Nadere regelgeving:
- Beleidsregels last onder
dwangsom personenvervoer over de weg
- Besluit hoofdrailnet
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer
WET van 6 juli 2000, houdende nieuwe
regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer
(Wet personenvervoer 2000)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het
bevorderen van een betere afstemming van het aanbod van personenvervoer
op de vraag, alsmede het bevorderen van periodieke betwistbaarheid in
het regionaal openbaar vervoer wenselijk is om nieuwe regels te stellen
omtrent het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het
taxivervoer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in
artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente
of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond,
Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;
c. Nederlandse Mededingingsautoriteit: de Nederlandse
Mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
Mededingingswet;
d. raad van bestuur van de mededingingsautoriteit: de raad van
bestuur van de mededingingsautoriteit, genoemd in artikel 2 van de
Mededingingswet;
e. bus: motorrijtuig, al dan niet voorzien van een aanhangwagen,
ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen;
f. auto: personenauto op ten minste vier wielen, zoals nader
omschreven bij ministeriële regeling, ingericht voor het vervoer
van ten hoogste acht personen, de bestuurder daaronder niet
begrepen;
g. dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van
reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen
en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig
onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de
reiziger kunnen worden beďnvloed;
h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of
een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
i. besloten busvervoer: personenvervoer per bus, anders dan
bedoeld in onderdeel h;
j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in
onderdeel h, tegen betaling;
k. vervoerder: degene die openbaar vervoer of besloten busvervoer
verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus,
trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen
voertuig;
l. concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar
vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald
tijdvak;
m. concessieverlener: het tot verlening van een concessie
bevoegde gezag, bedoeld in artikel 20;
n. concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie een
concessie is verleend;
o. Communautaire vergunning: vergunning als bedoeld in artikel
3bis van verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels
voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met
autobussen (PbEG 1992 L74);
p. verordening 1371/2007/EG: verordening nr. 1371/2007 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober
2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het
treinverkeer (PbEU L 315).
§ 2. Werkingssfeer
Artikel 2
1. Deze wet is van toepassing op:
a. openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer over
voor het openbaar verkeer openstaande wegen, daaronder begrepen
uitsluitend voor openbaar vervoer openstaande wegen;
b. openbaar vervoer over railwegen;
c. openbaar vervoer langs geleidesystemen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze
wet of de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede van
toepassing zijn op vervoer dat overeenkomst vertoont met het in het
eerste lid bedoelde vervoer of dat deze wet of de daarop berustende
bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op bepaalde
soorten van het in het eerste lid bedoelde vervoer.
3. Deze wet is in afwijking van het eerste lid voor wat betreft de
onderdelen betreffende de uitvoering van verordening 1371/2007/EG ook
van toepassing op ander vervoer van personen langs railwegen dan
openbaar vervoer.
4. De wet is niet van toepassing op vervoer van personen per auto,
anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat
vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat
vervoer niet te boven gaat, tenzij vorenstaande wordt verricht in de
uitoefening van een beroep of bedrijf. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld over de kosten van de auto
en eventuele bijkomende kosten.
Artikel 3
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten behoeve van experimenten met openbaar vervoer voor
een periode van ten hoogste zes jaar. Daarbij kan worden afgeweken van
de artikelen 19, 20, 24, 30, 51, 52, en 61.
2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur waarbij
wordt afgeweken van deze wet wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
§ 3. Vergunningen
Artikel 3a
Deze paragraaf is van toepassing op openbaar vervoer, anders dan per
trein, en besloten busvervoer.
Artikel 4
1. Het is verboden openbaar vervoer anders dan per trein of
besloten busvervoer te verrichten zonder een daartoe verleende
communautaire vergunning.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in
de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen.
3. Voor de toepassing van het eerste wordt met het verrichten van
besloten busvervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer,
tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in
dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun
beroep of bedrijf.
Artikel 5
Onze Minister beslist op een aanvraag voor een vergunning.
Artikel 5a
1. De vervoerder die openbaar vervoer of besloten busvervoer
verricht, alsmede de bestuurder van een bus of auto waarmee openbaar
vervoer of besloten busvervoer wordt verricht, draagt er zorg voor dat
in de bus of auto waarmee dat vervoer wordt verricht een geldig
vergunningbewijs aanwezig is.
2. Vergunningbewijzen kunnen op aanvraag door Onze Minister worden
verstrekt aan de vergunninghouder.
Artikel 6
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt
verleend voor een periode van vijf jaar.
2. Een vergunning kan worden geweigerd, gewijzigd, geschorst of
ingetrokken. Een vergunning wordt geschorst voor bepaalde tijd.
3. Een vergunning wordt steeds geweigerd, indien binnen een periode
van twee jaar direct voorafgaande aan de datum van indiening van een
aanvraag voor een vergunning een eerder aan de aanvrager verleende
vergunning is ingetrokken op grond van artikel 99, onderdeel a, of
onderdeel b, voor zover het betreft de eis van betrouwbaarheid.
4. De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
6. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
7. De beperkingen waaronder een vergunning wordt verleend en de aan
een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op
aanvraag worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.
Artikel 7
1. Een vergunning vervalt van rechtswege:
a. zes maanden na het overlijden of het intreden van wettelijke
onbekwaamheid van degene aan wie de vergunning is verleend;
b. zodra de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend,
heeft opgehouden te bestaan;
c. zodra de overeenkomst van de vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid of de maatschap waaraan de vergunning is
verleend, is ontbonden;
d. zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn
activiteiten als vervoerder heeft beëindigd.
2. Belanghebbenden kunnen binnen zes maanden na het overlijden of
na het intreden van de wettelijke onbekwaamheid, bij Onze Minister een
aanvraag indienen om de vergunning te stellen op naam van de erfgenaam
of, indien er meer erfgenamen zijn, op naam van de gezamenlijke erven,
dan wel op naam van één of meer door de belanghebbenden aangewezen
vertegenwoordigers.
3. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag,
bedoeld in het tweede lid. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt,
geschiedt dat voor een periode van ten hoogste één jaar na het
verstrijken van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode.
4. De in het derde lid bedoelde periode van één jaar kan door
Onze Minister eenmaal met ten hoogste een half jaar worden verlengd.
5. Het eerste lid vindt geen toepassing zolang Onze Minister nog
niet onherroepelijk op de in het tweede lid bedoelde aanvraag heeft
beslist.
Artikel 8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking
van een vergunning en de aan een vergunning verbonden voorschriften en
beperkingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:
a. de wijze waarop een aanvraag om verlening, wijziging of
intrekking van een vergunning wordt ingediend;
b. de termijn waarbinnen op een aanvraag wordt beslist;
c. de afgifte, geldigheid en het gebruik van vergunningbewijzen
voor bussen en auto's;
d. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de
behandeling van een aanvraag als bedoeld in onderdeel a en voor de
afgifte van vergunningbewijzen.
Artikel 9
1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van
bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die
voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en
vakbekwaamheid.
2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
bedoelde eis van vakbekwaamheid.
3. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan onder
beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
4. Onze Minister kan een ontheffing, de beperkingen waaronder een
ontheffing is verleend en de aan een ontheffing verbonden
voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen of intrekken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over:
a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en
vakbekwaamheid;
b. de gevallen waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen;
c. de beperkingen waaronder een ontheffing kan worden verleend;
d. de voorschriften die aan een ontheffing kunnen worden
verbonden;
e. de vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van de
aanvraag om verlening van een ontheffing alsmede voor afgifte van
verklaringen van Onze Minister betreffende het voldoen aan eisen
van kredietwaardigheid of vakbekwaamheid.
6. Voor zover dit noodzakelijk is om vast te stellen of wordt
voldaan aan de eisen bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister
gegevens omtrent gedrag en strafrechtelijke gegevens verwerken.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 11
1. Het is de houder van een vergunning verboden te handelen in
strijd met:
a. een vergunning, de beperkingen waaronder een vergunning is
verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften;
b. de beperkingen waaronder een ontheffing is verleend en de
aan een ontheffing verbonden voorschriften.
2. Het is de houder van een vergunning verboden een
vergunningbewijs al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen
van een derde ten behoeve van het verrichten van vervoer, als bedoeld
in artikel 4.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan
wie door de houder van een vergunning een vergunningbewijs ter
beschikking is gesteld.
§ 4. Algemene verplichtingen
Artikel 12
1. De vervoerder voorziet, al dan niet in samenwerking met andere
vervoerders, in het op verzoek behandelen van geschillen over de
totstandkoming of de uitvoering van een vervoersovereenkomst als
bedoeld in de artikelen 80, eerste lid, en 100, eerste lid, van Boek 8
van het Burgerlijk Wetboek, door instelling van een
geschillencommissie.
2. De geschillencommissie bestaat uit een oneven aantal leden,
waarvan ten minste één voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid
tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren en waarvan de voorzitter
onafhankelijk is van de overige leden.
3. Bij de samenstelling van de geschillencommissie wordt aan geen
van de bij het geschil betrokken partijen een bevoorrechte positie
toegekend.
4. De geschillencommissie beslecht een aan haar voorgelegd geschil
door het uitbrengen van een bindend advies of door het bewerkstelligen
van een minnelijke schikking tussen partijen.
5. De geschillencommissie stelt een reglement vast over de wijze
waarop een geschil wordt behandeld.
Artikel 13
1. De vervoerder maakt op een naar de aard van het vervoer
geëigende wijze kenbaar op welke wijze klachten over het verrichten
van personenvervoer worden behandeld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over het eerste lid.
Artikel 14
1. De vervoerder verstrekt onder redelijke en objectief
gerechtvaardigde voorwaarden gegevens omtrent het door hem te
verrichten vervoer aan degene die hierom verzoekt ten behoeve van het
voeden en actualiseren van een reisinformatiesysteem.
2. Vervoerders die openbaar vervoer verrichten dragen op zodanige
wijze financieel bij aan een door Onze Minister aan te wijzen
exploitant van een reisinformatiesysteem met een landelijk bereik, dat
daardoor de instandhouding van dat systeem is gewaarborgd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de aard van gegevens als bedoeld in het eerste
lid, de gevallen waarin Onze Minister een exploitant aanwijst, en over
de wijze waarop aan het tweede lid toepassing wordt gegeven.
§ 5. Taken van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit
Artikel 15
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verricht taken ter
uitvoering van deze wet.
Artikel 16
Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking
hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister
die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 18
Gegevens of inlichtingen omtrent een onderneming, die in verband met
enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn
verkregen door de Nederlandse Mededingingsautoriteit, mogen uitsluitend
worden gebruikt voor de toepassing van deze wet en de Mededingingswet.
Hoofdstuk II. Concessies voor openbaar vervoer
§ 1. Concessieplicht
Artikel 19
1. Het is verboden openbaar vervoer te verrichten zonder daartoe
verleende concessie.
2. Indien op grond van artikel 42 of 43 een concessie is opgehouden
te bestaan, kan maximaal één jaar openbaar vervoer worden verricht
zonder concessie volgens bij ministeriële regeling nader te stellen
regels.
3. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van vervoer per trein
verricht door internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in
richtlijn 91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29
juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de
Gemeenschap (PbEG L 237) voor zover de in artikel 10 van die richtlijn
bedoelde diensten worden verricht.
Artikel 19a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet zo
spoedig mogelijk na ontvangst van een melding als bedoeld in artikel
57, tweede of derde lid, van de Spoorwegwet, mededeling van die
melding in de Staatscourant en aan de betrokken concessieverleners en
concessiehouders en vermeldt daarbij de mogelijkheid van een aanvraag
als bedoeld in het tweede lid, en de termijn voor indiening van die
aanvraag.
