Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 18 Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Besluit
uitvoering afwikkeling liquidatie-uitkeringen en voorzieningen
WET van 2 februari 1967,
houdende overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat
het wenselijk is regelen vast te stellen inzake overgangsrecht met
betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Voor de toepassing van deze wet
en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan
onder:
a. Wet: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers: de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, zoals deze wet luidde op de dag,
voorafgaande aan die, waarop zij werd ingetrokken;
c. Ongevallenwet 1921, Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en Zeeongevallenwet 1919: de
Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919, zoals deze wetten
luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werden
ingetrokken;
d. ongeval: een ongeval, in
verband met de dienstbetrekking of de uitoefening van een
verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als bedoeld in de
Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of
de Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die wetten mede
als ongeval, in verband met de dienstbetrekking overkomen,
werd beschouwd, dan wel daarmede werd gelijkgesteld.
2.Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde wordt met lichamelijk letsel, gevolg
van een ongeval, gelijkgesteld lichamelijk letsel in een
betrekkelijk korte tijd ontstaan als bedoeld in artikel 1, vierde
lid, van de Ongevallenwet 1921 en artikel 2, vierde lid, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
Artikel 2
1.De beslissingen en verstrekkingen
ingevolge deze wet worden voor de toepassing van wettelijke
voorschriften geacht beslissingen en verstrekkingen te zijn
ingevolge de Wet.
2.De bepalingen van de Wet en van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, alsmede
de uitvoeringsbesluiten van die wetten zijn met inachtneming van
de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, en voor
zover deze wet en haar uitvoeringsbesluiten daarvan niet afwijken,
van kracht ten aanzien van de in deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten vervatte regeling.
Hoofdstuk II.
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
§ 1. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aansluiting op bijslag ingevolge de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers
Artikel 3
1.Degene, die over de maand,
voorafgaande aan de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking
treedt, recht heeft op een bijslag als bedoeld in artikel 3 van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers en op genoemde dag ten
minste 15% arbeidsongeschikt is, heeft recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.Het bepaalde in het vorige lid is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene, die over de
in dat lid bedoelde maand geen recht heeft op een bijslag als daar
bedoeld, uitsluitend in verband met het bepaalde bij of krachtens
artikel 10, eerste lid, onder a, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers in verbinding met het derde lid, onder
d, van dat artikel.
Artikel 4
1.Degene, die ter zake van
invaliditeit, welke is ingetreden vóór de dag, waarop artikel 19
van de Wet in werking treedt, eerst op of na die dag op grond van
het bepaalde in artikel 1, onder c, dan wel artikel 2, eerste lid,
onder a, b, c of d, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers
als rentetrekker zou zijn aangemerkt, indien die wet niet zou zijn
ingetrokken, heeft recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wanneer hij op het tijdstip, met
ingang waarvan hij, indien de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn ingetrokken, als
rentetrekker zou zijn aangemerkt, recht op bijslag als bedoeld in
artikel 3 van die wet zou hebben gehad.
2.Voor de toepassing van het
bepaalde in het vorige lid blijft het bepaalde bij of krachtens
artikel 10, eerste lid, onder a, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met het derde lid, onder
d, van dat artikel, buiten beschouwing.
3.Het bepaalde in de vorige leden
blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die op de dag met
ingang van welke hij als rentetrekker zou zijn aangemerkt, aan
deze wet een vóór die dag ingegane
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
Artikel 5
1.Bij toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in
artikel 3 of 4 wordt het daaraan ten grondslag te leggen dagloon
gesteld op het hoogste van de bedragen, welke worden verkregen
door het produkt van 106/80, 106/65, 106/50 onderscheidenlijk
106/40 maal onderscheidenlijk de in artikel 5, onder a, b, c en d,
van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers bedoelde bedragen,
zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld, te delen door 260.
2.Zolang degene, aan wie
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond van het
bepaalde in artikel 3 of 4, niet gehuwd, noch gehuwd geweest is en
de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, wordt het in het
vorige lid bedoelde dagloon, eventueel verhoogd of verlaagd
overeenkomstig de artikelen 23, 24, 25 en 27 van deze wet en/of
artikel 15 van de Wet, met 10% verminderd voor elk jaar of
gedeelte daarvan, dat de betrokkene jonger is dan 23 jaar.
3.Onze Minister kan regelen stellen
ingevolge welke kan worden afgeweken van het bepaalde in het
eerste lid ten aanzien van gehuwde vrouwen.
Artikel 6
1.Indien degene, aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond of mede op
grond van het bepaalde in artikel 3, 4 of 12, recht heeft op een
overheidspensioen of een uitkering als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met het tweede en het
derde lid, onder a, b, c, e, f, g en h, van dat artikel, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze
het gezamenlijke bedrag van het overheidspensioen en de op dat
pensioen verleende wettelijke toeslagen en bijslagen
onderscheidenlijk het bedrag van de vorengenoemde uitkering,
overtreft.
2.Voor de toepassing van het vorige
lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering mede verstaan de
vakantie-uitkering als bedoeld in Hoofdstuk II, § 2a, van de Wet.
3.Het bepaalde in artikel 10,
vierde lid, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1.Indien degene, aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond of mede op
grond van het bepaalde in artikel 3 of 4, doch zonder toepassing
van artikel 12, recht heeft op een vóór de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingegaan weduwenpensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor
zover deze het bedrag van het weduwenpensioen overtreft.
2.Indien artikel 30, eerste lid,
van de Algemene Weduwen- en Wezenwet toepassing vindt, wordt voor
de toepassing van het vorige lid als weduwenpensioen in aanmerking
genomen het bedrag van het weduwenpensioen vóórdat de in artikel
30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet voorziene
vermindering heeft plaatsgevonden.
3.Voor de toepassing van het
bepaalde in het eerste lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk weduwenpensioen
tevens verstaan de vakantie-uitkering, waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk dat
weduwenpensioen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen
over dezelfde perioden zijn berekend.
Artikel 8
1.In de gevallen, waarin over een
tijdvak, waarover reeds arbeidsongeschiktheidsuitkering is
uitbetaald, naderhand pensioen of uitkering als bedoeld in artikel
6 of 7 wordt toegekend of een zodanig reeds toegekend pensioen of
toegekende uitkering wordt verhoogd, kan hetgeen als gevolg van
het bepaalde in die artikelen aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
teveel of ten onrechte is uitbetaald worden teruggevorderd dan wel
in mindering worden gebracht op de nog uit te betalen bedragen aan
pensioen of uitkering en de daarop verleende wettelijke toeslagen
en bijslagen of op de later uit te betalen
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.Indien na toepassing van artikel
6 of 7 blijkt, dat pensioen of uitkering, bedoeld in die
artikelen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitbetaald,
als gevolg waarvan alsnog arbeidsongeschiktheidsuitkering of meer
arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden uitbetaald, kan
hetgeen aan pensioen of uitkering ten onrechte of teveel is
uitbetaald in mindering worden gebracht op de alsnog uit te
betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering of meerdere
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.Voor de toepassing van het
bepaalde in de vorige leden wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk pensioen als
bedoeld in artikel 7 tevens verstaan de vakantie-uitkering, welke
uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk dat pensioen is verleend.
Artikel 9
1.Indien degene, die recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan wel
mede ontleent aan artikel 3, 4 of 12, in het genot is van een
invaliditeitsuitkering, ontleend aan artikel 59bis van het op 31
december 1935 geldende reglement van het Algemeen Mijnwerkersfonds
van de Steenkolenmijnen in Limburg, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor
zover deze het bedrag van die invaliditeitsuitkering overtreft.
