|
|
1
oktober 1960 tot 1 januari 1961
|
173
|
|
1
januari 1961 tot 1 januari 1962
|
166
|
|
1
januari 1962 tot 1 januari 1963
|
159
|
|
1
januari 1963 tot 1 april 1963
|
154
|
|
1
april 1963 tot 1 juli 1963
|
151
|
|
1
juli 1963 tot 1 oktober 1963
|
148
|
|
1
oktober 1963 tot 1 maart 1964
|
146
|
|
1
maart 1964 tot 1 mei 1964
|
143
|
|
1
mei 1964 tot 1 juli 1964
|
140
|
|
1
juli 1964 tot 1 september 1964
|
136
|
|
1
september 1964 tot 1 oktober 1964
|
131
|
|
1
oktober 1964 tot 1 november 1964
|
128
|
|
1
november 1964 tot 1 december 1964
|
126
|
|
1
december 1964 tot 1 februari 1965
|
123
|
|
1
februari 1965 tot 1 april 1965
|
121
|
|
1
april 1965 tot 1 juli 1965
|
119
|
|
1
juli 1965 tot 1 november 1965
|
116
|
|
1
november 1965 tot 1 januari 1966
|
114
|
|
1
januari 1966 tot 1 april 1966
|
112
|
|
1
april 1966 tot 1 juli 1966
|
110
|
|
1
juli 1966 tot 1 oktober 1966
|
108
|
|
1
oktober 1966 tot 1 januari 1967
|
106
|
|
1
januari 1967 tot 1 april 1967
|
104
|
|
1
april 1967 tot 1 juli 1967
|
102
|
- 2.
- In
de gevallen, waarin het dagloon, waarnaar de
uitkering, welke werd ontleend aan artikel 16
van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel
2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919,
onderscheidenlijk aan artikel
4, 5,
6 of 7
van de Liquidatiewet ongevallenwetten,
was berekend, werd vastgesteld met toepassing
van het bepaalde bij artikel 7, lid 1a,
van de Ongevallenwet 1921, artikel 7, lid 1a,
van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk artikel 2, zevende lid,
tweede alinea, van de Zeeongevallenwet 1919,
wordt voor de toepassing van het vorige lid
het ongeval geacht te hebben plaatsgevonden op
de dag, welke krachtens vorengenoemde
bepalingen in aanmerking werd genomen als de
dag, waarop de gevolgen van het ongeval zich
opnieuw hebben geopenbaard.
- 3.
- Voor
zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in
de vorige leden wordt het in artikel 16,
eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon
ten hoogste gesteld op het in het eerste lid
van artikel
9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering
bedoelde maximum dagloon, eventueel verhoogd
of verlaagd krachtens
artikel 9a van
die wet.
Artikel
18
Indien
met ingang van een dag, gelegen na 1 oktober 1966,
doch vóór de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, de
wettelijke bijslagen op renten bedoeld in artikel
16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of op
uitkeringen, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, worden
gewijzigd in verband met wijziging van het
loonpeil, worden de in artikel 17, eerste lid,
genoemde percentages bij algemene maatregel van
bestuur dienovereenkomstig gewijzigd.
Artikel
19
Indien
het in artikel 16, eerste en tweede lid,
eerstbedoelde dagloon, eventueel verhoogd
ingevolge de artikelen 17 en 18, minder bedraagt
dan het bedrag, dat als dagloon zou gelden, indien
ten aanzien van de betrokkene het bepaalde bij
artikel 5, eerste of tweede lid, toepassing zou
vinden, wordt het dagloon verhoogd tot
laatstbedoeld bedrag. Het bepaalde in de vorige
volzin blijft buiten toepassing ten aanzien van de
vrouw, die bij het in werking treden van artikel
19 van de Wet gehuwd is.
Artikel
20
| 1. |
De
verhoging van het dagloon ingevolge het
bepaalde in de artikelen 17, 18 en 19
vindt niet plaats ten aanzien van:
| a. |
degene,
die op de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking
treedt, niet binnen het Rijk
woont;
|
| b. |
degene,
die het recht op een uitkering als
bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921 of artikel 37
van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk in artikel
4, 5,
6
of 7
van de Liquidatiewet
ongevallenwetten, ontleent
aan een vrijwillige verzekering
ingevolge de Ongevallenwet 1921 of
de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922.
|
|
| 2. |
Met
inachtneming zoveel mogelijk van het
beginsel der wederkerigheid kan bij
algemene maatregel van bestuur worden
bepaald, dat het in het eerste lid, onder a,
bepaalde geen toepassing vindt ten aanzien
van bij die maatregel aan te wijzen
personen, die op de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, op
het grondgebied van een andere Mogendheid
wonen.
|
| 3. |
Indien
een persoon, bedoeld in het eerste lid,
onder a, op de dag, voorafgaande aan die,
waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de
Wet compensatie premie Algemene
Ouderdomswet
ongevallenrentetrekkers aanspraak heeft op
een bijslag op een uitkering als bedoeld
in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919, wordt het in
artikel 16, eerste en tweede lid,
eerstbedoelde dagloon verhoogd met het
voor die bijslag geldende percentage.
|
§
4. Bepalingen aan meer dan één van de in de
paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gemeen, alsmede
garantiebepalingen
Artikel
21
Toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3 geschiedt
voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in
artikel 20 van
de Wet.
Artikel
22
Indien
op grond van de regelen inzake dagloon, gesteld
bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens
de Wet, meer dan één dagloon in aanmerking komt
om aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten
grondslag te worden gelegd, wordt daaraan ten
grondslag gelegd het hoogste van die daglonen.