2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt op
daartoe strekkende aanvraag van een of meer concessieverleners of
concessiehouders of de beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h,
van de Spoorwegwet, vast of het ingevolge artikel 57, tweede of derde
lid van de Spoorwegwet, gemelde voorgenomen vervoer:
a. internationaal passagiersvervoer als hoofddoel heeft, of
b. het daarvan deel uitmakende vervoer van passagiers tussen
stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer
concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd de
inlichtingen te vorderen en de inzage van zakelijke gegevens en
bescheiden te vorderen die hij redelijkerwijs nodig heeft voor de
behandeling van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid.
4. Een ieder, met uitzondering van de personen, bedoeld in artikel
5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is verplicht
binnen redelijke termijn de door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit gevorderde inlichtingen te verstrekken of de
gevorderde inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te verlenen.
5. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit geeft de
beschikking op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de
overeenkomstig het derde lid gevorderde gegevens en bescheiden.
6. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet
mededeling van de aanvraag, en van de beschikking, bedoeld in het
vijfde lid, aan de betrokken beheerder, bedoeld in artikel 1,
onderdeel h, van de Spoorwegwet en doet mededeling van die beschikking
in de Staatscourant.
7. Onze Minister kan, binnen acht weken na de mededeling bedoeld in
het zesde lid, van een beschikking als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, besluiten om het vervoer van passagiers tussen stations
in Nederland te beperken, mits:
a. de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, op grond
van het tweede lid, onderdeel b, heeft vastgesteld dat dit vervoer
het economisch evenwicht van een of meer concessies van een
spoorwegonderneming in gedrang brengt;
b. Onze Minister hierbij de beschikbare kwaliteit voor de
reiziger en de financiële belangen van een of meer betrokken
concessiehouders in acht neemt, en
c. de gestelde beperkingen niet verder gaan dan noodzakelijk is
om het in gedrang komen van het economisch evenwicht van een of
meer concessies van een spoorwegonderneming te voorkomen.
Onze Minister kan binnen de genoemde termijn van acht weken
besluiten om deze termijn met ten hoogste zes weken te verlengen.
8. Onze Minister beperkt het vervoer van passagiers tussen stations
in Nederland voor grensoverschrijdend openbaar vervoer per trein
zonder concessie op het traject waarvoor de aan HSA beheer N.V.
verleende concessie voor de duur van vijftien jaar, met aanvangsdatum
1 juli 2009, van toepassing is.
9. Het tweede lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn niet van
toepassing op het vervoer, bedoeld in het achtste lid.
10. Het personenvervoer per trein in strijd met de krachtens het
zevende dan wel het achtste lid vastgestelde beperkingen is verboden.
§ 2. Concessieverlening
Artikel 20
1. Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies
voor openbaar vervoer per trein is Onze Minister.
2. Bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies
voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein, zijn
gedeputeerde staten, met uitzondering van concessies voor openbaar
vervoer in een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam,
Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo,
's-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat. De concessies in die
plusregio’s worden verleend, gewijzigd of ingetrokken door het
dagelijks bestuur van de desbetreffende plusregio.
3. In afwijking van het eerste lid is het bestuur, bedoeld in het
tweede lid, bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van
concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de bij
algemene maatregel van bestuur dan wel in overeenstemming met het
betrokken bestuur bij besluit van Onze Minister aangewezen
vervoersdiensten die de daarbij aangeven stations verbinden.
Artikel 21
Gedeputeerde staten dragen zorg voor de coördinatie en afstemming
van het openbaar vervoer in de provincie, met uitzondering van de
plusregio’s, bedoeld in artikel 20.
Artikel 22
De concessieverleners, bedoeld in artikel 20, zijn bevoegd subsidies
te verstrekken voor het in een concessie omschreven openbaar vervoer.
Artikel 23
1. Geen concessie wordt verleend aan een vervoerder:
a. van wie een geheel of gedeeltelijke eigenaar, dan wel een
bestuurder of commissaris tevens het lidmaatschap bekleedt van een
algemeen vertegenwoordigend orgaan van een openbaar lichaam
waarvan een bestuursorgaan bevoegd is tot het verlenen van die
concessie;
b. voor wie een vertegenwoordiger of adviseur werkzaam is die
betrokken is bij het meedingen naar of het verwerven van die
concessie, en die tevens het lidmaatschap bekleedt van een
algemeen vertegenwoordigend orgaan van een openbaar lichaam
waarvan een bestuursorgaan bevoegd is tot het verlenen van die
concessie.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing
op de burgemeester en de commissaris van de Koning.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien
van een bestuurder of commissaris bij een vervoerder als bedoeld in
artikel 69, eerste of zevende lid bij verlening van concessies waaraan
geen procedure van aanbesteding vooraf is gegaan.
4. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verlenen van
concessies voor openbaar vervoer per trein op grond van artikel 20,
eerste lid.
Artikel 24
1. De concessieverlener verleent een concessie voor een in de
concessie vastgestelde duur van ten hoogste acht jaar.
2. Onze Minister kan op aanvraag van een concessieverlener
ontheffing verlenen van de maximale duur van acht jaar, bedoeld in het
eerste lid, indien:
a. de concessie gepaard gaat met noodzakelijke en aanzienlijke
investeringen door de concessiehouder in onlosmakelijk met de
concessie samenhangende infrastructuur;
b. een concessie voor openbaar vervoer per metro, tram of een
via een geleidesysteem voortbewogen voertuig gepaard gaat met
aanzienlijke investeringen door de concessiehouder in voor de
uitvoering van de concessie noodzakelijk materieel;
c. de concessie zowel openbaar vervoer per trein als ander
openbaar vervoer omvat en ten aanzien van het openbaar vervoer per
trein met inachtneming van het vierde tot en met zesde lid een
langere concessieduur kan worden vastgesteld.
3. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan onder
beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid vervalt een
concessie voor openbaar vervoer per trein op een in de concessie te
bepalen tijdstip. Dit tijdstip wordt zodanig vastgesteld dat daarmee
naar het oordeel van de concessieverlener evenwicht bestaat tussen de
op het stimuleren van de kwaliteit van het openbaar vervoer gerichte
duur van de concessie en de stabiliteit en continuďteit van het
openbaar vervoer.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de duur van concessies voor openbaar vervoer per
trein.
6. Een concessie vervalt in elk geval vijftien jaar na de eerste
dag waarop de concessiehouder ingevolge de concessie verplicht is
openbaar vervoer te verrichten.
Artikel 25
1. Een concessie bevat een omschrijving van het openbaar vervoer en
van het gebied waarvoor de concessie is verleend alsmede de prijs die
de concessiehouder betaalt voor de concessie.
2. Een concessie kan tevens betrekking hebben op het verrichten van
openbaar vervoer van en naar het gebied, bedoeld in het eerste lid,
indien dit is overeengekomen met de concessieverleners die het
betreft.
3. In afwijking van het eerste lid bevat een concessie voor
openbaar vervoer per trein, in plaats van een omschrijving van het
gebied waarvoor de concessie is verleend, een omschrijving van de
stations waartussen het openbaar vervoer wordt afgewikkeld.
4. Bij de concessie en de daarbij behorende financiële afspraken
wordt rekening gehouden met de voor de concessiehouder geldende
gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 62 van de Spoorwegwet.
Artikel 26
1. Voordat een concessie wordt verleend of gewijzigd, pleegt de
concessieverlener, bedoeld inartikel 20, tweede en derde lid, overleg
met de concessieverleners die bevoegd zijn tot het verlenen van
concessies in aangrenzende gebieden. Het overleg voorziet in ieder
geval in afspraken inzake de afstemming van het openbaar vervoer
tussen aangrenzende concessiegebieden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
concessie als bedoeld in artikel 25, tweede lid.
3. Onze Minister kan, indien de in het eerste lid bedoelde
afstemming onvoldoende gestalte krijgt, aan de betrokken
concessieverleners een aanwijzing geven ter waarborging van die
afstemming.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt niet gegeven
dan nadat overleg is gepleegd tussen Onze Minister en de betrokken
concessieverleners.
Artikel 27
1. Voordat een concessie wordt verleend of gewijzigd, vraagt de
concessieverlener advies aan consumentenorganisaties die voldoen aan
bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, over de aan
de concessie te verbinden voorschriften.
2. De concessieverlener stelt de consumentenorganisaties in de
gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt
uitgebracht.
3. Het advies, bedoeld in het tweede lid, wordt gevraagd op een
zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het
voornemen.
4. De consumentenorganisaties worden door de concessieverlener zo
spoedig mogelijk in kennis gesteld van de wijze waarop aan het
uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven.
Artikel 27a
1. Voordat een concessie voor openbaar vervoer per trein over de
hoofdspoorweginfrastructuur wordt verleend, vraagt Onze Minister
advies aan de betrokken beheerder, bedoeld in artikel 1 van de
Spoorwegwet.
2. Artikel 27, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 28
De concessieverlener informeert ten minste eenmaal per jaar de
consumentenorganisaties, bedoeld in artikel 27, over de resultaten van
bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven maatregelen die door
hem zijn genomen en die de belangen van de reiziger raken.
Artikel 29
1. De concessieverlener kan een ontheffing verlenen van het verbod,
bedoeld in artikel 19, aan een vervoerder die openbaar vervoer anders
dan openbaar vervoer per trein, wil verrichten in een gebied waarvoor
hem geen concessie is verleend.
2. De concessieverlener kan de ontheffing wijzigen of intrekken.
3. Een ontheffing wordt verleend voor een bepaalde tijd.
4. Een ontheffing kan slechts worden geweigerd, indien naar het
oordeel van de concessieverlener de vervoersvoorziening waarvoor een
ontheffing is aangevraagd, een zodanige gelijkenis vertoont met
openbaar vervoer waarvoor een concessie is verleend voor het gebied,
bedoeld in het eerste lid, dat daarmee een onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de exploitatie van die concessie.
5. De concessieverlener kan de ontheffing onder beperkingen
verlenen of aan de ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 29a
Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie zonder dat
daartoe een aanbesteding is gehouden, kan worden genomen indien de
vervoerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen
besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen
blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt.
§ 3. Uitvoering van een concessie
Artikel 30
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over nationale vervoerbewijzen, de daaraan te stellen
eisen, de daarbij behorende tarieven en vervoersvoorwaarden, alsmede
het gebied waarbinnen deze geldig zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de invoering, de acceptatie, de uitgifte, de
exploitatie of het beheer van elektronische nationale vervoerbewijzen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de erkenning van een of meer instellingen die
elektronische nationale vervoerbewijzen uitgeven, exploiteren of
beheren, alsmede over de voorschriften waaraan dergelijke instellingen
moeten voldoen.
4. De houder van een concessie, verleend door een concessieverlener
als bedoeld in artikel 20, tweede lid, is verplicht reizigers te
vervoeren die daartoe beschikken over een voor het concessiegebied
geldig nationaal vervoerbewijs tegen het daarbij behorende tarief.
Artikel 31
1. De concessiehouder vraagt ten minste eenmaal per jaar advies aan
consumentenorganisaties die voldoen aan bij algemene maatregel van
bestuur gestelde voorwaarden, over de door de concessiehouder
voorgenomen wijziging van een dienstregeling, het tarief en overige in
de concessie geregelde onderwerpen.
2. De concessiehouder stelt de consumentenorganisaties in de
gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt
uitgebracht.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
aard van onderwerpen als bedoeld in het eerste lid.
4. Het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanig
tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de door
de concessiehouder te nemen beslissing.
5. Indien na het advies van de consumentenorganisaties een
beslissing wordt genomen ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in
het eerste lid, worden de consumentenorganisaties door de
concessiehouder zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken voor
deze gevolg geeft aan de beslissing, schriftelijk hiervan in kennis
gesteld. Indien het advies van de consumentenorganisaties niet of niet
geheel is gevolgd, wordt aan de consumentenorganisaties tevens
meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken en wordt hen de
gelegenheid geboden nader te overleggen met de concessiehouder
alvorens deze gevolg geeft aan de beslissing.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de termijnen die bij de adviesprocedure en de
overlegprocedure, bedoeld in dit artikel, in acht worden genomen.