2.Aan degene, die recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan wel
mede ontleent
hetzij aan artikel 3, terwijl hem
het recht op bijslag als in dat artikel bedoeld was toegekend met
toepassing van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers,
hetzij aan artikel 4 of 12, terwijl
hij, indien de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn
ingetrokken, op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid,
onder b, van die wet als rentetrekker zou zijn aangemerkt,
wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor
zover deze overtreft het bedrag, dat de invaliditeitsrente als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, en tweede lid, van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met artikel
8, eerste lid, onder b, en tweede lid, van die wet, geacht zou
worden te bedragen, indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
3.Het bepaalde in de vorige leden
blijft buiten toepassing, indien het Algemeen Mijnwerkersfonds van
de Steenkolenmijnen in Limburg, onderscheidenlijk het fonds,
waarin is ondergebracht een pensioenregeling ten aanzien waarvan
een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 39 van de
Invaliditeitswet, gebruik maakt van de in artikel 54, tweede lid,
van de Liquidatiewet invaliditeitswetten gegeven bevoegdheid.
Artikel 10
1.Bij scheiding van tafel en bed,
alsmede wanneer de echtgenoten duurzaam gescheiden leven, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aan de
uitkeringsgerechtigde toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering,
welke is toegekend op grond of mede op grond van het bepaalde in
artikel 3, geheel of gedeeltelijk aan diens echtgenote
onderscheidenlijk haar echtgenoot betaalbaar stellen.
2.Het bepaalde in het vorige lid
vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering als bedoeld in hoofdstuk II, § 2a, van de Wet.
Artikel 11
1.Ten aanzien van degene, bedoeld
in artikel 3, op wie het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van
de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers van toepassing was op de
dag, voorafgaande aan die, met ingang waarvan die wet is
ingetrokken, terwijl op eerstbedoelde dag de in het tweede lid van
laatstgenoemd artikel gestelde termijn van acht weken nog niet was
verstreken, wordt, zolang vorengenoemde termijn nog niet is
verstreken en behoudens in het geval, dat artikel 28 van
toepassing is, bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheid slechts in
aanmerking genomen, voor zover zij voor de toepassing van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers bij de indeling in een
invaliditeitsklasse reeds in aanmerking is genomen.
2.Behoudens in het geval dat
artikel 28 van toepassing is, wordt, wanneer in de gevallen,
bedoeld in het vorige lid, de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken acht weken heeft geduurd, bij de vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid met de toegenomen
arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met ingang van de dag, met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
§ 2. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aansluiting op ziekengeld krachtens de Ziektewet of een daarmede
overeenkomende uitkering
Artikel 12
1.Degene, wiens ziekengeld
krachtens de Ziektewet ter zake van ongeschiktheid tot werken,
welke is ingetreden vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet in
werking treedt, bij of na het in werking treden van genoemd
artikel, anders dan door herstel van de geschiktheid tot werken,
1°. eindigt;
2°. zou zijn geëindigd,
indien hij niet op grond van het bepaalde in artikel 1, onder
c, in verbinding met artikel 1a, van de Ziektewet, in de
artikelen 1, onder d, 20 en 21 van die wet of de artikelen 1a
of 1b van het Koninklijk besluit van 28 januari 1931 (Stb. 24)
- zoals die bepalingen luidden op de dag, voorafgaande aan
die, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt - van de
verzekering ingevolge de Ziektewet zou zijn uitgezonderd;
heeft, indien hij op de dag,
volgende op die, waarop dat ziekengeld eindigt, onderscheidenlijk
zou zijn geëindigd, ten minste 15% arbeidsongeschikt is, recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.Voor de toepassing van het in het
vorige lid bepaalde wordt de betrokkene geacht nog aanspraak te
hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet, indien hem in verband
met het bepaalde in de artikelen 42 en 44 van die wet, dan wel in
verband met het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onder a en b,
en tweede lid, van de Wet overgangsregeling Ziektewet geen
ziekengeld wordt uitgekeerd.
3.Het bepaalde in het eerste lid
blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die bij het
intreden van de in dat lid bedoelde ongeschiktheid tot werken in
verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b,
van de Wet niet verzekerd zou zijn geweest, indien de Wet toen
reeds in werking was geweest.
4.Het bepaalde in het eerste lid
blijft voorts buiten toepassing ten aanzien van degene, die op de
dag, volgende op die, waarop het in dat lid bedoelde ziekengeld
eindigt of zou zijn geëindigd, aan deze wet een vóór
eerstbedoelde dag ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontleent.
§ 3. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aansluiting op uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919
Artikel 13
Degene, die op de dag, voorafgaande
aan die, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, recht heeft
op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of
artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 en die
op laatstbedoelde dag dat recht zou hebben behouden indien die
wetten niet zouden zijn ingetrokken, heeft, tenzij het recht op die
uitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de
Liquidatiewet ongevallenwetten blijft behouden dan wel
overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van die wet wordt
afgekocht, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 14
Degene, die op grond van het bepaalde
in artikel 10, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten,
geen recht meer heeft op een uitkering, ontleend aan artikel 4, 5 of
6 van die wet, heeft, tenzij het recht op die uitkering
overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van die wet wordt
afgekocht, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 15
Degene, die overeenkomstig het
bepaalde in artikel 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten recht
heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919
heeft, tenzij het recht op die uitkering overeenkomstig het bepaalde
in artikel 17 van de Liquidatiewet ongevallenwetten wordt afgekocht,
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 16
1. Bij toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in
artikel 13 wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter
hoogte van 6/5 maal het dagloon, waarnaar de in artikel 13
bedoelde uitkering was berekend.
2. Bij toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in
artikel 14 of 15, dan wel terwijl artikel 11, eerste lid, van de
Liquidatiewet ongevallenwetten van toepassing is, wordt daaraan
ten grondslag gelegd een dagloon ter hoogte van 6/5 maal het
dagloon, dat aan de aan artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet
ongevallenwetten ontleende uitkering ingevolge die wet ten
grondslag zou zijn gelegd zonder toepassing van artikel 8, vijfde
lid, van die wet.
