Nadere regelgeving:
- Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen
(vervallen)
- Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin
van de Wet privatisering ABP
WET van 21 december 1995, houdende
privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het overheidspersoneel in
handen te leggen van de betrokken sociale partners en met het oog daarop
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds om te vormen tot een
privaatrechtelijk pensioenfonds waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet
van toepassing is, alsmede dat in verband daarmee een voorziening dient
te worden getroffen inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering van dat
personeel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;
b. ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel
L 1 van de Abp-wet;
c. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet;
d. ambtelijk inkomen: het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C
1 van de Abp-wet;
e. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B
3 van de Abp-wet, alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de
krachtens artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet gestelde regels,
zoals deze luidden op 31 december 1995;
f. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet;
g. B 3-lichaam: een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december
1995, op grond van artikel B 3 van de Abp-wet, was aangewezen of op
grond van artikel U 2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen
als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de
zin van de Abp-wet is;
h. Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd
Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement;
i. deeltijdfactor: de breuk, bedoeld in artikel A 1a, tweede lid,
van de Abp-wet, zoals die bepaling luidde op 31 december 1995;
j. [vervallen;]
k. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
l. overheidspersoneel: de overheidswerknemers en de militairen,
bedoeld in artikel A1, eerste lid, van de Amp-wet , alsmede degenen
die ingevolge het tweede lid van dat artikel daaronder worden
begrepen, met inachtneming van artikel A 4 van die wet;
m. overheidswerkgever: ieder gezag of bestuur dat bevoegd is tot
aanstelling of indienstneming en ontslag van een overheidswerknemer
en voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10 de Stichting tot
verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke
Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau;
n. overheidswerknemer: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel
2;
o. [vervallen;]
p. de ROP: de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;
q. sectorwerkgever:
1°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk:
Onze Minister;
2°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Defensie:
Onze Minister van Defensie;
3°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Onderwijs
en Wetenschappen: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen;
4°. van het personeel dat werkzaam is in de sector Politie:
Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
5°. van het personeel dat werkzaam is in de sector
Rechterlijke Macht: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
6°. van het personeel dat werkzaam is in de sector
Gemeenten: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
7°. van het personeel dat werkzaam is in de sector
Provincies: het Interprovinciaal Overleg;
8°. van het personeel dat werkzaam is in de sector
Waterschappen: de Unie van Waterschappen;
9°. van personeel dat niet werkzaam is in een van de onder
1° tot en met 8° genoemde sectoren: (a). de sectorwerkgever
van de sector waartoe de instelling waarbij het desbetreffende
personeel werkzaam is, wordt gerekend, gelet op de aard van de
werkzaamheid van die instelling, de arbeidsvoorwaarden of de
financiėle verhouding met een of meer overheids- of
onderwijsinstellingen, of (b). de sectorwerkgever van de door
Onze Minister aangewezen sector, of (c). een door Onze Minister
aangewezen, met de onder 1° tot en met 8° genoemde
sectorwerkgevers gelijk te stellen, ander gezag of andere
instantie;
r. [vervallen;]
s. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
t. WAO-conforme uitkering: de met overeenkomstige toepassing van
de WAO toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
artikel 32;
u. Wet FVP/ABP: de Wet financiėle voorzieningen privatisering
ABP.
Artikel 2
1. Overheidswerknemer in de zin van deze wet is degene die:
a. bij een publiekrechtelijk lichaam is aangesteld of in dienst
is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die
deswege bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van een
publiekrechtelijk lichaam;
b. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het
geven van onderwijs aan instellingen als bedoeld in dit onderdeel
ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste
van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan:
1°. een Nederlandse bijzondere instelling van
wetenschappelijk onderwijs, een bijzondere instelling voor
hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of
andere instelling voor bijzonder onderwijs, indien de
personeelskosten hiervan voor ten minste 51 procent door de
overheid worden vergoed ingevolge een regeling houdende
voorwaarden voor bekostiging, toegepast of tot stand gekomen
onder verantwoordelijkheid van Onze Minister onder wiens
departement de instelling ressorteert;
2°. een Nederlandse bijzondere instelling voor hoger
beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere
instelling voor bijzonder onderwijs, die ingevolge wettelijke
bepaling door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen zijn aangewezen als bevoegd om aan de studenten
of leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde
examens dezelfde diplomas of getuigschriften uit te reiken
als die uitgereikt worden door overeenkomstige door de
overheid bekostigde instellingen;
3°. een Nederlandse bijzondere basisschool of bijzondere
speciale school voor basisonderwijs, een Nederlandse school
voor bijzonder speciaal onderwijs of bijzonder voortgezet
speciaal onderwijs, of een Nederlandse school of instelling
voor bijzonder speciaal en voortgezet speciaal onderwijs -
anders dan bedoeld onder 1° - waarvan het schoolwerkplan
blijkens een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen aan het privaatrechtelijk lichaam op verzoek
afgegeven beschikking voldoet aan het bij of krachtens de Wet
op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra
bepaalde omtrent onderwijsactiviteiten of vakken, en aantal
lesuren, voor zo lang dat lichaam voldoet aan de in deze
beschikking op te nemen voorwaarden en bedingen;
c. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het
verlenen van ondersteuning van volwasseneneducatie ten doel stelt,
bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam
en uit dien hoofde werkzaam is aan een privaatrechtelijke
ondersteuningsinstelling, waarvan de personeelskosten voor ten
minste 51 procent door de overheid worden vergoed;
d. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld
in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van
de Wet op de expertisecentra en artikel 53b van de Wet op het
voortgezet onderwijs, waarvan de personeelskosten voor ten minste
51 procent ten laste van de overheidskassen door de scholen worden
bekostigd;
e. in dienst is van een B 3-lichaam;
f. die op 31 december 1995 ambtenaar in de zin van de Abp-wet
is ingevolge artikel U 1 van die wet, dan wel op grond van artikel
65 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, zoals dat artikel
luidde op 31 december 1994, en wiens dienstverband op 1 januari
1996 niet is beėindigd.
