Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 2 juli 1998, houdende
privatisering Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (Wet privatisering
FVP)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Fonds
Voorheffing Pensioenverzekering te privatiseren en in verband hiermee de
Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag voor
het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering, in te trekken en enige aanvullende voorzieningen te
treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Definities
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. FVP-wet: de Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het
kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het
Fonds Voorheffing Pensioenverzekering;
c. fonds: het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, bedoeld in
de FVP-wet;
d. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. werknemer: de persoon die op grond van hoofdstuk I, paragraaf
2, van de Werkloosheidswet wordt aangemerkt als werknemer;
g. pensioenuitvoerder: een pensioenuitvoerder als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet en een pensioenuitvoerder als bedoeld
in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
h. stichting: de aangewezen stichting, bedoeld in artikel 2;
i. doelstelling: de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste
lid.
Artikel 2. Aanwijzing van een stichting
1. Onze Minister wijst een stichting aan die uitsluitend als
doelstellingen heeft door aanwending van haar middelen te voorzien in
aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van werknemers of hun
nagelaten betrekkingen en het kunnen voorzien in bijdragen ter
financiering van onderzoeken en projecten inzake aanvullende
pensioenen.
2. De middelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit de
vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, alsmede uit
de door beleggingen van middelen verkregen resultaten.
3. De aan te wijzen stichting voldoet ten minste aan de volgende
voorwaarden:
a. het bestuur van de stichting is in gelijke verhouding
samengesteld uit in de Sociaal Economische Raad vertegenwoordigde
gezamenlijke centrale werkgeversorganisaties en gezamenlijke
werknemersorganisaties;
b. de stichting wordt in staat geacht de doelstelling naar
behoren uit te voeren.
4. De stichting belegt haar middelen op een solide wijze, rekening
houdend met de aard en de looptijd van haar verplichtingen. De
stichting gaat geen verplichtingen aan voorzover daaraan niet uit haar
middelen kan worden voldaan.
5. Onze Minister kan de aanwijzing van de stichting na een
kennisgeving door de Nederlandsche Bank als bedoeld in artikel 5,
vijfde lid, intrekken.
6. De intrekking, bedoeld in het vijfde lid, heeft de ontbinding
van de stichting ten gevolge en doet een batig saldo van middelen van
de stichting op de staat overgaan.
Artikel 3. Vermogensoverdracht
1.Op de datum waarop het besluit tot aanwijzing van de stichting in
werking treedt gaan alle vermogensbestanddelen van het fonds onder
algemene titel over op de stichting.
2.Het bestuur van het fonds doet van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen door een accountant als bedoeld in artikel 393,
lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een verklaring opstellen,
die door de stichting wordt neergelegd ten kantore van de Kamer van
Koophandel van de plaats waar zij volgens haar statuten haar zetel
heeft.
3.Ingeval op grond van het eerste lid registergoederen overgaan zal
verandering in de tenaamstelling in de openbare registers, bedoeld in
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
plaatsvinden. De daartoe benodigde opgaven worden door de zorg van het
bestuur van het fonds aan de bewaarders van de desbetreffende
registers gedaan.
4.Terzake van de overgang van vermogensbestanddelen, bedoeld in het
derde lid, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Artikel 4. Archiefoverdracht
Archiefbescheiden van het fonds gaan met ingang van de datum waarop
het besluit tot aanwijzing van de stichting in werking treedt over naar
de stichting, voorzover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn
overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Artikel 5. Toezicht
1. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving door de
stichting van alle voorschriften en verplichtingen die op grond van
deze wet ten aanzien van de stichting gelden.
2. De artikelen 152, 153, 163 tot en met 166 van de Pensioenwet
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De Nederlandsche Bank kan een aanwijzing geven aan het bestuur
van de stichting indien:
a. de statuten van de stichting niet voldoen aan artikel 2,
eerste en derde lid;
b. de naleving door de stichting, bedoeld in het eerste lid,
alsmede de gang van zaken bij de stichting haar, hetzij geheel,
hetzij op bepaalde onderdelen, onbevredigend voorkomt.
4. Het bestuur van de stichting volgt een aanwijzing als bedoeld in
het derde lid, binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn
op.
5. Indien het bestuur van de stichting in gebreke blijft binnen de
gestelde termijn gevolg te geven aan een aanwijzing als bedoeld in het
derde lid, stelt de Nederlandsche Bank, voorzover de aanwijzing geen
betrekking heeft op de wijze waarop de stichting het beheer over haar
middelen voert, Onze Minister hiervan in kennis.
6. Kennisgeving aan Onze Minister als bedoeld in het vijfde lid,
vindt niet plaats alvorens de termijn voor het instellen van beroep
tegen de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, is verstreken, dan wel
nadat op het ingestelde beroep definitief is beslist.
Artikel 6. Ondertoezichtstelling
1.Indien het bestuur van de stichting in gebreke blijft gevolg te
geven aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, derde lid, kan de
Nederlandsche Bank, voorzover de aanwijzing betrekking heeft op de
wijze waarop de stichting haar middelen beheert, aan het bestuur van
de stichting aanzeggen dat vanaf een bepaald tijdstip de organen van
de stichting, dan wel de voor de stichting werkzame organen, die
bevoegd zijn tot het beheren van de middelen van de stichting, hun
bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer
door de Nederlandsche Bank daartoe aangewezen personen en met
inachtneming van de opdrachten van deze personen.
2.Indien naar het oordeel van de Nederlandsche Bank onverwijld
ingrijpen noodzakelijk is kan zij zonder voorafgaande aanwijzing als
bedoeld in artikel 5, derde lid, onmiddellijk tot de aanzegging,
bedoeld in het eerste lid, overgaan nadat zij het bestuur van de
stichting in de gelegenheid heeft gesteld haar mening over de
onmiddellijke uitvoering te geven.