Artikel 32
1. De concessieverlener kan aan een concessie voorschriften
verbinden.
2. Aan een concessie worden in ieder geval voorschriften verbonden
ten aanzien van:
a. de onderwerpen waarover en de consumentenorganisaties
waaraan de concessiehouder advies vraagt als bedoeld in artikel
31;
b. de onderwerpen waarover en de wijze waarop de
concessiehouder de consumentenorganisaties, bedoeld in onderdeel
a, informeert;
c. het verstrekken van informatie aan de concessieverlener ten
behoeve van de controle op de uitvoering van de concessie;
d. de tarieven, de modellen van vervoerbewijzen en de
vervoersvoorwaarden waartegen het openbaar vervoer moet worden
verricht, alsmede de wijziging en openbaarmaking daarvan;
e. het opstellen van een financiële verantwoording van het
uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van
die voor andere activiteiten;
f. de wijziging, de openbaarmaking, de datum van ingang en de
geldigheidsduur van de dienstregeling;
g. de eisen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer
ten behoeve van reizigers met een handicap;
h. het waarborgen van een verantwoorde mate van veiligheid ten
behoeve van zowel de reizigers als het personeel binnen het
openbaar vervoer;
i. punctualiteit;
j. een procentuele beschikbaarheidsgarantie van zitplaatsen;
k. het zowel op stations als in de trein aan reizigers geboden
serviceniveau.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over
het minimale niveau van toegankelijkheid van het openbaar vervoer dat
concessieverleners middels voorschriften dienen veilig te stellen bij
concessieverlening. Deze regels bevatten in ieder geval eisen aan de
toegankelijkheid van het openbaar vervoer ten behoeve van reizigers
met een handicap en eisen aan de toegankelijkheid van het openbaar
vervoer ten behoeve van reizigers met een fiets.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
over de aan een concessie te verbinden voorschriften.
5. Aan een concessie kan het voorschrift worden verbonden dat de
concessiehouder, indien hij tekortschiet in het verrichten van
bepaalde prestaties, gehouden is een geldsom te voldoen aan de
concessieverlener.
6. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid is de
concessieverlener niet bevoegd ten aanzien van het verrichten van de
desbetreffende prestaties aan de concessiehouder een last onder
dwangsom op te leggen. Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 32a
Onverminderd artikel 32 bevat een concessie voor openbaar vervoer
voorschriften tot regeling van de integratie van vervoerbewijzen in het
openbaar vervoer.
Artikel 32b
Een concessie voor openbaar vervoer per trein kan het voorschrift
bevatten dat de in de concessie aan te duiden natuurlijke personen die
de feitelijke leiding zullen uitoefenen over de uitvoering van de
concessie, niet als zodanig krachtens een arbeidsovereenkomst met de
concessiehouder werkzaam zijn.
Artikel 33
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een maximum gemiddeld tarief voor het openbaar vervoer,
zonodig per concessiegebied.
Artikel 34
1. De concessiehouder is verplicht openbaar vervoer te verrichten
volgens hetgeen in de concessie is bepaald en is verplicht de daaraan
verbonden voorschriften na te leven.
2. Voor zolang reizigers ernstig in hun belang worden geschaad als
gevolg van de afwijking van de dienstregeling door werkzaamheden op de
in de dienstregeling voorziene trajecten of door bijzondere
omstandigheden, draagt de concessiehouder zorg voor vervangend vervoer
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 35
Een ieder die enig recht kan doen gelden op bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen infrastructuur met uitzondering van
hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in de Spoorwegwet, waarover
openbaar vervoer per trein plaatsvindt, is verplicht het gebruik daarvan
door de concessiehouder redelijkerwijs te gedogen voorzover dit voor de
goede uitvoering van de concessie nodig is.
§ 4. Overgang, beëindiging en overdracht van een concessie
Artikel 36
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder overgang van
een concessie verstaan: het geheel of gedeeltelijk eindigen van een
concessie gevolgd door het ingaan van geheel of gedeeltelijk dezelfde
concessie als gevolg van verlening van deze concessie aan een andere
vervoerder.
2. De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing op de overgang van een
concessie, tenzij iets anders voortvloeit uit een overeenkomst tussen
de voormalige concessiehouder, de nieuwe concessiehouder en de
belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de Wet melding collectief ontslag, welke overeenkomst
is tot stand gekomen binnen een maand na het besluit tot verlening van
een concessie als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 37
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 662 en 663 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek gaan door de overgang van een concessie van
rechtswege over op de nieuwe concessiehouder de rechten en
verplichtingen, omschreven in artikel 38, die op dat tijdstip voor de
voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen hem en:
a. een direct ten behoeve van de verrichting van het openbaar
vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, en
b. een indirect ten behoeve van de verrichting van het openbaar
vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, met
inachtneming van het tweede lid.
2. Tenzij bij de in artikel 36, eerste lid, bedoelde
concessieverlening aan de andere vervoerder anders is bepaald,
geschiedt de vaststelling van het aantal personen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, op basis van de verhouding tussen de
verminderde omzet ten gevolge van de overgang van de concessie en de
totale omzet van de voormalige concessiehouder ten aanzien van het
openbaar vervoer, berekend over het laatst afgesloten boekjaar
voorafgaand aan het jaar waarin de concessieovergang plaatsvindt.
Artikel 10a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
3. De concessieverlener oefent zijn in het tweede lid neergelegde
afwijkingsbevoegdheid slechts uit, indien hij voorafgaand aan de
toepassing van artikel 27 dan wel artikel 44, derde lid, ter zake een
beleidsregel heeft vastgesteld.
4. Indien toepassing van het eerste lid leidt tot overgang van een
arbeidsplaats die niet herleidbaar is tot een individu, gaan naar de
nieuwe concessiehouder over de rechten en verplichtingen, omschreven
in artikel 38, die op dat tijdstip voor de voormalige concessiehouder
voortvloeien uit de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
arbeidsverhouding tussen hem en de persoon die, ware er sprake van een
beëindiging van de arbeidsverhouding waarop het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 van toepassing is wegens bedrijfseconomische
redenen, waarbij die arbeidsplaatsen zouden komen te vervallen, voor
ontslag in aanmerking zou komen met inachtneming van de daarvoor
geldende regels.
5. De voormalige concessiehouder is gedurende een jaar na de
overgang naast de nieuwe concessiehouder hoofdelijk verbonden voor de
nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsverhouding die zijn
ontstaan voor dat tijdstip.
Artikel 38
1. Indien de voormalige concessiehouder geen vervoerder is als
bedoeld in artikel 69, eerste of zevende lid:
a. zijn op de overgang van een concessie de artikelen 14a,
eerste, tweede en vierde lid, van de Wet op de collectieve
arbeidsovereenkomst en 2a van de Wet op het algemeen verbindend en
het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve
arbeidsovereenkomsten van overeenkomstige toepassing en
b. gaan door de overgang van de concessie de rechten en
verplichtingen welke op het tijdstip van overgang van concessie
voor de voormalige concessiehouder ten aanzien van een persoon als
bedoeld in artikel 37, eerste lid, voortvloeien uit
bedrijfsregelingen, van rechtswege over op de nieuwe
concessiehouder.
2. Indien de voormalige concessiehouder een vervoerder is als
bedoeld in artikel 69, eerste of zevende lid, handhaaft de nieuwe
concessiehouder na de overgang van een concessie ten aanzien van een
persoon als bedoeld in artikel 37, eerste lid, een samenstel van
rechten en verplichtingen gelijkwaardig aan die welke voor het
tijdstip van de overgang voor de voormalige concessiehouder uit de
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen de
voormalige concessiehouder en die persoon voortvloeiden, voor zover
deze rechten en verplichtingen voortvloeiden uit collectieve
regelingen inzake arbeidsvoorwaarden.
3. Op het eindigen van de rechten en verplichtingen, bedoeld in het
tweede lid, zijn de artikelen 14a, tweede en vierde lid, van de Wet op
de collectieve arbeidsovereenkomst en 2a, tweede en derde lid, van de
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van
bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van overeenkomstige
toepassing.
4. De artikelen 662 en 663 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
zijn van overeenkomstige toepassing, indien de voormalige
concessiehouder een vervoerbedrijf is als bedoeld in artikel 64,
tweede lid, onderdeel a.
Artikel 39
1. Op verzoek van de concessieverlener verstrekt de concessiehouder
binnen de bij verzoek te bepalen termijn aan de concessieverlener ten
behoeve van het programma van eisen een openbare schriftelijke opgave
van de rechten en verplichtingen, bedoeld in artikel 38, met
betrekking tot de ten behoeve van het verrichte openbaar vervoer
werkzame personen, met inbegrip van een gemotiveerde toelichting van
de wijze waarop de loonkosten zijn samengesteld, alsmede van de
samenstelling en het aantal van het met toepassing van artikel 37,
eerste lid, onderdelen a en b, voor overgang in aanmerking komend
personeel.
2. De in het eerste lid bedoelde opgave geschiedt naar de toestand
op het tijdstip van de opgave en naar de te verwachten toestand op het
tijdstip van het eindigen van de concessie. De opgave gaat vergezeld
van een verklaring van één of meer onafhankelijke deskundigen, dat
de opgave is opgesteld overeenkomstig het eerste lid.
3. De in het tweede lid bedoelde deskundigen worden aangewezen door
de concessieverlener en hun kosten komen voor rekening van de
concessieverlener. De concessiehouder is verplicht aan de deskundigen
alle door dezen gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 40
Binnen een maand na het besluit tot verlening van een concessie
treden de voormalige en de nieuwe concessiehouder met elkaar en met de
belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de Wet melding collectief ontslag, in overleg teneinde
een goede uitvoering van de artikelen 37 en 38 dan wel van de
overeenkomst, bedoeld in artikel 36, tweede lid, te bevorderen.
Artikel 41
1. Een concessiehouder kan een concessie, die is verleend door een
concessieverlener als bedoeld inartikel 20, tweede lid, geheel of
gedeeltelijk overdragen aan een andere vervoerder, indien deze voldoet
aan de eisen, die bij of krachtens deze wet aan de concessiehouder
zijn gesteld.
2. De andere vervoerder, bedoeld in het eerste lid, is jegens de
concessieverlener verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op
de concessiehouder rustende verplichtingen.
3. De concessiehouder kan de concessie niet overdragen dan na
schriftelijke toestemming van de concessieverlener.
4. Toestemming voor overdracht van een concessie die is verleend na
aanbesteding wordt onthouden, indien de andere vervoerder niet
beschikt over een verklaring van geen bezwaar inzake de desbetreffende
concessie. De artikelen 52 tot en met 56, eerste lid, en 57 tot en met
60 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Toestemming als bedoeld in het derde lid kan voorts slechts
worden onthouden, indien redelijkerwijs te verwachten is dat de
vervoerder de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet
of onvoldoende in acht zal nemen.
6. De concessiehouder is naast de andere vervoerder hoofdelijk
verbonden voor de nakoming van de uit de concessie voortvloeiende
verplichtingen door de andere vervoerder die zijn ontstaan voor het
tijdstip van overdracht.
Artikel 42
Onverminderd artikel 61, vijfde lid vervalt een concessie van
rechtswege:
a. op het moment dat de vergunning van de concessiehouder van
rechtswege is vervallen;
b. zodra een besluit tot intrekking van de vergunning van de
concessiehouder onherroepelijk is geworden;
c. zodra een besluit tot intrekking van de verklaring van geen
bezwaar inzake de desbetreffende concessie onherroepelijk is
geworden.