2. In afwijking van het eerste lid zijn geen overheidswerknemer:
a. personen waarvan de dienstverhouding is ingegaan op of na
het tijdstip waarop zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;
b. ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden, wethouders,
leden van dagelijkse besturen van deelgemeenten en de
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba;
c. voorzitters en leden van besturen van waterschappen, tenzij
de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en
zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van
het waterschap;
d. voorzitters en leden van besturen van andere
publiekrechtelijke lichamen dan in onderdeel c genoemd, wier
functie overwegend een vertegenwoordigend karakter draagt, tenzij
de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en
zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van
een publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde een openbaar lichaam
voor beroep en bedrijf als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
e. de gouverneurs van Aruba, Curaēao en Sint Maarten;
f. [vervallen;]
g. personen in dienst van de openbare lichamen voor beroep en
bedrijf bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
h. personen in dienst van de Nederlandse Organisatie voor
toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (T.N.O.);
i. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
j. de personen en groepen van personen die bij door Onze
Minister te stellen regels, welke regels in overeenstemming met
het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP worden vastgesteld,
op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere
aard van hun werkzaamheden zijn aangewezen;
k. personen in dienst van een B 3-instelling ten aanzien van
wie bij de aanwijzing, bedoeld in artikel B 3 van de Abp-wet, is
bepaald dat zij geen ambtenaar in de zin van die wet zijn;
l. personen in dienst van een B 3-instelling waarvan de
aanwijzing op of na 1 januari 1996 is of wordt ingetrokken, met
ingang van de datum van die intrekking.
3. Tevens wordt als overheidswerknemer aangemerkt degene die in
dienst is van:
a. de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. een privaatrechtelijk lichaam dat met ingang van een datum
gelegen na 31 december 1995 ,door Onze Minister, op grond van de
doelstelling en financiėle verhouding tot een of meer
publiekrechtelijke lichamen, is aangewezen als lichaam waarvan de
werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP;
c. een privaatrechtelijk lichaam, waarvan de arbeidsvoorwaarden
van de werknemers van dat lichaam overeenkomen met de
arbeidsvoorwaarden van het personeel dat werkzaam is in een van de
sectoren genoemd in artikel 1, onder q, onderdeel 1 tot en met 8,
dat voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, door Onze
Minister, met inachtneming van artikel 3 is aangewezen als lichaam
waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP.
4. De in het derde lid, onder c, bedoelde aanwijzing vindt
uitsluitend plaats indien:
a. werknemers in dienst van het aan te wijzen lichaam
overheidswerknemer zijn op de dag voorafgaande aan het tijdstip
waarop de beoogde deelneming op basis van die aanwijzing in
werking zal treden, en
b. het verzoek om aanwijzing een gezamenlijk verzoek is van
werkgever en werknemers die bevoegd zijn tot vaststelling van de
arbeidsvoorwaarden voor de werknemers van dat lichaam, dan wel een
verzoek is van hun vertegenwoordigers.
5. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij ministeriėle regeling bepalen
dat onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en
onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van een sector, voor de
vergelijking die volgt uit de toepassing van het derde lid, onder c,
buiten beschouwing blijven.
6. Voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10, alsmede van
artikel 57 wordt tevens als overheidswerknemer aangemerkt degene die
behoort tot het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet gevolgen privatisering ABP voor het
personeel van de Koninklijke Hofhouding.
Artikel 3
1.Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c,
geschiedt door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en op voordracht van het bestuur van de
Stichting Pensioenfonds ABP.
2.Onze Minister kan aan een aanwijzing voorwaarden verbinden.
3.In de voordracht, bedoeld in het eerste lid, geeft het bestuur
van de Stichting Pensioenfonds ABP aan of wordt voldaan aan de te
stellen eis inzake de arbeidsvoorwaarden, bedoeld in artikel 2, derde
lid, onder c, alsmede of aan een aanwijzing voorwaarden dienen te
worden verbonden.
4.Een aanwijzing op grond van artikel B 3 van de Abp-wet wordt
aangemerkt als een aanwijzing ingevolge artikel 2, derde lid,
onderdeel b .
5.Onze Minister kan, gehoord het bestuur van de Stichting
Pensioenfonds ABP en de Nederlandsche Bank N.V., een aanwijzing
uiterlijk voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid,
intrekken indien het lichaam niet meer voldoet aan een of meer van de
gestelde voorwaarden of aan de eisen als bedoeld in artikel 2, derde
lid, onder b, onderscheidenlijk c.
6.Indien aan het vijfde lid toepassing wordt gegeven, is artikel
22, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De pensioenen van het overheidspersoneel en de Stichting
Pensioenfonds ABP
Artikel 4
1.De aanspraken van overheidswerknemers, gewezen
overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van
pensioenen, alsmede hun daarmee samenhangende verplichtingen, worden
neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht.
2.Onze Minister en de meerderheid van de centrales van
overheidspersoneel die in de Centrale Commissie vertegenwoordigd zijn,
zijn bevoegd tot het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in het
eerste lid, die op 1 januari 1996 in werking treedt.
3.De meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de
centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid, zijn na 1 januari 1997 bevoegd tot het
wijzigen of vervangen van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
4.De in het tweede en derde lid bedoelde bevoegdheid geldt niet ten
aanzien van het B 3-lichaam dat met ingang van 1 januari 1996 of een
latere datum niet langer deelneemt in de Stichting Pensioenfonds ABP.
5.De overheidswerkgevers en overheidswerknemers zijn gebonden aan
de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, en verplicht tot naleving
van hetgeen te hunnen aanzien is bepaald in de statuten en reglementen
van het pensioenfonds of in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in
de Pensioenwet, gesloten met een verzekeraar.
6.De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, alsmede een wijziging
of vervanging daarvan, bedoeld in het derde lid, worden door Onze
Minister in de Staatscourant geplaatst. De overeenkomst, een wijziging
en een vervanging daarvan treden niet eerder in werking dan met ingang
van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze
worden geplaatst.
Artikel 5
1.Indien de sectorwerkgever en de meerderheid van de binnen de
desbetreffende sector representatieve verenigingen van
overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel gezamenlijk
daartoe besluiten, kan, na intrekking van de verplichte deelneming
overeenkomstig artikel 21, derde lid, de overeenkomst, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, voor zover deze de eigen sector betreft, worden
gesloten door die sectorwerkgever en de meerderheid van die
verenigingen van overheidspersoneel of centrales van
overheidspersoneel.
2.In overeenstemming met de desbetreffende sectorwerkgever en na
het advies van de ROP hieromtrent te hebben ontvangen, bepaalt Onze
Minister of een vereniging van overheidspersoneel die niet is
aangesloten bij een centrale van overheidspersoneel, representatief is
in een of meerdere sectoren.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de bevoegdheid met ingang van het
tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, tot het sluiten van de in
artikel 4, eerste lid, bedoelde overeenkomst ten aanzien van B
3-lichamen en privaatrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel b, die met ingang van 1 januari 1996 of een
latere datum tot de Stichting Pensioenfonds ABP zijn toegetreden.
Artikel 6
1.Onze Minister is gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden
deel te nemen aan de oprichting van de Stichting Pensioenfonds ABP.
2.De Stichting Pensioenfonds ABP heeft tot doel om als
bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet werkzaam te
zijn ten behoeve van overheid, onderwijs en daarmee gelieerde
privaatrechtelijke lichamen.
3.In de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden
bepaald dat de stichting een ruimere doelstelling heeft dan die,
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7
1.De belanghebbende verkrijgt met ingang van 1 januari 1996
aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen jegens de Stichting
Pensioenfonds ABP die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan het
uitzicht of het recht dat hij op 31 december 1995 ter zake ontleent
aan de Abp-wet en de wijzigingswetten van die wet, met inachtneming
van hetgeen ter zake in paragraaf 3 is bepaald.
2.De belanghebbende verkrijgt met inachtneming van paragraaf 4 met
ingang van 1 januari 1996 aanspraken op invaliditeitspensioen of
herplaatsingstoelage jegens de Stichting Pensioenfonds ABP, die
tezamen met de aanspraken jegens het FAOP op een WAO-conforme
uitkering ingevolge artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37 in
totaliteit gelijkwaardig zijn aan de overeenkomstige aanspraken
ingevolge de Abp-wet en de wijzigingswetten van die wet.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van
het personeelslid van het ABP waarop artikel 27 van toepassing is,
behoudens het vierde lid van dat artikel.
4.Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan
degene die op 31 december 1995 ambtenaar is of recht op
invaliditeitspensioen heeft, alsmede voor zover mogelijk aan de
gewezen ambtenaar aan wie nog geen pensioen is toegekend, een
schriftelijke opgave van het uit hoofde van zijn dienstbetrekking
opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Abp-wet. Deze opgave
bevat ten minste de voor pensioen geldende diensttijd, alsmede de twee
berekeningsgrondslagen die zouden zijn gehanteerd indien aan hem
pensioen ingevolge de Abp-wet zou zijn verleend met ingang van 1
januari 1996.
5.De opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt aangemerkt als een
besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Ten aanzien van deze opgave is hoofdstuk S van de Abp-wet, zoals dat
luidde op 31 december 1995, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat wordt begrepen onder:
a. bestuur: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. directieraad: de directieraad van de Stichting Pensioenfonds
ABP.
Artikel 8
1.Voor de belanghebbende die op 31 december 1995 ingevolge:
a. de artikelen D 1, tweede lid, en D 2 van de Abp-wet;
b. artikel T 4 of U 8a van de Abp-wet;
c. artikel V van de wet van 28 april 1976 tot wijziging van de
Algemene burgerlijke pensioenwet en andere overheidspensioenwetten
in verband met uittreding van Suriname uit het Koninkrijk (Stb.
323);
d. artikel IX, de onderdelen C en X, van de wet van 7 mei 1986
tot wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en andere
overheidspensioenwetten (Stb. 303);
e. artikel III, onderdeel B, van de wet van 3 juli 1986 tot
wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de
Spoorwegpensioenwet met betrekking tot deelgerechtigden die de
leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt ( Stb. 393);
f. artikel 33 van de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds;
g. artikel 76 van de Wet FVP/ABP;
zoals die artikelen luidden op 31 december 1995, tijd die niet als
ambtenaar in de zin van de Abp-wet is doorgebracht (externe
diensttijd) mede als diensttijd in de zin van de Abp-wet in aanmerking
zou kunnen doen brengen, geldt die diensttijd met ingang van 1 januari
1996 als diensttijd jegens de Stichting Pensioenfonds ABP, tenzij
belanghebbende voor 1 januari 1998 te kennen heeft gegeven dat hij die
overname niet wenst.
2.Ten aanzien van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
externe diensttijd blijft artikel 75 van de Wet FVP/ABP, zoals dat
artikel luidde op 31 december 1995, van toepassing.
3.Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP doet aan de
belanghebbende opgave van de externe diensttijd, bedoeld in het eerste
lid. Op deze opgave is artikel 7, vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing.
4.Tenzij belanghebbende tijdig te kennen heeft gegeven geen
overname van externe diensttijd te wensen, wordt door het bestuur van
de Stichting Pensioenfonds ABP mededeling van de overname gedaan aan
de betrokken pensioeninstantie, voor zover dit noodzakelijk is in
verband met het voorkomen van een dubbele pensioentoekenning over de
door de Stichting Pensioenfonds ABP overgenomen externe diensttijd dan
wel de toepassing van artikel 33 van de Wet privatisering
Spoorwegpensioenfonds of artikel 76 van de Wet FVP/ABP.
Artikel 9 [Vervallen per 01-06-2001]
§ 3. Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande
pensioenaanspraken (algemeen)
Artikel 10
1.De op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds
bestaande uitzichten op pensioen worden door het bestuur van de
Stichting Pensioenfonds ABP aangepast aan algemene
bezoldigingswijzigingen en eenmalige uitkeringen, overeenkomstig
artikel A 8 van de Abp-wet, zoals dat artikel op genoemde datum
luidde, tenzij de financiėle positie van het pensioenfonds zich
dwingend tegen die aanpassing verzet. In het pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP wordt bepaald wanneer sprake is van de in
de vorige volzin bedoelde financiėle positie.
2.In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde aanpassing in
beginsel op een of meer vaste tijdstippen in het jaar plaatsvindt en
is gebaseerd op de algemene bezoldigingswijzigingen en eenmalige
aanpassingen die zich gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan
de genoemde data hebben voorgedaan.
Artikel 11
1.In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
worden bepaald dat de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken
nader worden vastgesteld met inachtneming van de berekeningsgrondslag,
bedoeld in artikel F 4 van de Abp-wet, voor het jaar 1995,
onderscheidenlijk de op 31 december 1995 geldende middelsom of
aangepaste middelsom, bedoeld in artikel F 6 van de Abp-wet, en de
uniforme franchise, bedoeld in artikel F 7aa van de Abp-wet. Een en
ander op zodanige wijze dat een correctiefactor wordt vastgesteld ten
aanzien van de berekeningsgrondslag, onderscheidenlijk de franchise,
met welke correctiefactoren de voor pensioen geldende diensttijd voor
zover gelegen voor 1 januari 1996 wordt vermenigvuldigd.
2.Indien het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP
bepalingen inhoudt overeenkomstig het eerste lid, wordt daarin tevens
bepaald dat aan de belanghebbende mededeling wordt gedaan van de in
dat lid bedoelde correctiefactoren, welke mededeling is voorzien van
een toereikende toelichting.
Artikel 12
In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
worden bepaald dat het pensioen over diensttijd voor 1 januari 1996 van
degene die na 31 december 1995 overheidswerknemer is in de zin van deze
wet, wordt berekend op basis van het tot een jaarbedrag herleide inkomen
dat de belanghebbende ontving in de maand januari van het kalenderjaar
dat voorafgaat aan het kalenderjaar van ontslag en van de vaste
toeslagen die behoren tot het ambtelijk inkomen in de zin van artikel C
1 van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995, welke
belanghebbende ontving in het kalenderjaar voorafgaande aan
vorenbedoelde maand januari.
Artikel 13
1.In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
ten aanzien van de inbouw van het pensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet in het pensioen dat wordt berekend over diensttijd voor 1
januari 1986, worden bepaald dat deze geschiedt met inachtneming van
twee procent per dienstjaar van:
a. het tot een jaarbedrag herleide bedrag aan pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet waarop de belanghebbende die
voor de toepassing van die wet als ongehuwd wordt aangemerkt,
recht heeft dan wel recht zou hebben gehad indien hij op grond van
die wet verzekerd zou zijn geweest, ten aanzien van de genoemde
belanghebbende;
b. twee maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag aan
pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet waarop de
belanghebbende die voor de toepassing van die wet als gehuwd wordt
aangemerkt, recht heeft dan wel recht zou hebben gehad indien hij
op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest, ten aanzien van
de genoemde belanghebbende.
