| |
|
|
|
|
vorige
WET
PARTICULIERE BEVEILIGINGSORGANISATIES EN
RECHERCHEBUREAUS
Tekst zoals deze geldt op
18 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
WET van 24 oktober 1997 tot vaststelling
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een
afzonderlijke wet regels te stellen voor particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, ter vervanging van de
regelgeving terzake bij of krachtens de Wet op de weerkorpsen en de
particuliere beveiligingsorganisaties, teneinde voorwaarden te scheppen
voor een goed functioneren van deze organisaties en bureaus;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
1.In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. regio: de politieregio bedoeld in, artikel 21, eerste lid,
van de Politiewet 1993;
c. beveiligingswerkzaamheden: het bewaken van de veiligheid van
personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en
rust op terreinen en in gebouwen;
d. beveiligingsorganisatie: een door een of meer personen in
stand gehouden particuliere organisatie die gericht is op het
verrichten van beveiligingswerkzaamheden;
e. recherchewerkzaamheden: het vergaren en analyseren van
gegevens;
f. recherchebureau: een natuurlijke persoon of rechtspersoon
die in de uitoefening van een beroep of bedrijf met winstoogmerk
recherchewerkzaamheden verricht, voor zover die werkzaamheden
worden verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen
belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer bepaalde
natuurlijke personen;
g. alarminstallateur: een persoon die
1°. alarmapparatuur, installeert of zorgdraagt voor het
onderhoud van alarmapparatuur,
2°. een plan voor de installatie van alarmapparatuur
ontwerpt of
3°. assistentie verleent aan een persoon als bedoeld onder
1° of 2°;
h. alarmapparatuur: apparatuur, daaronder begrepen delen
daarvan, die alleen of in combinatie met andere apparatuur een
systeem vormt, dat door middel van detectoren via telecommunicatie
signalen, die duiden op de aanwezigheid van personen, doorgeeft
aan een of meer centrale punten, waar die signalen worden
ontvangen en beoordeeld en van waaruit assistentie kan worden
gevraagd aan derden;
i. luchtvaartterrein: een luchtvaartterrein als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993.
2.Geen beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid, onder
d, is een organisatie die:
a. wordt aangemerkt als weerkorps in de zin van artikel 1,
tweede lid, van de Wet op de weerkorpsen;
b. ter uitvoering van een haar bij wettelijk voorschrift
opgedragen taak, of in de uitoefening van een beroep dat aan een
wettelijk voorschrift is onderworpen, beveiligingswerkzaamheden
verricht.
3.Geen recherchebureau als bedoeld in het eerste lid, onder f, is
een organisatie die ter uitvoering van een haar bij wettelijk
voorschrift opgedragen taak of in de uitoefening van een beroep dat
aan een wettelijk voorschrift is onderworpen, recherchewerkzaamheden
verricht.
4.Het tweede lid, aanhef en onder b, en het derde lid zijn niet van
toepassing voor zover een organisatie ook andere
beveiligingswerkzaamheden onderscheidenlijk recherchewerkzaamheden
verricht dan de in dit onderdeel of lid bedoelde.
5.Onder een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid,
onder d, wordt mede verstaan een bestuursorgaan dat ten behoeve van
derden beveiligingswerkzaamheden verricht waarbij in hoofdzaak gebruik
wordt gemaakt van personen en deze personen de werkzaamheden
verrichten op grond van de Wet sociale werkvoorziening.
Artikel 2
1.Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister door de
instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau
beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden te verrichten of
aan te bieden.
2.Onze Minister kan beveiligingsorganisaties of recherchebureaus
van dit verbod bij ministeriële regeling vrijstelling verlenen,
indien de aard van de werkzaamheden niet noodzaakt tot de toepassing
van de bij of krachtens de artikelen 6 tot en met 10 gestelde regels.
Aan een vrijstelling kunnen voorschriften verbonden worden.
3.Met een vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld een vergunning afgegeven in een andere lidstaat van de
Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau
waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de
nationale vergunning wordt nagestreefd.
