WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk;
b. politietaak: de taak van de politie, omschreven in artikel 2 van
de Politiewet 1993;
c. politieregister of register: een samenhangende verzameling van
op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens
– die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog
op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is
aangelegd, en
– die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de
politietaak;
d. koppeling: het treffen van technische of organisatorische
voorzieningen, waardoor verschillende verzamelingen van
persoonsgegevens systematisch met elkaar kunnen worden vergeleken;
e. antecedenten: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven
persoonsgegevens betreffende de toepassing van het strafrecht of de
strafvordering;
f. beheerder met betrekking tot een register:
1°. bij een regionaal politiekorps: de ingevolge de Politiewet
als korpsbeheerder aangewezen burgemeester;
2°. bij het Korps landelijke politiediensten: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
3°. bij de bijzondere ambtenaren van politie, bedoeld in artikel
43 van de Politiewet 1993: Onze Minister van Justitie;
4°. bij de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;
5°. gemeenschappelijk aan twee of meer politiekorpsen: de
beheerder van het politiekorps die is belast met de feitelijke zorg
voor het goed functioneren van dat register;
6°. mede gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee: het
door Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie aan te wijzen gezag;
g. reglement: het reglement, bedoeld in artikel 9;
h. verstrekken van gegevens uit een politieregister: het bekend
maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover
zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat
politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan
niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen;
i. persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
bescherming persoonsgegevens;
j. tijdelijk register: een politieregister dat is aangelegd met het
oog op de uitvoering van de politietaak in een bepaald geval of in het
kader van een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 126gg van
het Wetboek van Strafvordering;
k. het College bescherming persoonsgegevens of het College: het
College als bedoeld in artikel 51 van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
l. register zware criminaliteit: een politieregister dat is
aangelegd met het oog op de uitvoering van de politietaak, voor zover
het betreft:
1°. misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, die in georganiseerd verband worden
beraamd of gepleegd en gezien hun aard of de samenhang met andere
misdrijven die in het georganiseerd verband worden beraamd of
gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of
2°. misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld;
3°. bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven misdrijven
als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, die gezien hun aard of de samenhang met andere door
betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde
opleveren;
m. voorlopig register: een politieregister dat is aangelegd met het
oog op de uitvoering van de politietaak, voor zover het betreft de
vaststelling of de geregistreerde in samenhang met andere gegevens
opgenomen kan worden in een register zware criminaliteit;
n. bijzondere politieregisters: registers als bedoeld in § 3a.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder l,
onderdeel 3°, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op verzamelingen van persoonsgegevens
a. die zijn aangelegd voor de uitvoering van de taken ten dienste
van de justitie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
onderdelen 1 en 2, van de Politiewet 1993;
b. die naar hun aard voor persoonlijk gebruik zijn bestemd.
Artikel 3
Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze
wet worden gedaan door Onze Ministers.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 4
1. Het aanleggen van een politieregister vindt slechts plaats
voor een bepaald doel en voor zover dit noodzakelijk is voor een goede
uitvoering van de politietaak.
2. Het bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig zijn
verkregen en die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het is
aangelegd. Bij de in een bijzonder politieregister opgenomen
persoonsgegevens wordt de herkomst van de gegevens vermeld en op welke
wijze de gegevens zijn verkregen.
3. De beheerder treft de nodige voorzieningen ter bevordering van
de juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens.
Artikel 5
1. Registratie van personen wegens hun godsdienst of
levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit, intiem
levensgedrag, of op grond van medische of psychologische kenmerken,
vindt niet plaats.
2. Opneming in een register van persoonsgegevens die betrekking
hebben op de in het eerste lid genoemde kenmerken, vindt slechts plaats
in aanvulling op andere persoonsgegevens en voor zover dit voor het doel
van het register onvermijdelijk is. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.
3. Over bepalingen in een reglement omtrent de opneming van
persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid, wordt het College
bescherming persoonsgegevens vooraf gehoord.
Artikel 5a
1. Omtrent onverdachte personen worden in een politieregister,
aangelegd voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
slechts gegevens opgenomen:
a. overeenkomstig paragraaf 3a van deze wet,
b. in het register, bedoeld in artikel 4 van de Wet melding
ongebruikelijke transacties dan wel
c. gedurende een termijn die niet langer is dan vier maanden.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden geen
gegevens verstrekt overeenkomstig artikel 18, derde lid, van deze wet.
