Nadere regelgeving:
- Regeling keuringsinstanties Wet pleziervaartuigen
WET van 29 november 1996, houdende regels
met betrekking tot de veiligheid van pleziervaartuigen (Wet
pleziervaartuigen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op
Richtlijn
nr. 94/25/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese
Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot
pleziervaartuigen (PbEG L 164), noodzakelijk is regels te stellen
met betrekking tot de veiligheid van pleziervaartuigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. pleziervaartuig: vaartuig dat is bestemd voor
sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van
minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;
b. voortstuwingsmotor: voor voortstuwing gebruikte
inwendige-verbrandingsmotor met vonkontsteking of
compressieontsteking, met inbegrip van tweetakt- en
viertaktbinnenboordmotoren, hekmotoren met of zonder
geïntegreerde uitlaat en buitenboordmotoren, die gemonteerd is op
of in of specifiek bestemd is voor montage op of in
pleziervaartuigen;
c. richtlijn: richtlijn nr. 94/25/EG van het Europees Parlement
en van de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen
(PbEG L 164);
d. CE-markering van overeenstemming: de aanduiding op een
pleziervaartuig, onderdeel van een pleziervaartuig of een
voortstuwingsmotor ten teken dat deze voldoet aan alle
verplichtingen krachtens de regelingen ter uitvoering van de
toepasselijke communautaire richtlijnen die in het aanbrengen
ervan voorzien;
e. onderdelen van pleziervaartuigen: onderdelen van of voor
pleziervaartuigen als bedoeld in bijlage II van de richtlijn;
f. fabrikant: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en vervaardigt, of
die een dergelijk product laat ontwerpen dan wel vervaardigen, met
de bedoeling het onder zijn eigen naam in de handel te brengen;
g. gemachtigde: in de Europese Gemeenschap gevestigde
natuurlijke persoon of rechtspersoon met een schriftelijke
volmacht van de fabrikant om namens deze op te treden wat diens
uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen betreft;
h. overeenstemmingsbeoordeling: het onderzoek naar het voldoen
van pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en
voortstuwingsmotoren aan de desbetreffende essentiële
veiligheidseisen;
i. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 8, eerste lid,
aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming,
dan wel een door een andere lidstaat van de Europese Unie of een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte, bij de Commissie van de Europese
Gemeenschappen aangemelde instantie, die als zodanig is belast met
het verrichten van een of meer van de in artikel 8, eerste lid,
bedoelde taken;
j. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
pleziervaartuig mede verstaan:
a. een als zodanig in de handel gebracht vaartuig dat wordt
gebruikt bij de instructie ten behoeve van de uitoefening van de
pleziervaart;
b. een waterscooter, zijnde een vaartuig met een lengte van
minder dan 4 meter met een motor met inwendige verbranding,
primair aangedreven door een waterstraalpomp en ontworpen om door
een of meer personen zittend, staand of knielend op en niet in de
romp te worden bediend.
3.De romplengte van een pleziervaartuig wordt gemeten volgens de
desbetreffende aangewezen normen, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
Artikel 2
1.Deze wet is niet van toepassing op:
a. kano’s, kajaks, gondels en waterfietsen;
b. boten voor roei-instructie en wedstrijdroeiboten die als
zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;
c. zeilplanken;
d. al dan niet gemotoriseerde surfplanken;
e. met stoomkracht aangedreven vaartuigen met externe
verbranding die als brandstof gebruik maken van kolen, cokes,
hout, olie of gas;
f. voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen die gedurende
vijf jaar na de bouw niet in de Europese Gemeenschap in de handel
worden gebracht;
g. historische vaartuigen die voor 1950 zijn gebouwd, alsmede
individuele replica’s van zulke vaartuigen, indien zij
hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en
als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;
h. experimentele vaartuigen die niet in de Europese Gemeenschap
in de handel worden gebracht;
i. wedstrijdvaartuigen die als zodanig door de fabrikant zijn
aangemerkt;
j. voor het bedrijfsmatig vervoer van personen, buiten de
bemanning, gebouwde of bestemde vaartuigen;
k. onderzeeboten;
l. luchtkussenvoertuigen;
m. draagvleugelboten.
2.Deze wet is eveneens niet van toepassing op de volgende
voortstuwingsmotoren:
a. voor persoonlijk gebruik gebouwde voortstuwingsmotoren die
gedurende vijf jaar na de bouw niet in de Gemeenschap in de handel
worden gebracht;
b. voortstuwingsmotoren die op de in het eerste lid, onderdelen
h tot en met m, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd of specifiek
daarvoor zijn bestemd;
c. originelen en replica’s van historische
voortstuwingsmotoren die op een ontwerp van voor 1950 zijn
gebaseerd, niet in serie zijn geproduceerd en op de in het eerste
lid, onderdelen f of g, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd.
Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen
Artikel 3
1.Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en
voortstuwingsmotoren worden slechts in de handel gebracht of als
zodanig in bedrijf gesteld, indien zij bij gebruik volgens hun
bestemming geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van
personen, goederen of het milieu wanneer zij op correcte wijze zijn
gebouwd en worden onderhouden, en zij in voorkomend geval zijn
voorzien van de in artikel 7 voorgeschreven CE-markering van
overeenstemming, overeenkomstig bijlage IV van de richtlijn.
2.Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en
voortstuwingsmotoren voldoen aan de in bijlage I van de richtlijn
opgenomen essentiële eisen
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. pleziervaartuigen die gedeeltelijk zijn afgebouwd;
b. ingrijpend gewijzigde voortstuwingsmotoren, als bedoeld in
artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de richtlijn;
c. ingrijpend verbouwde vaartuigen, als bedoeld in artikel 1,
derde lid, onderdeel e, van de richtlijn.
4.Onderdelen voldoen, onverminderd het eerste lid, tevens aan
artikel 4, derde lid, van de richtlijn, voorzover daarin aanvullende
voorschriften zijn gesteld voor het in de handel brengen of als
zodanig in gebruik stellen van die onderdelen.
Artikel 4
1.Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen, en
voortstuwingsmotoren die overeenstemmen met de door Onze Minister
aangewezen normen, die overeenkomen met de geharmoniseerde normen,
bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, worden vermoed te voldoen aan
artikel 3, tweede lid.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ingrijpend
gewijzigde en verbouwde voortstuwingsmotoren en vaartuigen, als
bedoeld in artikel 3, derde lid.
Hoofdstuk 3. De procedure van overeenstemmingsbeoordeling
§ 1. Verplichtingen van de fabrikant of diens gemachtigde
Artikel 5
1.De fabrikant of diens gemachtigde volgt voor een product als
bedoeld in artikel 3, eerste of derde lid, een ingevolge artikel 8 van
de richtlijn toepasselijke procedure van overeenstemmingsbeoordeling.
2.Een procedure van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in het
eerste lid wordt, voor zover mogelijk, gevolgd voordat het
desbetreffende product in productie wordt genomen. Een dergelijke
procedure wordt in elk geval gevolgd voordat het desbetreffende
product in de handel wordt gebracht.
Artikel 6
De fabrikant of diens gemachtigde voegt de verklaring van
overeenstemming, bedoeld in bijlage XV van de richtlijn, gesteld in de
officiële taal of talen van de lidstaat waar het product in de handel
wordt gebracht:
a. bij de handleiding bedoeld in bijlage I, delen A, punt 2.5, en
B, punt 4, van de richtlijn;
b. bij onderdelen van pleziervaartuigen.
Artikel 7
1.De fabrikant of diens gemachtigde brengt de CE-markering van
overeenstemming aan, indien een pleziervaartuig, een onderdeel van een
pleziervaartuig, een buitenboordmotor, of een hekmotor met
geïntegreerde uitlaat wordt vermoed te voldoen aan artikel 3, tweede
lid.
2.De CE-markering van overeenstemming wordt zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar aangebracht op het pleziervaartuig, overeenkomstig de
bijlagen I, deel A, punt 2.2, en IV van de richtlijn, en gaat,
uitgezonderd de gevallen waarin uitsluitend de procedures, bedoeld in
bijlagen V en VI van de richtlijn van toepassing zijn, vergezeld van
het identificatienummer van de desbetreffende keuringsinstantie.
3.Indien de beoordeling van overeenstemming na de bouw van het
pleziervaartuig is verricht, wordt, onverminderd het tweede lid, op
het in bijlage I, deel A, punt 2.2, van de richtlijn, bedoelde plaatje
van de bouwer eveneens vermeld: «Certificering na de bouw.».