Artikel 3
Een vergunning voor een beveiligingsorganisatie kan worden verleend
voor één van de volgende categorieën:
a. een particulier beveiligingsbedrijf, zijnde een onderneming of
een onderdeel daarvan die in de uitoefening van beroep of bedrijf
ten behoeve van derden beveiligingswerkzaamheden verricht en daarbij
in hoofdzaak gebruik maakt van personen;
b. een particuliere alarmcentrale, zijnde een onderneming die in
de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van derden in een
centraal alarmmeldpunt, de door alarmapparatuur verzonden signalen
ontvangt en beoordeelt en zonodig assistentie vraagt aan de politie,
andere overheidsinstanties of particulieren;
c. een particulier geld- en waardetransportbedrijf, zijnde een
onderneming die in de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve
van derden geld en grote waarden met een beperkt volume vervoert;
d. een bedrijfsbeveiligingsdienst, zijnde een door een
particuliere organisatie in stand gehouden organisatie die ten
behoeve van de eigen organisatie beveiligingswerkzaamheden verricht;
e. overige beveiligingsorganisaties: particuliere organisaties
die beveiligingswerkzaamheden verrichten, anders dan omschreven
onder a tot en met d, alsmede bestuursorganen als bedoeld in artikel
1, vijfde lid.
Artikel 4
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt
verleend indien, gelet op de voornemens en antecedenten van de
aanvrager of van de personen die het beleid van de aanvrager bepalen,
naar redelijke verwachting zal worden voldaan aan de bij of krachtens
de artikelen 6 tot en met 10 gestelde regels en ook overigens zal
worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede
beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het
maatschappelijk verkeer mag worden verwacht.
2. De aanvraag van een vergunning bevat ten minste de volgende
gegevens:
a. indien de aanvraag betrekking heeft op een
beveiligingsorganisatie: de categorie waarop de aanvraag
betrekking heeft;
b. indien de aanvrager een rechtspersoon is: de statuten van de
rechtspersoon;
c. een opgave van de werkzaamheden die de aanvrager voornemens
is te gaan verrichten.
3. Onze Minister kan de aanvrager daarnaast verzoeken nadere
gegevens te verstrekken, die voor een goede beoordeling van de
aanvraag van belang kunnen zijn.
4. Een vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste
vijf jaren en kan telkens worden verlengd voor een periode van
eveneens ten hoogste vijf jaren.
5. Een vergunning kan worden beperkt tot een bepaald territoir.
6. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden met
betrekking tot:
a. het waarborgen van een goed samenspel met
overheidsinstellingen;
b. de in artikel 6 bedoelde onderwerpen.
7. Een vergunning wordt verleend of verlengd na de betaling van een
vergoeding van kosten. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling
regels voor de hoogte van de vergoeding.
8. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag van
een vergunning.
9. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld
inartikel 2, eerste lid.
Artikel 4a
Met de eisen inzake de betrouwbaarheid terzake van het verrichten of
aanbieden van beveiligings- of recherchewerkzaamheden door het in stand
houden van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, 7, vijfde lid, en 10, eerste lid, van deze wet,
worden gelijkgesteld eisen inzake de betrouwbaarheid die worden gesteld
in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe
strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die
een niveau van betrouwbaarheid waarborgen dat ten minste gelijkwaardig
is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Artikel 5
1. Bestuursorganen verrichten geen beveiligingswerkzaamheden voor
derden, tenzij dit bij of krachtens de wet is toegestaan.
2. Een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 141 onderscheidenlijk
142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering verricht geen
werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau en
houdt, hetzij alleen, hetzij met andere personen, geen
beveiligingsorganisatie of recherchebureau in stand.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op buitengewoon
opsporingsambtenaren die behoren tot een particuliere
beveiligingsorganisatie die, of een onderdeel daarvan dat door Onze
Minister is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in
artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
4. Van het verbod, bedoeld in het tweede lid, kan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister en Onze andere
Minister wie het aangaat in bijzondere omstandigheden ontheffing
verlenen. Aan een ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften
worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste
zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een ontheffing.
5. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels met
betrekking tot de kwaliteitseisen waaraan personen in dienst van een
bestuursorgaan moeten voldoen indien zij in de uitoefening van hun
functie beveiligingswerkzaamheden verrichten.
6. Van de regels, bedoeld in het vijfde lid, kan Onze Minister in
bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
beperkingen en voorschriften worden verbonden.
Paragraaf 2. Uitvoering van de werkzaamheden en het personeel
Artikel 6
Onze Minister kan ter bevordering van de kwaliteit van
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus aan welke een vergunning is
verleend bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot:
a. het materieel en de uitrusting waarvan bij de uitvoering van
de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt;
b. het gebouw en de inrichting van het gebouw waarin een
beveiligingsorganisatie is gevestigd, die werkzaamheden verricht als
bedoeld in artikel 3, onder b;
c. de overname van de ontvangst en beoordeling van signalen van
een centraal alarmmeldpunt van een beveiligingsorganisatie die
werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, door een
ander centraal alarmmeldpunt, indien het eerste centraal
alarmmeldpunt door het wegvallen van telecommunicatieverbindingen
niet meer functioneert;
d. de goedkeuring van, zoveel mogelijk eenduidige, modellen van
uniformen;
e. de vaststelling van modellen van legitimatiebewijzen, de
afgifte van deze bewijzen en de kostenvergoeding die voor de afgifte
gevraagd kan worden;
f. de verslaglegging;
g. de mogelijkheden om bij de uitvoering van de werkzaamheden
gebruik te maken van een hond;
h. de behandeling van klachten;
i. andere onderwerpen die de kwaliteit raken.