Artikel
23
| 1. |
Indien
met ingang van de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
ingevolge het bepaalde in artikel 6,
tweede of derde lid, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers herziening van
de in die leden bedoelde bedragen zou
hebben plaatsgevonden, indien
laatstgenoemde wet niet zou zijn
ingetrokken, worden de overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 5,
eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19
vastgestelde daglonen bij algemene
maatregel van bestuur met ingang van
vorenbedoelde dag herzien.
|
| 2. |
Bij
de in het vorige lid bedoelde herziening
worden de overeenkomstig het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 5, eerste en
derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde
daglonen verhoogd of verlaagd met
hetzelfde percentage als waarmede het
indexcijfer der lonen op de laatste dag
van de maand, voorafgaande aan die, waarin
artikel
19 van de Wet in werking treedt,
afwijkt van het indexcijfer, waarop de
laatstelijk vastgestelde bedragen als
bedoeld in artikel 5 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
|
| 3. |
Artikel
15, zesde, elfde en twaalfde lid, van de
Wet is van overeenkomstige
toepassing.
|
Artikel
24
Indien
het bepaalde in het eerste lid van het vorige
artikel geen toepassing vindt, wordt voor de
eerste maal, dat artikel
15 van de Wet, anders dan op grond van het
bepaalde in het zevende lid van dat artikel, wordt
toegepast, in het vierde
lid van artikel 15 van de Wet met
betrekking tot herziening van de overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5,
eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde
daglonen in plaats van "het indexcijfer op de
laatste dag van de maand, voorafgaande aan die,
waarin artikel 19 in werking is getreden,
onderscheidenlijk van het indexcijfer, waarop de
laatste herziening is gebaseerd" gelezen: het
indexcijfer, waarop de laatstelijk vastgestelde
bedragen als bedoeld in artikel 5 van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers zijn
gebaseerd.
Artikel
25
| 1. |
Indien
met ingang van de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, artikel
15, zevende lid, van de Wet wordt
toegepast, wordt met betrekking tot de
herziening van de overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 5,
eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19
vastgestelde daglonen in het achtste
lid van artikel 15 van de Wet in
plaats van "het indexcijfer op de
laatste dag van de maand, voorafgaande aan
die, waarin artikel 19 in werking is
getreden, onderscheidenlijk van het
indexcijfer, waarop de laatste herziening
is gebaseerd" gelezen: het
indexcijfer, waarop de laatstelijk
vastgestelde bedragen als bedoeld in
artikel 5 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
|
| 2. |
Bij
toepassing van het bepaalde in het vorige
lid blijft artikel 24 buiten toepassing.
|
Artikel
26 [Vervallen per 01-01-1972]
Artikel
27
Bij
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van het bepaalde in artikel 4,
onderscheidenlijk in de artikelen 14 of 15, dan
wel terwijl artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten van toepassing is, vindt
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 23, 24
en 25 van deze wet en artikel
15 van de Wet voor zoveel deze artikelen
toepassing hebben gevonden met ingang van een
tijdstip, gelegen vóór de dag, met ingang
waarvan vorenbedoelde uitkering wordt toegekend,
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het
ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 5,
onderscheidenlijk de artikelen 16, tweede lid, 17,
18 en 19, aan die uitkering ten grondslag te
leggen dagloon.
Artikel
28
Bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
van degene, die aan deze wet
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, wordt
zolang de betrokkene tevens op grond van het
bepaalde in artikel
4, eerste of tweede lid, of artikel
6, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten recht heeft op een
uitkering als bedoeld in artikel 15 van de
Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, de mate van
arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan hij recht
op laatstgenoemde uitkering heeft, buiten
aanmerking gelaten. Voor de toepassing van het
bepaalde in de vorige volzin wordt de betrokkene
geacht recht te hebben op de in die volzin
laatstbedoelde uitkering, indien door zijn toedoen
die uitkering niet wordt uitbetaald.
Artikel
29
| 1. |
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering van
degene, ten aanzien van wie artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
wordt, zo nodig in afwijking van het
bepaalde in de artikelen
37, 38
en 39
van de Wet, zo nodig herzien met
ingang van de dag, met ingang waarvan het
in aanmerking komende van de eerstgenoemde
artikelen toepassing vindt.
|
| 2. |
Bij
herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband
met het bepaalde in het vorige lid wordt
daaraan ten grondslag gelegd een dagloon
ter hoogte van 6/5 maal het dagloon, dat
aan de uitkering, waarop degene, ten
aanzien van wie artikel
6, vierde lid, of artikel
7, tweede lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
op grond van het bepaalde in dat artikel
recht zou hebben gehad, indien genoemd
vierde lid of genoemd tweede lid niet op
hem van toepassing zou zijn geweest,
onderscheidenlijk dat aan de uitkering,
ten aanzien waarvan artikel
11, eerste lid, van genoemde wet
toepassing vindt, ingevolge die wet ten
grondslag zou zijn gelegd zonder
toepassing van artikel
8, vijfde lid, van die wet. Het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 17,
18, 19, 20, 23, 24 en 25 van deze wet en artikel
15 van de Wet vindt met betrekking
tot het in de vorige volzin eerstbedoelde
dagloon overeenkomstige toepassing. Het
bepaalde in de vorige twee volzinnen vindt
slechts toepassing, indien dat leidt tot
een hoger dagloon dan het dagloon, dat
laatstelijk aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten
grondslag werd gelegd.
|
Artikel
30
- 1.
- Bij de
vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van degene, die
uitsluitend aan artikel 13, 14 of 15
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent,
wordt, indien de betrokkene op en sedert de
dag, met ingang waarvan hij recht op genoemde
uitkering heeft, aanspraak heeft op ziekengeld
krachtens de Ziektewet
en dat ziekengeld binnen een maand na genoemde
dag eindigt, de mate van
arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan hij
aanspraak heeft op ziekengeld, buiten
aanmerking gelaten.
- 2.
- Het bepaalde in
artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel
31
Aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten
aanzien van wie artikel 12, vierde lid, toepassing
vindt, wordt met ingang van de dag, met ingang van
welke dat lid toepassing vindt, ten grondslag
gelegd het dagloon, dat ten grondslag zou zijn
gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
waarop hij recht zou hebben gehad, indien artikel
12, eerste lid, op hem van toepassing zou zijn
geweest, doch slechts indien laatstbedoeld dagloon
hoger is dan het dagloon, dat laatstelijk aan
eerstbedoelde uitkering ten grondslag werd gelegd.