Een en ander met dien verstande dat, indien bij toepassing van de
Abp-wet, zoals die luidde op 31 december 1995, toepassing zou zijn
gegeven aan artikel J 12, het inbouwbedrag wordt vermenigvuldigd met
de in dat artikel bedoelde breuk.
2.Indien het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP
bepalingen inhoudt overeenkomstig het eerste lid, wordt daarin tevens
bepaald dat aan de belanghebbende een toeslag wordt verleend:
a. voor de tijd waarover de voor pensioen geldende diensttijd
samenvalt met tijd gedurende welke de belanghebbende of diens
echtgenoot dan wel degene die ingevolge de Algemene Ouderdomswet
mede als echtgenoot wordt aangemerkt, niet verzekerd dan wel
vrijwillig verzekerd is geweest ingevolge die wet;
b. in het geval de echtgenoot van de belanghebbende dan wel
degene die ingevolge de Algemene Ouderdomswet mede als echtgenoot
wordt aangemerkt, de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt
en belanghebbende geen recht heeft op de volledige toeslag,
bedoeld in artikel 8 van genoemde wet.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van:
a. een pensioen, een tijdelijke uitkering en een wezenpensioen
als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
b. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke
regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde
mogendheid voor zover naar aard en strekking overeenkomend met een
pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel een pensioen
of uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Artikel 14
1.In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
ten aanzien van de vermindering van de inbouw van het pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet in het pensioen dat wordt berekend
over diensttijd voor 1 januari 1986, bedoeld in de artikelen J 14 en J
15 van de Abp-wet, zoals deze luidden op 31 december 1995, worden
bepaald dat in plaats van die vermindering een toeslag wordt
toegekend.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:
a. een pensioen, een tijdelijke uitkering en een wezenpensioen
als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
b. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke
regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde
mogendheid voor zover naar aard en strekking overeenkomend met een
pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel een pensioen
of uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Artikel 15
In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
worden bepaald dat de aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen van
de gewezen echtgenoot van degene die op 31 december 1995 ambtenaar is en
na die datum overheidswerknemer in de zin van deze wet, wiens
echtscheiding voor of uiterlijk op de genoemde datum tot stand is
gekomen, worden vastgesteld met inachtneming van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 4 van de Abp-wet, voor het
jaar 1995.
Artikel 16 [Vervallen per 01-06-2001]
§ 4. Nadere bepalingen inzake de op 31 december 1995 bestaande
aanspraken inzake invaliditeitspensioen
Artikel 17
1.De belanghebbende die op 31 december 1995 recht heeft op een of
meer invaliditeitspensioenen of herplaatsingstoelagen ingevolge de
Abp-wet waarvan de duur niet met ingang van 1 januari 1996 is
verstreken, verkrijgt met ingang van laatstgenoemde datum jegens de
Stichting Pensioenfonds ABP uitsluitend een aanspraak op een
invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage als bedoeld in
artikel 7, tweede lid, voor zover de op 31 december 1995 geldende
aanspraak op invaliditeitspensioen, onderscheidenlijk
herplaatsingstoelage wat hoogte en duur betreft, uitgaat boven de
aanspraak op een WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 32, eerste
lid, juncto artikel 37.
2.Het bestuur van het FAOP maakt de vastgestelde aanspraak op een
WAO-conforme uitkering kenbaar aan het bestuur van de Stichting
Pensioenfonds ABP.
Artikel 18
In het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan
worden bepaald dat het invaliditeitspensioen of de herplaatsingstoelage,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, waarop belanghebbende met ingang van
1 januari 1996 aanspraak heeft, wordt aangepast overeenkomstig
wijzigingen in het recht op de WAO-conforme uitkering, bedoeld in
artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37.
Artikel 19
1.De in artikel 17, eerste lid, bedoelde belanghebbende die op 1
januari 1996 de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot
de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt ten minste
aanspraak op het diensttijdpensioen verminderd met de aanspraak op een
WAO-conforme uitkering.
2.Het diensttijdpensioen, bedoeld in het eerste lid, is het
uitsluitend naar de diensttijd ten tijde van het ontslag berekende
ouderdomspensioen, zonder toepassing van de inbouw van algemeen
pensioen of aftrek van een franchise.
3.Ten aanzien van het diensttijdpensioen is artikel 11 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het
pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden
bepaald dat de aanspraak op diensttijdpensioen kan worden uitgedrukt
in een percentage van de aangepaste middelsom, bedoeld in artikel 11,
eerste lid.
Artikel 20
De artikelen 17 tot en met 19 zijn van overeenkomstige toepassing op
het invaliditeitspensioen van de betrokkene, bedoeld in artikel 59,
eerste lid, na het einde van het recht op diens naar aard en strekking
met herplaatsingswachtgeld overeenkomende uitkering, dan wel diens
herplaatsingswachtgeld, met dien verstande dat in artikel 18, eerste
lid, voor "artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37" dient te
worden gelezen: artikel 32, eerste lid, juncto artikel 42.
§ 5. Verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP
Artikel 21
1.De overheidswerknemers zijn verplicht deel te nemen in de
Stichting Pensioenfonds ABP.
2.[Vervallen.]