Artikel 43
1. Een concessie kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken,
indien is gebleken dat de concessiehouder de concessie niet naar
behoren uitvoert of heeft uitgevoerd.
2. Een beschikking tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een
concessie treedt niet eerder in werking dan dertien weken na de datum
van haar bekendmaking. Zij werkt niet terug.
Artikel 43a
1. Tenzij de voormalige concessiehouder en de nieuwe
concessiehouder anders overeenkomen, is de voormalige concessiehouder
gehouden bij overgang van een concessie voor openbaar vervoer per
trein de in de concessie omschreven rechten en verplichtingen ten
aanzien van productiemiddelen alsmede de daarbij behorende
bedrijfsinformatie over te dragen aan die concessiehouder of ten
behoeve van die concessiehouder te vestigen. Indien de overgang van de
concessie het gedeeltelijk eindigen gevolgd door het gedeeltelijk
ingaan van dezelfde concessie betreft, vormen de overgedragen of
gevestigde rechten en verplichtingen een dienovereenkomstig deel van
de concessie.
2. In een concessie voor openbaar vervoer per trein is opgenomen:
a. een omschrijving van de rechten en verplichtingen, bedoeld
in het eerste lid, en
b. een methode waarmee de waarde op het moment van overgang van
de concessie wordt bepaald van de rechten en verplichtingen,
bedoeld in het eerste lid, zodanig dat op evenwichtige wijze wordt
recht gedaan aan de belangen van zowel de voormalige als de nieuwe
concessiehouder.
3. Op verzoek van de concessieverlener verstrekt de concessiehouder
met het oog op de verlening van een concessie binnen de bij het
verzoek te bepalen termijn een gemotiveerde schatting van de waarde
van de rechten en verplichtingen die worden overgedragen of gevestigd,
volgens de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Artikel
39, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De concessieverlener stelt ten behoeve van de voormalige
concessiehouder de betaling van de waarde van de rechten en
verplichtingen, bedoeld in artikel 43b, tweede lid, zeker.
5. De concessieverlener stelt ten behoeve van de nieuwe
concessiehouder de ongestoorde uitoefening van gebruiksrechten van
productiemiddelen zeker, voor zover de voormalige concessiehouder
rechten of verplichtingen ten aanzien van die productiemiddelen heeft
behouden.
6. Het verlenen van een concessie voor openbaar vervoer per trein
aan de nieuwe concessiehouder kan door de concessieverlener
afhankelijk worden gesteld van een bankgarantie of een andere
zekerheid:
a. ten behoeve van de voormalige concessiehouder voor de
betaling van de waarde van de rechten en verplichtingen, bedoeld
in artikel 43b, tweede lid, of
b. ten behoeve van de opvolgende concessiehouder voor de
ongestoorde uitoefening van gebruiksrechten van productiemiddelen,
voor zover de nieuwe concessiehouder rechten of verplichtingen ten
aanzien van die productiemiddelen zal behouden.
Artikel 43b
1. De overdracht en vestiging van rechten en verplichtingen ten
aanzien van de productiemiddelen ingevolge artikel 43a vindt plaats op
het tijdstip van overgang van de concessie.
2. De nieuwe concessiehouder is de voormalige concessiehouder de
waarde verschuldigd van de overgedragen en gevestigde rechten
verminderd met de waarde van de overgedragen en gevestigde
verplichtingen overeenkomstig hetgeen ter zake in de voormalige
concessie is bepaald.
3. Onverminderd artikel 43a verschaft de voormalige concessiehouder
voor zover hij daartoe rechtens bevoegd is, de nieuwe concessiehouder
op het tijdstip van overgang van de concessie de feitelijke macht over
de over te dragen en te vestigen rechten en verplichtingen.
4. De nieuwe concessiehouder is gehouden aan de overdracht en
vestiging mee te werken.
5. De kosten van de overdracht en vestiging zijn voor rekening van
de nieuwe concessiehouder.
6. Indien als gevolg van de overdracht van rechten en
verplichtingen sprake is van overgang van een onderneming waarop titel
10, afdeling 8, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing
is en dientengevolge rechten en verplichtingen ten aanzien van
personen als bedoeld in artikel 32b overgaan op de nieuwe
concessiehouder, is de voormalige concessiehouder jegens de nieuwe
concessiehouder ter zake gehouden hem de kosten te vergoeden die
gemaakt zijn om de desbetreffende arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Daarenboven is de voormalige concessiehouder jegens de nieuwe
concessiehouder per geval een direct opeisbare geldsom verschuldigd
van € 100 000.
7. In afwijking van het vierde lid is de nieuwe concessiehouder
niet gehouden aan de overdracht van materieel mee te werken, indien
het de eerste aanbesteding van een concessie voor regionaal openbaar
vervoer op een gedecentraliseerde lijn betreft na de inwerkingtreding
van dit artikel.
Artikel 43c
1. Aan een concessie kunnen nadere voorschriften worden verbonden
ten aanzien van de toepassing van de artikelen 43a en 43b.
2. In een concessie voor openbaar vervoer per trein kan de
toepasselijkheid van artikel 43a worden uitgesloten.
Hoofdstuk III. Bepalingen inzake de aanbesteding en verlening van
concessies
§ 1. Algemene bepalingen inzake aanbesteding van concessies
Artikel 44
1. De concessieverlener stelt ten behoeve van aanbesteding van een
concessie een programma van eisen vast.
2. Het programma van eisen heeft in elk geval betrekking op:
a. de bereikbaarheid in het gebied waarvoor een concessie wordt
verleend en op de functie van het openbaar vervoer voor degenen
die daarvan afhankelijk zijn;
b. de algemene eisen die aan het te verrichten openbaar vervoer
worden gesteld;
c. de afstemming met het openbaar vervoer in aangrenzende
gebieden, alsmede met andere vormen van personenvervoer;
d. de afstemming met milieudoelstellingen van de
concessieverlener;
e. de te benutten infrastructurele voorzieningen.
3. Voordat het programma van eisen wordt vastgesteld, vraagt de
concessieverlener overeenkomstig artikel 27, tweede tot en met vierde
lid, ter zake advies aan consumentenorganisaties die voldoen aan bij
algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden. Bij de verlening
van de desbetreffende concessie is artikel 27 niet van toepassing.
Artikel 45
Overleg als bedoeld in artikel 26 over het verlenen van een concessie
vindt in geval van aanbesteding plaats voordat een concessieverlener het
programma van eisen vaststelt.
Artikel 46
1. Een concessiehouder verstrekt desgevraagd binnen een door de
concessieverlener te bepalen termijn aan de concessieverlener gegevens
voor zover deze noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van
aanbesteding van een concessie.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
over de gegevens die worden verstrekt en de wijze waarop controle op
die gegevens wordt uitgeoefend.
3. De gegevens kunnen openbaar worden gemaakt in het programma van
eisen, voor zover het belang van openbaarmaking opweegt tegen het
belang van het voorkomen van een onevenredige benadeling van de
concessiehouder. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is
niet van toepassing.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een vervoerder
die openbaar vervoer verricht zonder daartoe verleende concessie,
indien de gegevens noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van
aanbesteding van een concessie voor dat openbaar vervoer.
Artikel 47
Het tijdvak waarvoor een concessie is verleend kan eenmaal door de
concessieverlener voor een periode van ten hoogste twaalf maanden worden
verlengd, indien aanbesteding van een concessie voor een aansluitend
tijdvak niet heeft geleid tot een concessieverlening.
Artikel 48
Van deelname aan een aanbesteding van een concessie is uitgesloten
een instelling, dienst of bedrijf, waarover het openbaar lichaam waarvan
een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid,
bevoegd is tot verlening van de concessie, op grond van feitelijke of
juridische omstandigheden een beslissende invloed uit kan oefenen op de
activiteiten van die vervoerder.
Artikel 49
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de wijze waarop aanbesteding van concessies plaatsvindt.
Artikel 50
De concessieverlener stelt een aanbestedingsreglement vast voor de
procedure van aanbesteding van concessies.
§ 2. De verklaring van geen bezwaar
Artikel 51 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het is verboden openbaar vervoer te verrichten op grond van een
concessie die is verleend na aanbesteding, indien de concessiehouder
niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar inzake de
desbetreffende concessie.
Artikel 52 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een concessie als bedoeld in artikel 51 wordt uitsluitend verleend
aan een vervoerder die beschikt over een verklaring van geen bezwaar
inzake de desbetreffende concessie.
Artikel 53 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Een verklaring van geen bezwaar wordt uitsluitend verleend aan
een vervoerder wiens marktaandeel in de Nederlandse markt voor
openbaar vervoer niet groter is dan het aandeel zoals dat krachtens
bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 55, eerste
lid, te stellen regels is vastgesteld.
2. Onverminderd het eerste lid wordt een verklaring aan een
vervoerbedrijf als bedoeld in artikel 64 uitsluitend verleend, indien:
a. het openbaar vervoer dat op de dag voor de inwerkingtreding
van deze wet door het vervoerbedrijf werd verricht, inmiddels
wordt verricht krachtens een concessie die is verleend na een
procedure van aanbesteding, of
b. een gedeelte van het openbaar vervoer, bedoeld in onderdeel
a, wordt verricht krachtens een concessie die is verleend na een
procedure van aanbesteding en de omvang van de concessie waartoe
het vervoerbedrijf een verklaring van geen bezwaar heeft
aangevraagd naar omzet berekend niet meer beloopt dan anderhalf
maal de omzet van dat gedeelte van het openbaar vervoer.
3. Met een concessie die is verleend na een procedure van
aanbesteding als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, wordt
gelijkgesteld een concessie waarvan een kennisgeving tot de opdracht
van aanbesteding van een concessie is gepubliceerd mits de in de
kennisgeving vermelde ingangsdatum van de concessie is gelegen binnen
een redelijke termijn na de datum van die kennisgeving.
Artikel 54
Onverminderd artikel 53 wordt een verklaring van geen bezwaar
geweigerd aan:
a. een vervoerder die gevestigd is in een andere lidstaat van de
Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de
wederkerigheid van de toegang tot de desbetreffende markt voor
personenvervoer voor vervoerders die in Nederland zijn gevestigd
niet gewaarborgd is;
b. een vervoerder die gevestigd is in een andere staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, voor zover dit voortvloeit uit een voor Nederland verbindend
verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie dan wel uit een door of vanwege de
regering gemaakte internationale afspraak.
Artikel 55 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken worden bij algemene maatregel van
bestuur regels gesteld over de afbakening van de Nederlandse markt
voor openbaar vervoer en het maximaal voor een vervoerder te
verkrijgen aandeel in de Nederlandse markt voor openbaar vervoer.
2. Voor de toepassing van artikel 53, eerste lid, wordt het aandeel
in de Nederlandse markt voor openbaar vervoer van een vervoerder
bepaald aan de hand van de omzet die is behaald of is te verwachten
met het verrichten van openbaar vervoer op basis van concessies of
ander bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vervoer.
3. De berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid, geschiedt
op de voet van het bepaalde in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet.