Artikel 17
1. Het in artikel 16, eerste en
tweede lid, eerstbedoelde dagloon wordt, indien het ongeval ter
zake waarvan recht op uitkering werd ontleend aan artikel 16 van
de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van
de Zeeongevallenwet 1919, onderscheidenlijk aan artikel 4, 5, 6 of
7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten, plaatsvond in een van de
hierna genoemde tijdvakken, verhoogd tot het percentage van dat
dagloon, hetwelk achter dat tijdvak is vermeld:
|
vóór 1 januari 1932 |
603 |
|
1 januari 1932 tot 1 januari
1941 |
685 |
|
1 januari 1941 tot 1 januari
1943 |
584 |
|
1 januari 1943 tot 1 januari
1945 |
531 |
|
1 januari 1945 tot 1 januari
1946 |
445 |
|
1 januari 1946 tot 1 januari
1947 |
383 |
|
1 januari 1947 tot 1 januari
1949 |
349 |
|
1 januari 1949 tot 1 januari
1951 |
318 |
|
1 januari 1951 tot 1 januari
1952 |
283 |
|
1 januari 1952 tot 1 januari
1954 |
274 |
|
1 januari 1954 tot 1 april 1954 |
266 |
|
1 april 1954 tot 1 juli 1954 |
260 |
|
1 juli 1954 tot 1 oktober 1954 |
252 |
|
1 oktober 1954 tot 1 januari
1955 |
242 |
|
1 januari 1955 tot 1 oktober
1956 |
227 |
|
1 oktober 1956 tot 1 april 1957 |
214 |
|
1 april 1957 tot 1 juli 1957 |
205 |
|
1 juli 1957 tot 1 oktober 1957 |
199 |
|
1 oktober 1957 tot 1 januari
1958 |
195 |
|
1 januari 1958 tot 1 april 1960 |
185 |
|
1 april 1960 tot 1 juli 1960 |
183 |
|
1 juli 1960 tot 1 oktober 1960 |
177 |
|
1 oktober 1960 tot 1 januari
1961 |
173 |
|
1 januari 1961 tot 1 januari
1962 |
166 |
|
1 januari 1962 tot 1 januari
1963 |
159 |
|
1 januari 1963 tot 1 april 1963 |
154 |
|
1 april 1963 tot 1 juli 1963 |
151 |
|
1 juli 1963 tot 1 oktober 1963 |
148 |
|
1 oktober 1963 tot 1 maart 1964 |
146 |
|
1 maart 1964 tot 1 mei 1964 |
143 |
|
1 mei 1964 tot 1 juli 1964 |
140 |
|
1 juli 1964 tot 1 september
1964 |
136 |
|
1 september 1964 tot 1 oktober
1964 |
131 |
|
1 oktober 1964 tot 1 november
1964 |
128 |
|
1 november 1964 tot 1 december
1964 |
126 |
|
1 december 1964 tot 1 februari
1965 |
123 |
|
1 februari 1965 tot 1 april
1965 |
121 |
|
1 april 1965 tot 1 juli 1965 |
119 |
|
1 juli 1965 tot 1 november 1965 |
116 |
|
1 november 1965 tot 1 januari
1966 |
114 |
|
1 januari 1966 tot 1 april 1966 |
112 |
|
1 april 1966 tot 1 juli 1966 |
110 |
|
1 juli 1966 tot 1 oktober 1966 |
108 |
|
1 oktober 1966 tot 1 januari
1967 |
106 |
|
1 januari 1967 tot 1 april 1967 |
104 |
|
1 april 1967 tot 1 juli 1967 |
102 |
2. In de gevallen, waarin het
dagloon, waarnaar de uitkering, welke werd ontleend aan artikel
16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919, onderscheidenlijk aan artikel 4,
5, 6 of 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten, was berekend,
werd vastgesteld met toepassing van het bepaalde bij artikel 7,
lid 1a, van de Ongevallenwet 1921, artikel 7, lid 1a, van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel
2, zevende lid, tweede alinea, van de Zeeongevallenwet 1919,
wordt voor de toepassing van het vorige lid het ongeval geacht
te hebben plaatsgevonden op de dag, welke krachtens
vorengenoemde bepalingen in aanmerking werd genomen als de dag,
waarop de gevolgen van het ongeval zich opnieuw hebben
geopenbaard.
3. Voor zoveel nodig in afwijking
van het bepaalde in de vorige leden wordt het in artikel 16,
eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon ten hoogste gesteld
op het in het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet
Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon, eventueel verhoogd
of verlaagd krachtens artikel 9a van die wet.
Artikel 18
Indien met ingang van een dag,
gelegen na 1 oktober 1966, doch vóór de dag, waarop artikel 19 van
de Wet in werking treedt, de wettelijke bijslagen op renten bedoeld
in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922 of op uitkeringen, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, worden
gewijzigd in verband met wijziging van het loonpeil, worden de in
artikel 17, eerste lid, genoemde percentages bij algemene maatregel
van bestuur dienovereenkomstig gewijzigd.
Artikel 19
Indien het in artikel 16, eerste en
tweede lid, eerstbedoelde dagloon, eventueel verhoogd ingevolge de
artikelen 17 en 18, minder bedraagt dan het bedrag, dat als dagloon
zou gelden, indien ten aanzien van de betrokkene het bepaalde bij
artikel 5, eerste of tweede lid, toepassing zou vinden, wordt het
dagloon verhoogd tot laatstbedoeld bedrag. Het bepaalde in de vorige
volzin blijft buiten toepassing ten aanzien van de vrouw, die bij
het in werking treden van artikel 19 van de Wet gehuwd is.
Artikel 20
1.De verhoging van het dagloon
ingevolge het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 19 vindt niet
plaats ten aanzien van:
a. degene, die op de dag,
waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, niet binnen
het Rijk woont;
b. degene, die het recht op een
uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921
of artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk in artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet
ongevallenwetten, ontleent aan een vrijwillige verzekering
ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922.
2.Met inachtneming zoveel mogelijk
van het beginsel der wederkerigheid kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald, dat het in het eerste lid, onder a,
bepaalde geen toepassing vindt ten aanzien van bij die maatregel
aan te wijzen personen, die op de dag, waarop artikel 19 van de
Wet in werking treedt, op het grondgebied van een andere
Mogendheid wonen.
3.Indien een persoon, bedoeld in
het eerste lid, onder a, op de dag, voorafgaande aan die, waarop
artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingevolge het bepaalde
bij of krachtens de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet
ongevallenrentetrekkers aanspraak heeft op een bijslag op een
uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel
2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, wordt het in
artikel 16, eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon verhoogd
met het voor die bijslag geldende percentage.
§ 4. Bepalingen aan meer dan één
van de in de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gemeen, alsmede garantiebepalingen
Artikel 21
Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in de
paragrafen 1, 2 en 3 geschiedt voor zoveel nodig in afwijking van
het bepaalde in artikel 20 van de Wet.
Artikel 22
Indien op grond van de regelen inzake
dagloon, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens
de Wet, meer dan één dagloon in aanmerking komt om aan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te worden gelegd,
wordt daaraan ten grondslag gelegd het hoogste van die daglonen.
Artikel 23
1.Indien met ingang van de dag,
waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingevolge het
bepaalde in artikel 6, tweede of derde lid, van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers herziening van de in die leden bedoelde
bedragen zou hebben plaatsgevonden, indien laatstgenoemde wet niet
zou zijn ingetrokken, worden de overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19
vastgestelde daglonen bij algemene maatregel van bestuur met
ingang van vorenbedoelde dag herzien.
2.Bij de in het vorige lid bedoelde
herziening worden de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde
daglonen verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als
waarmede het indexcijfer der lonen op de laatste dag van de maand,
voorafgaande aan die, waarin artikel 19 van de Wet in werking
treedt, afwijkt van het indexcijfer, waarop de laatstelijk
vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
3.Artikel 15, zesde, elfde en
twaalfde lid, van de Wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Indien het bepaalde in het eerste lid
van het vorige artikel geen toepassing vindt, wordt voor de eerste
maal, dat artikel 15 van de Wet, anders dan op grond van het
bepaalde in het zevende lid van dat artikel, wordt toegepast, in het
vierde lid van artikel 15 van de Wet met betrekking tot herziening
van de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5,
eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde daglonen in
plaats van "het indexcijfer op de laatste dag van de maand,
voorafgaande aan die, waarin artikel 19 in werking is getreden,
onderscheidenlijk van het indexcijfer, waarop de laatste herziening
is gebaseerd" gelezen: het indexcijfer, waarop de laatstelijk
vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
Artikel 25
1.Indien met ingang van de dag,
waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, artikel 15,
zevende lid, van de Wet wordt toegepast, wordt met betrekking tot
de herziening van de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde
daglonen in het achtste lid van artikel 15 van de Wet in plaats
van "het indexcijfer op de laatste dag van de maand,
voorafgaande aan die, waarin artikel 19 in werking is getreden,
onderscheidenlijk van het indexcijfer, waarop de laatste
herziening is gebaseerd" gelezen: het indexcijfer, waarop de
laatstelijk vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
2.Bij toepassing van het bepaalde
in het vorige lid blijft artikel 24 buiten toepassing.
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-1972]
Artikel 27
Bij toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in artikel
4, onderscheidenlijk in de artikelen 14 of 15, dan wel terwijl
artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten van
toepassing is, vindt het bepaalde bij of krachtens de artikelen 23,
24 en 25 van deze wet en artikel 15 van de Wet voor zoveel deze
artikelen toepassing hebben gevonden met ingang van een tijdstip,
gelegen vóór de dag, met ingang waarvan vorenbedoelde uitkering
wordt toegekend, overeenkomstige toepassing met betrekking tot het
ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 5, onderscheidenlijk
de artikelen 16, tweede lid, 17, 18 en 19, aan die uitkering ten
grondslag te leggen dagloon.
Artikel 28
Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van degene, die aan deze wet
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, wordt zolang de betrokkene
tevens op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste of tweede lid,
of artikel 6, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 15 van de
Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, de mate van arbeidsongeschiktheid, ter
zake waarvan hij recht op laatstgenoemde uitkering heeft, buiten
aanmerking gelaten. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige
volzin wordt de betrokkene geacht recht te hebben op de in die
volzin laatstbedoelde uitkering, indien door zijn toedoen die
uitkering niet wordt uitbetaald.
Artikel 29
1.De
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, wordt, zo nodig in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 37, 38 en 39 van de Wet, zo nodig herzien met ingang van
de dag, met ingang waarvan het in aanmerking komende van de
eerstgenoemde artikelen toepassing vindt.
2.Bij herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in het
vorige lid wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter
hoogte van 6/5 maal het dagloon, dat aan de uitkering, waarop
degene, ten aanzien van wie artikel 6, vierde lid, of artikel 7,
tweede lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, op grond van het bepaalde in dat artikel recht zou hebben
gehad, indien genoemd vierde lid of genoemd tweede lid niet op hem
van toepassing zou zijn geweest, onderscheidenlijk dat aan de
uitkering, ten aanzien waarvan artikel 11, eerste lid, van
genoemde wet toepassing vindt, ingevolge die wet ten grondslag zou
zijn gelegd zonder toepassing van artikel 8, vijfde lid, van die
wet. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19, 20,
23, 24 en 25 van deze wet en artikel 15 van de Wet vindt met
betrekking tot het in de vorige volzin eerstbedoelde dagloon
overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in de vorige twee
volzinnen vindt slechts toepassing, indien dat leidt tot een hoger
dagloon dan het dagloon, dat laatstelijk aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.
Artikel 30
1.Bij de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid van degene, die uitsluitend aan artikel
13, 14 of 15 arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, wordt,
indien de betrokkene op en sedert de dag, met ingang waarvan hij
recht op genoemde uitkering heeft, aanspraak heeft op ziekengeld
krachtens de Ziektewet en dat ziekengeld binnen een maand na
genoemde dag eindigt, de mate van arbeidsongeschiktheid, ter zake
waarvan hij aanspraak heeft op ziekengeld, buiten aanmerking
gelaten.
2.Het bepaalde in artikel 12,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
Aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie
artikel 12, vierde lid, toepassing vindt, wordt met ingang van de
dag, met ingang van welke dat lid toepassing vindt, ten grondslag
gelegd het dagloon, dat ten grondslag zou zijn gelegd aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop hij recht zou hebben gehad,
indien artikel 12, eerste lid, op hem van toepassing zou zijn
geweest, doch slechts indien laatstbedoeld dagloon hoger is dan het
dagloon, dat laatstelijk aan eerstbedoelde uitkering ten grondslag
werd gelegd.
Artikel 32
1.Het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is ontleend dan wel mede is
ontleend aan artikel 13, wordt, zolang de uitkering als bedoeld in
artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, of artikel 2, eerste lid, onder a, van
de Zeeongevallenwet 1919, waarop de betrokkene op de dag,
voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken,
recht had, niet in verband met verandering in zijn toestand zou
zijn verlaagd, indien genoemde wetten niet zouden zijn
ingetrokken, niet lager gesteld dan het bedrag van laatstgenoemde
uitkering, verhoogd met de bijslagen, welke daarop krachtens de
wettelijke regelingen inzake het verlenen van bijslagen op de
uitkeringen ingevolge eerstgenoemde wetten zijn verleend.
2.Indien op de dag, voorafgaande
aan die, waarop de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 werden
ingetrokken, de termijn van 312 dagen, bedoeld in artikel 16,
tweede lid, onder a, in verbinding met het derde lid, van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37, derde lid, onder a, in verbinding
met het bepaalde onder c en d, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, eerste
lid, onder a, sub I, van de Zeeongevallenwet 1919, nog niet was
verstreken, geldt met ingang van de eerste dag, liggende na die
termijn, voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid als
bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op de dag,
voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken,
recht had, verhoogd met de bijslagen, welke daarop zijn verleend,
het bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene, ingeval
genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, op de eerste dag na
genoemde termijn recht zou hebben gehad, verhoogd met de
bijslagen, welke daarop krachtens de wettelijke regelingen inzake
het verlenen van bijslagen op de uitkeringen ingevolge genoemde
wetten, zo die regelingen niet waren ingetrokken, zouden zijn
verleend.
3.Onder verandering in de toestand
van de betrokkene als in het eerste lid bedoeld wordt aangemerkt
hetgeen daaronder in artikel 75, eerste lid, van de Ongevallenwet
1921, artikel 72 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en
artikel 6 van het Reglement der Zeeongevallenregeling als bedoeld
in artikel 2 van de statuten van de Vereeniging "Zee-Risico",
zoals dat Reglement luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop
de Zeeongevallenwet 1919 werd ingetrokken, werd verstaan of mede
begrepen, met dien verstande, dat onder het verwerven van nieuwe
bekwaamheden ten gevolge van een opleiding mede wordt begrepen het
verwerven van nieuwe bekwaamheden ten gevolge van een opleiding,
welke is gegeven op de voet van het bepaalde in § 3 van hoofdstuk
II van de Wet. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin
wordt als verandering in de toestand van de betrokkene niet
beschouwd de wijziging van de omstandigheden als bedoeld in
artikel 17 van de Ongevallenwet 1921, artikel 38 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, eerste lid, onder c, van
de Zeeongevallenwet 1919.
4.Indien de uitkering als bedoeld
in het eerste lid, waarop de betrokkene op de dag, voorafgaande
aan die, waarop de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 werden
ingetrokken, recht had, na die dag uitsluitend in verband met de
wijziging van de omstandigheden als in de laatste volzin van het
vorige lid bedoeld zou zijn verlaagd ingeval genoemde wetten niet
zouden zijn ingetrokken, geldt met ingang van de dag, waarop die
verlaging zou zijn ingegaan, voor de toepassing van het bepaalde
in het eerste lid als bedrag van de uitkering, waarop de
betrokkene op de dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten
werden ingetrokken, recht had, verhoogd met de bijslagen, welke
daarop zijn verleend, het bedrag van de uitkering, waarop de
betrokkene, ingeval genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken,
met ingang van de dag, waarop bedoelde verlaging zou zijn
ingegaan, recht zou hebben gehad, verhoogd met de bijslagen, welke
daarop krachtens de wettelijke regelingen inzake het verlenen van
bijslagen op uitkeringen ingevolge genoemde wetten, zo die
regelingen niet waren ingetrokken, zouden zijn verleend.
Artikel 33
Indien artikel 32 van toepassing is
ten aanzien van een persoon, die recht had op meer dan één
uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921,
artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2,
eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 op de dag,
voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken,
geldt de garantie, vervat in artikel 32, zolang geen van die
uitkeringen in verband met verandering in de toestand als in dat
artikel bedoeld, zou zijn verlaagd, indien genoemde wetten niet
zouden zijn ingetrokken, tot de som van die uitkeringen en de in dat
artikel bedoelde bijslagen.
Artikel 34
1.Het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is ontleend dan wel mede is
ontleend aan artikel 14 of 15, onderscheidenlijk het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, wordt, zolang de uitkering als bedoeld in artikel 4, 5, 6
of 7 van die wet, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van
welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid,
van die wet toepassing vindt, recht zou hebben gehad, indien dat
artikel niet van toepassing zou zijn geweest, niet in verband met
verandering in zijn toestand zou zijn verlaagd, niet lager gesteld
dan het bedrag van die uitkering.
2.Indien op de dag, met ingang van
welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid,
van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, de
termijn, bedoeld in artikel 32, tweede lid, nog niet is
verstreken, geldt met ingang van de eerste dag, liggende na die
termijn, voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid als
bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op eerstgenoemde dag
recht zou hebben gehad, indien artikel 10, eerste of tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of
artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten niet
van toepassing zou zijn geweest, het bedrag, waarop de betrokkene,
indien dat artikel niet op hem van toepassing zou zijn geweest, op
de eerste dag na genoemde termijn recht zou hebben gehad.
3.Artikel 32, derde lid, is van
toepassing.
4.Indien de uitkering als bedoeld
in het eerste lid, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van
welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel
6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid,
van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, recht zou
hebben gehad, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn
geweest, na die dag uitsluitend in verband met de wijziging van de
omstandigheden als in de laatste volzin van het derde lid van
artikel 32 bedoeld zou zijn verlaagd, indien artikel 10, eerste of
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7,
tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet
ongevallenwetten niet van toepassing zou zijn geweest, geldt met
ingang van de dag, waarop die verlaging zou zijn ingegaan, voor de
toepassing van het bepaalde in het eerste lid als bedrag van de
uitkering, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van welke
artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6,
vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van
de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, recht zou
hebben gehad, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn
geweest, het bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene, indien
dat artikel niet van toepassing zou zijn geweest, met ingang van
de dag, waarop bedoelde verlaging zou zijn ingegaan, op grond van
het bepaalde in artikel 4, 5, 6 of 7 van genoemde wet recht zou
hebben gehad.
Artikel 35
Indien artikel 34 van toepassing is
ten aanzien van een persoon, die op de dag, met ingang van welke
artikel 6, vierde lid, 7, tweede lid, 10, eerste of tweede lid, of
11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, indien geen van laatstgenoemde artikelen ten aanzien van hem
toepassing zou hebben gevonden, recht op meer dan één uitkering
als bedoeld in artikel 4, 5, 6 of 7 van die wet zou hebben gehad,
geldt de garantie, vervat in artikel 34, zolang geen van die
uitkeringen in verband met verandering in de toestand als in dat
artikel bedoeld, zou zijn verlaagd, indien geen van de artikelen 6,
vierde lid, 7, tweede lid, 10, eerste of tweede lid, en 11, eerste
lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten ten aanzien van hem
toepassing zou hebben gevonden, tot de som van die uitkeringen.
Artikel 36
1.Indien zowel artikel 32, al dan
niet in verbinding met artikel 33, als artikel 34, al dan niet in
verbinding met artikel 35, van toepassing zijn, gelden de
garanties, vervat in die artikelen, met ingang van de dag, met
ingang van welke genoemde artikelen gelijktijdig van toepassing
zijn en zolang geen van de aldaar bedoelde uitkeringen in verband
met verandering in de toestand als in artikel 32 onderscheidenlijk
artikel 34 bedoeld zou zijn verlaagd, indien de Ongevallenwet
1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de
Zeeongevallenwet 1919 niet zouden zijn ingetrokken,
onderscheidenlijk indien artikel 10, eerste of tweede lid, dan wel
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten niet van
toepassing zou zijn geweest, tot de som van de in artikel 32
bedoelde uitkering(en) en bijslagen en de in artikel 34 bedoelde
uitkering(en).
2.Het bepaalde in de artikelen 32,
33, 34 en 35 en in het eerste lid laat onverlet de bevoegdheid van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als omschreven in
de artikelen 25 en 28 van de Wet.
Artikel 37
1.Indien een persoon, ten aanzien
van wie artikel 32, 33, 34, 35 of 36 van toepassing is,
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent of mede ontleent aan
artikel 3 of 4, dan wel arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
laatstgenoemd artikel zou hebben ontleend of mede zou hebben
ontleend, indien het tweede lid van dat artikel niet op hem van
toepassing zou zijn geweest, wordt, indien ten aanzien van hem het
bepaalde in artikel 53 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten
van toepassing is, het in artikel 32, 33, 34, 35 of 36
gegarandeerde bedrag verhoogd met 1/260 van het jaarbedrag van de
invaliditeitsrente, vrije invaliditeitsrente of
invaliditeitsuitkering als bedoeld in artikel 53 van
laatstgenoemde wet, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert de dag,
waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste
65% bedraagt.
2.Indien een fonds, als bedoeld in
artikel 54, tweede lid, van de Liquidatiewet invaliditeitswetten,
gebruik maakt van de in dat lid gegeven bevoegdheid, vindt de
garantie, vervat in het vorige lid, ten aanzien van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, toegekend aan personen als
bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, overeenkomstige toepassing tot 1/260 van het
jaarbedrag van de in laatstgenoemd lid bedoelde
invaliditeitsuitkeringen, onderscheidenlijk invaliditeitsrenten.
3.Indien ten aanzien van degene, op
wie het bepaalde in het eerste of het tweede lid van toepassing
is, op de dag, voorafgaande aan die, met ingang van welke de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers werd ingetrokken, het
bepaalde in artikel 52, zesde lid, van die wet toepassing vond,
wordt het in de vorige leden gegarandeerde bedrag verhoogd met
1/260 van het jaarbedrag, waarop de betrokkene ingevolge
laatstbedoelde bepaling aanspraak zou hebben gehad, indien de
Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn ingetrokken.
Artikel 38
1.Indien het bepaalde bij artikel 6
of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens artikel
45, 46, 46a , 46b of 52 van de Wet toepassing vindt, wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend aan een persoon ten
aanzien van wie het bepaalde in artikel 53 van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten van toepassing is, zolang de
arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste 65%
bedraagt, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot 1/260 van het
jaarbedrag van de invaliditeitsrente, vrije invaliditeitsrente of
invaliditeitsuitkering als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
2.Het bepaalde in het tweede en het
derde lid van het vorige artikel is van toepassing.
Artikel 39
1.Indien het bepaalde bij of
krachtens artikel 46 van de Wet toepassing vindt, wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend of mede ontleend aan
artikel 3, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop
de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste 45%
bedraagt en de betrokkene op en sedert die dag is opgenomen in een
sociale werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel 46 van de
Wet, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot 1/260 van het
jaarbedrag, waarop de betrokkene laatstelijk ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 23 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers aan bijslag en invaliditeitsrente
tezamen aanspraak had.
2.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd om, zolang de belangen van de
betrokkene daardoor niet worden geschaad, indeling in een der in
artikel 21 van de Wet genoemde invaliditeitsklassen achterwege te
laten ten aanzien van degene, die arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontleent aan artikel 3 en die op en sedert de dag, waarop artikel
19 van de Wet in werking treedt, is opgenomen in een sociale
werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel 46 van de Wet.
3.Bij toepassing van het vorige lid
wordt de arbeidsongeschiktheid van de betrokkene geacht 80% of
meer te bedragen.
4.Onze Minister kan met betrekking
tot het bepaalde in dit artikel en in artikel 41 nadere en, voor
bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regelen stellen.
Artikel 40
1.Indien het bepaalde bij artikel 6
of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens artikel
45, 46a, 46b of 52 van de Wet toepassing vindt, wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend of mede ontleend aan
artikel 13, 14 of 15 van deze wet, onderscheidenlijk van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot het bedrag,
waarop de betrokkene krachtens het bepaalde bij artikel 32, 33,
34, 35 of 36 aanspraak zou hebben, indien het bepaalde bij artikel
6 of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij artikel 45, 46a, 46b
of 52 van de Wet niet van toepassing zou zijn.
2.Het bepaalde bij artikel 37 is
mede van toepassing op het in het eerste lid gegarandeerde bedrag.
Artikel 41
1.Indien het bepaalde bij of
krachtens artikel 46 van de Wet toepassing vindt, wordt van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend of mede ontleend aan
artikel 13, 14 of 15 van deze wet, onderscheidenlijk van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie
artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11,
eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing
vindt, indien de betrokkene op en sedert de dag, met ingang van
welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, is opgenomen
in een sociale werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel 46
van de Wet, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot het bedrag,
waarop hij krachtens het bepaalde bij artikel 32, 33, 34, 35 of 36
aanspraak zou hebben, indien het bepaalde bij artikel 46 van de
Wet niet van toepassing zou zijn.
2.Het bepaalde bij artikel 37 is
mede van toepassing op het in het eerste lid gegarandeerde bedrag.
Artikel 42
Onze Minister kan ten aanzien van het
bepaalde bij de artikelen 37, 38 en 40 nadere regelen stellen.
Daarbij kan tevens worden geregeld, dat personen, wier
arbeidsongeschiktheidsuitkering aansluit aan een uitkering ingevolge
de Invaliditeitswet of een daarmede gelijk te stellen uitkering, aan
een uitkering ingevolge de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers,
ingevolge de in artikel 3, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f of g,
van de Liquidatiewet ongevallenwetten genoemde wetten, dan wel
ingevolge de Liquidatiewet ongevallenwetten, indien die
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het van deze uitkering uit te
betalen bedrag op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag
van de vorenbedoelde uitkering(en), waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aansluit, voor een hoger bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen.
Hoofdstuk III. Voorzieningen tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid en
andere voorzieningen
§ 1. Voorzieningen tot behoud,
herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, in
aansluiting op zodanige voorzieningen krachtens de Invaliditeitswet
Artikel 43
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt degene, wiens genees- of heelkundige
behandeling, daaronder mede verstaan opneming in een inrichting, op
grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 99, 100, 105 en
113 van de Invaliditeitswet zou zijn voortgezet, indien de
bepalingen van de Invaliditeitswet en van haar uitvoeringsbesluiten,
ingevolge welke die behandeling is verleend, niet buiten werking
zouden zijn getreden, op de voet van het bepaalde in § 3 van
hoofdstuk II van de Wet voor voortzetting van die behandeling in
aanmerking.
§ 2. Voorzieningen tot behoud,
herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid en andere
voorzieningen, in aansluiting op zodanige voorzieningen krachtens de
Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de
Zeeongevallenwet 1919
Artikel 44
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt degene, die ter zake van een ongeval,
dat plaatsvond vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet in
werking treedt,
hetzij vóór die dag genees- en
heelkundige behandeling of vergoeding daarvoor als bedoeld in
artikel 14 van de Ongevallenwet 1921, artikel 35 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, achtste lid, van de
Zeeongevallenwet 1919 heeft gehad,
hetzij binnen een jaar, aanvangende
op meergenoemde dag, recht op zodanige behandeling of vergoeding
daarvoor zou hebben gehad, indien laatstgenoemde wetten niet zouden
zijn ingetrokken,
een en ander tenzij de uitkering als
bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder
a, van de Zeeongevallenwet 1919, welke hem ter zake van
eerdergenoemd ongeval is toegekend, overeenkomstig het bepaalde in
artikel 17 van de Liquidatiewet ongevallenwetten wordt afgekocht dan
wel overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van die wet is
afgekocht, op de voet van het bepaalde in § 3 van hoofdstuk II van
de Wet voor zodanige behandeling of vergoeding daarvoor in
aanmerking, indien hij daarop, zo de Ongevallenwet 1921, de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 niet zouden
zijn ingetrokken, recht zou hebben gehad.
Artikel 45
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt degene, wiens opleiding op grond van
het bepaalde bij artikel 25, eerste lid, of artikel 87c, derde lid,
van de Ongevallenwet 1921, artikel 48, eerste lid, of artikel 95c,
derde lid, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 dan wel
artikel 5, eerste lid, van het Reglement der Zeeongevallenregeling
als bedoeld in artikel 2 van de Statuten van de Vereeniging "Zee-Risico"
en/of wiens toelage op grond van het bepaalde in artikel 25, tweede
lid, of artikel 87c, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921, dan wel
artikel 48, derde lid, of artikel 95c, eerste lid, van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922, dan wel artikel 5, tweede lid, van
vorengenoemd Reglement zou zijn voortgezet, indien de Ongevallenwet
1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet
1919 niet zouden zijn ingetrokken, op de voet van het bepaalde in §
3 van hoofdstuk II van de Wet voor voortzetting van die opleiding
en/of vergoeding in aanmerking.
Hoofdstuk IV. Vrijwillige verzekering
Artikel 46
1.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is verplicht tot de vrijwillige
verzekering toe te laten, mits hij hier te lande woont:
a. degene, wiens verzekering
ingevolge de Invaliditeitswet is aangevangen vóór of op 1
januari 1962, mits hij op de dag, voorafgaande aan het in
werking treden van artikel 19 van de Wet, krachtens de
Invaliditeitswet in rekening kan doen brengen:
1°. een aantal
weekpremies, dat ten minste tweederde bedraagt van het
getal der weken, verstreken tussen de aanvang van zijn
verzekering en 1 januari 1965 of
2°. ten minste 150
weekpremies voor het tijdvak, gelegen tussen 1 januari
1962 en 1 januari 1965;
b. degene, die op de dag,
voorafgaande aan het in werking treden van artikel 19 van de
Wet, verzekerd is ingevolge de Invaliditeitswet en wiens
verplichte verzekering ingevolge de Wet op of na 1 januari
1965, doch vóór het in werking treden van genoemd artikel
zou zijn geëindigd, indien de Wet toen reeds in werking was
geweest, mits hij gedurende de drie jaren onmiddellijk
voorafgaande aan de dag, waarop de verplichte verzekering zou
zijn geëindigd, onafgebroken verzekerd of in verband met het
bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Wet
niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge de Wet, indien de
Wet gedurende die termijn van drie jaren reeds in werking was
geweest;
c. degene, die als zelfstandige
een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen en wiens
verplichte verzekering ingevolge de Wet op of na 1 augustus
1964, doch vóór het in werking treden van artikel 6, eerste
lid, onder a of b, van de Wet zou zijn geëindigd, indien de
Wet toen reeds in werking was geweest, mits hij gedurende de
drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de
verplichte verzekering zou zijn geëindigd, onafgebroken
verzekerd of in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste
lid, onder a of b, van de Wet niet verzekerd zou zijn geweest
ingevolge de Wet, indien de Wet gedurende die termijn van drie
jaren reeds in werking was geweest.
2.De in het vorige lid bedoelde
verplichting bestaat eveneens ten aanzien van degene, die buiten
het Rijk woont en aldaar in dienstbetrekking staat tot een binnen
het Rijk wonende of gevestigde werkgever, mits hij voldoet aan het
bepaalde in het vorige lid, onder a, of zijn verplichte
verzekering ingevolge de Wet op of na 1 augustus 1964, doch vóór
het in werking treding van artikel 19 van de Wet zou zijn
geëindigd, indien de Wet toen reeds in werking was geweest.
Artikel 47
1.Voor de toepassing van het
bepaalde in het eerste lid, onder a, sub 1°, van het vorige
artikel, blijven bij de berekening van de verzekeringsduur buiten
aanmerking de weken, gedurende welke invaliditeitsrente krachtens
de Invaliditeitswet is genoten.
2.Voor de toepassing van het
bepaalde in het eerste lid, onder a, sub 2°, van het vorige
artikel, worden, indien de geldigheidsduur van een rentekaart zich
uitstrekt over een periode, gelegen zowel vóór als na 1 januari
1962, de op die rentekaart vereffende premies geacht te zijn
bestemd voor dat gedeelte van die geldigheidsduur, dat gelegen is
na die datum, evenwel ten hoogste tot het aantal weken van dat
gedeelte.
Artikel 48
1.Het bepaalde in artikel 46 geldt
niet ten aanzien van:
a. degene, die verzekerd is
ingevolge de Wet;
b. degene, die in verband met
het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de
Wet niet verzekerd is ingevolge de Wet.
2.Het bepaalde in het vorige lid
blijft buiten toepassing, indien de arbeidsverhouding, uit hoofde
waarvan de betrokkene verzekerd dan wel niet verzekerd is
ingevolge de Wet, ertoe strekt, dat de betrokkene slechts een
gedeelte van een normale werkweek arbeid verricht, niet
uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene geldende
werktijdregeling, krachtens welke een normale werkweek van
gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is.
Artikel 49
1.De aanmelding voor de vrijwillige
verzekering dient, onverminderd het bepaalde in de volgende leden,
door de in artikel 46 bedoelde personen te geschieden binnen een
maand na het in werking treden van artikel 19 van de Wet.
2.De aanmelding voor de vrijwillige
verzekering kan na de in het vorige lid, onderscheidenlijk na de
in artikel 83 van de Wet bedoelde termijn nog, onverminderd het
bepaalde in het volgende lid, geschieden binnen zes maanden na het
in werking treden van artikel 19 van de Wet:
a. door de in artikel 46
bedoelde personen;
b. door de personen, wier
aanmelding voor de vrijwillige verzekering ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 83 van de Wet zou dienen te
geschieden vóór een dag, gelegen binnen zes maanden na het
in werking treden van artikel 19 van de Wet.
3.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd de toelating tot de vrijwillige
verzekering na aanmelding met toepassing van het vorige lid te
weigeren:
a. van de in het vorige lid,
onder a, bedoelde personen, indien arbeidsongeschiktheid is
ingetreden of toegenomen na de in het eerste lid bedoelde
maand, doch vóór het tijdstip, waarop de betrokkene zich
aanmeldt voor de vrijwillige verzekering;
b. van de in het vorige lid,
onder b, bedoelde personen, indien arbeidsongeschiktheid is
ingetreden of toegenomen na de aldaar bedoelde dag, doch
vóór het tijdstip, waarop de betrokkene zich aanmeldt voor
de vrijwillige verzekering.
Artikel 50
Voor zover de termijn van drie jaren,
genoemd in artikel 81, eerste lid, onder c en d, van de Wet, is
gelegen vóór het in werking treden van artikel 19 van de Wet,
wordt in genoemde bepalingen in plaats van "onafgebroken, al
dan niet hier te lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een
wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is
geweest" gelezen: onafgebroken de verzekering ingevolge deze
wet op hem van toepassing zou zijn geweest of in verband met het
bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet op hem van
toepassing zou zijn geweest, indien deze wet toen reeds in werking
was geweest, dan wel buiten het Rijk, ingevolge het bepaalde bij of
krachtens een wettelijke regeling, een voorziening tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing
is geweest.
Artikel 51
1.In afwijking van het bepaalde in
het eerste lid van artikel 82 van de Wet wordt de in artikel 81,
eerste lid, onder c en d, van de Wet genoemde termijn van drie
jaren, voor zover gelegen vóór het in werking treden van artikel
19 van de Wet, geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene, zo de
Wet toen reeds in werking zou zijn geweest, niet verzekerd zou
zijn geweest gedurende niet meer dan zestig dagen, verminderd
met het aantal dagen, gedurende welke hij na het in werking
treden van artikel 19 van de Wet niet verzekerd is geweest;
b. gedurende het tijdvak, dat
de betrokkene wegens ziekte of gebreken ongeschikt is geweest
tot het verrichten van zijn arbeid;
c. gedurende het tijdvak, dat
de betrokkene ten minste 45% arbeidsongeschikt is geweest.
2.Het bepaalde in het vorige lid is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de termijn van drie
jaren, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder b en c.
Artikel 52
Ten aanzien van degene, die op grond
van het bepaalde in artikel 6, derde lid, of artikel 7, derde lid,
van de Liquidatiewet ongevallenwetten geen recht heeft op de in het
eerste lid van die artikelen bedoelde uitkering, uitsluitend omdat
hij vrijwillig verzekerd is ingevolge de Wet, en die niet verzekerd
is ingevolge de Ziektewet, vindt ter zake van zijn ongeschiktheid
als bedoeld in artikel 6, eerste of tweede lid, of artikel 7, eerste
lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten, de wachtperiode van 52
weken arbeidsongeschiktheid, vermeld in artikel 19, eerste lid, van
de Wet, geen toepassing.
Hoofdstuk V. Uitvoering
Artikel 53
Indien artikel 13, 14 of 15 van deze
wet of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten
toepassing vindt dan wel mede toepassing vindt – voor zover
laatstgenoemd artikel betreft ter zake van een op of na de
ingangsdatum van de in dat artikel het eerst genoemde uitkeringen
ontstaan recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering – geschiedt
de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
a. indien het betreft aansluiting
op een uitkering, als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet
1921,
b. indien het betreft aansluiting
op een uitkering, als bedoeld in artikel 37 van de Land- en
Tuinbouwongevallenwet 1922,
c. indien het betreft aansluiting
op een uitkering, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a,
van de Zeeongevallenwet 1919.
Artikel 54
Indien artikel 12 toepassing dan wel
mede toepassing vindt, geschiedt – onverminderd het bepaalde in
artikel 53 – de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
indien het betreft het geval, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
onder 1°, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
dat het ziekengeld verleende en, indien het betreft het geval,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 2°, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat ziekengeld zou
hebben dienen te verlenen, indien betrokkene niet van de verzekering
ingevolge de Ziektewet uitgezonderd zou zijn geweest.