3.De organen, bedoeld in het eerste lid, verlenen de door de
Nederlandsche Bank aangewezen personen alle medewerking.
4.De door de Nederlandsche Bank aangewezen personen oefenen hun
bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de bekendmaking
van de aanzegging bedoeld in het eerste lid. De Nederlandsche Bank kan
deze termijn telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Een zodanige
verlenging maakt de Nederlandsche Bank aan het bestuur van de
stichting bekend en wordt terstond van kracht. De Nederlandsche Bank
kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen
vervangen.
5.De Nederlandsche Bank trekt in elk geval de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, in zodra zij van oordeel is dat de noodzaak tot het
treffen van die maatregel niet langer bestaat.
Artikel 7. Verslaglegging en informatieverplichting
1.Het bestuur van de stichting legt aan de Nederlandsche Bank
jaarlijks voor 1 juli een door een accountant als bedoeld in artikel
393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecontroleerd
verslag van het voorgaande boekjaar over, waarin een volledig beeld
van de financiële toestand van de stichting wordt gegeven en waaruit
ten genoegen van de Nederlandsche Bank blijkt dat aan deze wet wordt
voldaan. Het boekjaar van de stichting loopt gelijk met het
kalenderjaar.
2.De Nederlandsche Bank kan aanwijzingen geven met betrekking tot
de vorm en inhoud van het in het eerste lid bedoelde verslag.
3.Het bestuur van de stichting verstrekt de Nederlandsche Bank een
afschrift van haar statuten, stelt de Nederlandsche Bank in kennis van
een voornemen tot wijziging van de statuten en verstrekt de
Nederlandsche Bank onverwijld een authentiek gewaarmerkt afschrift van
de notariële akte waarin een statutenwijziging is neergelegd.
4.Indien het bestuur van de stichting ter nadere uitwerking van de
doelstelling een reglement opstelt zendt het dit reglement, alsmede
iedere wijziging hiervan, onverwijld ter kennisneming aan de
Nederlandsche Bank.
5.Het bestuur van de stichting verstrekt de Nederlandsche Bank
voorts alle informatie die de Nederlandsche Bank voor de uitoefening
van het toezicht noodzakelijk acht.
Artikel 8. Informatie- en medewerkingsplicht
1.Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van
de burgerlijke stand, die met het oog op uitvoering van de
doelstelling worden gevraagd, zijn vrij van leges.
2.Indien de stichting voorziet in aanvullende pensioenvoorzieningen
van werkloze werknemers, verlenen het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de pensioenuitvoerders waaraan bijdragen
worden uitgekeerd, tegen een redelijke kostenvergoeding hun
medewerking aan de uitvoering hiervan. Onder werkloze werknemer wordt
verstaan de werknemer die werkloos is als bedoeld in artikel 16 van de
Werkloosheidswet en als gevolg daarvan een door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgesteld recht op een
uitkering op grond van die wet heeft.
Artikel 9. Kosten
De kosten verbonden aan:
a. de administratieve werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering
van de doelstelling;
b. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 8, tweede
lid;
c. het toezicht door de Nederlandsche Bank, bedoeld in artikel 5,
eerste lid;
d. de door de Nederlandsche Bank te verrichten activiteiten of te
nemen maatregelen die voortvloeien uit het toezicht;
komen ten laste van de stichting.
Artikel 10. Burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer
1.Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer kan door de stichting in een door haar beheerde
persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken van
gegevens daaruit worden gebruikt.
2.De stichting gebruikt dit burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, dit sociaal-fiscaalnummer uitsluitend:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking
heeft;
b. in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf
gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer in een
persoonsregistratie.
Artikel 11. Geheimhouding
In de statuten van de stichting wordt opgenomen dat een ieder die
direct of indirect betrokken is bij de uitvoering van deze wet door de
stichting en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht is
tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voorzover enig wettelijk
voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak
tot mededeling voortvloeit.
Artikel 12. Geschillen
Van burgerlijke rechtsvorderingen terzake van geschillen inzake het
voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen door de stichting neemt de
kantonrechter kennis.
Artikel 13. Wijziging Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
[Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding]
Artikel 14. Overgangsbepaling
Door personen tot de dag van inwerkingtreding van het besluit tot
aanwijzing van de stichting opgebouwde aanspraken, gebaseerd op artikel
4a van de FVP-wet, worden met ingang van de dag van inwerkingtreding van
het besluit tot aanwijzing van de stichting, overgenomen door de
stichting.
Artikel 15. Intrekking FVP-wet en opheffen fonds
1.De Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het
kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het
Fonds Voorheffing pensioenverzekering wordt ingetrokken.
2.Het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering is ontbonden met dien
verstande dat, onverminderd artikel 3, tweede lid, het bestuur van het
fonds nadien de jaarrekening en het jaarverslag van het fonds vast
stelt tot aan de dag van inwerkingtreding van het besluit tot
aanwijzing van de stichting.
3.Zolang bezwaar- of beroepstermijnen van het betreffende besluit
nog niet zijn verstreken, blijft, in afwijking van het eerste lid, de
rechtsgang van de FVP-wet van toepassing op besluiten:
a. van het fonds; en
b. van de stichting indien het recht op een bijdrage voor de
dag van inwerkingtreding van het besluit tot aanwijzing van de
stichting is geëindigd.
4.Bij civielrechtelijke procedures ter zake van handelingen of
besluiten van het fonds alsmede voor de toepassing van het derde lid
treedt de stichting met ingang van de inwerkingtreding van het besluit
tot aanwijzing van die stichting in de plaats van het fonds zonder dat
daarvoor een betekening nodig is en met overneming van
procureurstelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 17. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering FVP.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juli 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|