4. Voor de berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid,
worden de omzetten, voor zover deze zijn behaald of zijn te verwachten
met het verrichten van openbaar vervoer op basis van concessies,
opgeteld van:
a. de betrokken vervoerder;
b. de vervoerder waarin de betrokken vervoerder rechtstreeks of
middellijk:
1°. meer dan de helft van het kapitaal of de
bedrijfsactiva bezit,
2°. de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de
stemrechten uit te oefenen, dan wel
3°. de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de leden
van de raad van toezicht of bestuur of van de krachtens de wet
tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen, dan wel
4°. het recht heeft de onderneming te leiden;
5°. op andere wijze dan bedoeld in het eerste, tweede,
derde of vierde onderdeel, de mogelijkheid heeft, al dan niet
in een gemeenschappelijke onderneming, een beslissende invloed
uit te oefenen op de onderneming;
c. de vervoerders die ten aanzien van de betrokken vervoerder
over de in onderdeel b bedoelde rechten of bevoegdheden
beschikken;
d. de vervoerders waarin een in onderdeel c bedoelde vervoerder
over de in onderdeel b bedoelde rechten of bevoegdheden beschikt;
e. de vervoerders waarin een andere onderneming als bedoeld in
artikel 1 van de Mededingingswet die ten aanzien van de betrokken
vervoerder over de in onderdeel b bedoelde rechten of bevoegdheden
beschikt, over de in onderdeel b bedoelde rechten of bevoegdheden
beschikt;
f. vervoerders waarbij ten minste twee vervoerders
onderscheidenlijk ondernemingen als bedoeld in de onderdelen a tot
en met d gezamenlijk over de in onderdeel b bedoelde rechten of
bevoegdheden beschikken.
5. Voor de berekening van de omzet van de in het eerste en vierde
lid bedoelde vervoerders, blijft buiten beschouwing de omzet die is
behaald in het tijdvak, bedoeld in artikel 47.
6. Op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken worden bij algemene maatregel van
bestuur nadere regels gesteld over de wijze waarop het aandeel van de
vervoerder, bedoeld in het tweede lid, in de Nederlandse markt voor
openbaar vervoer wordt vastgesteld.
§ 3. De procedure tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar
Artikel 56
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit geeft op
aanvraag een verklaring van geen bezwaar af, indien de aanvrager
voldoet aan de in artikel 53 gestelde eisen en er geen omstandigheden
aanwezig zijn als bedoeld in artikel 54.
2. Een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar kan niet eerder
worden ingediend dan nadat de kennisgeving van de aanbesteding van de
desbetreffende concessie is gepubliceerd.
Artikel 57 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke
gegevens bij een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar worden
verstrekt.
2. Indien de aanvrager reeds eerder een aanvraag om een verklaring
van geen bezwaar heeft ingediend en daarbij gegevens heeft verstrekt
die ook nodig zijn voor de beslissing op een nieuwe aanvraag en deze
gegevens niet zijn gewijzigd, kan hij, in plaats van deze gegevens
wederom te verstrekken, bij die nieuwe aanvraag volstaan met een
verwijzing naar de eerdere aanvraag.
3. Onverwijld na ontvangst van de aanvraag zendt de
directeur-generaal de aanvrager een bericht van ontvangst, waarin de
datum van ontvangst is vermeld.
Artikel 58 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De directeur-generaal beslist binnen vier weken na ontvangst van
een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar. De directeur-generaal
stelt de verlener van de concessie waarop de aanvraag betrekking
heeft, in kennis van zijn besluit.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan met ingang van
de eerstvolgende dag na ontvangst van de aanvraag, die niet een
zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is in de zin van de
Algemene termijnenwet.
3. De directeur-generaal kan binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn, die termijn met vier weken verlengen.
4. Het niet tijdig nemen van een beschikking op de aanvraag wordt
gelijkgesteld met het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.
5. Op aanvraag van de concessieverlener deelt de directeur-generaal
hem mee of het vierde lid van toepassing is op een bepaalde aanvraag.
Artikel 59 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. De directeur-generaal kan een verklaring van geen bezwaar
intrekken, indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou
hebben geleid tot een andere beschikking op de aanvraag om een
verklaring van geen bezwaar.
2. De directeur-generaal deelt zijn voornemen een verklaring van
geen bezwaar in te trekken schriftelijk en met redenen omkleed mee aan
belanghebbenden.
3. In afwijking van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de directeur-generaal, alvorens toepassing te
geven aan het eerste lid, degene aan wie de verklaring van geen
bezwaar is verleend en de concessieverlener in de gelegenheid
schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren te brengen.
4. Een beschikking tot intrekking van een verklaring van geen
bezwaar treedt niet eerder in werking dan dertien weken na de datum
van haar bekendmaking. Zij werkt niet terug.
Artikel 60 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Concessieverleners en vervoerders verstrekken de directeur-generaal
de inlichtingen die hij nodig heeft voor de uitoefening van de hem in
deze paragraaf toegekende bevoegdheden.
§ 4. De aanbestedingsplicht
Artikel 61
1. Met ingang van een bij algemene maatregel van bestuur bepaald
tijdstip verleent een concessieverlener voor het openbaar vervoer,
anders dan per trein, in zijn concessiegebied slechts een concessie
nadat daartoe een aanbesteding is gehouden.
2. Onze Minister kan op aanvraag van een concessieverlener een
ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting
indien:
a. de concessie een overbrugging vormt voor:
1°. een wijziging van de indeling van concessiegebieden;
2°. een samenvoeging van meerdere vervoersvormen in één
concessie;
b. onverminderdartikel 3, eerste lid, de concessie betrekking
heeft op openbaar vervoer dat een vernieuwende technologie of
vervoersconcept bevat dat niet tot stand komt indien de concessie
zou worden aanbesteed.
3. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
5. Een concessie voor openbaar vervoer, anders dan per trein, die
is verleend zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, vervalt
op het met toepassing van het eerste lid bepaalde tijdstip.
Artikel 62
1. Concessies als bedoeld in artikel 20, derde lid, worden slechts
verleend nadat daartoe een aanbesteding is gehouden.
2. In bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven
gevallen kan het eerste lid buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 63
1. Onze Minister kan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit verzoeken een rapportage uit te brengen inzake
de effecten voor de mededinging op de Nederlandse markt voor openbaar
vervoer of een deel daarvan, van een op een aanvraag als bedoeld in
artikel 61, tweede lid te nemen besluit.
2. De rapportage is niet eerder openbaar dan nadat Onze Minister
een besluit over de aanvraag heeft genomen.
3. De rapportage wordt meegezonden met de beslissing op de
aanvraag.
§ 5. Bijzondere bepalingen inzake door Onze Minister te verlenen
concessies
Artikel 64
1. Onze Minister is bevoegd een concessie als bedoeld in artikel
20, eerste lid, te verlenen zonder dat daartoe de procedure van de
paragrafen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk wordt toegepast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de wijze waarop een concessie door Onze Minister
wordt verleend, indien daartoe niet de procedure van de paragrafen 1
tot en met 3 van dit hoofdstuk wordt toegepast.
3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het tweede lid, kunnen onder meer regels worden gesteld over:
a. de keuze van de voor het verlenen van een concessie te
volgen procedures;
b. de criteria voor toelating van ondernemingen tot de
procedure voor het verlenen van een concessie, waaronder de
uitsluiting van ondernemingen die door hun marktmacht of
concurrentiepositie een eerlijke competitie belemmeren;
c. de criteria voor het verlenen van een concessie.
4. Een concessie voor het hoofdrailnet wordt door Onze Minister
niet eerder verleend, dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 65
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder het hoofdrailnet: de
spoorvervoerdiensten die als zodanig bij koninklijk besluit zijn
aangewezen.
2. Onze Minister kan bepalen dat een door hem verleende concessie
voor het hoofdrailnet geheel of voor een door Onze Minister daarbij te
bepalen aanmerkelijk gedeelte door de concessiehouder zal worden
uitgevoerd met gebruikmaking van een of meer door Onze Minister aan te
wijzen rechtspersonen.
3. Een in het eerste lid bedoeld koninklijk besluit wordt niet
eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal is overlegd.
Artikel 66
1. Dit artikel is van toepassing, indien Onze Minister voornemens
is een concessie te verlenen voor het hoofdrailnet.
2. Onze Minister stelt een beleidsvoornemen tot concessieverlening
vast, waarin is opgenomen of vermeld:
a. een beschrijving van de betrokken markt;
b. een beschrijving van de maatregelen die ertoe strekken dat
de continuďteit van het betrokken personenvervoer wordt
gewaarborgd;
c. een schatting van de kosten die met de concessieverlening
zijn gemoeid en van de waarde van de concessie;
d. een beschrijving van de te volgen procedure van
concessieverlening; en
e. of Onze Minister voornemens is artikel 69b, tweede lid, toe
te passen.
3. Voordat Onze Minister het beleidsvoornemen vaststelt, legt hij
dit voornemen ter advisering voor aan de in artikel 27 bedoelde
consumentenorganisaties. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister legt het vastgestelde beleidsvoornemen voor aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Indien binnen 30 dagen na deze
voorlegging ten minste 30 leden te kennen geven nadere inlichtingen te
willen ontvangen over de voorgenomen concessieverlening, zal de
aanvang van procedure tot concessieverlening niet eerder plaatsvinden
dan dat veertien dagen zijn verstreken na het verstrekken van die
inlichtingen.
5. Indien binnen 30 dagen na de voorlegging of binnen 14 dagen na
de verstrekking van de inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, de
Kamer als haar oordeel uitspreekt dat de concessieverlening machtiging
bij wet behoeft, wordt de concessie eerst verleend nadat die
machtiging is verleend.
Artikel 67
1. Dit artikel is van toepassing op de verlening van de eerste
concessie voor het hoofdrailnet na de inwerkingtreding van de
Concessiewet personenvervoer per trein.
2. Onze Minister verleent de in het eerste lid bedoelde concessie
aan de N.V. Nederlandse Spoorwegen of aan een bij koninklijk besluit
te bepalen onderdeel van de N.V. Nederlandse Spoorwegen zonder dat
daartoe de procedure van de paragrafen 1 tot en met 3 van dit
hoofdstuk of artikel 69c wordt toegepast. Deze concessie vangt aan op
een bij koninklijk besluit te bepalen datum en eindigt op 1 januari
2015.
3. Onze Minister kan van het tweede lid afwijken; alsdan wordt
artikel 69c toegepast.
§ 6. Bepalingen inzake marktactiviteiten van gemeentelijke
vervoerbedrijven en houders van langdurige concessies
Artikel 69
1. Een vervoerder waarop de gemeente Amsterdam, Den Haag, Rotterdam
of Utrecht op basis van feitelijke of juridische omstandigheden
beslissende invloed uitoefent, verricht geen andere werkzaamheden dan:
a. openbaar vervoer;
b. vervoer waarop bij algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, dit artikel van toepassing is
verklaard; of,
c. werkzaamheden die rechtstreeks samenhangen met het
verrichten van het in onderdeel a en b bedoelde vervoer.
2. Een gemeentelijk vervoerbedrijf als bedoeld in het eerste lid
mag:
a. vervoerders
1°. waarop het op basis van feitelijke of juridische
omstandigheden invloed kan uitoefenen, of,
2°. waarop een rechtspersoon op basis van feitelijke of
juridische omstandigheden invloed kan uitoefenen die tevens op
basis van feitelijke of juridische omstandigheden invloed kan
uitoefenen op dit gemeentelijk vervoerbedrijf, die openbaar
vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verrichten dan wel
werkzaamheden die daarmee rechtstreeks samenhangen, niet
bevoordelen boven anderen waarmee die vervoerders in
concurrentie treden of anderszins voordelen toekennen die
verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is;
b. middelen die het aanwendt of verkrijgt voor het verrichten
van metro- of tramvervoer, zo lang dit vervoer niet is aanbesteed,
niet benutten voor het verrichten van busvervoer of de in de
onderdelen b of c van het eerste lid bedoelde werkzaamheden voor
zover het gemeentelijk vervoerbedrijf daarmee voordelen verkrijgt
die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.