Artikel 55
Indien uitsluitend artikel 3 of 4 van
toepassing is, geschiedt de toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Artikel 55a
Indien degene, die recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan deze
wet, lid of gepensioneerd lid is van de pensioenkas van het Algemeen
Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg of van de
pensioenkas van het Beambtenfonds voor het Mijnbedrijf, geschiedt de
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zo nodig in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 53, 54 en 55, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 56 [Vervallen per 01-03-1997]
Artikel 57
1.Degene, bedoeld in artikel 43,
wordt voor de in dat artikel genoemde voorziening in aanmerking
gebracht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.Degene, bedoeld in artikel 44 of
45, wordt, indien ter zake van het ongeval of mede ter zake van
het ongeval, dat aan het in aanmerking brengen voor de in deze
artikelen genoemde voorziening ten grondslag ligt, recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet wordt ontleend, voor
de in deze artikelen genoemde voorziening in aanmerking gebracht
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verleent.
3.Indien:
a. geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet wordt ontleend,
b. anders dan ter zake van het
ongeval, dat aan het in aanmerking brengen voor de voorziening
ten grondslag ligt, reeds recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet wordt ontleend,
wordt de betrokkene voor de in artikel 44 of 45 genoemde
voorziening in aanmerking gebracht door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hebben dienen te verlenen,
indien ter zake van arbeidsongeschiktheid als gevolg van
vorenbedoeld ongeval recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens deze wet zou zijn ontstaan.
4.Bij toepassing van het derde lid,
onder b, geschiedt de verdere behandeling van de daar bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkering, zo nodig in afwijking van het
bepaalde in artikel 69 van de wet, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
5.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ten aanzien
van de uitvoering van het in aanmerking brengen voor een
voorziening als bedoeld in de artikelen 43, 44 en 45 van personen,
die geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet
ontlenen. Bij deze regelen kan worden afgeweken van het bepaalde
bij de voorgaande leden en bij artikel 2.
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 59
Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond of mede op grond van het
bepaalde in de artikelen 3, 13, 14 of 15 vindt ambtshalve plaats.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 60
1.Ten aanzien van degene, die
arbeidsongeschikt wordt, of, in gevallen als bedoeld in artikel
37, eerste lid, van de Wet, meer arbeidsongeschikt wordt binnen
drie maanden na het in werking treden van artikel 19 van de Wet,
doch binnen een maand na het tijdstip, waarop zijn verzekering
ingevolge de Wet is geëindigd, wordt voor de toepassing van
artikel 17 dier wet de Wet geacht in werking te zijn getreden op
de dag, welke is gelegen drie maanden vóór de dag, waarop de
arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
2.Ten aanzien van degene, die
arbeidsongeschikt wordt, of, in gevallen als bedoeld in artikel
37, eerste lid, van de Wet, meer arbeidsongeschikt wordt op of na
de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, doch
binnen een maand na het vóór die dag gelegen tijdstip, waarop
zijn verzekering ingevolge de Wet zou zijn geëindigd, indien de
Wet toen reeds in werking was geweest, wordt voor de toepassing
van artikel 17 en § 3 van hoofdstuk II dier wet de Wet geacht in
werking te zijn getreden op de dag, welke is gelegen drie maanden
vóór de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk
de toeneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
Artikel 61
Degene, die in verband met het
bepaalde in artikel 3, derde lid, of 8 van de Wet overgangsregeling
Ziektewet verzekerd is ingevolge de Ziektewet en de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van
de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, is, onverminderd
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 53 tot en met 57,
verzekerd ingevolge de Wet bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, waarbij hij ingevolge de Ziektewet
verzekerd is.
Artikel 62
Degene, die ter zake van vóór de
dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingetreden
invaliditeit uitzicht zou hebben op een na het verstrijken van de
wachttijd als bedoeld in artikel 71 van de Invaliditeitswet ingaand
recht op bijslag als bedoeld in artikel 3 van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers, indien die wet niet zou zijn
ingetrokken, wordt onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 53 tot en met 57, zolang hij niet verzekerd is ingevolge
de Wet en geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, voor
de toepassing van het bepaalde in § 3 van hoofdstuk II van die wet
geacht ingevolge die wet verzekerd te zijn bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 63
1.Het bepaalde in de artikelen 18,
tweede lid, en 39, eerste lid, onder a, van de Wet blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene, die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan deze wet.
2.Het bepaalde in artikel 30,
eerste lid, onder b, van de Wet blijft buiten toepassing ten
aanzien van:
a. degene, wiens
arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen een half jaar na
het in werking treden van artikel 19 van de Wet, indien hij
gedurende het halve jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van die arbeidsongeschiktheid, onafgebroken krachtens
de Wet verzekerd zou zijn geweest, indien de Wet toen reeds in
werking zou zijn geweest;
b. degene, die op grond van het
bepaalde in artikel 46 tot de vrijwillige verzekering is
toegelaten.
3.Het bepaalde in de artikelen 90
en 91 van de Wet blijft buiten toepassing ten aanzien van de uit
de toepassing van de bepalingen van deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten voortvloeiende kosten. Onder vorenbedoelde
kosten vallen niet de kosten, voortvloeiende uit een herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake van toeneming van
de arbeidsongeschiktheid, indien de toeneming kennelijk is
voortgekomen uit een andere oorzaak dan die, waaruit de
ongeschiktheid terzake waarvan op grond van het bepaalde bij of
krachtens deze wet een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd
toegekend, is voortgekomen.
Artikel 64
Indien over een tijdvak, waarover een
uitkering wordt genoten als bedoeld in artikel 16 van de
Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet
1919, naderhand een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet
wordt ontleend, kan hetgeen als gevolg van het bepaalde bij of
krachtens de Liquidatiewet ongevallenwetten over dat tijdvak aan
eerstbedoelde uitkering ten onrechte is uitbetaald, geheel of
gedeeltelijk worden teruggevorderd dan wel in mindering worden
gebracht op de uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 65
Het in artikel 78 van de Wet bedoelde
premiepercentage wordt zodanig vastgesteld, dat uiterlijk in vier
jaren, te rekenen van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
19 van de Wet af, mede de verplichtingen, welke voor het
Arbeidsongeschiktheidsfonds als bedoeld in hoofdstuk III, § 2, van
de Wet, voortvloeien uit het bepaalde bij of krachtens artikel 52,
derde en vierde lid, van de Liquidatiewet invaliditeitswetten,
worden gedekt door middel van premieheffing krachtens de Wet.
Artikel 66
1.Een overeenkomst met betrekking
tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, gesloten door degene, die met ingang van de
dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingevolge de
Wet of deze wet tot de vrijwillige verzekering wordt toegelaten,
vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de
verzekerde mededeling van de toelating ontvangt, voor zover aan de
overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan
die, welke uit de in de Wet geregelde vrijwillige verzekering
voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de
dag, waarop de betrokkene vrijwillig verzekerd wordt, dan vervalt
de overeenkomst met ingang van die dag.
2.Artikel 98a, tweede lid, van de
Wet is van toepassing.
Artikel 67
De Algemene termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 11 en 60.
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 69
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 70
Deze wet kan worden aangehaald onder
de titel "Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering".
Artikel 71
1. Waar in deze wet nummeringen van
artikelen van de Liquidatiewet invaliditeitswetten worden
aangehaald, worden deze door Onze Minister in overeenstemming
gebracht in de nummering van die artikelen, zoals deze is komen te
luiden na toepassing van artikel 65 van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten.
2. De tekst van deze wet, zoals die
luidt na toepassing van het vorige lid, wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Artikel 72
De artikelen van deze wet treden in
werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de
onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Lasten en
bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en
dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en
Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2
februari 1967
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de achtentwintigste
februari 1967
De Minister van Justitie,
Struycken
|