3.Op een bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nader te bepalen
tijdstip is de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000 van toepassing. De verplichte deelneming
in de Stichting Pensioenfonds ABP ingevolge het eerste lid wordt met
ingang van die datum aangemerkt als een verplichte deelneming
ingevolge de in de eerste volzin genoemde wet, welke deelneming alsdan
met inachtneming van de in artikel 22, derde lid, geregelde
voorwaarden of van artikel 23, tweede lid, overeenkomstig
laatstbedoelde wet en de op basis daarvan gestelde regels kan worden
gewijzigd of ingetrokken.
4.In afwijking van het derde lid zijn de artikelen 5, 6, 7, 8, 14
en de daarop berustende ministeriėle regeling, 17, 18, 19, 20 en 39,
zesde en zevende lid, van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000 van overeenkomstige toepassing met
ingang van de datum waarop die wet in werking treedt tot het tijdstip
bedoeld in het derde lid.
Artikel 22
1.Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, kan, op het
gezamenlijk verzoek van het bestuur van een B 3-lichaam of een
privaatrechtelijk lichaam dat ingevolge artikel 2, derde lid,
onderdeel b , is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers
deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, en het personeel van dat
lichaam, die aanwijzing door Onze Minister worden ingetrokken.
2.Het verzoek tot intrekking, bedoeld in het eerste lid, kan namens
het personeel worden gedaan door de organisaties die het betrokken
personeel vertegenwoordigen in het arbeidsvoorwaardenoverleg.
3.Intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel b , vindt slechts plaats indien de pensioenaanspraken van:
a. de werknemers van het betrokken lichaam;
b. de gewezen werknemers van het betrokken lichaam, voor zover
zij na hun ontslag niet in dienst zijn getreden van een ander
lichaam als bedoeld in artikel 2 of van een lichaam dat op basis
van vrijwilligheid is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds
ABP, dan wel hun pensioenaanspraken tegenover het ABP of de
Stichting Pensioenfonds ABP geheel teniet zijn gegaan ten gevolge
van waarde-overdracht;
c. de gepensioneerde, gewezen werknemers van het betrokken
lichaam;
d. de nabestaanden van de in de onderdelen a, b en c bedoelde
werknemers;
door middel van collectieve waardeoverdracht worden ondergebracht
bij een andere pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, op
zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in die wet aan de collectieve
waardeoverdracht gestelde eisen.
Artikel 23
1.Op het gezamenlijke verzoek van de sectorwerkgever en de
meerderheid van de binnen de desbetreffende sector representatieve
verenigingen van overheidspersoneel of centrales van
overheidspersoneel kan de verplichte deelneming van de desbetreffende
sector in de Stichting Pensioenfonds ABP door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ingetrokken met ingang van een
datum die niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, is
gelegen.
2.Het derde lid van artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Overgang van het vermogen van het ABP
Artikel 24
1.Met inachtneming van het tweede lid en behoudens artikel 76,
tweede lid, gaan op 1 januari 1996 alle vermogensbestanddelen van het
ABP onder algemene titel over op de Stichting Pensioenfonds ABP.
2.Ter zake van de overgang van vermogensbestanddelen, bedoeld in
het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
3.Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn
gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers
plaatsvinden. De daartoe vereiste opgaven worden door het bestuur van
de Stichting Pensioenfonds ABP aan de beheerders van de desbetreffende
registers gedaan.
Artikel 25
1.Het bestuur van het ABP doet van alle vermogensbestanddelen die
ingevolge artikel 24 op de Stichting Pensioenfonds ABP overgaan, per
31 december 1995 een verklaring opstellen door de accountant, bedoeld
in artikel L 10 van de Abp-wet, en de actuariėle deskundige, bedoeld
in artikel L 11 van die wet, in overleg met een door Onze Minister
aangewezen registeraccountant.
2.De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt door het bestuur
van de Stichting Pensioenfonds ABP neergelegd ten kantore van het
handelsregister waar hij volgens de statuten zijn zetel heeft.
3.De waardering van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen geschiedt volgens de door het bestuur van het
ABP vast te stellen regels, die de goedkeuring behoeven van Onze
Minister.
§ 7. Het personeel van het ABP
Artikel 26
1.Ieder personeelslid van het ABP, wiens werkzaamheden liggen op
het werkterrein van de Stichting Pensioenfonds ABP en ten aanzien van
wie het bestuur van het ABP niet anders heeft beslist, gaat over in
dienst van die stichting op een overeenkomst naar burgerlijk recht
ingaande op 1 januari 1996.
2.De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd, tenzij het
personeelslid is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of
werkzaam is op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In de
laatstgenoemde gevallen geldt de arbeidsovereenkomst voor de periode
dat de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij het ABP zou hebben
voortgeduurd.
3.De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervult
in dienst van het ABP dan wel passend voor hem is te achten.
4.De arbeidsvoorwaarden dienen in totaliteit gelijkwaardig te zijn
aan die welke voor het personeelslid laatstelijk gelden uit hoofde van
zijn dienstverhouding bij het ABP. Het bestuur van het ABP stelt
nadere regels ter zake.
5.De inhoud van de arbeidsovereenkomst bedoeld in het eerste lid,
wordt door het bestuur van het ABP uiterlijk 1 september 1995 aan het
personeelslid voorgelegd.