Artikel 7
1. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een
vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen
worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor
hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in
het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden
met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat
voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het
politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het
recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd. Indien de
beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel
daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming,
bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de
Koninklijke marechaussee.
3. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, zonder vestiging
in Nederland, aan welke een vergunning is verleend als bedoeld in
artikel 2, eerste en tweede lid, laat personen als bedoeld in het
tweede lid, geen beveiligingsonderscheidenlijk recherchewerkzaamheden
in Nederland verrichten, dan nadat voor hen toestemming is verkregen
van Onze Minister.
4. Indien het gewenst is in verband met de plaats waar een
beveiligingsorganisatie of recherchebureau werkzaamheden verricht, dat
de toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend door een
andere korpschef dan de in dat lid bedoelde korpschef of commandant,
kan Onze Minister een andere korpschef aanwijzen. Indien aan de eerste
volzin toepassing is gegeven, oefent de korpschef of commandant,
bedoeld in het tweede lid, voor deze beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus de bevoegdheid niet uit. Voor de tewerkstelling van
de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend
na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid,
en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde
bekwaamheid.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de
bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten
werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld
inartikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien
deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de
tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de
toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing,
bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon
beschikt over de benodigde bekwaamheid.
6. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan
worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten
bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend,
indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het
tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
7. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid wordt
verleend na de betaling van een vergoeding van kosten aan het Rijk of
de regio. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels met
betrekking tot de kostenvergoeding.
8. Met de toestemming, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt
gelijkgesteld een verklaring afgegeven in een andere lidstaat van de
Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau
waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de
nationale toestemming wordt nagestreefd.
9. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op een verzoek tot toestemming als bedoeld in het
eerste, tweede en derde lid.
Artikel 8
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling voor bepaalde
categorieën werkzaamheden, opleidingseisen vast, voor personen die te
werk worden gesteld door een beveiligingsorganisatie of
recherchebureau.
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in
het eerste lid belast personen alleen met werkzaamheden, indien zij
voldoen aan de daarvoor vastgestelde opleidingseisen. Onze Minister
kan van dit voorschrift ontheffing verlenen.
3. Onze Minister beslist op een aanvraag om ontheffing als bedoeld
in het tweede lid, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De
beslissing kan eenmaal met ten hoogste acht weken worden verdaagd.
Afdeling 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 9
1. Een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend
draagt er zorg voor dat de personen die zijn belast met
beveiligingswerkzaamheden, bij de uitvoering van deze werkzaamheden
een door Onze Minister goedgekeurd uniform dragen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die
uitsluitend binnen het gebouw van een beveiligingsorganisatie als
bedoeld in artikel 3, onder b, werkzaam zijn. Voorts kan Onze Minister
voor bepaalde beveiligingswerkzaamheden ontheffing verlenen van de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien dit gelet op de aard
van de werkzaamheden gewenst is en zich daartegen geen zwaarwegende
belangen verzetten. Onze Minister kan daaraan voorschriften verbinden
betreffende de instructie van het betrokken personeel. Onze Minister
beslist op een aanvraag om ontheffing binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag. De beslissing kan eenmaal met ten hoogste acht weken
worden verdaagd. Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is
van toepassing.
3. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een
vergunning is verleend, draagt er zorg voor dat de personen die zijn
belast met beveiligingswerkzaamheden onderscheidenlijk
recherchewerkzaamheden, bij de uitvoering van hun werkzaamheden geen
handboeien dragen, tenzij Onze Minister, na overleg met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, daarvoor toestemming heeft verleend. Aan de
toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is
paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing op het verzoek tot toestemming om handboeien te dragen.
4. Personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden
onderscheidenlijk recherchewerkzaamheden en ten behoeve van wie
toestemming voor het dragen van handboeien is verleend, zijn, in
afwachting van de komst van de politie, bevoegd tot het aanleggen van
handboeien bij personen die zijn aangehouden ingeval van ontdekking op
heterdaad, indien de aangehouden personen zich trachten te onttrekken
aan hun aanhouding of indien zij een gevaar vormen voor hun leven of
veiligheid of die van anderen en die onttrekking onderscheidenlijk dat
gevaar niet op andere wijze kan worden voorkomen. Het gebruik van
handboeien dient redelijk en gematigd te zijn.