De gegevens kunnen na verloop van de termijn slechts worden opgenomen en
gebruikt voor:
a. de afhandeling van klachten,
b. de verantwoording van de verrichtingen naar aanleiding van de
opgenomen gegevens, of
c. niet tot individuele natuurlijke personen herleidbare
beleidsinformatie.
Artikel 6
1. Een politieregister kan slechts worden gekoppeld met een
ander politieregister of met een andere verzameling van
persoonsgegevens indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering
van de politietaak.
2. Een koppeling als bedoeld in het eerste lid, vindt slechts
plaats overeenkomstig het voor het register geldende reglement. Over
bepalingen in een reglement omtrent koppeling wordt het College
bescherming persoonsgegevens vooraf gehoord.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent koppeling
nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
4. Onze Minister van Justitie kan in bijzondere gevallen
toestemming geven tot een koppeling, in afwijking van het bepaalde
krachtens het tweede en derde lid, indien dit noodzakelijk is voor de
opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
Aan de toestemming kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
Het College bescherming persoonsgegevens wordt hierover zo mogelijk
vooraf gehoord. De toestemming wordt in ieder geval zo spoedig mogelijk
aan het College bescherming persoonsgegevens medegedeeld.
Artikel 7
1. De beheerder draagt zorg voor de juiste werking van het
register. Aan hem worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor dit
doel nodig heeft.
2. Hij draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en
organisatorische aard ter beveiliging van het register tegen verlies of
aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging
of verstrekking daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent gevallen waarin het in het kader van technische
werkzaamheden noodzakelijk is van gegevens kennis te nemen.
Artikel 8
Artikel 49, eerste tot en met derde lid, en artikel 50, eerste lid,
van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat de beheerder voor de toepassing van
deze artikelen wordt aangemerkt als de verantwoordelijke.
§ 3. Het reglement
Artikel 9
1. De beheerder van een politieregister stelt voor het register
een reglement vast.
2. De vaststelling geschiedt na overleg met het gezag dat
verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste
waarvan het register wordt aangelegd.
3. Het reglement wordt bekendgemaakt en voor een ieder ter inzage
gelegd overeenkomstig regels bij algemene maatregel van bestuur te
stellen.
4. De beheerder zendt een exemplaar van het reglement aan het
College bescherming persoonsgegevens.
5. Het register wordt niet in werking gesteld dan nadat aan het
eerste tot en met vierde lid is voldaan.
6. Het tweede tot en met vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing bij wijziging of intrekking van het reglement.
Artikel 10
1. In het reglement moet de werking van het register zijn
beschreven.
2. Het reglement bevat ten minste een duidelijke regeling van de
volgende onderwerpen:
a. het doel van het register;
b. de categorieën van personen over wie gegevens worden opgenomen,
en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;
c. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden verwijderd;
d. de vernietiging, zodra dit mogelijk is, van verwijderde
gegevens;
e. eventuele verbanden tussen het register en enige andere
gegevensverzameling;
f. de wijze waarop geregistreerde personen of hun wettelijke
vertegenwoordigers kennisneming en verbetering van de over hen
opgenomen gegevens kunnen verkrijgen;
g. de bevoegdheid tot het invoeren en wijzigen van gegevens in,
alsmede het verwijderen van gegevens uit het register;
h. de aanwijzing van degene, onder verantwoordelijkheid van de
beheerder belast met de zeggenschap over het register, en de
omschrijving van de daaruit voortvoeiende bevoegdheden;
i. de aanwijzing van degene of degenen, belast met de dagelijkse
leiding van het register.
3. Indien het reglement een politieregister betreft als bedoeld
in artikel 1, onder f, sub 4 of sub 5, wordt in het reglement
tevens vermeld wie beheerder van dat register is.
4. Het reglement regelt de verstrekking van gegevens uit het
register, daaronder begrepen de rechtstreekse toegang met het oog op
raadpleging van persoonsgegevens, met inachtneming van het bij of
krachtens de artikelen 14 tot en met 19 en 27 bepaalde.
Artikel 11
De beheerder en al degenen die verder bij de werking van het register
zijn betrokken, zijn verplicht het reglement dat voor het register
geldt, na te leven.
Artikel 12
1. Degene die een model van een reglement heeft vastgesteld,
kan het College bescherming persoonsgegevens verzoeken te verklaren
dat het model naar haar oordeel in overeenstemming is met het bepaalde
bij of krachtens deze wet. Indien de Kamer een zodanige verklaring
afgeeft, wordt het model in de Staatscourant geplaatst.