4.De CE-markering van overeenstemming wordt zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar aangebracht op de buitenboordmotor of de hekmotor met
geïntegreerde uitlaat, overeenkomstig de bijlagen I, deel B, punt
1.1, en IV van de richtlijn, en gaat vergezeld van het
identificatienummer van de desbetreffende keuringsinstantie.
5.De CE-markering van overeenstemming wordt zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar aangebracht op onderdelen van pleziervaartuigen of op de
verpakking van een onderdeel indien aanbrenging op het onderdeel zelf
niet mogelijk is.
6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op
pleziervaartuigen die nog niet zijn afgebouwd en op onderdelen van
pleziervaartuigen, met dien verstande, dat de CE-markering van
overeenstemming wordt aangebracht op de verpakking van een onderdeel,
indien aanbrenging op het onderdeel zelf niet mogelijk is.
Artikel 7a
De CE-markering van overeenstemming geeft tevens aan, dat het
desbetreffende product voldoet aan alle andere regelingen ter uitvoering
van communautaire richtlijnen met betrekking tot dat product. Indien
echter in een of meer van deze andere regelingen ter uitvoering van
communautaire richtlijnen de fabrikant gedurende een overgangsperiode de
keuze heeft van de toe te passen regeling, geeft de CE-markering slechts
aan dat aan de voorschriften van de door de fabrikant toegepaste
regeling is voldaan. In dat geval worden de in het Publikatieblad van de
Europese Unie bekendgemaakte referenties van de toegepaste communautaire
richtlijnen vermeld op de in die richtlijnen voorgeschreven bescheiden,
handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij het product zijn gevoegd.
Artikel 7b
1.De door de fabrikant of diens gemachtigde, ingevolge een
toegepaste procedure van overeenstemmingsbeoordeling, geleverde
technische documentatie voldoet aan bijlage XIII van de richtlijn.
2.De fabrikant of diens gemachtigde bewaart op een systematische en
behoorlijke wijze gedurende een periode van ten minste tien jaar:
a. de in het eerste lid bedoelde technische documentatie;
b. de ingevolge een toegepaste procedure van
overeenstemmingsbeoordeling door een keuringsinstantie afgegeven
afschriften van verklaringen, certificaten, aanvullingen op
certificaten, beoordelingsrapporten en controleverslagen en
c. de door hem verstrekte gegevens ter verkrijging van de in
onderdeel b genoemde documenten.
§ 2. De keuringsinstanties
Artikel 8
1.Onze Minister wijst, met inachtneming van bijlage XIV van de
richtlijn, de instanties aan die met betrekking tot de door hem te
bepalen categorieën pleziervaartuigen, voortstuwingsmotoren en
onderdelen van pleziervaartuigen belast zijn met door hem aan te geven
taken als het verrichten van keuringen, de afgifte van certificaten
van EG-typeonderzoek of het verrichten van controles, dan wel andere
taken in het kader van de procedures, opgenomen in de bijlagen VI,
VII, IX tot en met XII en XVI van de richtlijn. Aan een dergelijke
aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden, die mede betrekking
kunnen hebben op de door de keuringsinstanties in rekening te brengen
tarieven.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven
betreffende de criteria voor de beoordeling van instanties die in
aanmerking wensen te komen voor een aanwijzing als bedoeld in het
eerste lid, de wijze van beoordeling, het op deze instanties uit te
oefenen toezicht en de door deze instanties verschuldigde vergoeding
voor de kosten van de beoordeling en de uitoefening van het toezicht.
3.Een ingevolge het eerste lid aangewezen instantie verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak
benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van de
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4.Onze Minister trekt de aanwijzing in, indien hij van oordeel is
dat de desbetreffende instantie niet meer voldoet aan de criteria van
bijlage XIV van de richtlijn of de criteria voor de beoordeling van
instanties, opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in het
tweede lid, dan wel indien de desbetreffende instantie de aan de
aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.
Artikel 9
Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de
andere lid-staten van de Europese Unie en de andere staten die partij
zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte in kennis
van een aanwijzing of een intrekking ingevolge artikel 8 en vermeldt in
geval van een aanwijzing de aan de desbetreffende instantie toegekende
taken en het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan die
instantie toegekende identificatienummer.
Artikel 10
Een keuringsinstantie, aangewezen ingevolge artikel 8, eerste lid, is
bevoegd om met inachtneming van bij ministeriële regeling gegeven
voorschriften, beproevingen en controles door anderen te doen
verrichten.
Artikel 11
1.Indien de keuringsinstantie die een EG-typeonderzoekverklaring
heeft afgegeven, vermoedt dat het model niet meer voldoet aan de
geldende essentiële veiligheidseisen van bijlage I van de richtlijn,
stelt zij daarnaar een onderzoek in.
2.Een EG-typeonderzoekverklaring wordt door de keuringsinstantie
ingetrokken, indien het in het eerste lid bedoelde onderzoek uitwijst
dat het model niet meer aan de gewijzigde eisen voldoet.
Artikel 12
1.Op verzoek van de fabrikant bepaalt Onze Minister de door de
fabrikant te hanteren fabriekscode, bedoeld in bijlage I, deel A, punt
2.1, van de richtlijn.
2.Onze Minister kan een dienst, instelling of onderneming aanwijzen
die bevoegd is tot de bepaling van de fabriekscode.
3.Aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen
voorschriften worden verbonden.
§ 3. Bijzondere bepalingen
Artikel 13
De fabrikant of diens gemachtigde verleent een keuringsinstantie of
de door deze ingevolge artikel 10 aangewezen persoon of personen alle
medewerking voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van de uitvoering
van de desbetreffende procedure van overeenstemmingsbeoordeling en de
uitoefening van andere in deze wet bedoelde taken.
Artikel 14
1.Indien voor een pleziervaartuig, een onderdeel van een
pleziervaartuig, een voortstuwingsmotor dan wel een ingrijpend
gewijzigde voortstuwingsmotor of een ingrijpend verbouwd
pleziervaartuig, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdelen d,
respectievelijk e, van de richtlijn door een fabrikant of diens
gemachtigde geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd,
rust die verplichting op degene die het product in de handel brengt of
in bedrijf stelt.
2.In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 5,
6, 7, 7a, 7b, 13, 15 en 16, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
3.Onverminderd het eerste lid, vraagt degene die het product in de
handel brengt of in bedrijf stelt, bij een keuringsinstantie een
zogenoemd rapport na de bouw aan, indien hij de verantwoordelijkheid
neemt voor de overeenstemming van een reeds gebouwd pleziervaartuig
met de in bijlage I van de richtlijn opgenomen essentiële eisen.
4.Onverminderd het eerste lid, verstrekt degene die het product in
de handel brengt of in bedrijf stelt, bij de beoordeling van een reeds
gebouwd pleziervaartuig, de keuringsinstantie alle beschikbare
documenten en technische dossiers die betrekking hebben op het voor
het eerst in de handel brengen van een pleziervaartuig in het land van
oorsprong.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen inzake het vrije verkeer van
pleziervaartuigen
Artikel 15
1.In afwijking van artikel 3, eerste lid, mogen gedeeltelijk
afgebouwde pleziervaartuigen zonder CE-markering van overeenstemming
in de handel worden gebracht of als zodanig in bedrijf worden gesteld
indien deze vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in bijlage
III, punt a, van de richtlijn.
2.In afwijking van artikel 3, eerste lid, mogen de in dat lid
bedoelde producten die niet zijn voorzien van de CE-markering van
overeenstemming worden getoond op beurzen en tentoonstellingen en bij
demonstraties indien met een duidelijk zichtbaar teken is aangegeven
dat deze producten noch in de handel kunnen worden gebracht, noch in
bedrijf kunnen worden gesteld, voordat zij met deze wet in
overeenstemming zijn gebracht.
3.In afwijking van artikel 3, eerste lid, mogen de volgende
producten zonder CE-markering van overeenstemming in de handel worden
gebracht of als zodanig in bedrijf worden gesteld indien deze
vergezeld gaan van een verklaring van overeenstemming overeenkomstig
bijlage XV, punt 3, van de richtlijn:
a. binnenboord- en hekmotoren zonder geïntegreerde uitlaat;
b. de voortstuwingsmotoren die zijn goedgekeurd volgens een bij
ministeriële regeling aangewezen EG-richtlijn.
Artikel 16
1.Indien Onze Minister van oordeel is dat een van een CE-markering
van overeenstemming voorzien pleziervaartuig, onderdeel van een
pleziervaartuig of een van deze markering voorziene voortstuwingsmotor
in geval van een juiste constructie, montage, correct onderhoud en
gebruik volgens hun bestemming, gevaar kan opleveren voor de
veiligheid en de gezondheid van personen, goederen of het milieu,
neemt hij alle dienstige voorlopige maatregelen om dat
pleziervaartuig, dat onderdeel of die voortstuwingsmotor uit de handel
te nemen. Zo nodig kan hij het in bedrijf stellen ervan verbieden of
daaraan beperkingen opleggen.
2.Indien Onze Minister van oordeel is dat de CE-markering van
overeenstemming ten onrechte is aangebracht, neemt hij de nodige
maatregelen om het desbetreffende product uit de handel te nemen. Zo
nodig kan hij het in bedrijf stellen ervan verbieden of daaraan
beperkingen opleggen.
3.De fabrikant of diens gemachtigde verleent alle noodzakelijke
medewerking aan de uitvoering van een maatregel als bedoeld in het
eerste of tweede lid.
4.Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen
onmiddellijk onder opgave van redenen in kennis van een maatregel als
bedoeld in het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 5. Verbodsbepalingen
Artikel 17
1. Het is verboden een in artikel 3, eerste of derde lid, bedoeld
product in de handel te brengen of als zodanig in bedrijf te stellen,
indien dit niet voldoet aan de desbetreffende in bijlage I van de
richtlijn opgenomen essentiële eisen.
2. Het is verboden een in artikel 3, eerste lid, bedoeld product in
de handel te brengen of als zodanig in bedrijf te stellen, indien dit
niet op deugdelijke wijze is voorzien van de vereiste CE-markering van
overeenstemming.
3. Het is verboden een CE-markering van overeenstemming aan te
brengen, indien niet een van toepassing zijnde procedure van
overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd of indien het betrokken product
niet voldoet aan de desbetreffende in bijlage I van de richtlijn
opgenomen essentiële eisen.
4. Het is verboden merktekens of opschriften aan te brengen die
anderen kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische
vormgeving van de CE-markering van overeenstemming, of die de
zichtbaarheid of de leesbaarheid van die CE-markering verminderen.
5. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 6, 13,
14, 15 en 16, derde lid, en een verbod of beperking, als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin.
Hoofdstuk 6. Toezicht
Artikel 18
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de door Onze Minister aangewezen
ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Onze Minister kan tevens ambtenaren van een andere diensttak
aanwijzen voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde. Indien hij ambtenaren van een ander ministerie
aanwijst, doet hij dit in overeenstemming met zijn ambtgenoot die het
mede aangaat.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen
Artikel 24
1.De artikelen 3, 4, 5, 6, 7, eerste lid, 7a, 7b, 13, 14, eerste
lid, 15, 16, en 17, zijn tot en met 31 december 2005 niet van
toepassing op het in de handel brengen en in bedrijf stellen van
waterscooters, compressieontstekingsmotoren en viertaktmotoren met
elektrische ontsteking.
2.De artikelen, bedoeld in het eerste lid, zijn tot en met 31
december 2006 niet van toepassing op tweetaktmotoren met elektrische
ontsteking.
3.De artikelen 7, derde lid, en 14, derde en vierde lid, zijn tot
en met 31 december 2005 niet van toepassing bij de beoordeling van
pleziervaartuigen na de bouw.
4.In afwijking van artikel 5, eerste lid, mogen voor andere
pleziervaartuigen dan waterscooters en voor onderdelen van
pleziervaartuigen tot en met 31 december 2005 de procedures van
overeenstemmingsbeoordeling gevolgd worden overeenkomstig artikel 8
van richtlijn nr. 94/25/EG, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn
is vastgesteld.
Artikel 24a
1. Onverminderd artikel 24, eerste en tweede lid, kan een
fabrikant, diens gemachtigde of de persoon die waterscooters,
compressieontstekingsmotoren, viertaktmotoren of tweetaktmotoren met
elektrische ontsteking eerder dan 1 januari 2006, respectievelijk 1
januari 2007, in de handel brengt, hiervoor een ingevolge artikel 8
van de richtlijn toepasselijke procedure van
overeenstemmingsbeoordeling volgen.
2. In dat geval zijn de artikelen 6, 7, 7a en 7b van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 25
Een wijziging van richtlijn nr. 94/25/EG gaat voor de toepassing van
deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 26
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 27
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet pleziervaartuigen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 november 1996
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de zeventiende december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|