3. Als toekenning van voordelen die verder gaan dan in het normaal
handelsverkeer gebruikelijk is als bedoeld in het tweede lid wordt in
ieder geval aangemerkt:
a. het leveren van goederen of diensten tegen een vergoeding
die lager is dan de redelijkerwijs daaraan toe te rekenen kosten;
b. het ter beschikking stellen van financiële middelen anders
dan ten laste van het eigen vermogen dan wel ten laste van het
eigen vermogen anders dan tegen een in het handelsverkeer
gebruikelijke vergoeding;
c. het verstrekken van gegevens over individuele gebruikers van
openbaar vervoer, tenzij deze onder gelijke voorwaarden ook ter
beschikking worden gesteld aan derden die met de betrokken
onderneming in concurrentie treden;
d. het toestaan van het gebruik van de naam en het beeldmerk
van het openbaar vervoerbedrijf op een wijze waardoor verwarring
bij het publiek is te duchten over de herkomst van goederen en
diensten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere vormen van
toekenning van voordelen dan die, bedoeld in het derde lid, worden
aangemerkt als vormen die verder gaan dan in het normaal
handelsverkeer gebruikelijk is.
5. Een gemeentelijk vervoerbedrijf als bedoeld in het eerste lid:
a. doet jaarlijks over het voorgaande boekjaar een verklaring
van een onafhankelijke deskundige opmaken waaruit blijkt of de
financiële verhouding tussen het vervoerbedrijf en de in het
tweede lid, onderdeel a, bedoelde vervoerders, voldoet aan de in
dat onderdeel gestelde eisen en of het voldoet aan het tweede lid,
onderdeel b, gestelde eisen. Deze verklaring ligt voor een ieder
ter inzage op alle kantoren van het gemeentelijk vervoerbedrijf;
b. houdt voorzover aan hem zowel een concessie voor het
verrichten van busvervoer als een concessie voor het verrichten
van metro- of tramvervoer is verleend en zolang één van deze
concessies nog niet is aanbesteed, een zodanige administratie bij
dat:
1°. de registratie van de lasten en baten van het
busvervoer en het tram- of metrovervoer gescheiden zijn;
2°. alle lasten en baten, op grond van consequent
toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake
kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;
3°. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens
welke de administratie wordt gevoerd, duidelijk zijn
vastgelegd.
Een gemeentelijk vervoerbedrijf bewaart de in onderdeel b bedoelde
gegevens gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf het einde van het
boekjaar waarop de gegevens betrekking hebben.
6. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
gemeentelijk vervoerbedrijf als bedoeld in het eerste lid zodra het
openbaar vervoer, bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel a, voor
ten minste een gedeelte dat naar omzet berekend ten minste twee derde
beloopt, wordt verricht krachtens een concessie welke is verleend na
een procedure van aanbesteding.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op:
a. een vervoerder die in de in het eerste lid genoemde
gemeenten op grond van een aan hem verleende concessie openbaar
vervoer verricht zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden;
b. een vervoerder waarop een gemeente voor 1 januari 2007
beslissende invloed heeft uitgeoefend en die openbaar vervoer
verricht op grond van een concessie zonder dat daartoe een
aanbesteding is gehouden.
Hoofdstuk IV. Bepalingen voor de reiziger
Artikel 70
1. Het is verboden zonder hiervoor geldig vervoerbewijs gebruik te
maken van het openbaar vervoer, alsmede, voor zover de vervoerder
zulks duidelijk kenbaar heeft gemaakt, van de daartoe behorende
voorzieningen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in
de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen.
Artikel 71
Het is verboden een onbevoegd gewijzigd of anderszins bewerkt
vervoerbewijs te gebruiken, een vervoerbewijs te misbruiken of de
controle van vervoerbewijzen te belemmeren of te verhinderen.
Artikel 72
Het is een ieder verboden zich in een auto, bus, trein, metro, tram
of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel in of in de
onmiddellijke nabijheid van een station, halteplaats, of een andere bij
het openbaar vervoer behorende voorziening en de daarbij behorende
perrons, trappen, tunnels en liften zodanig te gedragen dat orde, rust,
veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord.
Artikel 73
Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust,
veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen die door of vanwege de
vervoerder duidelijk kenbaar zijn gemaakt.
Artikel 74
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over:
a. hetgeen onder verstoring van orde, rust, veiligheid of een
goede bedrijfsgang wordt verstaan;
b. de wijze waarop de in artikel 73 bedoelde aanwijzingen onder
meer kunnen worden gegeven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts
regels worden gesteld over onder meer:
a. het gebruik van vervoerbewijzen;
b. de verplichting tot betaling en het recht op terugbetaling.
Hoofdstuk V. Taxivervoer
§ 1. Vergunning
Artikel 75
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het
aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door
tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van
dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt onder «de vervoerder die taxivervoer verricht»
verstaan: degene die taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van
bestuurder van een auto.
Artikel 76
1. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe
verleende vergunning.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor
onbepaalde tijd.
3. De vervoerder die taxivervoer verricht, alsmede de bestuurder
van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, draagt er zorg voor
dat in de auto waarmee dat vervoer wordt verricht het vergunningbewijs
zichtbaar voor de reiziger aanwezig is.
4. Een in het eerste lid bedoelde vergunning wordt, behoudens in
bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, slechts verleend
aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en
vakbekwaamheid.
5. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het derde lid en van
de in het vierde lid bedoelde eis van vakbekwaamheid.
6. Deartikelen 5 tot en met 9 en 11 zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in artikel 9, vijfde lid,
bedoelde regels over de eisen van kredietwaardigheid niet van
toepassing zijn op de vervoerder die taxivervoer verricht.
§ 2. Geschillen en klachten
Artikel 77
1. De vervoerder die taxivervoer verricht voorziet, al dan niet in
samenwerking met andere vervoerders, in het op verzoek behandelen van
geschillen over de totstandkoming of de uitvoering van een
vervoersovereenkomst als bedoeld in de artikelen 80, eerste lid, en
100, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, door
instelling van een geschillencommissie.
2. Artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over het eerste lid.
Artikel 78
1. De vervoerder die taxivervoer verricht, maakt op een naar de
aard van het vervoer geëigende wijze kenbaar op welke wijze klachten
over het verrichten van taxivervoer worden behandeld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over het eerste lid.
§ 3. Verplichtingen betreffende bestuurders en voertuigen
taxivervoer
Artikel 79
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over:
a. de inrichting, uitrusting en herkenbaarheid van een auto
waarmee taxivervoer wordt verricht;
b. de keuring van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht;
c. het kenbaar maken van tarieven aan de consument;
d. de minimale beschikbaarheid van taxivervoer;
e. de eisen en verplichtingen te stellen aan vervoerders die
taxivervoer verrichten en aan bestuurders van een auto waarmee
taxivervoer wordt verricht;
f. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de
onderdelen a tot en met e gestelde regels wordt voldaan;
g. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de
krachtens deparagrafen 1 tot en met 4 van dit hoofdstuk gestelde
regels samenhangende werkzaamheden af te geven documenten;
h. de administratie die de vervoerder voert ten behoeve van een
doelmatig toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde.
2. De in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde regels
over de inrichting en uitrusting kunnen mede betrekking hebben op:
a. de aanwezigheid van apparatuur en voorzieningen ter
registratie van ritten, tarieven, prijzen en arbeids- en
rusttijden;
b. het gebruik van zodanige apparatuur en voorzieningen met
inbegrip van de afzonderlijke onderdelen daarvan;
c. de keuring van zodanige apparatuur en voorzieningen dan wel
de installatie daarvan.
3. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar
gelang de aard van het taxivervoer of de locatie waar taxivervoer
wordt verricht.
4. Voor zover dit noodzakelijk is ter toetsing van de geschiktheid
van bestuurders, kunnen in het kader van de in het eerste lid, onder
e, bedoelde eisen en verplichtingen, onder meer gegevens betreffende
de gezondheid en het gedrag van bestuurders worden verwerkt. Het
bestuursorgaan dat bevoegd is tot toetsing aan deze eisen, is
verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de
Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 80
Het is verboden taxivervoer te verrichten in strijd met de bij of
krachtens de artikelen 79, 81, 82a en 82b gestelde regels.
§ 4. Tarieven
Artikel 81
1. Met het oog op de inzichtelijkheid voor de consument worden bij
ministeriële regeling regels gesteld over tarieven voor taxivervoer.
Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de wijze waarop het tarief is opgebouwd;
b. de verplichting om de tariefopbouw toe te passen;
c. een toe te passen maximumtarief.
2. Het eerste lid heeft geen betrekking op tarieven voor
taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke
overeenkomst, waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde
periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die
overeenkomst vastgelegd tarief.
§ 4a. Vervoerbewijzen
Artikel 81a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over
elektronische vervoerbewijzen, en daaraan te stellen eisen, voor
taxivervoer. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:
a. de invoering, de vaststelling, de uitgifte, de exploitatie of
het beheer van deze vervoerbewijzen;
b. het gebruik, de geldigheid of de acceptatie;
c. de erkenning van een of meer instellingen die deze
vervoerbewijzen uitgeven, exploiteren of beheren, alsmede de
voorschriften waaraan dergelijke instellingen moeten voldoen.
§ 5. Gemeentelijke bevoegdheden
Artikel 82
1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden
gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de
gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.
2. De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van
de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen
betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en82b.
Artikel 82a
1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden
gesteld over:
a. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de
gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden;
b. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van
een in onderdeel a bedoelde auto;
c. de indiening en behandeling van klachten van consumenten
over taxivervoer;
d. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de
onderdelen a tot en met c gestelde regels wordt voldaan;
e. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de
uitvoeringskosten die samenhangen met de krachtens deze paragraaf
gestelde regels af te geven documenten en vergunningen en de
uitvoeringskosten die samenhangen met de instandhouding van die
documenten en vergunningen.
2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar
gelang de locatie waar taxivervoer wordt verricht.
3. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op
een verplichting voor de in dat lid bedoelde bestuurders om vanaf een
of meer daartoe bij gemeentelijke verordening aangewezen locaties,
consumenten op hun verzoek te vervoeren.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over het eerste lid.
5. De in het vierde lid bedoelde regels kunnen in elk geval
betrekking hebben op:
a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in
het eerste lid bedoelde bevoegdheden;
b. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde
regels.
Artikel 82b
1. Onverminderdartikel 82a kan bij of krachtens gemeentelijke
verordening worden bepaald dat het gebruik van de bij die verordening
te bepalen gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat
betreft het aldaar aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is
voorbehouden aan vervoerders en bestuurders van auto’s die
taxivervoer verrichten die overeenkomstig de bij en krachtens dit
artikel gestelde regels deel uitmaken van een organisatorisch verband.
2. Het in het eerste lid bedoelde organisatorische verband heeft
een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel.
3. Bij of krachtens een in het eerste lid bedoelde gemeentelijke
verordening worden regels gesteld over de eisen aan en verplichtingen
van het organisatorisch verband en de eisen aan en de verplichtingen
van de vervoerders en de bestuurders van de in het eerste lid bedoelde
auto’s die daar deel van uitmaken alsmede de regels die nodig zijn
voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheid.
4. De in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening stelt
regels over het minimum aantal binnen de gemeente betrokken
organisatorische verbanden.
5. De in het derde lid bedoelde regels kunnen mede betrekking
hebben op verlening van vergunningen aan de in dit artikel bedoelde
organisatorische verbanden en degenen die daarvan deel uitmaken,
alsmede op de intrekking, wijziging en schorsing van die vergunningen.
De artikelen 6, vierde en vijfde lid, en 99, eerste lid, onderdeel c,
en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen hebben in
elk geval betrekking op de volgende onderwerpen:
a. het bestuur en de organisatie van het verband;
b. de juridische verhouding tussen het bestuur van het verband
en de vervoerders en bestuurders van auto’s die daar deel van
uitmaken;
c. het gedrag van bestuurders van auto’s die taxivervoer
verrichten;
d. de herkenbaarheid van de auto’s waarmee taxivervoer wordt
verricht;
e. de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde doelstelling
met inachtneming van in het derde lid bedoelde eisen en
verplichtingen, door het verband wordt uitgewerkt in een
reglement;
f. de instelling van privaatrechtelijke controles betreffende
de nakoming van de in het reglement vastgelegde verplichtingen,
door een of meer onafhankelijke en deskundige instanties en het
optreden van het verband naar aanleiding van tijdens die controles
geconstateerde onregelmatigheden;
g. de registratie en behandeling van klachten van consumenten;
h. de rapportage over de uitkomsten van de in onderdeel f
bedoelde controles en het in dat onderdeel bedoelde optreden van
het verband alsmede van de afhandeling van de in onderdeel g
bedoelde klachten;
i. opvolging van in het zevende lid bedoelde aanwijzingen;
j. de wijze van vastlegging van en verantwoording over de in de
onderdelen a tot en met i bedoelde eisen en verplichtingen door
het organisatorisch verband.
7. Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende
gemeente kan op de in het eerste lid bedoelde delen van de
gemeentelijke openbare weg aanwijzingen geven aan de in het eerste lid
bedoelde bestuurders van auto’s, voor zover dat ter plaatse
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de in het derde lid
bedoelde eisen en verplichtingen.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over het eerste en derde lid.
9. De in het achtste lid bedoelde regels kunnen in elk geval
betrekking hebben op:
a. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in
het eerste, derde en zevende lid, bedoelde bevoegdheden;
b. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde
regels.
10. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op bij ministeriële
regeling aangewezen gemeenten.
Artikel 82c
In afwijking van artikel 93 is het college van burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeente bevoegd tot oplegging van een
last onder bestuursdwang ter handhaving van de krachtens deze paragraaf
gestelde verplichtingen.
Hoofdstuk VI. Internationaal vervoer
Artikel 83
1. Ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld over:
a. openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer dat de
Nederlandse grens overschrijdt;
b. openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer dat
door een in Nederland gevestigde vervoerder geheel buiten
Nederland of door een buiten Nederland gevestigde vervoerder
geheel in Nederland wordt verricht;
c. het rijden met een lege bus of auto over voor het openbaar
verkeer openstaande wegen in Nederland of het rijden met een lege
bus of auto door een in Nederland gevestigde vervoerder geheel of
ten dele buiten Nederland of door een buiten Nederland gevestigde
vervoerder geheel of ten dele in Nederland, voor zover dat verband
houdt met het verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer
of taxivervoer.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede betrekking
hebben op de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de
behandeling van de aanvraag om verlening of wijziging van de voor dat
vervoer benodigde documenten.
Artikel 84 [Vervallen per 01-10-2011]
Artikel 85 [Vervallen per 01-10-2011]
Artikel 86 [Vervallen per 01-10-2011]
Hoofdstuk VII. Handhaving
§ 1. Toezicht en opsporing
Artikel 87
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen;
b. de bij besluit van de bestuursorganen, bedoeld in artikel
20, tweede en derde lid, aangewezen personen, voor zover het de
door hen verleende concessies betreft, voor het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 19en 30 tot en met 40, en
c. de bij besluit van het college van burgemeester en
wethouders van de desbetreffende gemeenten aangewezen personen,
voor zover het betreft het toezicht op naleving van het bepaalde
bij of krachtens de artikelen 82a en82b.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn voorts belast de in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren en de met betrekking
tot deze wet krachtens artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet
op de economische delicten aangewezen ambtenaren.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn met
het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 70
tot en met 74 bepaalde mede belast personen die daartoe door de
vervoerder zijn aangewezen.
4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij verordening
1371/2007/EG zijn de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen
belast.
5. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in artikel 69,
eerste, vijfde en zevende lid, zijn belast de bij besluit van de raad
van bestuur van de mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit.
6. Van een besluit als bedoeld in het eerste, vierde of vijfde lid,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 88
1. Onze Minister kan met betrekking tot het toezicht op de naleving
beleidsregels vaststellen.
2. Beleidsregels die betrekking hebben op het toezicht door
ambtenaren als bedoeld in artikel 87, vierde lid, worden vastgesteld
in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 89
1. Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de met betrekking tot deze wet krachtens
artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische
delicten aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met
de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot
en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze
feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan
of ondernomen door henzelf.
2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en
Onze Minister van Justitie gezamenlijk aangewezen personen.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 90
De in artikel 87 bedoelde ambtenaren en personen beschikken niet over
de bevoegdheden, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 91
De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 tot en met 5:17, 5:19 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de in artikel 89 bedoelde ambtenaren en personen.
Artikel 92
De reiziger die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt,
is verplicht op de eerste vordering van de artikelen 87 en 89 bedoelde
ambtenaren en personen die hebben vastgesteld dat de reiziger heeft
gehandeld in strijd met de artikelen 70 of 71, een identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan
te bieden.
§ 2. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 93
1. Onze Minister is de handhavende instantie, bedoeld in artikel 30
van verordening 1371/2007/EG.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen en van verordening 1371/2007/EG.
3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd tot
het opleggen van een last onder dwangsom ter handhaving van artikel
19a, vierde lid.
Artikel 94
1. Ingeval van overtreding van artikel 69, eerste, vijfde en
zevende lid, kan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de
rechtspersoon aan wie het gemeentelijk vervoerbedrijf toebehoort dan
wel de desbetreffende concessiehouder, een last onder dwangsom
opleggen.
2. Aan een last kunnen voorschriften worden verbonden inzake het
verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit.
3. Een last geldt voor een door de raad van bestuur van de
mededingingsautoriteit te bepalen termijn van ten hoogste twee jaar.
Artikel 95
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit deelt zijn
voornemen een beschikking te geven als bedoeld in artikel 94, eerste
lid, schriftelijk en met redenen omkleed mee aan belanghebbenden.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit,
alvorens te besluiten omtrent toepassing van artikel 94, eerste lid,
belanghebbenden in de gelegenheid schriftelijk of mondeling hun
zienswijze kenbaar te maken.
Artikel 96
1. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit kan een last
onder dwangsom wijzigen of intrekken.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit,
alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, belanghebbenden in de
gelegenheid mondeling of schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken.
Artikel 97
Indien naar het oordeel van de in de artikelen 87 of 89 bedoelde
ambtenaren en personen in onvoldoende mate medewerking wordt verleend
bij de uitvoering van de hun opgedragen taak, treffen zij zo nodig met
behulp van de sterke arm de nodige maatregelen.
Artikel 98
1. Indien de reiziger handelt in strijd met de artikelen 70 tot en
met 74 zijn de in de artikelen 87 en 89 bedoelde ambtenaren en
personen bevoegd zijn vervoerbewijs in te trekken en hem zo nodig met
behulp van de sterke arm het gebruik van het openbaar vervoer te
ontzeggen.
2. De in de artikelen 87 en 89 bedoelde ambtenaren en personen zijn
bevoegd bij vermoeden van een ten aanzien van handbagage gepleegde
overtreding van het in artikel 72 bepaalde, zich in tegenwoordigheid
van de reiziger van aard en inhoud daarvan te overtuigen en onbevoegd
meegenomen handbagage uit de vervoermiddelen te weren of verwijderen.
Artikel 99
1. Onze Minister kan een vergunning volgens bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen regels, wijzigen, schorsen of intrekken:
a. indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze
wet bepaalde;
b. indien niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel
9, eerste lid, en artikel 76, vierde lid bedoelde eisen, tenzij
een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is
verleend;
c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het
Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 100
1. Onverminderd artikel 43, eerste lid, kan een concessie worden
ingetrokken, indien aan de concessiehouder ter zake van overtreding
van het bepaalde bij of krachtens deze wet een sanctie is opgelegd.
Artikel 43, tweede lid, is van toepassing.
2. De concessieverlener kan een ontheffing als bedoeld in artikel
29 intrekken, indien de vervoerder in strijd handelt met het bij of
krachtens deze wet ten aanzien van de vervoerder bepaalde dan wel met
de ontheffing of de aan de ontheffing verbonden beperkingen of
voorschriften.
Artikel 101
1. Niet naleving van de artikelen 70 tot en met 73, alsmede –
voor zover aangeduid als strafbare feiten – het bepaalde krachtens
artikel 74, tweede lid, is een overtreding en wordt gestraft met een
hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede
categorie.
2. Indien de reiziger ten aanzien van wie door een ambtenaar of
persoon, bedoeld in de artikelen 87 en 89, is vastgesteld dat hij in
strijd handelt met de artikelen 70 of 71, niet voldoet aan de
verplichting, bedoeld in artikel 92, worden de in het eerste lid
bedoelde straffen verhoogd tot een hechtenis van ten hoogste vier
maanden, onderscheidenlijk een geldboete van de derde categorie.
Artikel 102
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht
tot strafvordering wegens overtreding van de artikelen 70 of 71 vervalt
door voldoening op een daarbij aan te geven wijze van een bij of
krachtens die maatregel vast te stellen geldsom aan de vervoerder.
Artikel 103
Overtreding van deartikelen 4, 11, tweede en derde lid, 76, eerste en
zesde lid, voor zover in laatstbedoeld lid wordt verwezen naar artikel
11, tweede en derde lid zijn misdrijven.
Hoofdstuk VIII. Overige bepalingen
§ 1. Bepalingen van verschillende aard
Artikel 104
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het
oog op het verrichten van openbaar vervoer anders dan openbaar vervoer
per trein en besloten busvervoer regels worden gesteld over:
a. inrichting en uitrusting van een auto, bus, metro, tram of
een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
b. keuring van bussen en auto's;
c. eisen te stellen aan bestuurders van auto, bus, metro, tram
of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
d. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de
onderdelen a, b en c, gestelde regels wordt voldaan;
e. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de
ingevolge de onderdelen a tot en met d gestelde regels
samenhangende werkzaamheden en af te geven documenten.
2. Voor zover dit noodzakelijk is ter toetsing van de geschiktheid
van bestuurders, kunnen in het kader van de in het eerste lid, onder
c, bedoelde eisen, onder meer gegevens betreffende de gezondheid en
het gedrag van bestuurders worden verwerkt. Het bestuursorgaan dat
bevoegd is tot toetsing aan deze eisen, is verantwoordelijke voor de
verwerking van de gegevens als bedoeld in de Wet bescherming
persoonsgegevens.
Artikel 105
1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
2. In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten
op grond van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste
lid, en 96, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Artikel 106
Onze Minister voert overleg over voorgenomen voorstellen van wet,
ontwerpen van algemene maatregel van bestuur en ontwerpen van
ministeriële regelingen op het terrein van het openbaar vervoer, het
besloten busvervoer en het taxivervoer met ten minste vertegenwoordigers
van:
a. representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in
het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer;
b. provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten;
c. representatieve organisaties die de belangen van gebruikers
van het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer
behartigen.
Artikel 107
De voordracht voor een eerste vaststelling van een algemene maatregel
van bestuur op grond van deze wet wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 108
1. Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet, voorzover het betreft het openbaar vervoer en
het besloten busvervoer, in de praktijk.
2. Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister voor 1 december
2004 aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten in de
praktijk van aanbesteding van concessies als bedoeld in deze wet.
3. Met het oog op de besluitvorming inzake de invoering van een
plicht tot aanbesteding van concessies met ingang van 1 januari 2006
zendt Onze Minister voor 1 december 2004 aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van
aanbesteding van concessies.
4. Onze Minister kan onderzoek doen naar de ontwikkeling van de
concurrentieverhoudingen op de Nederlandse markt voor openbaar
vervoer.
5. De concessieverleners en de concessiehouders verstrekken ten
behoeve van de verslagen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
of het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, desgevraagd de informatie
die Onze Minister nodig acht.
Artikel 109
1. Tot het moment van inwerkingtreding van de artikelen 15 tot en
met 18 en 51 tot en met 60 wordt van deelname aan aanbesteding van een
concessie voor openbaar vervoer per bus respectievelijk per metro of
tram uitgesloten:
a. een vervoerder als bedoeld in artikel 69, eerste of zevende
lid, alsmede een vervoerder waarvan een gemeentelijk
vervoerbedrijf als bedoeld inartikel 69, eerste lid, een of meer
aandelen in het geplaatst kapitaal bezit, voor zolang het openbaar
vervoer per bus respectievelijk per metro of tram, dat op de dag
van inwerkingtreding van deze wet door het vervoerbedrijf werd
verricht, niet of niet in voldoende mate is aanbesteed;
b. een vervoerder die is gevestigd in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voorzover
de wederkerigheid van de toegang tot de desbetreffende markt voor
personenvervoer voor vervoerders die in Nederland zijn gevestigd
niet gewaarborgd is;
c. een vervoerder die is gevestigd in een andere staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, voor zover dit voortvloeit uit een voor Nederland
verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel
uit een door of vanwege de regering gemaakte internationale
afspraak.
2. Het openbaar vervoer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is
in voldoende mate aanbesteed indien de omvang van dat aanbestede
gedeelte tenminste tweederde van de omvang bedraagt van de concessie
als bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
3. Met aanbesteding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en
het tweede lid, wordt gelijkgesteld een kennisgeving tot de opdracht
van aanbesteding van een concessie is gepubliceerd mits de in de
kennisgeving vermelde ingangsdatum van de concessie is gelegen binnen
een redelijke termijn na de datum van die kennisgeving.
Artikel 110
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat artikel 53, tweede
lid, buiten toepassing blijft. Na het tot stand komen van die regeling
wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel
van wet tot goedkeuring van de ministeriële regeling aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt
ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling
onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt
de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet.
§ 2. Overgangsbepalingen
Artikel 111
1. Een jaar na inwerkingtreding van artikel 127 vervallen de
overeenkomsten ter uitvoering van de artikelen 12 en 17 van de Wet
personenvervoer, zoals die artikelen luidden voor de inwerkingtreding
van artikel 127, die bestaan tussen een overheid die op grond van de
Wet personenvervoer bevoegd was tot het vaststellen van
dienstregelingen en een vervoerder.
2. De overheid, bedoeld in het eerste lid, kan de overeenkomst op
een eerder tijdstip beëindigen ten behoeve van het verlenen van een
concessie aan de vervoerder, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
andere vervoerder.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 113
Een vergunning voor het verrichten van taxivervoer die voor de datum
van inwerkingtreding van artikel 127 is verleend ingevolge artikel 57
van de Wet personenvervoer, zoals dit artikel luidde voor de datum van
inwerkingtreding van artikel 127, geldt, onverminderd mogelijke
wijziging, schorsing, intrekking of het van rechtswege vervallen, met
ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 127, als een
vergunning verleend ingevolge artikel 4.
Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 115
Een aanvraag voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer
die voor de datum van inwerkingtreding van artikel 127 is ingediend
ingevolge artikel 57 van de Wet personenvervoer, zoals dit artikel
luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel 127, en waarop op
de datum van de inwerkingtreding van artikel 127 nog geen beslissing is
genomen, geldt met ingang van die datum als een aanvraag voor een
vergunning voor het verrichten van taxivervoer ingevolge artikel 5.
Artikel 116
1. Een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid die voor 1 januari
1988 is verleend op grond van artikel 56a, eerste lid, van de Wet
Autovervoer Personen, en die met ingang van die dag is aangemerkt als
een ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet
personenvervoer, geldt met ingang van de dag van inwerkingtreding van
artikel 127 als een ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2. Degene die op grond van artikel 68 van de Wet Autovervoer
Personen werd geacht te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld
in artikel 56a, eerste lid, van die wet, en op grond van artikel 105
van de Wet personenvervoer werd geacht te voldoen aan de eis van
vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die wet, voldoet
aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
3. Een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid die is verleend op
grond van artikel 9, tweede lid, van de Wet personenvervoer, geldt met
ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel 113 als een
ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
Artikel 117 [Vervallen per 16-03-2005]
Artikel 118
1. Een dienstregeling voor het lokaal of interlokaal openbaar
vervoer zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van artikel
127, blijft geldig tot uiterlijk een jaar na die dag. Het recht inzake
de vaststelling, wijziging en uitvoering van de dienstregeling zoals
dat gold op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 127 blijft van
toepassing.
2. Een dienstregeling waarvoor op grond van de Wet personenvervoer
door de vervoerder een voorstel is ingediend, en waarop door het
ingevolge die wet tot vaststellen bevoegde bestuursorgaan op de dag
van inwerkingtreding van artikel 127 nog niet is beslist, wordt voor
een tijdvak van ten hoogste zes maanden vastgesteld volgens het recht
zoals dat gold voor die dag. Het recht inzake de vaststelling,
wijziging en uitvoering van de dienstregeling zoals dat gold op de dag
voor de inwerkingtreding van artikel 127 blijft van toepassing.
3. Artikel 19 is niet van toepassing op het verrichten van openbaar
vervoer op grond van een dienstregeling die is vastgesteld
overeenkomstig het eerste of tweede lid.
4. De artikelen 30, derde lid, 46 en 78 zijn van overeenkomstige
toepassing op het verrichten van openbaar vervoer op grond van een
dienstregeling die is vastgesteld overeenkomstig het eerste of tweede
lid. Artikel 19 is niet van toepassing op het verrichten van openbaar
vervoer op grond van een dienstregeling die is vastgesteld
overeenkomstig het eerste of tweede lid.
5. De artikelen 36 tot en met 40 zijn van overeenkomstige
toepassing op het eindigen van het verrichten van openbaar vervoer op
grond van een dienstregeling als bedoeld in het eerste of tweede lid,
voor zover deze beëindiging wordt gevolgd door het ingaan van een
concessie, verleend aan een andere vervoerder, voor het verrichten van
een geheel of gedeeltelijk dezelfde voorziening van openbaar vervoer
als dat werd verricht op grond van die dienstregeling.
Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 120
1. Een besluit tot aanwijzing van een gemeente als bedoeld in
artikel 39 van de Wet personenvervoer zoals dit luidde voor de
inwerkingtreding van artikel 127 behoudt zijn geldigheid tot het
moment waarop Onze Minister het besluit intrekt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop Onze Minister toepassing geeft aan de bevoegdheid tot
intrekken van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 121
1. Indien een plusregio als bedoeld in artikel 20 wordt opgeheven,
zijn de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die
de plusregio vormden, bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken
van concessies voor openbaar vervoer ten behoeve van die gemeenten,
voor zover zij daartoe door Onze Minister zijn aangewezen.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan indien
Onze Minister dit doelmatig acht.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop Onze Minister toepassing geeft aan het eerste en tweede
lid.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
bevoegdheid tot het verlenen van concessies voor openbaar vervoer per
trein.
Artikel 121a
Artikel 51 is niet van toepassing op openbaar vervoer dat wordt
verricht op grond van een concessie die is verleend na aanbesteding,
indien de aanbesteding heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van
artikel 51.
Artikel 122
Keuringsbewijzen, duplicaten van keuringsbewijzen en andere bewijzen
die zijn afgegeven op basis van artikel 69 van de Wet personenvervoer
zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van artikel 127
behouden hun geldigheid voor de duur van de termijn waarvoor zij zijn
afgegeven.
Artikel 123
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in
te stellen tegen een besluit dat voor de dag van inwerkingtreding van
artikel 127 is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die
dag van toepassing.
2. Ten aanzien van een bezwaar- of beroepschrift dat voor de dag
van inwerkingtreding van artikel 127 is ingediend en voor zover daarop
bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, blijft het
recht zoals het gold voor die dag van toepassing.
3. Ten aanzien van een bezwaar- of beroepschrift dat op of na de
dag van inwerkingtreding van deze wet is ingediend en dat is gericht
tegen een besluit waartegen voor die dag eveneens bezwaar is gemaakt
of beroep is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor de dag
van inwerkingtreding van artikel 127 van toepassing.
Artikel 124
In afwijking van artikel 123 wordt een bezwaar- of beroepschrift,
gericht tegen een besluit omtrent het verrichten van taxivervoer, dat op
of na 1 januari 2000 op grond van de Wet personenvervoer is ingediend en
voor zover daarop bij de inwerkingtreding van artikel 127 nog niet is
beslist, afgehandeld volgens deze wet.
§ 3. Wijziging van andere wetten
Artikel 125 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 126
[Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994]
Artikel 127
De Wet personenvervoer wordt ingetrokken.
Artikel 128
[Wijzigt de wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet
personenvervoer voor het taxivervoer (deregulering taxivervoer) (Stb.
535)]
Artikel 129
De wet van 13 november 1997 tot wijziging van de Wet personenvervoer
(Stb. 1997, 559) wordt ingetrokken.
Artikel 130
[Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering]
Artikel 131
[Wijzigt de Vervoersnoodwet]
Artikel 132
[Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen]
Artikel 133
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 134
[Wijzigt de Mededingingswet]
Artikel 135
[Wijzigt de Vestigingswet bedrijven 1954]
Artikel 136
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 137
[Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen
1992]
Artikel 138
[Wijzigt de Wet op de accijns]
Artikel 139
[Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994]
Artikel 140
[Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968]
Artikel 141
Artikel 16, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 vindt
geen toepassing met betrekking tot het na de totstandkoming van deze wet
krachtens het eerste lid van dat artikel te nemen koninklijk besluit,
dat ertoe strekt de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van het
Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 vermelde verwijzing
inzake besloten busvervoer naar de Wet personenvervoer, aan te passen in
verband met de wijzigingen in deze wet.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 142
1. Na de inwerkingtreding van artikel 127 berust de Regeling
maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, op artikel 84 van
deze wet.
2. Indien Artikel I, onderdeel E, van het bij koninklijke boodschap
van 21 juni 2010 ingediende voorstel van wet, inhoudende regels ter
bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer (32 424) in werking
treedt, berust het Besluit personenvervoer 2000 mede op de artikelen
76, zesde lid, 77, derde lid, 78, tweede lid, en 79, en berust de
Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer mede op
artikel 81.
3. Indien Artikel I, onderdeel E, van het bij koninklijke boodschap
van 21 juni 2010 ingediende voorstel van wet, inhoudende regels ter
bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer (32 424) in werking
treedt:
a. worden in artikel 6, eerste lid, van het Besluit
personenvervoer 2000 de verwijzingen naar de artikelen 4, derde
lid, 5 tot en met 9 en 11gelezen als een verwijzing naar artikel
76, wordt de verwijzing naar de artikelen 12 en 13 gelezen als een
verwijzing naar de artikelen 77 en78, en wordt de verwijzing naar
artikel 104 gelezen als een verwijzing naar artikel 79, eerste
lid, onderdelen a, b, e, f en g, tweede en vierde lid, van deze
wet;
b. wordt in artikel 72a van het in onderdeel a bedoelde besluit
de verwijzing na arartikel 13, eerste lid, gelezen als een
verwijzing naar artikel 78, eerste lid, van deze wet;
c. wordt in artikel 115 van het in onderdeel a bedoelde besluit
de verwijzing na arartikel 4 gelezen als een verwijzing naar
artikel 76 van deze wet.
Artikel 143
Indien naar het oordeel van Onze Minister redenen aanwezig zijn voor
de inwerkingtreding van de artikelen 15 tot en met 18 en 51 tot en met
60, mede gelet op de naar zijn oordeel uit het in artikel 108, vierde
lid, bedoelde onderzoek gebleken ontwikkelingen ter zake van de
concurrentieverhoudingen op de Nederlandse markt voor openbaar vervoer
en het met een of beide kamers der Staten-Generaal ter zake gevoerd
overleg, wordt een ontwerp van een koninklijk besluit tot
inwerkingtreding van die artikelen zo spoedig mogelijk aan beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 144
Deze wet wordt aangehaald als: Wet personenvervoer 2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 juli 2000
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de eerste augustus 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|