6.Binnen zes weken na de datum waarop het personeelslid
redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de
arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, kan hij het bestuur
van het ABP mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de overgang in
dienst van de Stichting Pensioenfonds ABP. Door het bestuur van het
ABP worden regels gesteld met betrekking tot het onderzoek van de
bezwaren. Het bestuur van het ABP beslist voor 21 december 1995 op de
bezwaren.
7.Indien het bestuur van het ABP de bezwaren geheel of gedeeltelijk
gegrond verklaart, kan hij in afwijking van het eerste lid beslissen
dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting
Pensioenfonds ABP dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst
met de Stichting Pensioenfonds ABP aanbieden waarvan de inhoud in
overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.
8.Het personeelslid ten aanzien van wie het bestuur heeft beslist
dat hij niet overgaat in dienst van de Stichting Pensioenfonds ABP, is
met ingang van 1 januari 1996 van rechtswege eervol ontslagen uit de
dienst van het ABP. Hij heeft met ingang van die datum gedurende drie
maanden ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP aanspraak op
doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging. Tevens is op hem met
ingang van die datum de ontslaguitkeringsregeling van toepassing die
op 31 december 1995 voor hem gold, met dien verstande dat de
uitbetaling van de uitkering op grond van die regeling wordt
opgeschort tot 1 april 1996 en voor de bepaling van de duur van die
uitkering 1 april 1996 wordt aangemerkt als datum van ontslag.
9.In afwijking van het eerste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot
stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van
het bestuur van het ABP op de bezwaren kenbaar maakt dat de
totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tegen zijn wil is. Het in
dit lid bedoelde personeelslid is met ingang van 1 januari 1996 van
rechtswege eervol ontslagen. Hij heeft per die datum ten laste van de
Stichting Pensioenfonds ABP aanspraak op een bedrag ter grootte van
drie maal zijn laatstelijk genoten maandelijkse bezoldiging.
10.Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de
Stichting Pensioenfonds ABP is het personeelslid van rechtswege eervol
ontslagen uit de dienst van het ABP. Aan een zodanig ontslag wordt
geen recht ontleend op een ontslaguitkering.
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1996]
§ 8
Artikel 28 [Vervallen per 01-06-2001]
Artikel 29 [Vervallen per 01-06-2001]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 31 [Vervallen per 01-06-2001]
§ 9
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 32a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 44a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1998]
§ 10
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1998]
§ 11. Overige en slotbepalingen
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 55
1.Indien op 1 januari 1996 geen overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 28 en 31, tweede lid, en geen algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 31, eerste lid, tot stand zijn gebracht, treden
de bepalingen, bedoeld in artikel 77, de onderdelen b tot en met m,
zoals deze luidden op 31 december 1995, voor die overeenkomsten en
algemene maatregel van bestuur in de plaats, tot het tijdstip waarop
het in de paragraaf 8 bedoelde stelsel in totaliteit in werking kan
treden.
2.Voor zolang toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, treden
het bestuur, onderscheidenlijk de directieraad van de Stichting
Pensioenfonds ABP in de plaats van het bestuur, onderscheidenlijk de
directieraad van het ABP.
Artikel 56
Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de Stichting Verbond
Sectorwerkgevers Overheid aangemerkt als werkgeversvereniging.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 58
1.Degene die op 31 december 1995 recht heeft op een wachtgeld als
bedoeld in artikel A 1, onderdeel i, van de Abp-wet of een daarmee
gelijkgestelde uitkering als bedoeld in artikel A 4 van die wet, en op
grond daarvan ambtenaar was in de zin van die wet, is verplicht deel
te nemen in de Stichting Pensioenfonds ABP zolang zijn recht op
wachtgeld voortduurt.
2.Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde wachtgelder zijn de
bepalingen in de statuten en reglementen van de Stichting
Pensioenfonds ABP van toepassing die gelden ten aanzien van gewezen
overheidswerknemers.
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 61
1.In afwijking van artikel 77, onderdeel a, blijft hoofdstuk S van
de Abp-wet van toepassing ten aanzien van besluiten als bedoeld in het
genoemde hoofdstuk die voor 1 januari 1996 genomen zijn.
2.Ten aanzien van besluiten van het bestuur of de directieraad van
de Stichting Pensioenfonds ABP die genomen zijn naar aanleiding van
verzoeken of aanvragen die voor 1 januari 1996 op basis van de Abp-wet
zijn gedaan, is hoofdstuk S van de Abp-wet van overeenkomstige
toepassing.
3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt dat met
ingang van 1 januari 1996 wordt begrepen onder:
a. bestuur: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. directieraad: de directieraad van de Stichting Pensioenfonds
ABP.
Artikel 62
In afwijking van artikel 77, de onderdelen b tot en met m, blijven de
artikelen W 2 en W 3 van de Amp-wet van toepassing ten aanzien van
besluiten die voor 1 januari 1996 zijn genomen.
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 65
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 66
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 66a
1.Besluiten van het FAOP uit hoofde van zijn taak ingevolge artikel
46, eerste lid, die genomen zijn voor 1 januari 1996, worden tot de
datum waarop het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld
in artikel 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, deze zal
hebben goedgekeurd, doch uiterlijk tot 1 januari 1997, aangemerkt als
te zijn goedgekeurd door dat college, voor zover het betreft besluiten
die:
a. betrekking hebben op het in artikel 49, tweede juncto eerste
lid, van de Wet FVP/ABP bedoelde onderdeel van de begroting
betreffende de in artikel 21a van die wet bedoelde
uitvoeringskosten;
b. de goedkeuring behoeven van het vorengenoemde college op
grond van artikel 15, eerste lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen; of
c. overeenkomstig artikel 18 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die wet luidde op de dag
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel II van
de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, en de artikelen 27 en 28 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn vastgesteld.