Artikel
32
| 1. |
Het
bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is
ontleend dan wel mede is ontleend aan
artikel 13, wordt, zolang de uitkering als
bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919, waarop de
betrokkene op de dag, voorafgaande aan
die, waarop genoemde wetten werden
ingetrokken, recht had, niet in verband
met verandering in zijn toestand zou zijn
verlaagd, indien genoemde wetten niet
zouden zijn ingetrokken, niet lager
gesteld dan het bedrag van laatstgenoemde
uitkering, verhoogd met de bijslagen,
welke daarop krachtens de wettelijke
regelingen inzake het verlenen van
bijslagen op de uitkeringen ingevolge
eerstgenoemde wetten zijn verleend.
|
| 2. |
Indien
op de dag, voorafgaande aan die, waarop de
Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 werden ingetrokken,
de termijn van 312 dagen, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, onder a, in
verbinding met het derde lid, van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37, derde lid,
onder a, in verbinding met het bepaalde
onder c en d, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk artikel 2, eerste lid,
onder a, sub I, van de Zeeongevallenwet
1919, nog niet was verstreken, geldt met
ingang van de eerste dag, liggende na die
termijn, voor de toepassing van het
bepaalde in het vorige lid als bedrag van
de uitkering, waarop de betrokkene op de
dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde
wetten werden ingetrokken, recht had,
verhoogd met de bijslagen, welke daarop
zijn verleend, het bedrag van de
uitkering, waarop de betrokkene, ingeval
genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken, op de eerste dag na genoemde
termijn recht zou hebben gehad, verhoogd
met de bijslagen, welke daarop krachtens
de wettelijke regelingen inzake het
verlenen van bijslagen op de uitkeringen
ingevolge genoemde wetten, zo die
regelingen niet waren ingetrokken, zouden
zijn verleend.
|
| 3. |
Onder
verandering in de toestand van de
betrokkene als in het eerste lid bedoeld
wordt aangemerkt hetgeen daaronder in
artikel 75, eerste lid, van de
Ongevallenwet 1921, artikel 72 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en
artikel 6 van het Reglement der
Zeeongevallenregeling als bedoeld in
artikel 2 van de statuten van de
Vereeniging "Zee-Risico", zoals
dat Reglement luidde op de dag,
voorafgaande aan die, waarop de
Zeeongevallenwet 1919 werd ingetrokken,
werd verstaan of mede begrepen, met dien
verstande, dat onder het verwerven van
nieuwe bekwaamheden ten gevolge van een
opleiding mede wordt begrepen het
verwerven van nieuwe bekwaamheden ten
gevolge van een opleiding, welke is
gegeven op de voet van het bepaalde in §
3 van hoofdstuk II van de Wet. In
afwijking van het bepaalde in de vorige
volzin wordt als verandering in de
toestand van de betrokkene niet beschouwd
de wijziging van de omstandigheden als
bedoeld in artikel 17 van de Ongevallenwet
1921, artikel 38 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2,
eerste lid, onder c, van de
Zeeongevallenwet 1919.
|
| 4. |
Indien
de uitkering als bedoeld in het eerste
lid, waarop de betrokkene op de dag,
voorafgaande aan die, waarop de
Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 werden ingetrokken,
recht had, na die dag uitsluitend in
verband met de wijziging van de
omstandigheden als in de laatste volzin
van het vorige lid bedoeld zou zijn
verlaagd ingeval genoemde wetten niet
zouden zijn ingetrokken, geldt met ingang
van de dag, waarop die verlaging zou zijn
ingegaan, voor de toepassing van het
bepaalde in het eerste lid als bedrag van
de uitkering, waarop de betrokkene op de
dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde
wetten werden ingetrokken, recht had,
verhoogd met de bijslagen, welke daarop
zijn verleend, het bedrag van de
uitkering, waarop de betrokkene, ingeval
genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken, met ingang van de dag, waarop
bedoelde verlaging zou zijn ingegaan,
recht zou hebben gehad, verhoogd met de
bijslagen, welke daarop krachtens de
wettelijke regelingen inzake het verlenen
van bijslagen op uitkeringen ingevolge
genoemde wetten, zo die regelingen niet
waren ingetrokken, zouden zijn verleend.
|
Artikel
33
Indien
artikel 32 van toepassing is ten aanzien van een
persoon, die recht had op meer dan één uitkering
als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste
lid, onder a, van de
Zeeongevallenwet 1919 op de dag, voorafgaande aan
die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken,
geldt de garantie, vervat in artikel 32, zolang
geen van die uitkeringen in verband met
verandering in de toestand als in dat artikel
bedoeld, zou zijn verlaagd, indien genoemde wetten
niet zouden zijn ingetrokken, tot de som van die
uitkeringen en de in dat artikel bedoelde
bijslagen.
Artikel
34
- 1.
- Het bedrag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is
ontleend dan wel mede is ontleend aan artikel
14 of 15, onderscheidenlijk het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene,
ten aanzien van wie artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
wordt, zolang de uitkering als bedoeld in artikel
4, 5,
6 of 7
van die wet, waarop de betrokkene op de dag,
met ingang van welke artikel 10, eerste of
tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van die wet toepassing
vindt, recht zou hebben gehad, indien dat
artikel niet van toepassing zou zijn geweest,
niet in verband met verandering in zijn
toestand zou zijn verlaagd, niet lager gesteld
dan het bedrag van die uitkering.
- 2.
- Indien op de
dag, met ingang van welke artikel 10, eerste
of tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt, de
termijn, bedoeld in artikel 32, tweede lid,
nog niet is verstreken, geldt met ingang van
de eerste dag, liggende na die termijn, voor
de toepassing van het bepaalde in het vorige
lid als bedrag van de uitkering, waarop de
betrokkene op eerstgenoemde dag recht zou
hebben gehad, indien artikel 10, eerste of
tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten niet van toepassing
zou zijn geweest, het bedrag, waarop de
betrokkene, indien dat artikel niet op hem van
toepassing zou zijn geweest, op de eerste dag
na genoemde termijn recht zou hebben gehad.
- 3.
- Artikel 32,
derde lid, is van toepassing.
- 4.
- Indien de
uitkering als bedoeld in het eerste lid,
waarop de betrokkene op de dag, met ingang van
welke artikel 10, eerste of tweede lid,
onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
recht zou hebben gehad, indien dat artikel
niet van toepassing zou zijn geweest, na die
dag uitsluitend in verband met de wijziging
van de omstandigheden als in de laatste volzin
van het derde lid van artikel 32 bedoeld zou
zijn verlaagd, indien artikel 10, eerste of
tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten niet van toepassing
zou zijn geweest, geldt met ingang van de dag,
waarop die verlaging zou zijn ingegaan, voor
de toepassing van het bepaalde in het eerste
lid als bedrag van de uitkering, waarop de
betrokkene op de dag, met ingang van welke
artikel 10, eerste of tweede lid,
onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
recht zou hebben gehad, indien dat artikel
niet van toepassing zou zijn geweest, het
bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene,
indien dat artikel niet van toepassing zou
zijn geweest, met ingang van de dag, waarop
bedoelde verlaging zou zijn ingegaan, op grond
van het bepaalde in artikel
4, 5,
6 of 7
van genoemde wet recht zou hebben gehad.
Artikel
35
Indien
artikel 34 van toepassing is ten aanzien van een
persoon, die op de dag, met ingang van welke artikel
6, vierde lid, 7,
tweede lid, 10,
eerste of tweede lid, of 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
toepassing vindt, indien geen van laatstgenoemde
artikelen ten aanzien van hem toepassing zou
hebben gevonden, recht op meer dan één uitkering
als bedoeld in artikel
4, 5,
6 of 7
van die wet zou hebben gehad, geldt de garantie,
vervat in artikel 34, zolang geen van die
uitkeringen in verband met verandering in de
toestand als in dat artikel bedoeld, zou zijn
verlaagd, indien geen van de artikelen
6, vierde lid, 7,
tweede lid, 10,
eerste of tweede lid, en 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
ten aanzien van hem toepassing zou hebben
gevonden, tot de som van die uitkeringen.
Artikel
36
| 1. |
Indien
zowel artikel 32, al dan niet in
verbinding met artikel 33, als artikel 34,
al dan niet in verbinding met artikel 35,
van toepassing zijn, gelden de garanties,
vervat in die artikelen, met ingang van de
dag, met ingang van welke genoemde
artikelen gelijktijdig van toepassing zijn
en zolang geen van de aldaar bedoelde
uitkeringen in verband met verandering in
de toestand als in artikel 32
onderscheidenlijk artikel 34 bedoeld zou
zijn verlaagd, indien de Ongevallenwet
1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 of de Zeeongevallenwet 1919 niet
zouden zijn ingetrokken, onderscheidenlijk
indien artikel
10, eerste of tweede lid, dan wel artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten niet van
toepassing zou zijn geweest, tot de som
van de in artikel 32 bedoelde
uitkering(en) en bijslagen en de in
artikel 34 bedoelde uitkering(en).
|
| 2. |
Het
bepaalde in de artikelen 32, 33, 34 en 35
en in het eerste lid laat onverlet de
bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als omschreven in
de artikelen
25 en 28
van de Wet.
|
Artikel
37
- 1.
- Indien
een persoon, ten aanzien van wie artikel 32,
33, 34, 35 of 36 van toepassing is,
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent of
mede ontleent aan artikel 3 of 4, dan wel
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
laatstgenoemd artikel zou hebben ontleend of
mede zou hebben ontleend, indien het tweede
lid van dat artikel niet op hem van toepassing
zou zijn geweest, wordt, indien ten aanzien
van hem het bepaalde in artikel
53 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten
van toepassing is, het in artikel 32, 33, 34,
35 of 36 gegarandeerde bedrag verhoogd met
1/260 van het jaarbedrag van de
invaliditeitsrente, vrije invaliditeitsrente
of invaliditeitsuitkering als bedoeld in artikel
53 van laatstgenoemde wet, zolang de
arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan,
ten minste 65% bedraagt.
- 2.
- Indien
een fonds, als bedoeld in artikel
54, tweede lid, van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, gebruik maakt van
de in dat lid gegeven bevoegdheid, vindt de
garantie, vervat in het vorige lid, ten
aanzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
toegekend aan personen als bedoeld in artikel
54, tweede lid, van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, overeenkomstige
toepassing tot 1/260 van het jaarbedrag van de
in laatstgenoemd lid bedoelde
invaliditeitsuitkeringen, onderscheidenlijk
invaliditeitsrenten.
- 3.
- Indien
ten aanzien van degene, op wie het bepaalde in
het eerste of het tweede lid van toepassing
is, op de dag, voorafgaande aan die, met
ingang van welke de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers werd ingetrokken,
het bepaalde in artikel 52, zesde lid, van die
wet toepassing vond, wordt het in de vorige
leden gegarandeerde bedrag verhoogd met 1/260
van het jaarbedrag, waarop de betrokkene
ingevolge laatstbedoelde bepaling aanspraak
zou hebben gehad, indien de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn
ingetrokken.
Artikel
38
| 1. |
Indien
het bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze
wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens
artikel
45, 46,
46a
, 46b of 52
van de Wet toepassing vindt, wordt
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
toegekend aan een persoon ten aanzien van
wie het bepaalde in artikel
53 van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten van toepassing
is, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert
de dag, waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingegaan, ten minste 65% bedraagt, de
uitbetaling niet verder beperkt dan tot
1/260 van het jaarbedrag van de
invaliditeitsrente, vrije
invaliditeitsrente of
invaliditeitsuitkering als bedoeld in
laatstgenoemd artikel.
|
| 2. |
Het
bepaalde in het tweede en het derde lid
van het vorige artikel is van toepassing.
|
Artikel
39
| 1. |
Indien
het bepaalde bij of krachtens artikel
46 van de Wet toepassing vindt,
wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend
of mede ontleend aan artikel 3, zolang de
arbeidsongeschiktheid sedert de dag,
waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingegaan, ten minste 45% bedraagt en de
betrokkene op en sedert die dag is
opgenomen in een sociale
werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel
46 van de Wet, de uitbetaling niet
verder beperkt dan tot 1/260 van het
jaarbedrag, waarop de betrokkene
laatstelijk ingevolge het bepaalde bij of
krachtens artikel 23 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers aan bijslag en
invaliditeitsrente tezamen aanspraak had.
|
| 2. |
Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd om,
zolang de belangen van de betrokkene
daardoor niet worden geschaad, indeling in
een der in artikel
21 van de Wet genoemde
invaliditeitsklassen achterwege te laten
ten aanzien van degene, die
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent
aan artikel 3 en die op en sedert de dag,
waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, is
opgenomen in een sociale
werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel
46 van de Wet.
|
| 3. |
Bij
toepassing van het vorige lid wordt de
arbeidsongeschiktheid van de betrokkene
geacht 80% of meer te bedragen.
|
| 4. |
Onze
Minister kan met betrekking tot het
bepaalde in dit artikel en in artikel 41
nadere en, voor bijzondere gevallen, zo
nodig afwijkende regelen stellen.
|
Artikel
40
| 1. |
Indien
het bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze
wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens
artikel
45, 46a,
46b of 52
van de Wet toepassing vindt, wordt
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
ontleend of mede ontleend aan artikel 13,
14 of 15 van deze wet, onderscheidenlijk
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van
degene, ten aanzien van wie artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
de uitbetaling niet verder beperkt dan tot
het bedrag, waarop de betrokkene krachtens
het bepaalde bij artikel 32, 33, 34, 35 of
36 aanspraak zou hebben, indien het
bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze wet,
dan wel het bepaalde bij artikel
45, 46a,
46b of 52
van de Wet niet van toepassing zou
zijn.
|
| 2. |
Het
bepaalde bij artikel 37 is mede van
toepassing op het in het eerste lid
gegarandeerde bedrag.
|
Artikel
41
| 1. |
Indien
het bepaalde bij of krachtens artikel
46 van de Wet toepassing vindt,
wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend
of mede ontleend aan artikel 13, 14 of 15
van deze wet, onderscheidenlijk van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van
degene, ten aanzien van wie artikel
6, vierde lid, artikel
7, tweede lid, of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten toepassing vindt,
indien de betrokkene op en sedert de dag,
met ingang van welke de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingegaan, is opgenomen in een sociale
werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel
46 van de Wet, de uitbetaling niet
verder beperkt dan tot het bedrag, waarop
hij krachtens het bepaalde bij artikel 32,
33, 34, 35 of 36 aanspraak zou hebben,
indien het bepaalde bij artikel
46 van de Wet niet van toepassing
zou zijn.
|
| 2. |
Het
bepaalde bij artikel 37 is mede van
toepassing op het in het eerste lid
gegarandeerde bedrag.
|
Artikel
42
Onze
Minister kan ten aanzien van het bepaalde bij de
artikelen 37, 38 en 40 nadere regelen stellen.
Daarbij kan tevens worden geregeld, dat personen,
wier arbeidsongeschiktheidsuitkering aansluit aan
een uitkering ingevolge de Invaliditeitswet
of een daarmede gelijk te stellen uitkering, aan
een uitkering ingevolge de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, ingevolge de in artikel
3, eerste lid, onder a, b,
c, d,
e, f
of g, van de
Liquidatiewet ongevallenwetten genoemde
wetten, dan wel ingevolge de Liquidatiewet
ongevallenwetten, indien die
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het van deze
uitkering uit te betalen bedrag op een lager
bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag van de
vorenbedoelde uitkering(en), waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aansluit, voor een
hoger bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komen.
Hoofdstuk
III. Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering
van de arbeidsgeschiktheid en andere voorzieningen
§
1. Voorzieningen tot behoud, herstel of ter
bevordering van de arbeidsgeschiktheid, in aansluiting
op zodanige voorzieningen krachtens de Invaliditeitswet
Artikel
43
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
brengt degene, wiens genees- of heelkundige
behandeling, daaronder mede verstaan opneming in
een inrichting, op grond van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen
99, 100,
105 en 113
van de Invaliditeitswet zou zijn
voortgezet, indien de bepalingen van de Invaliditeitswet
en van haar uitvoeringsbesluiten, ingevolge welke
die behandeling is verleend, niet buiten werking
zouden zijn getreden, op de voet van het bepaalde
in § 3 van hoofdstuk II van de Wet voor
voortzetting van die behandeling in aanmerking.
§
2. Voorzieningen tot behoud, herstel of ter
bevordering van de arbeidsgeschiktheid en andere
voorzieningen, in aansluiting op zodanige
voorzieningen krachtens de Ongevallenwet 1921, de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de
Zeeongevallenwet 1919
Artikel
44
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
brengt degene, die ter zake van een ongeval, dat
plaatsvond vóór de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
hetzij vóór
die dag genees- en heelkundige behandeling of
vergoeding daarvoor als bedoeld in artikel 14 van
de Ongevallenwet 1921, artikel 35 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, achtste
lid, van de Zeeongevallenwet 1919 heeft gehad,
hetzij
binnen een jaar, aanvangende op meergenoemde dag,
recht op zodanige behandeling of vergoeding
daarvoor zou hebben gehad, indien laatstgenoemde
wetten niet zouden zijn ingetrokken,
een en
ander tenzij de uitkering als bedoeld in artikel
16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van
de Zeeongevallenwet 1919, welke hem ter zake van
eerdergenoemd ongeval is toegekend, overeenkomstig
het bepaalde in artikel
17 van de Liquidatiewet ongevallenwetten
wordt afgekocht dan wel overeenkomstig het
bepaalde in
artikel 18 van die wet is afgekocht, op de
voet van het bepaalde in § 3 van hoofdstuk II van
de Wet voor zodanige behandeling of vergoeding
daarvoor in aanmerking, indien hij daarop, zo de
Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet
1919 niet zouden zijn ingetrokken, recht zou
hebben gehad.
Artikel
45
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
brengt degene, wiens opleiding op grond van het
bepaalde bij artikel 25, eerste lid, of artikel
87c, derde lid, van de Ongevallenwet 1921, artikel
48, eerste lid, of artikel 95c, derde lid, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 dan wel
artikel 5, eerste lid, van het Reglement der
Zeeongevallenregeling als bedoeld in artikel 2 van
de Statuten van de Vereeniging "Zee-Risico"
en/of wiens toelage op grond van het bepaalde in
artikel 25, tweede lid, of artikel 87c, eerste
lid, van de Ongevallenwet 1921, dan wel artikel
48, derde lid, of artikel 95c, eerste lid, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, dan wel
artikel 5, tweede lid, van vorengenoemd Reglement
zou zijn voortgezet, indien de Ongevallenwet 1921,
de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 niet zouden zijn
ingetrokken, op de voet van het bepaalde in § 3
van hoofdstuk II van de Wet voor voortzetting van
die opleiding en/of vergoeding in aanmerking.
Hoofdstuk
IV. Vrijwillige verzekering
Artikel
46
| 1. |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
is verplicht tot de vrijwillige verzekering
toe te laten, mits hij hier te lande woont:
| a. |
degene,
wiens verzekering ingevolge de Invaliditeitswet
is aangevangen vóór of op 1 januari
1962, mits hij op de dag, voorafgaande
aan het in werking treden van artikel
19 van de Wet, krachtens de Invaliditeitswet
in rekening kan doen brengen:
| 1°. |
een
aantal weekpremies, dat ten
minste tweederde bedraagt van
het getal der weken,
verstreken tussen de aanvang
van zijn verzekering en 1
januari 1965 of
|
| 2°. |
ten
minste 150 weekpremies voor
het tijdvak, gelegen tussen 1
januari 1962 en 1 januari
1965;
|
|
| b. |
degene,
die op de dag, voorafgaande aan het in
werking treden van artikel
19 van de Wet, verzekerd is
ingevolge de Invaliditeitswet
en wiens verplichte verzekering
ingevolge de Wet
op of na 1 januari 1965, doch vóór
het in werking treden van genoemd
artikel zou zijn geëindigd, indien de
Wet
toen reeds in werking was geweest,
mits hij gedurende de drie jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de dag,
waarop de verplichte verzekering zou
zijn geëindigd, onafgebroken
verzekerd of in verband met het
bepaalde in artikel
6, eerste lid, onder a of b, van de
Wet niet verzekerd zou zijn
geweest ingevolge de Wet,
indien de Wet
gedurende die termijn van drie jaren
reeds in werking was geweest;
|
| c. |
degene,
die als zelfstandige een bedrijf of
beroep uitoefent of gaat uitoefenen en
wiens verplichte verzekering ingevolge
de Wet
op of na 1 augustus 1964, doch vóór
het in werking treden van artikel
6, eerste lid, onder a of b, van de
Wet zou zijn geëindigd, indien
de Wet
toen reeds in werking was geweest,
mits hij gedurende de drie jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de dag,
waarop de verplichte verzekering zou
zijn geëindigd, onafgebroken
verzekerd of in verband met het
bepaalde in artikel
6, eerste lid, onder a of b, van de
Wet niet verzekerd zou zijn
geweest ingevolge de Wet,
indien de Wet
gedurende die termijn van drie jaren
reeds in werking was geweest.
|
|
| 2. |
De
in het vorige lid bedoelde verplichting
bestaat eveneens ten aanzien van degene, die
buiten het Rijk woont en aldaar in
dienstbetrekking staat tot een binnen het Rijk
wonende of gevestigde werkgever, mits hij
voldoet aan het bepaalde in het vorige lid,
onder a, of zijn verplichte verzekering
ingevolge de Wet
op of na 1 augustus 1964, doch vóór het in
werking treding van artikel
19 van de Wet zou zijn geëindigd,
indien de Wet
toen reeds in werking was geweest.
|
Artikel
47
| 1. |
Voor
de toepassing van het bepaalde in het eerste
lid, onder a, sub 1°, van het vorige artikel,
blijven bij de berekening van de
verzekeringsduur buiten aanmerking de weken,
gedurende welke invaliditeitsrente krachtens
de Invaliditeitswet
is genoten.
|
| 2. |
Voor
de toepassing van het bepaalde in het eerste
lid, onder a, sub 2°, van het vorige artikel,
worden, indien de geldigheidsduur van een
rentekaart zich uitstrekt over een periode,
gelegen zowel vóór als na 1 januari 1962, de
op die rentekaart vereffende premies geacht te
zijn bestemd voor dat gedeelte van die
geldigheidsduur, dat gelegen is na die datum,
evenwel ten hoogste tot het aantal weken van
dat gedeelte.
|
Artikel
48
| 1. |
Het
bepaalde in artikel 46 geldt niet ten aanzien
van:
| a. |
degene,
die verzekerd is ingevolge de Wet;
|
| b. |
degene,
die in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onder a of b, van de
Wet niet verzekerd is ingevolge
de Wet.
|
|
| 2. |
Het
bepaalde in het vorige lid blijft buiten
toepassing, indien de arbeidsverhouding, uit
hoofde waarvan de betrokkene verzekerd dan wel
niet verzekerd is ingevolge de Wet,
ertoe strekt, dat de betrokkene slechts een
gedeelte van een normale werkweek arbeid
verricht, niet uitsluitend als gevolg van een
voor betrokkene geldende werktijdregeling,
krachtens welke een normale werkweek van
gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing
is.
|
Artikel
49
| 1. |
De
aanmelding voor de vrijwillige verzekering
dient, onverminderd het bepaalde in de
volgende leden, door de in artikel 46 bedoelde
personen te geschieden binnen een maand na het
in werking treden van artikel
19 van de Wet.
|
| 2. |
De
aanmelding voor de vrijwillige verzekering kan
na de in het vorige lid, onderscheidenlijk na
de in artikel
83 van de Wet bedoelde termijn nog,
onverminderd het bepaalde in het volgende lid,
geschieden binnen zes maanden na het in
werking treden van artikel
19 van de Wet:
| a. |
door
de in artikel 46 bedoelde personen;
|
| b. |
door
de personen, wier aanmelding voor de
vrijwillige verzekering ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel
83 van de Wet zou dienen te
geschieden vóór een dag, gelegen
binnen zes maanden na het in werking
treden van artikel
19 van de Wet.
|
|
| 3. |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
is bevoegd de toelating tot de vrijwillige
verzekering na aanmelding met toepassing van
het vorige lid te weigeren:
| a. |
van
de in het vorige lid, onder a,
bedoelde personen, indien
arbeidsongeschiktheid is ingetreden of
toegenomen na de in het eerste lid
bedoelde maand, doch vóór het
tijdstip, waarop de betrokkene zich
aanmeldt voor de vrijwillige
verzekering;
|
| b. |
van
de in het vorige lid, onder b,
bedoelde personen, indien
arbeidsongeschiktheid is ingetreden of
toegenomen na de aldaar bedoelde dag,
doch vóór het tijdstip, waarop de
betrokkene zich aanmeldt voor de
vrijwillige verzekering.
|
|
Artikel
50
Voor zover
de termijn van drie jaren, genoemd in artikel
81, eerste lid, onder c en d, van de Wet, is
gelegen vóór het in werking treden van artikel
19 van de Wet, wordt in genoemde bepalingen in
plaats van "onafgebroken, al dan niet hier te
lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een
wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem
van toepassing is geweest" gelezen: onafgebroken
de verzekering ingevolge deze wet op hem van
toepassing zou zijn geweest of in verband met het
bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet
op hem van toepassing zou zijn geweest, indien deze
wet toen reeds in werking was geweest, dan wel buiten
het Rijk, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een
wettelijke regeling, een voorziening tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem
van toepassing is geweest.
Artikel
51
| 1. |
In
afwijking van het bepaalde in het eerste lid
van artikel
82 van de Wet wordt de in artikel
81, eerste lid, onder c en d, van de Wet
genoemde termijn van drie jaren, voor zover
gelegen vóór het in werking treden van artikel
19 van de Wet, geacht niet te zijn
onderbroken:
| a. |
indien
de betrokkene, zo de Wet
toen reeds in werking zou zijn
geweest, niet verzekerd zou zijn
geweest gedurende niet meer dan zestig
dagen, verminderd met het aantal
dagen, gedurende welke hij na het in
werking treden van artikel
19 van de Wet niet verzekerd is
geweest;
|
| b. |
gedurende
het tijdvak, dat de betrokkene wegens
ziekte of gebreken ongeschikt is
geweest tot het verrichten van zijn
arbeid;
|
| c. |
gedurende
het tijdvak, dat de betrokkene ten
minste 45% arbeidsongeschikt is
geweest.
|
|
| 2. |
Het
bepaalde in het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
termijn van drie jaren, bedoeld in artikel 46,
eerste lid, onder b en c.
|
Artikel
52
Ten aanzien
van degene, die op grond van het bepaalde in artikel
6, derde lid, of artikel
7, derde lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
geen recht heeft op de in het eerste lid van die
artikelen bedoelde uitkering, uitsluitend omdat hij
vrijwillig verzekerd is ingevolge de Wet,
en die niet verzekerd is ingevolge de Ziektewet,
vindt ter zake van zijn ongeschiktheid als bedoeld in artikel
6, eerste of tweede lid, of artikel
7, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten,
de wachtperiode van 52 weken arbeidsongeschiktheid,
vermeld in artikel
19, eerste lid, van de Wet, geen toepassing.
Hoofdstuk
V. Uitvoering
Artikel
53
Indien
artikel 13, 14 of 15 van deze wet of artikel
11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
toepassing vindt dan wel mede toepassing vindt –
voor zover laatstgenoemd artikel betreft ter zake van
een op of na de ingangsdatum van de in dat artikel het
eerst genoemde uitkeringen ontstaan recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering – geschiedt de
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
- a.
- indien
het betreft aansluiting op een uitkering, als
bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
- b.
- indien
het betreft aansluiting op een uitkering, als
bedoeld in artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922,
- c.
- indien
het betreft aansluiting op een uitkering, als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919.
Artikel
54
Indien
artikel 12 toepassing dan wel mede toepassing vindt,
geschiedt – onverminderd het bepaalde in artikel 53
– de toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien het betreft
het geval, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1°,
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
dat het ziekengeld verleende en, indien het betreft
het geval, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 2°,
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
dat ziekengeld zou hebben dienen te verlenen, indien
betrokkene niet van de verzekering ingevolge de Ziektewet
uitgezonderd zou zijn geweest.
Artikel
55
Indien
uitsluitend artikel 3 of 4 van toepassing is,
geschiedt de toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel
55a
Indien
degene, die recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan deze wet,
lid of gepensioneerd lid is van de pensioenkas van het
Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in
Limburg of van de pensioenkas van het Beambtenfonds
voor het Mijnbedrijf, geschiedt de toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, zo nodig in afwijking
van het bepaalde in de artikelen 53, 54 en 55, door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel
56 [Vervallen per 01-03-1997]
Artikel
57
| 1. |
Degene,
bedoeld in artikel 43, wordt voor de in dat
artikel genoemde voorziening in aanmerking
gebracht door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
|
| 2. |
Degene,
bedoeld in artikel 44 of 45, wordt, indien ter
zake van het ongeval of mede ter zake van het
ongeval, dat aan het in aanmerking brengen
voor de in deze artikelen genoemde voorziening
ten grondslag ligt, recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet
wordt ontleend, voor de in deze artikelen
genoemde voorziening in aanmerking gebracht
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verleent.
|
| 3. |
Indien:
| a. |
geen
recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
deze wet wordt ontleend,
|
| b. |
anders
dan ter zake van het ongeval, dat aan
het in aanmerking brengen voor de
voorziening ten grondslag ligt, reeds
recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
deze wet wordt ontleend, wordt de
betrokkene voor de in artikel 44 of 45
genoemde voorziening in aanmerking
gebracht door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dat
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
hebben dienen te verlenen, indien ter
zake van arbeidsongeschiktheid als
gevolg van vorenbedoeld ongeval recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens deze wet zou zijn ontstaan.
|
|
| 4. |
Bij
toepassing van het derde lid, onder b,
geschiedt de verdere behandeling van de daar
bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering, zo
nodig in afwijking van het bepaalde in artikel
69 van de wet, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
| 5. |
Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van
de uitvoering van het in aanmerking brengen
voor een voorziening als bedoeld in de
artikelen 43, 44 en 45 van personen, die geen
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan deze wet ontlenen. Bij deze regelen kan
worden afgeweken van het bepaalde bij de
voorgaande leden en bij artikel 2.
|
Artikel
58 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel
59
Toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond of mede
op grond van het bepaalde in de artikelen 3, 13, 14 of
15 vindt ambtshalve plaats.
Hoofdstuk
VI. Slotbepalingen
Artikel
60
| 1. |
Ten
aanzien van degene, die arbeidsongeschikt
wordt, of, in gevallen als bedoeld in artikel
37, eerste lid, van de Wet, meer
arbeidsongeschikt wordt binnen drie maanden na
het in werking treden van artikel
19 van de Wet, doch binnen een maand na
het tijdstip, waarop zijn verzekering
ingevolge de Wet
is geëindigd, wordt voor de toepassing van artikel
17 dier wet de Wet
geacht in werking te zijn getreden op de dag,
welke is gelegen drie maanden vóór de dag,
waarop de arbeidsongeschiktheid
onderscheidenlijk de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
|
| 2. |
Ten
aanzien van degene, die arbeidsongeschikt
wordt, of, in gevallen als bedoeld in artikel
37, eerste lid, van de Wet, meer
arbeidsongeschikt wordt op of na de dag,
waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, doch
binnen een maand na het vóór die dag gelegen
tijdstip, waarop zijn verzekering ingevolge de
Wet
zou zijn geëindigd, indien de Wet
toen reeds in werking was geweest, wordt voor
de toepassing van artikel
17 en § 3 van hoofdstuk II dier wet de
Wet
geacht in werking te zijn getreden op de dag,
welke is gelegen drie maanden vóór de dag,
waarop de arbeidsongeschiktheid
onderscheidenlijk de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
|
Artikel
61
Degene, die
in verband met het bepaalde in artikel
3, derde lid, of 8
van de Wet overgangsregeling Ziektewet
verzekerd is ingevolge de Ziektewet
en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, is,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 53 tot en met 57, verzekerd ingevolge de Wet
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
waarbij hij ingevolge de Ziektewet
verzekerd is.
Artikel
62
Degene, die
ter zake van vóór de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, ingetreden
invaliditeit uitzicht zou hebben op een na het
verstrijken van de wachttijd als bedoeld in artikel
71 van de Invaliditeitswet ingaand recht op
bijslag als bedoeld in artikel 3 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, indien die wet niet zou
zijn ingetrokken, wordt onverminderd het bepaalde bij
of krachtens de artikelen 53 tot en met 57, zolang hij
niet verzekerd is ingevolge de Wet
en geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft, voor de toepassing van het bepaalde in § 3 van
hoofdstuk II van die wet geacht ingevolge die wet
verzekerd te zijn bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Artikel
63
| 1. |
Het
bepaalde in de artikelen
18, tweede lid, en 39,
eerste lid, onder a, van de Wet blijft
buiten toepassing ten aanzien van degene, die
een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent
aan deze wet.
|
| 2. |
Het
bepaalde in artikel
30, eerste lid, onder b, van de Wet
blijft buiten toepassing ten aanzien van:
| a. |
degene,
wiens arbeidsongeschiktheid is
ingetreden binnen een half jaar na het
in werking treden van artikel
19 van de Wet, indien hij
gedurende het halve jaar, onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van die
arbeidsongeschiktheid, onafgebroken
krachtens de Wet
verzekerd zou zijn geweest, indien de Wet
toen reeds in werking zou zijn
geweest;
|
| b. |
degene,
die op grond van het bepaalde in
artikel 46 tot de vrijwillige
verzekering is toegelaten.
|
|
| 3. |
Het
bepaalde in de artikelen
90 en 91
van de Wet blijft buiten toepassing ten
aanzien van de uit de toepassing van de
bepalingen van deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten voortvloeiende kosten.
Onder vorenbedoelde kosten vallen niet de
kosten, voortvloeiende uit een herziening van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake
van toeneming van de arbeidsongeschiktheid,
indien de toeneming kennelijk is voortgekomen
uit een andere oorzaak dan die, waaruit de
ongeschiktheid terzake waarvan op grond van
het bepaalde bij of krachtens deze wet een
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd
toegekend, is voortgekomen.
|
Artikel
64
Indien over
een tijdvak, waarover een uitkering wordt genoten als
bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922
of artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919, naderhand een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet wordt
ontleend, kan hetgeen als gevolg van het bepaalde bij
of krachtens de Liquidatiewet
ongevallenwetten over dat tijdvak aan
eerstbedoelde uitkering ten onrechte is uitbetaald,
geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd dan wel
in mindering worden gebracht op de uit te betalen
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel
65
Het in artikel
78 van de Wet bedoelde premiepercentage wordt
zodanig vastgesteld, dat uiterlijk in vier jaren, te
rekenen van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
19 van de Wet af, mede de verplichtingen, welke
voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds als bedoeld in hoofdstuk
III, § 2, van de Wet, voortvloeien uit het
bepaalde bij of krachtens artikel
52, derde en vierde lid, van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, worden gedekt door middel
van premieheffing krachtens de Wet.
Artikel
66
| 1. |
Een
overeenkomst met betrekking tot de verzekering
van geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, gesloten door degene,
die met ingang van de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt,
ingevolge de Wet
of deze wet tot de vrijwillige verzekering
wordt toegelaten, vervalt met ingang van de
dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde
mededeling van de toelating ontvangt, voor
zover aan de overeenkomst rechten kunnen
worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke
uit de in de Wet
geregelde vrijwillige verzekering
voortvloeien. Bereikt deze mededeling de
verzekeraar vóór de dag, waarop de
betrokkene vrijwillig verzekerd wordt, dan
vervalt de overeenkomst met ingang van die
dag.
|
| 2. |
Artikel
98a, tweede lid, van de Wet is van
toepassing.
|
Artikel
67
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de
termijnen, gesteld in de artikelen 11 en 60.
Artikel
68
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
69
[Bevat
wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel
70
Deze wet kan
worden aangehaald onder de titel "Wet
overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering".
Artikel
71
| 1. |
Waar
in deze wet nummeringen van artikelen van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten worden aangehaald,
worden deze door Onze Minister in
overeenstemming gebracht in de nummering van
die artikelen, zoals deze is komen te luiden
na toepassing van artikel
65 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten.
|
| 2. |
De
tekst van deze wet, zoals die luidt na
toepassing van het vorige lid, wordt in het Staatsblad
geplaatst.
|
Artikel
72
De artikelen
van deze wet treden in werking met ingang van een door
Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Gegeven ten Paleize
Soestdijk, 2 februari 1967
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken
en Volksgezondheid,
G.M.J.
Veldkamp
Uitgegeven de achtentwintigste
februari 1967
De Minister van Justitie,
Struycken
|