5. De persoon die handboeien heeft gebruikt, meldt dit gebruik aan
de opsporingsambtenaar aan wie de aangehouden persoon wordt
overgedragen. De opsporingsambtenaar vermeldt het gebruik van
handboeien in het proces-verbaal van de aanhouding.
6. Onze Minister kan de toestemming tot het dragen van handboeien
intrekken, indien blijkt dat bij herhaling het gebruik van handboeien
niet overeenkomstig het vierde en vijfde lid heeft plaatsgevonden.
7. Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat de in
het tweede, derde en zesde lid bedoelde bevoegdheden, in de daarbij
aan te wijzen gevallen worden uitgeoefend door de korpschef van het
politiekorps in de regio, waar een beveiligingsorganisatie
werkzaamheden verricht, dan wel door de commandant van de Koninklijke
marechaussee, indien een beveiligingsorganisatie werkzaamheden
verricht op een luchtvaartterrein. Hij kan ter zake nadere regels
stellen. In de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen kan Onze
Minister de bevoegdheden, bedoeld in het tweede, derde en zesde lid,
niet meer uitoefenen. Indien de hiervoor bedoelde bevoegdheden
betrekking hebben op het verlenen van toestemming tot het dragen van
handboeien wordt de ministeriële regeling in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld. In dat geval vervalt de
verplichting tot overleg, bedoeld in het derde lid.
8. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een
vergunning is verleend draagt er zorg voor dat de personen die zijn
belast met beveiligingswerkzaamheden onderscheidenlijk
recherchewerkzaamheden, bij de uitvoering van hun werkzaamheden een
legitimatiebewijs bij zich dragen waarvan een model is vastgesteld
door Onze Minister en dat zij dit op verzoek tonen.
9. Met een legitimatiebewijs, bedoeld in het achtste lid, wordt
gelijkgesteld een legitimatiebewijs afgegeven in een andere lidstaat
van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van
de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede
daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en dat een
beroepsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau
dat met het nationale legitimatiebewijs wordt nagestreefd.
Paragraaf 3. Installatie van en eisen aan alarmapparatuur
Artikel 10
1. Een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend
en die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, laat
het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de
alarmapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren
door alarminstallateurs die voldoen aan de door Onze Minister bij
ministeriële regeling vast te stellen eisen van vakbekwaamheid en die
beschikken over een verklaring van betrouwbaarheid. Zij verleent
uitsluitend diensten aan derden die deze werkzaamheden eveneens
slechts laten verrichten door alarminstallateurs die aan de genoemde
voorwaarden voldoen.
2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor bepaalde
categorieën alarmapparatuur regels stellen met betrekking tot de
eisen waaraan deze apparatuur dient te voldoen en de wijze waarop,
alsmede de organisaties door welke, de apparatuur op grond van deze
eisen kan worden goedgekeurd.
3. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid maakt
van alarmapparatuur die behoort tot een categorie waarvoor Onze
Minister regels heeft gesteld, uitsluitend gebruik indien deze
overeenkomstig die regels is goedgekeurd. Zij verleent alleen diensten
aan derden die eveneens aan deze voorwaarde voldoen.
4. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid draagt
zorg dat zij over documenten beschikt betreffende de door haar en
derden gebruikte apparatuur, waarmee aangetoond kan worden dat zij aan
het eerste en derde lid voldoet.
5. De verklaring van betrouwbaarheid, bedoeld in het eerste lid,
wordt afgegeven door de korpschef van het politiekorps in de regio
waar de desbetreffende persoon woonachtig is, dan wel, indien hij niet
woonachtig is in Nederland, een korpschef, de commandant van de
Koninklijke marechaussee of Onze Minister, die ingevolge artikel 7,
tweede of derde lid, aan een beveiligingsorganisatie waarvoor de
alarminstallateur gaat werken toestemming kan geven.
6. De verklaring van betrouwbaarheid, bedoeld in het eerste lid,
kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten
bekend worden op grond waarvan de verklaring niet zou zijn afgegeven,
indien deze zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het
tijdstip waarop de verklaring werd afgegeven.
7. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een verklaring van
betrouwbaarheid als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 4. Handhaving
Artikel 11
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet, de beperkingen en voorschriften, gesteld krachtens artikel
4, vierde, vijfde en zesde lid, en 9, tweede en derde lid, en de
aanwijzingen gegeven krachtens artikel 12, eerste lid, zijn belast de
ambtenaren, bedoeld in artikel 141, onder b en c, van het Wetboek van
Strafvordering.
2.De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd
inlichtingen te verlangen, voor zover dat voor de vervulling van hun
taak redelijkerwijs nodig is. Een beveiligingsorganisatie of
recherchebureau aan welke een vergunning is verleend verstrekt de
gevraagde inlichtingen.
3.De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd alle
plaatsen met uitzondering van woningen, waar, naar zij redelijkerwijs
vermoeden, een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke
een vergunning is verleend gevestigd is, te betreden voor zover dit
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van deze wet
nodig is.
Artikel 12
1. De korpschef van het politiekorps in de regio waar een
beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is
verleend werkzaamheden verricht, is bevoegd, indien dit in het belang
van een goede politiezorg noodzakelijk is, aan deze
beveiligingsorganisatie of dit recherchebureau aanwijzingen te geven.
Indien een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een
vergunning is verleend, werkzaamheden verricht op een
luchtvaartterrein, worden de aanwijzingen bedoeld in de eerste volzin
gegeven door de commandant van de Koninklijke marechaussee. De
beveiligingsorganisatie of het recherchebureau aan welke een
vergunning is verleend geven aan deze aanwijzingen gevolg.
2. Voordat een beveiligingsorganisatie, of zodra een particuliere
alarmcentrale als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, aan welke een
vergunning is verleend in een gemeente een begin maakt met nieuwe
beveiligingswerkzaamheden informeert zij hierover de korpschef van het
politiekorps in de regio waarin deze gemeente gelegen is. Indien een
beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend, een
begin maakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden op een
luchtvaartterrein, informeert zij hierover de commandant van de
Koninklijke marechaussee.
3. Onze Minister kan aan de korpschef onderscheidenlijk de
commandant van de Koninklijke marechaussee algemene en bijzondere
aanwijzingen geven ter uitvoering van deze wet. Algemene aanwijzingen
aan de korpschef worden verstrekt door tussenkomst van de
korpsbeheerder. Artikel 10:22, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1.Een ieder die werkzaam is of werkzaam is geweest voor een
beveiligingsorganisatie of recherchebureau en daarbij de beschikking
krijgt of heeft gekregen over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk
karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot
geheimhouding van die gegevens, behoudens voorzover enig wettelijk
voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn werkzaamheden
die in overeenstemming met de vergunning als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, worden verricht, de bekendmaking voortvloeit.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
alarminstallateurs die voldoen aan de door Onze Minister bij
ministeriële regeling vast te stellen eisen van vakbekwaamheid en die
beschikken over een verklaring van betrouwbaarheid als bedoeld in
artikel 10, eerste lid.
3.Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende
gegevens betrekking hebben op een strafbaar feit en worden verstrekt
aan de politie.
Artikel 14
Onze Minister kan een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, intrekken indien:
a. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in acht
worden genomen;
b. de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet worden
nageleefd;
c. de voor de verkrijging van de vergunning verstrekte gegevens
zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere
beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de
juiste gegevens bekend waren geweest;
d. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond
waarvan de vergunning zou zijn geweigerd, indien zij zich hadden
voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de
vergunning werd verleend;
e. een beveiligingsorganisatie of recherchebureau handelt in
strijd met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed
recherchebureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht;
f. een beveiligingsorganisatie of recherchebureau gedurende een
jaar geen beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden meer
heeft verricht of aangeboden dan wel aan Onze Minister mededeelt van
de vergunning geen gebruik meer te willen maken.
Artikel 15
Onze Minister kan aan de houder van de vergunning een bestuurlijke
boete opleggen van ten hoogste EUR 11 250 ter zake van overtreding van
regels, gesteld bij of krachtens artikel 4, vijfde of zesde lid, 6, 7,
eerste, tweede of vijfde lid, 8, tweede lid, 9, 10, eerste, derde of
vierde lid, 11, tweede lid, of 12, eerste of tweede lid.
Artikel 16
1. Met het onderzoek naar een overtreding als bedoeld in artikel 15
zijn belast de in artikel 11, eerste lid, bedoelde ambtenaren en de
door Onze Minister aangewezen andere ambtenaren.
2. Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de in artikel
11, tweede en derde lid, bedoelde bevoegdheden.
Artikel 17
De werking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt
opgelegd, wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of,
indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 18
[Wijzigt de Wet op de weerkorpsen en de particuliere
beveiligingsorganisaties]
Artikel 19
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 20
[Wijzigt de Luchtvaartwet]
Artikel 21
[Wijzigt de Wet politieregisters]
Artikel 22
Na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, worden de
vergunningen die zijn verleend krachtens artikel 5 van de Wet op de
weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties, beschouwd als
vergunningen die zijn verleend krachtens artikel 4 van deze wet.
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 oktober 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de zesde november 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|