Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 12 maart 1998, houdende regels
inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen (Wet overige OCenW-subsidies)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de
derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het noodzakelijk maakt
een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van subsidies op de
beleidsterreinen van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, voorzover een dergelijk kader ontbreekt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Subsidies
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister die belast is met
de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in
artikel 2, eerste lid.
Artikel 2. Subsidiebevoegdheid
1. Onze Minister kan subsidie
verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake:
a. het onderwijs,
b. het onderzoek,
c. de cultuur,
d. de emancipatie.
2. Bij de subsidieverstrekking aan
onderwijsinstellingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen
openbaar en bijzonder onderwijs en wordt voorzien in een
behandeling van die instellingen naar dezelfde maatstaf.
Artikel 3. Aanvullende werking
1. Onze Minister verstrekt geen
subsidie op grond van deze wet, indien Onze Minister op grond van
een andere wettelijke bepaling subsidie kan verstrekken.
2. In afwijking van het eerste lid
kan Onze Minister op grond van deze wet subsidie verstrekken,
indien:
a. die andere wettelijke
bepaling dat uitdrukkelijk bepaalt,
b. de subsidie incidenteel van
aard is, of
c. de subsidie vooruitloopt op
wijziging van die andere wettelijke bepaling.
3. Onze Minister verstrekt subsidie
als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, slechts:
a. in dringende gevallen,
b. op grond van een algemene
maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, en
c. voor ten hoogste vier jaren.
4. De voordracht van een algemene
maatregel van bestuur of de vaststelling van een ministeriële
regeling krachtens het derde lid wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overlegd.
Artikel 4. Grondslag
subsidieverstrekking; nadere voorschriften
1. Onze Minister verstrekt slechts
subsidie op grond van een algemene maatregel van bestuur of een
ministeriële regeling, tenzij het een subsidie betreft:
a. als bedoeld in artikel 4:23,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of
b. waarvan de voorgenomen
verstrekking tevoren is meegedeeld aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
2. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voorts
regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de aanvraag van een subsidie
en de besluitvorming daarover,
b. het bedrag van de subsidie
dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,
c. de activiteiten waarvoor
subsidie wordt verstrekt,
d. de voorwaarden waaronder de
subsidie wordt verleend,
e. de verplichtingen van de
subsidieontvanger,
f. de vaststelling van de
subsidie,
g. intrekking en wijziging van
de subsidieverlening of subsidievaststelling,
h. de betaling van de subsidie
en het verlenen van voorschotten,
i. het verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de
praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet
bestuursrecht, of
j. andere criteria voor de
verstrekking van subsidie.
3. Indien subsidie wordt verleend
op grond van het eerste lid, onder a of b, kan Onze Minister bij
de subsidieverlening een termijn vaststellen waarbinnen op de
aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt beslist.
4. Onze Minister kan het
verstrekken van subsidie bij of krachtens deze wet delegeren aan
een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1, onderdeel
a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Artikel 5. Subsidieplafond
Onze Minister kan een subsidieplafond
vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor op grond van
deze wet subsidie kan worden verstrekt. Hij bepaalt daarbij hoe het
beschikbare bedrag wordt verdeeld.
Artikel 6 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 8 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 9. Intrekking wegens strijd
met verdragen
1. Een aanvraag kan worden
afgewezen en een beschikking tot subsidieverstrekking op grond van
deze wet kan worden ingetrokken of gewijzigd voorzover
subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor
de staat geldende verplichtingen.
2. Bij de vaststelling, intrekking
of wijziging kan worden bepaald, dat over onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.
3. De intrekking of wijziging werkt
terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt,
tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
4. Artikel 4:50, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
5. De artikelen 4:49, derde lid, en
4:57, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
toepassing op de intrekking of wijziging, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 10. Toezichthouders
1. Onze Minister kan bij besluit
personen aanwijzen die belast worden met het toezicht op de
naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3. De toezichthouder beschikt niet
over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 11 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 12 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 13 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 14 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 15 [Vervallen per 11-05-2001]
Artikel 16 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 17 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 18 [Vervallen per 11-02-2011]
Artikel 19 [Vervallen per 11-02-2011]
§ 2. Onderwijsvoorzieningen voor
jongeren met een handicap
Artikel 19a. Onderwijsvoorzieningen
voor jongeren met een handicap
1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te
bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene,
bedoeld in artikel 1:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het
volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:
a. jonger is dan 17 jaar;
b. studerende is als bedoeld in
artikel 1:4 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
c. jonger is dan 30 jaar en
uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden
aangemerkt als studerende bedoeld in artikel 1:4 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag van degene, bedoeld in het
eerste lid, toekennen:
a. voorzieningen die hem in
staat stellen onderwijs te volgen, en
b. vervoersvoorzieningen die de
leefomstandigheden van hem verbeteren en die samenhangen met
de voorzieningen, bedoeld in onderdeel a.
3. De artikelen 3:18, 3:33, 3:56,
3:57, 3:58, 3:62 en 3:74 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten zijn van overeenkomstige toepassing op
voorzieningen bedoeld in het tweede lid.
4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan geen tegemoetkoming in de kosten van
kinderopvang toekennen.
5. Beschikkingen op grond van
artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen worden na de inwerkingtreding van
deze wet aangemerkt als beschikkingen op grond van deze wet.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Artikel 20 [Vervallen per 11-05-2001]
§ 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 21. Overgangsbepaling
1. Deze wet is niet van toepassing
op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn
verleend of vastgesteld.
2. De persoon of het orgaan waaraan
de bevoegdheid op grond van artikel 4, derde lid, onder c, zoals
dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, is gedelegeerd om
besluiten omtrent subsidie te nemen, blijft die bevoegdheid
houden.
Artikel 22. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang
van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 23. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als:
Wet overige OCW-subsidies.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 maart 1998
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
Uitgegeven de negentiende mei 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|