2. Bij vaststelling van een reglement overeenkomstig een model
ten aanzien waarvan is voldaan aan het gestelde in het eerste lid, zijn
de artikelen 5, derde lid, 6, tweede lid, tweede volzin, 9, vierde lid,
en 21, derde lid, tweede volzin, niet van toepassing. De beheerder deelt
aan het College mede overeenkomstig welk model het reglement is
vastgesteld.
Paragraaf 3a. Bepalingen met betrekking tot bijzondere
politieregisters
Artikel 13
1. Opneming van persoonsgegevens in een tijdelijk register
vindt slechts plaats met het oog op het doel waarvoor het register is
aangelegd.
2. Onverminderd het zevende lid en artikel 13d, tweede lid,
worden uit een tijdelijk register slechts gegevens verstrekt voor het
doel waarvoor het register is aangelegd, tenzij verstrekking plaats
vindt ten behoeve van de opneming in een register zware criminaliteit of
een voorlopig register.
3. Op een tijdelijk register zijn de artikelen 6, tweede lid, en
9, eerste lid, niet van toepassing gedurende een bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen termijn.
4. Na afloop van deze termijn is artikel 9, vijfde lid, van
overeenkomstige toepassing.
5. De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het
aanleggen van het register het College bescherming persoonsgegevens
daarvan in kennis, tenzij dit inmiddels is vernietigd.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking
tot tijdelijke registers.
7. Indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat
gegevens als bedoeld in artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet
noodzakelijk zijn voor de opsporing van een gepleegd strafbaar feit,
kunnen die gegevens worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van
dat strafbare feit.
Artikel 13a
1. Opneming van persoonsgegevens in een register zware
criminaliteit vindt slechts plaats omtrent:
a. verdachten van misdrijven, waarvoor het register is aangelegd;
b. personen, ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat
zij betrokken zijn bij het beramen of plegen van misdrijven als
bedoeld onder a;
c. personen die in een bepaalde relatie staan tot degenen, bedoeld
onder a en b, en
d. ambtenaren van politie, van de Koninklijke marechaussee of van
een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 13c, voor zover
dit van belang is voor het gebruik van de gegevens, bedoeld onder a
tot en met c, alsmede voor de verantwoording van de verrichtingen naar
aanleiding van de opgenomen gegevens.
2. Uit een register zware criminaliteit worden omtrent personen
als bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts gegevens verstrekt
overeenkomstig artikel 13b, tweede tot en met het vierde lid. Omtrent
personen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden geen
gegevens verstrekt krachtens artikel 18, derde lid.
3. Indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de
politietaak, kan de verstrekking ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste
lid, onder b, c en d en f, uit een register zware criminaliteit worden
geweigerd dan wel aan beperkende voorwaarden wat betreft het verdere
gebruik worden onderworpen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op de verstrekking aan
het meldpunt, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke
transacties, die noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of een persoon
geregistreerd staat in het register zware criminaliteit.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen of
instanties met een publieke taak belast, indien een zwaarwegend algemeen
belang dit vordert, worden aangewezen aan wie in bij die algemene
maatregel van bestuur aan te geven gevallen, voor daarbij aan te geven
doeleinden en te bepalen categorieën, onder daarbij te stellen
voorwaarden gegevens uit een register zware criminaliteit kunnen worden
verstrekt. Tevens kunnen nadere regels omtrent de verstrekking worden
gesteld.
6. Een verstrekking uit een register zware criminaliteit anders
dan krachtens artikel 15, tweede lid, wordt vastgelegd, tenzij
overeenkomstig het doel van het register is verstrekt aan personen die
door de beheerder zijn aangewezen als vaste gebruikers.
7. Persoonsgegevens uit een register zware criminaliteit kunnen
met het oog op een bijzondere opdracht voor de wijze van uitvoering van
de politietaak voor het geval de betrokkene op enige plaats wordt
waargenomen, in samenhang met gegevens over de inhoud van deze opdracht
en voor zover noodzakelijk voor het uitvoeren van die opdracht, worden
vastgelegd in een ander politieregister. Elke verstrekking voor dat doel
wordt vastgelegd.
8. Gegevens als bedoeld in het eerste lid worden uit het register
zware criminaliteit verwijderd en vernietigd indien zij niet langer
noodzakelijk zijn voor het doel van het register dan wel na verloop van
vijf jaar na datum van de laatste opname van gegevens die blijk geven
van de noodzaak tot registratie van betrokkene met het oog op het doel
van het register.
Artikel 13b
1. Opneming van persoonsgegevens in een voorlopig register
vindt slechts plaats met het oog op het doel waarvoor het register is
aangelegd.
2. Onverminderd artikel 13d, tweede lid, worden uit een voorlopig
register slechts voor identificatie benodigde gegevens verstrekt voor
het doel waarvoor het register is aangelegd. Voorts worden gegevens
verstrekt ten behoeve van de opneming in een ander bijzonder
politieregister of ten behoeve van het meldpunt, bedoeld in artikel 2
van de Wet melding ongebruikelijke transacties.
3. Een verstrekking op grond van het tweede lid, eerste volzin,
wordt niet vastgelegd in enig ander register.
4. Behoudens de verstrekking op grond van artikel 15, tweede lid,
wordt elke verstrekking uit een voorlopig register vastgelegd en
gedurende ten minste drie jaren bewaard.
5. Gegevens als bedoeld in het eerste lid worden uit het
voorlopig register verwijderd en vernietigd indien zij niet langer
noodzakelijk zijn voor het doel van het register dan wel na verloop van
zes maanden na datum eerste opname.
Artikel 13c
1. Voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de bestrijding
van de misdrijven, bedoeld in artikel 1, onder l, kan bij algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Ministers en Onze
Minister wie het mede aangaat, het bepaalde bij of krachtens deze wet
betreffende de bijzondere politieregisters van toepassing worden
verklaard op de daarbij aan te wijzen registers van een dienst van een
publiekrechtelijk lichaam dat met de opsporing van strafbare feiten is
belast.
2. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid kan slechts
plaatsvinden indien op die dienst de beheersvoorschriften van
overeenkomstige toepassing zijn welke bij of krachtens de Politiewet
1993 zijn vastgesteld voor de eenheden, bedoeld in artikel 13d.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
treedt voor de toepassing van de bepalingen van deze wet op als
beheerder van de bij die dienst aangelegde registers.
4. In een register als bedoeld in het eerste lid worden geen
gegevens opgenomen die zijn verkregen bij de uitoefening van een
toezichthoudende bevoegdheid, tenzij in individuele gevallen op grond
van een verzoek en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor niet onevenredig wordt geschaad. In dat geval wordt de herkomst
van de gegevens vastgelegd.
5. Onze Minister van Justitie wijst schriftelijk, op voordracht
van de leiding van het desbetreffende publiekrechtelijke lichaam, de
opsporingsambtenaren in dienst van het publiekrechtelijk lichaam aan die
toegang hebben tot de registers van die dienst.
6. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid worden de eisen vastgelegd waaraan de
krachtens het vijfde lid aan te wijzen ambtenaren uit een oogpunt van
beveiliging en opleiding moeten voldoen.
7. Onverminderd artikel 14, onder c, kunnen uit een register als
bedoeld in het eerste lid aan andere opsporingsambtenaren gegevens
worden verstrekt indien uit deze gegevens zelf het redelijk vermoeden
voortvloeit dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan.
Artikel 13d
1. Onverminderd artikel 13c worden registers als bedoeld in de
artikelen 13a en 13b slechts aangelegd bij de daartoe krachtens de
Politiewet 1993 aangewezen organisatorische eenheden van de politie,
alsmede bij de daartoe door Onze Minister van Defensie, in
overeenstemming met Onze Ministers, aangewezen organisatorische
eenheid van de Koninklijke marechaussee.
2. Uit een tijdelijk register en uit een voorlopig register
worden gegevens verstrekt:
a. ingevolge de artikelen 7, 15, eerste lid, onder a, en tweede
lid, 18, vierde en vijfde lid, en 27 of
b. wanneer uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit
dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan.
3. Uit een tijdelijk register kunnen verder gegevens worden
verstrekt:
a. ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van
de openbare veiligheid, of
b. indien dat is overeengekomen bij de instelling van een
gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het
Wetboek van Strafvordering dat in Nederland is gevestigd.
4. Persoonsgegevens die worden vastgelegd voor de doeleinden,
bedoeld in deze paragraaf, worden slechts vastgelegd en gebruikt
overeenkomstig het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde.
§ 4. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
Artikel 14
Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan:
a. ambtenaren van politie, voor zover zij deze behoeven voor de
vervulling van de politietaak en zij niet zijn aangesteld voor de
uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie en aan ambtenaren die krachtens artikel 13c,
vijfde lid, zijn aangewezen, voor zover zij deze behoeven ter
opsporing van strafbare feiten;
b. krachtens artikel 141, onder c, van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren van de Koninklijke
marechaussee, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van de
hun opgedragen politietaak;
c. andere opsporingsambtenaren in dienst van een
publiekrechtelijk lichaam, voor zover zij deze behoeven ter
opsporing van strafbare feiten bij het onderzoek waarvan zij zijn
betrokken;
d. andere opsporingsambtenaren dan begrepen onder a, b en c, voor
zover zij deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij het
onderzoek waarvan zij zijn betrokken, en mits daartoe in
afzonderlijke gevallen door de officier van justitie of in het
algemeen door Onze Minister van Justitie voorafgaand toestemming is
verleend;
e. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
andere ambtenaren dan die begrepen onder a en b, voor zover zij deze
behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de
signalering van personen.
Artikel 15
1. Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens
verstrekt aan:
a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven
1. in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, dan
wel over andere personen of instanties die met de opsporing van
strafbare feiten zijn belast, of
2. voor de uitvoering van andere bij of krachtens wet opgedragen
taken;
b. burgemeesters, voor zover zij deze behoeven
1. in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie,
of
2. in het kader van de handhaving van de openbare orde.
c. korpschefs van een regionaal politiekorps en de commandant van
de Koninklijke marechaussee, voor zover zij deze behoeven voor de
uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de Wet wapens en
munitie (Stb. 1997, 674) of de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verleend;
d. de Commandant van de Koninklijke marechaussee, voorzover hij
deze behoeft voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 37s van de Luchtvaartwet;
e. ambtenaren van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, voorzover zij
deze behoeven voor de uitoefening van hun wettelijk omschreven taak;
f. Onze Minister van Justitie, voorzover hij deze behoeft voor de
afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag;
e. Onze Minister van Justitie, voorzover hij deze behoeft voor de
uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen.
2. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens worden
verstrekt voor zover dit voortvloeit uit de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
3. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens worden
verstrekt voor zover dit voortvloeit uit wettelijke bepalingen met
betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan een internationaal
strafgerecht.
Artikel 16
1. Uit een politieregister worden op hun verzoek antecedenten
verstrekt aan:
a. Onze Minister van Justitie;
b. Nederlandse rechterlijke ambtenaren, met rechtspraak belast,
voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak;
c. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
reclasseringswerkers en ambtenaren van de kinderbescherming, voor
zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak;
d. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor zover zij deze
behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de
Vreemdelingenwet 2000 en de Jachtwet (Stb. 1954, 523)
toegekend.
2. Uit een politieregister kunnen op hun verzoek antecedenten
worden verstrekt aan benadeelden van strafbare feiten, daaronder
begrepen de personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn
getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling ter zake van die rechten
een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze behoeven om
in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.
Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van bepaalde
categorieën van gegevens de verplichting ingevolge de artikelen 14, 15,
eerste lid, en 16, eerste lid, om deze gegevens te verstrekken, worden
beperkt. Daarbij kan verder de bevoegdheid worden beperkt om ingevolge
deze bepalingen uit een politieregister:
a. bepaalde gegevens te verstrekken of
b. aan bepaalde personen gegevens te verstrekken.
Artikel 18
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de verstrekking van gegevens uit een politieregister - hetzij
door tussenkomst van Interpol, hetzij anderszins - aan
politie-autoriteiten in andere landen, alsmede omtrent de daarbij te
stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan door die
politie-autoriteiten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de verstrekking van gegevens uit het register van het meldpunt
bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties aan
van overheidswege aangewezen niet-politiële instanties in het
buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt, alsmede
omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan door
die autoriteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen of
instanties met een publieke taak belast, indien het openbaar belang dit
vordert, worden aangewezen aan wie in bij die algemene maatregel aan te
geven gevallen gegevens uit een politieregister mogen worden of dienen
te worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere regels omtrent de
verstrekking worden gesteld.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent het verstrekken van gegevens uit een politieregister ten behoeve
van wetenschappelijk onderzoek en statistiek, met dien verstande dat de
resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten.
5. Onze Minister van Justitie of Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties kan in bijzondere gevallen toestemming of
opdracht geven tot het verstrekken van daartoe omschreven gegevens uit
een politieregister. Hij doet van de desbetreffende beschikking
mededeling aan het College bescherming persoonsgegevens.
Artikel 19
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de voor verzoeken tot verstrekking van gegevens uit een
politieregister en de verstrekking daarvan in acht te nemen procedure en
de vastlegging van verstrekkingen uit het register.
§ 5. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering
Artikel 20
1. De beheerder deelt een ieder op diens verzoek binnen vier
weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende persoonsgegevens
in een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens
desgevraagd inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over
degenen aan wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen
mededelingen in schriftelijke vorm.
2. De beheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van
de identiteit van de verzoeker.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van
minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt,
en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke
vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de
wettelijke vertegenwoordigers.
Artikel 21
1. Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, blijft
achterwege voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van
de politietaak dan wel indien gewichtige belangen van derden daartoe
noodzaken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op antecedenten of op
persoonsgegevens die op verzoek van de geregistreerde zijn opgenomen.
3. In het reglement wordt bepaald in hoeverre toepassing wordt
gegeven aan het bepaalde bij het eerste lid. Omtrent dergelijke
bepalingen wordt het College bescherming persoonsgegevens vooraf
gehoord.
Artikel 22
1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 20 mededeling is
gedaan van hem betreffende persoonsgegevens, kan de beheerder
schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te
verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het
doel van het register onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel
in strijd met een wettelijk voorschrift in het register voorkomen. Het
verzoek behelst de aan te brengen wijzigingen.
2. De beheerder bericht de verzoeker binnen vier weken na
ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij
daaraan voldoet. Artikel 37 Wet bescherming persoonsgegevens is van
overeenkomstige toepassing. Een weigering is met redenen omkleed.
3. De beheerder draagt zorg dat een beslissing tot verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt
uitgevoerd.
Artikel 23
1. Indien de beheerder niet aan een verzoek als bedoeld in de
artikelen 20 of 22 voldoet, kan de betrokkene zich tot de rechtbank
wenden met het schriftelijk verzoek, de beheerder te bevelen alsnog
aan dat verzoek te voldoen.
2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen vier weken na
ontvangst van het antwoord van de beheerder. Indien de beheerder niet
binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift
worden ingediend binnen vier weken na afloop van die termijn.
3. De betrokkene kan zich ook binnen de in het tweede lid
gestelde termijn tot het College bescherming persoonsgegevens wenden met
het verzoek te bemiddelen of te adviseren in zijn geschil met de
beheerder. In dat geval kan het verzoekschrift als bedoeld in het eerste
lid, nog worden ingediend nadat de betrokkene van het College
bescherming persoonsgegevens bericht heeft ontvangen dat zij de
behandeling van de zaak heeft gestaakt, doch uiterlijk tot vier weken na
dat tijdstip.
4. Over een verzoekschrift kan de rechtbank het advies van het
College bescherming persoonsgegevens inwinnen.
5. De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond
oordeelt.
6. Indiening van een verzoekschrift als bedoeld in het tweede en
derde lid behoeft niet door een procureur te geschieden.
7. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
8. De griffier zendt afschrift van de uitspraak aan het College
bescherming persoonsgegevens.
Artikel 24
De beheerder die in een register persoonsgegevens heeft verbeterd,
aangevuld of daaruit heeft verwijderd naar aanleiding van een verzoek
van een belanghebbende ingevolge artikel 22, een bevel van de rechter
ingevolge artikel 23 of een daartoe strekkende aanbeveling van het
College bescherming persoonsgegevens, is verplicht om aan hen aan wie
hij naar zijn weten in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de
sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken gegevens heeft
verstrekt, mededeling te doen van deze wijziging.
Artikel 25
1. Een verzoek ingevolge artikel 20, is slechts ontvankelijk na
betaling van een kostenvergoeding. Het bedrag van de vergoeding en de
wijze van betaling worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
2. De vergoeding wordt teruggegeven wanneer het verzoek leidt tot
verbetering, aanvulling of verwijdering van de persoonsgegevens van de
betrokkene, of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge
artikel 21, eerste lid.
§ 6. Bepalingen betreffende het toezicht
Artikel 26
1. Het College bescherming persoonsgegevens ziet toe op de
werking van de politieregisters overeenkomstig het bij en krachtens
deze wet bepaalde en in het belang van de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in het algemeen.
2. Voor de behandeling en afdoening van de aangelegenheden
voortvloeiend uit het eerste lid, wordt bij het College een meervoudige
afdeling ingesteld.
3. Met het toezicht op de naleving van het bij enig wettelijk
voorschriftten aanzien van de werking van politieregisters bepaalde,
zijn belast de leden, plaatsvervangende leden en buitengewone leden van
het College en de ambtenaren van het secretariaat van het College.
Artikel 27
De artikelen 51, tweede lid, en 60 tot en met 64 van de Wet
bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.