2.Ingeval het college, bedoeld in het eerste lid, zijn goedkeuring
onthoudt aan een besluit van het FAOP als bedoeld in het eerste lid,
behoudt het bedoelde besluit zijn gelding gedurende de periode tot aan
de datum van de bedoelde beslissing van het College.
Artikel 67 [Vervallen per 01-07-1998]
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 69
[Wijzigt deze wet]
Artikel 70
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 71
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 72
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 73
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 74
1.Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan Onze
Minister de statistische informatie die deze nodig heeft in verband
met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het
overheidspersoneelsbeleid.
2.Over deze informatieverstrekking worden door Onze Minister en het
bestuur nadere afspraken gemaakt.
Artikel 75
1.De Stichting Pensioenfonds ABP heeft voor de kosten van de op 31
december 1995 reeds ingegane pensioenen ingevolge de Abp-wet, alsmede
voor de kosten van de aanspraken bedoeld in artikel 17, welke ten
gevolge van een ongeval veroorzaakt zijn, verhaal op degene die, bij
het ontbreken van die voorziening, in verband met het veroorzaken van
het ongeval jegens een overheidswerknemer dan wel diens nagelaten
betrekkingen naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de
alsdan door dezen geleden schade.
2.Voor zover het bestuur van het ABP ingevolge artikel P 1 van de
Amp-wet op 31 december 1995 belast was met de uitvoering van op die
datum reeds ingegane pensioenen van nagelaten betrekkingen van
militairen in de zin van die wet, is het eerste lid ten aanzien van de
kosten van die pensioenen van overeenkomstige toepassing, indien die
pensioenen zijn ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
3.De Stichting Pensioenfonds ABP heeft voorts verhaal voor de
kosten van de tussen 31 december 1995 en 1 januari 2001 toegekende
pensioenen die ten gevolge van een ongeval zijn toegekend aan een
overheidswerknemer of zijn nagelaten betrekkingen, op degene die, bij
het ontbreken van die voorziening, in verband met het veroorzaken van
het ongeval jegens een overheidswerknemer dan wel diens nagelaten
betrekkingen naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de
alsdan door dezen geleden schade.
4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de kosten van de tussen 31 december 1995 en 1 januari 2001 toegekende
pensioenen van nagelaten betrekkingen van militairen in de zin van de
Amp-wet, indien die pensioenen zijn ondergebracht bij de Stichting
Pensioenfonds ABP.
5.De artikelen 2 en 3 van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren zijn
ten aanzien van het verhaal, bedoeld in het eerste tot en met het
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 77
Ingetrokken worden:
a. de Abp-wet;
b. de Hoofdstukken G en H van de Amp-wet;
c. de Militaire Weduwenwet 1922;
d. het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor de landmacht
1922, alsmede artikel 76 van die wet, voor zover dat betrekking
heeft op het pensioen voor nagelaten betrekkingen;
e. het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922,
alsmede artikel 77 van die wet, voor zover dat betrekking heeft op
het pensioen voor nagelaten betrekkingen;
f. het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor het
reserve-personeel der landmacht 1923, alsmede artikel 55 van die
wet, voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten
betrekkingen;
g. het tweede hoofdstuk van de Pensioenwet voor het personeel der
Koninklijke marine-reserve 1923, alsmede artikel 55 van die wet,
voor zover dat betrekking heeft op het pensioen voor nagelaten
betrekkingen;
h. artikel 8 van de Bijzondere pensioenwet reserve-personeel
landmacht (Stb. 1949, J 344);
i. artikel 4 van de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de
landstorm 1925;
j. artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen 1914-1918 (Stb.
1948, I 496);
k. het tweede lid van artikel 2 van de Wet van 4 november 1950
tot nadere vaststelling van de regelingen op het gebied van
militaire pensioenen, welke gedurende de vijandelijke bezetting zijn
uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van verschillende wetten,
welke regelen geven inzake militair pensioen (Stb. 1950, K 479);
l. de artikelen 7 en 8 van de Pensioenwet bijzondere groepen
reserve-personeel 1956;
m. artikel 5 van de wet van 22 december 1938, tot wijziging en
aanvulling van de Pensioenwet voor officieren der Koninklijke
marine-reserve, die zich - ter aanvulling van een bij de Koninklijke
Marine bestaand tekort aan beroepsofficieren - krachtens een daartoe
door hen gesloten vrijwillige verbintenis voor onbepaalde tijd in
actieven dienst bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb.
1938, 504).
Artikel 78
1. Deze wet treedt wat betreft de artikelen 4, tweede en zesde lid,
6, 10 tot en met 16, 17, derde lid, 24, derde lid, 25 tot en met 31,
46, 48 en 53 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt wat deze
artikelen betreft terug tot en met 1 augustus 1995.
2. De overige artikelen van deze wet treden in werking met ingang
van 1 januari 1996.
Artikel 79
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering ABP.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 1995
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Minister van Financiėn,
G. Zalm
Uitgegeven de zevenentwintigste december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|