WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van de naamloze
vennootschap N.V. RBB waarin de vermogensbestanddelen van de Staat die
worden toegerekend aan de Rijks Bedrijfsgezondheids- en
Bedrijfsveiligheidsdienst worden ingebracht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. N.V. RBB: de naamloze vennootschap, genoemd in artikel 2;
c. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de N.V. RBB;
d. het personeelslid: degene die op de dag voorafgaand aan de
overgangsdatum in dienst is bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en
Bedrijfsveiligheidsdienst hetzij als ambtenaar, hetzij op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden op te richten de naamloze vennootschap N.V. RBB waarop van
toepassing zijn de artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, welke vennootschap tot voornaamste doelstelling
zal hebben het als een dienst als bedoeld in artikel 14 van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998, uitoefenen van de taken, bedoeld in
artikel 14, derde lid, van genoemde wet.
2. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat deel te
nemen in verdere plaatsing van kapitaal door de N.V. RBB.
Artikel 3
1. De vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de Rijks
Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst worden toegerekend
gaan op de overgangsdatum onder algemene titel van rechtswege over op
de N.V. RBB.
2. De in het eerste lid geregelde overgang van
vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op aandelen van de
Staat in, respectievelijk als storting op geldleningen van de Staat aan
de N.V. RBB.
3. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën vast tot welke bedragen de in het tweede lid bedoelde inbreng
als storting op geldleningen worden aangemerkt, daarbij tevens bepalend
welk gedeelte van deze geldleningen als achtergesteld wordt aangemerkt.
4. Onze Minister van Financiën doet van de in het eerste lid
bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant een
verklaring opstellen, die door de N.V. RBB wordt neergelegd ten kantore
van het register, bedoeld in artikel 69, eerste lid van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van de plaats waar zij volgens haar statuten haar
zetel heeft.
5. Artikel 94a, eerste en tweede lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek is op de oprichting van de N.V. RBB van toepassing.
6. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld,
zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De
daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van
Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
Artikel 4
1. Ter zake van de verkrijging van de vermogensbestanddelen van
de Staat, bedoeld in artikel 3, blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
2. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt op de
openingsbalans van de N.V. RBB geen goodwill opgevoerd met betrekking
tot de van de Staat overgenomen vermogensbestanddelen.
3. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, vinden met betrekking tot de overgang van
de in artikel 3 bedoelde vermogensbestanddelen van de Staat op de N.V.
RBB, artikel 10, derde lid, en artikel 11 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 geen toepassing.
Artikel 5
1. Ieder personeelslid, ten aanzien van wie Onze Minister niet
anders heeft beslist, gaat over in dienst van de N.V. RBB op een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de
overgangsdatum.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het
personeelslid echter was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde
tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de
arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor
bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in
dienst van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger
zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn
dienstverband bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en
Bedrijfsveiligheidsdienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na de inwerkingtreding van deze wet kan het
personeelslid aan Onze Minister mededelen dat het bezwaren heeft tegen
de overgang in dienst bij de N.V. RBB. Onze Minister stelt nadere regels
met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren en beslist op de
bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel
of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij, in afwijking van het eerste
lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V.
RBB, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB
aanbieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing
op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist
op de bezwaren van het personeelslid als bedoeld in het vijfde en zesde
lid, komt met hem, in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum
geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de
bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de
bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op
de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst
tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van
de Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een
arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB tegen zijn wil is. Indien deze
wilsuiting geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van
het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de N.V. RBB, wordt
nochtans de arbeidsovereenkomst geacht niet tot stand te zijn gekomen.
Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met
inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het
personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel de N.V.
RBB verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden,
waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het
laatstbedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste
dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de
N.V. RBB is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de
dienst van de Staat.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn
bezwaren na de overgangsdatum bij de N.V. RBB in dienst treedt, zal
zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad
indien hij op de overgangsdatum van rechtswege zou zijn overgegaan in
dienst van de N.V. RBB.
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]
Artikel 8
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 9
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering RBB.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 mei 1996
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de eenentwintigste mei 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager