| |
|
|
|
|
vorige
WET
PRIVATISERING SPOORWEGPENSIOENFONDS
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 15 december 1993, houdende
privatisering van het Spoorwegpensioenfonds
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het spoorwegpersoneel in
handen te leggen van de betrokken sociale partners, alsmede de
bemoeienis van de rijksoverheid met en de financiële
verantwoordelijkheid van het rijk voor die pensioenen te beëindigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. Spoorwegpensioenwet: Spoorwegpensioenwet zoals deze luidde op
de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet;
c. Spoorwegpensioenfonds: het Spoorwegpensioenfonds, bedoeld in
artikel L 1 van de Spoorwegpensioenwet;
d. directie: directie, bedoeld in artikel L 1 van de
Spoorwegpensioenwet;
e. Raad van toezicht: Raad van toezicht, bedoeld in artikel L 2
van de Spoorwegpensioenwet;
f. deelgenoot: deelgenoot, bedoeld in artikel B 1 en artikel B 2
van de Spoorwegpensioenwet;
g. gewezen deelgenoot: gewezen deelgenoot, bedoeld in artikel A
1, onderdeel g, van de Spoorwegpensioenwet;
h. N.S.: de N.V. Nederlandse Spoorwegen;
i. Stichting Spoorwegpensioenfonds: de door de N.S. opgerichte
instelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van de Pensioen- en Spaarfondsenwet.
Hoofdstuk II. Overgang vermogen Spoorwegpensioenfonds
Artikel 2
1. Op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gaan
alle vermogensbestanddelen van het Spoorwegpensioenfonds onder
algemene titel over naar de Stichting Spoorwegpensioenfonds.
2. Aan de beheerders van de openbare registers waarin overgang
van rechten of verandering van tenaamstelling kan worden ingeschreven
ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen, worden door de zorg van het bestuur van het
Spoorwegpensioenfonds de daartoe vereiste opgaven gedaan.
Artikel 3
1. Het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds doet van
alle vermogensbestanddelen die aan dat fonds worden toegerekend op de
dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, een verklaring
opstellen door de accountant, bedoeld in artikel L 6 van de
Spoorwegpensioenwet en de wiskundig adviseur, bedoeld in artikel L 12
van de Spoorwegpensioenwet, in overleg met een door Onze Minister
aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een door Onze Minister aangewezen
actuaris.
2. De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt door het
bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds neergelegd ten kantore
van het handelsregister waar hij volgens de statuten zijn zetel heeft.
3. De waardering van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen geschiedt volgens de door het bestuur van het
Spoorwegpensioenfonds vast te stellen regels, die de goedkeuring van
Onze Minister behoeven.
Artikel 4
1. De Stichting Spoorwegpensioenfonds is aan de Staat der
Nederlanden een bedrag verschuldigd ter grootte van het gereserveerde
vermogen dat bestemd is voor de aanspraken voortvloeiende uit reeds
ingegane invaliditeitspensioenen op grond van de Spoorwegpensioenwet
op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, voorzover
die aanspraken het niveau van overeenkomstige aanspraken op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet te boven gaan.
2. Het vermogen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op
basis van de opgebouwde rechten, waarvan het bedrag wordt vastgesteld
door een door Onze Minister aangewezen accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een door
Onze Minister aangewezen actuaris.
Hoofdstuk III. Overgang pensioenaanspraken belanghebbenden
Artikel 5
1. De belanghebbende verkrijgt op het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet aanspraken jegens de Stichting
Spoorwegpensioenfonds die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan het
uitzicht of het recht op pensioen dat hij ontleent aan de
Spoorwegpensioenwet, voor zover in artikel 8 niet anders wordt
bepaald.
2. De belanghebbende verkrijgt de in het eerste lid bedoelde
aanspraken jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds.
3. Het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds verstrekt
aan degene die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet deelgenoot is een schriftelijke opgave van
het uit hoofde van zijn dienstbetrekking opgebouwde uitzicht op pensioen
ingevolge de Spoorwegpensioenwet. Deze opgave bevat de voor het pensioen
geldende diensttijd alsmede de laatste twee berekeningsgrondslagen die
zou zijn gehanteerd indien aan hem pensioen zou zijn verleend op het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.
4. De belanghebbende kan binnen twee maanden na de dag waarop de
in het derde lid bedoelde opgave door hem is ontvangen, schriftelijk
bezwaar aantekenen bij het bestuur van de Stichting
Spoorwegpensioenfonds. Indien hij niet binnen de gestelde termijn
reageert, wordt hij aangemerkt als een belanghebbende die heeft
ingestemd met de opgave.
Artikel 6
1. De belanghebbende die op de dag voorafgaande aan de
intrekking van de Spoorwegpensioenwet, ingevolge artikel D 1, tweede
lid, of artikel T 4 van die wet, de tijd die volgens de Algemene
burgerlijke pensioenwet voor betrokkene als diensttijd in aanmerking
komt (externe diensttijd) mede als diensttijd in de zin van de
Spoorwegpensioenwet in aanmerking zou kunnen doen brengen, heeft een
overeenkomstig recht jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds.
2. Ten aanzien van diensttijd als bedoeld in het eerste lid,
blijven van toepassing:
a. de artikelen D 1 tot en met D 6 en T 4 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet;
b. artikel D 2 van de Spoorwegpensioenwet;
c. artikel V van de wet van 28 april 1976 (Stb. 323);
d. artikel IX, de onderdelen C, K en X, van de wet van 7 mei 1986 (Stb.
303);
e. artikel III, onderdeel B, van de wet van 3 juli 1986 (Stb.
393); zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande, dat het bestuur van
de Stichting Spoorwegpensioenfonds in de plaats treedt van de directie
bedoeld in artikel D 2 van de Spoorwegpensioenwet.
3. Zodra de belanghebbende dit wenst, kan hij om overname
verzoeken van externe diensttijd als bedoeld in het eerste lid.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de belanghebbende
die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet
deelgenoot in de zin van die wet is, het in het derde lid bedoelde
verzoek uitsluitend indienen tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip van
die inwerkingtreding.
5. Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste lid
bedoelde recht, wordt daarvan door het bestuur van de Stichting
Spoorwegpensioenfonds mededeling gedaan aan:
a. het bestuur van het Algemeen burgerlijkpensioenfonds, indien het
diensttijd betreft als bedoeld in artikel D 1, eerste lid en tweede
lid, onderdeel c, van de Algemene burgerlijke pensioenwet;
b. aan Onze Minister van Defensie, indien het diensttijd betreft
als bedoeld in artikel D 1, tweede lid, onderdeel a, van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, niet zijnde tijd als bedoeld in
artikel D 2, derde lid, van die wet.
6. Voor zover de in het vijfde lid bedoelde mededeling diensttijd
betreft als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, wordt door
het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds de wiskundige
reserve van het uitzicht op pensioen dat bij dat fonds is of geacht
wordt te zijn opgebouwd voor degene op wie die mededeling betrekking
heeft, overgedragen aan de Stichting Spoorwegpensioenfonds.
7. Voor zover de in het vijfde lid bedoelde mededeling diensttijd
betreft als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door
Onze Minister van Defensie de actuariële tegenwaarde van het uitzicht
op pensioen dat, ingevolge de Algemene militaire pensioenwet en de
vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet, is opgebouwd
door degene op wie die mededeling betrekking heeft, overgedragen aan de
Stichting Spoorwegpensioenfonds.
8. De in het zesde en zevende lid bedoelde overdracht vindt
plaats binnen drie maanden na ontvangst van de in het vijfde lid
bedoelde mededeling.
9. Door de overname van externe diensttijd door de Stichting
Spoorwegpensioenfonds vervalt het uitzicht of recht van de
belanghebbende op pensioen over die tijd ingevolge de Algemene
burgerlijke pensioenwet of de Algemene militaire pensioenwet.
Hoofdstuk IV. Overgang naar werknemersverzekeringen
Artikel 7
1. Als werknemer in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet wordt
aangemerkt de persoon, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
de inwerkingtreding van deze wet:
a. ten laste van N.S. een uitkering geniet wegens
arbeidsongeschiktheid;
b. een invaliditeitspensioen, een herplaatsingstoelage of een
herplaatsingswachtgeld krachtens de Spoorwegpensioenwet geniet; of
c. ten laste van N.S. een werkloosheidsuitkering danwel wachtgeld
geniet wegens werkloosheid.
2. Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden personen, die op
de dag voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze
wet in een arbeidsverhouding tot N.S. staan, alsmede de in het eerste
lid bedoelde personen, vanaf de dag van indiensttreding bij de N.S. tot
aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als
verzekerd op grond van die wet. Aan de eerste volzin kan geen recht
worden ontleend over tijdvakken gelegen voor het in die volzin bedoelde
tijdstip.
3. Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van
de Werkloosheidwet wordt de arbeidsverhouding tot N.S. van:
a. de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
b. de personen die een herplaatsingswachtgeld krachtens de
Spoorwegpensioenwet genieten op de dag voorafgaande aan het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet;
c. de personen die in verband met omstandigheden als bedoeld in de
artikelen 8, 19 en 19a van de Werkloosheidwet op die dag geen
uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ontvangen
of herplaatsingswachtgeld krachtens de Spoorwegpensioenwet genieten;
en
d. de personen die op die dag in een arbeidsverhouding tot N.S.
staan, maar niet op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet,
als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet aangemerkt. Aan de eerste volzin kan geen recht
worden ontleend over tijdvakken gelegen voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 8
De belanghebbende, die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van deze wet, recht heeft op:
a. een uitkering bij arbeidsongeschiktheid door ziekte ten laste
van N.S.;
b. een invaliditeitspensioen op grond van de Spoorwegpensioenwet;
c. een herplaatsingstoelage op grond van de Spoorwegpensioenwet;
of
d. een herplaatsingswachtgeld op grond van de
Spoorwegpensioenwet, heeft recht op toekenning van een uitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien hij
52 weken arbeidsongeschikt is geweest en de mate van invaliditeit,
vastgesteld overeenkomstig het daartoe bepaalde krachtens de
Spoorwegpensioenwet, tenminste 15% bedraagt. Voor het bepalen van de
periode van 52 weken worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengesteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
een maand opvolgen.
Artikel 9
De door de Directie van het Spoorwegpensioenfonds vastgestelde mate
van algemene invaliditeit, bedoeld in artikel F 7 van de
Spoorwegpensioenwet of de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader
van de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals deze wet luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, is bepalend voor de
vaststelling van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 10
1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldt als
dagloon voor:
a. de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde belanghebbende, de
verdienstegrondslag van N.S. als bedoeld in het Reglement
Dienstvoorwaarden, zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet, waarnaar de uitkering bij
arbeidsongeschiktheid door ziekte wordt berekend op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, gedeeld door 261;
b. de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde belanghebbende, de
middelsom bedoeld in artikel F 5 en aangepast overeenkomstig artikel A
8 van de Spoorwegpensioenwet, welke middelsom wordt vermenigvuldigd
met:
1°. een factor waarvan de teller gelijk is aan 1 en de noemer
aan 261 voor de belanghebbende waarbij artikel F 7a, derde
lid, van die wet is toegepast, of
2°. een factor waarvan de teller gelijk is aan 1 verhoogd met
10%, danwel met een percentage dat overeenkomt met het maximum,
bedoeld in artikel F 5, vierde lid, van die wet, gedeeld door de
aangepaste middelsom, en de noemer aan 261 voor de belanghebbende
waarbij artikel F 7a, derde lid, onderdeel b, van die
wet is toegepast.
c. de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde belanghebbende, de
berekeningsgrondslag van N.S. waarnaar het loon zoals dat gold voor de
oorspronkelijke functie is berekend, aangepast overeenkomstig de
bruto-loonontwikkelingen bij de N.S. tot aan het tijdstip van de
inwerkingtreding van deze wet, gedeeld door 261;
d. de in artikel 8, onderdeel d, bedoelde belanghebbende, de
berekeningsgrondslag van N.S. zoals die geldt op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet gedeeld, door 261.
2. Het dagloon bedraagt ten hoogste het in artikel 17, eerste
lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag, met
betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 11 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 12
1. De belanghebbende, die op
de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet recht heeft op
een uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c ,
of een herplaatsingswachtgeld krachtens de Spoorwegpensioenwet, heeft
vanaf de inwerkingtreding van deze wet recht op een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet, indien hij terzake van de beëindiging van zijn
arbeidsverhouding tot N.S. recht op uitkering op grond van die wet zou
hebben gehad indien die arbeidsverhouding als dienstbetrekking in de zin
van die wet zou zijn aangemerkt, en dat recht nog zou voortduren op
eerstgenoemde tijdstip.
2. De belanghebbende, die op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet in een arbeidsverhouding tot N.S. staat,
maar niet meer op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, heeft
recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vanaf de dag,
waarop dit recht zou zijn ontstaan indien de arbeidsverhouding tot N.S.
als dienstbetrekking in de zin van die wet zou zijn aangemerkt.
3. De belanghebbende die wegens gelijke omstandigheden als
bedoeld in de artikelen 8, 19 en 19a van de Werkloosheidswet op
de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
geen recht heeft op de in het eerste lid bedoelde
NS-werkloosheidsuitkering of op een herplaatsingswachtgeld krachtens de
Spoorwegpensioenwet, heeft recht op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet vanaf de eerste dag na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, waarop dit recht zou zijn ontstaan of
herleven indien de arbeidsverhouding tot N.S. als dienstbetrekking in de
zin van de Werkloosheidswet zou zijn aangemerkt.
Artikel 13
1. Voor de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van de
Werkloosheidswet, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt het recht
op uitkering op grond van die wet aangemerkt te zijn ontstaan op het
tijdstip, waarop de in artikel 7, eerste lid, onderdelen b of c
, bedoelde uitkering of herplaatsingswachtgeld is aangevangen.
2. De resterende uitkeringsduur op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet wordt bepaald door op de, krachtens het
eerste lid vast te stellen uitkeringsduur, de periode waarover de in
artikel 7, eerste lid, onderdelen b of c , bedoelde
uitkering of herplaatsingswachtgeld is ontvangen, in mindering te
brengen.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt de duur van de
uitkering, bedoeld in artikel 42 van de Werkloosheidswet, van de
persoon, wiens uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
c of wiens herplaatsingswachtgeld krachtens de
Spoorwegpensioenwet is aangevangen voor 1 januari 1987 en die op de
ingangsdatum van de uitkering 57,5 jaar of ouder was, op de eerste dag
van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 14
1. Voor de berekening van de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet als bedoeld in artikel 19, eerste lid, geldt als
dagloon de uitkeringsgrondslag waarnaar de uitkering van N.S. wordt
berekend op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet,
gedeeld door 261.
2. Het dagloon van de werknemer, die een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt of - indien het
bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van die wet te zijnen aanzien niet
van toepassing was - zou ontvangen, wordt evenredig verlaagd door het te
vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het
verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse,
waarin de werknemer is ingedeeld en de noemer door het getal 100.
Artikel 15
Voor de toepassing van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (kamerstukken II, 1992/93, 22 284 nr.
2), wordt de datum van aanvang van het invaliditeitspensioen op grond
van artikel E 1 van de Spoorwegpensioenwet en van de
herplaatsingstoelage of het herplaatsingswachtgeld op grond van de
Spoorwegpensioenwet aangemerkt als de aanvang van de uitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en is voorts
hoofdstuk III van eerstgenoemde Wet van overeenkomstige toepassing op de
belanghebbende die op grond van deze wet recht op uitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt verleend.
Artikel 16
Bij de vaststelling van de daglonen, bedoeld in de artikelen 10, 13
en 14 wordt volgens door Onze Minister in overleg met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels, rekening gehouden
met de aanpassing van de bruto-lonen van werknemers in dienstbetrekking
tot N.S., welke plaatsvindt wegens het verschuldigd worden van premies
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Werkloosheidswet, en het niet meer van toepassing zijn van de
Inhoudingswet overheidspersoneel 1982.
Artikel 17
1. De belanghebbende, bedoeld in de artikelen 8 en 12”[Tekstcorrectie:
“12”” moet zijn “12,”] is verzekerd bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. N.S. en het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds
melden de personen als bedoeld in artikel 7 aan bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
3. Het in het eerste lid genoemde Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt ambtshalve van iedere belanghebbende of
verzekerde als bedoeld in dat lid het recht op uitkering, bedoeld in de
artikelen 8 en 12 vast.
Artikel 18
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de
belanghebbende of verzekerde onverwijld schriftelijk in kennis van het
recht op uitkering, de duur en hoogte van de uitkering, alsmede van
het in aanmerking brengen voor voorzieningen, bedoeld in de artikelen
8, 11 en 12.
2. Een beslissing op grond van dit hoofdstuk wordt in voor beroep
vatbare vorm afgegeven, indien de belanghebbende zulks verzoekt.
3. Beroep tegen beslissingen op grond van deze wet is slechts
toegestaan voor zover het zaken betreft die niet reeds onherroepelijk
vaststaan.
Artikel 19
1. Onverminderd deze wet zijn de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet en de op deze
wetten berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het in dit hoofdstuk bedoelde recht op uitkering op
grond van die wetten.
2. Beslissingen en uitkeringen op grond van onderscheidenlijk de
artikelen 8 en 12 van deze wet worden beschouwd als beslissingen en
uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de Werkloosheidswet.
Artikel 20
Het bepaalde in de artikelen 18, tweede lid, en 30, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is niet van toepassing ten aanzien van de belanghebbende, bedoeld in
artikel 8.
Artikel 21
De belanghebbende, die het einde van de hem geldende uitkeringsduur
op grond van de Werkloosheidswet heeft bereikt, wordt voor de toepassing
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel
2, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderdeel b, onder
3° en onderdeel c, onder 3°, van die wet.
Artikel 22
Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
kunnen ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels stellen ten aanzien van bepaalde
categorieën belanghebbenden.
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 24 [Vervallen per 01-05-1994]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 31
Vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet worden
handelingen met betrekking tot invaliditeitspensioenen krachtens de
Spoorwegpensioenwet verricht door de Stichting Spoorwegpensioenfonds
overeenkomstig de bepalingen van de Spoorwegpensioenwet.
Artikel 32
1. In afwijking van artikel 38 van deze wet blijven de
artikelen S 1 en S 2 van de Spoorwegpensioenwet van toepassing ten
aanzien van de in die artikelen bedoelde beslissingen die voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet genomen zijn.
2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat met ingang van
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bestuur van de
Stichting Spoorwegpensioenfonds in de plaats treedt van de Raad van
toezicht.
3. In afwijking van artikel 38 van deze wet is artikel S 2 van de
Spoorwegpensioenwet van toepassing op beslissingen van het bestuur van
de Stichting Spoorwegpensioenfonds die genomen zijn op grond van het
eerste en tweede lid.
4. In afwijking van artikel 38 van deze wet zijn de artikelen S
1, S 2 en S 3 van de Spoorwegpensioenwet van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van besluiten van het bestuur van de Stichting
Spoorwegpensioenfonds die genomen zijn naar aanleiding van verzoeken of
aanvragen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
basis van de Spoorwegpensioenwet zijn gedaan.
5. Beroepen als bedoeld in artikel S 2 van de Spoorwegpensioenwet
worden door de Centrale Raad van Beroep afgehandeld overeenkomstig de
bepalingen van de Spoorwegpensioenwet.
Artikel 33
1. De artikelen D 1, tweede lid en T 4 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing
ten aanzien van de belanghebbende die op het vorenbedoelde tijdstip,
tijd die door de betrokkene is doorgebracht als deelgenoot in de zin
van de Spoorwegpensioenwet of als spoorwegambtenaar in de zin van de
Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (externe diensttijd), mede
als diensttijd in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan
wel mede als diensttijd in de zin van de Algemene militaire
pensioenwet in aanmerking zou kunnen doen brengen.
2. Zodra de belanghebbende dit wenst, kan hij overname aanvragen
van externe diensttijd als bedoeld in het eerste lid.
3. In het geval dat op aanvraag van de belanghebbende toepassing
wordt gegeven aan het eerste lid, wordt daarvan mededeling gedaan aan
het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds door:
a. het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, indien
het een verzoek betreft als bedoeld in artikel D 2 van de Algemeen
burgerlijke pensioenwet,
b. de Minister van Defensie, indien het een verzoek betreft als
bedoeld in artikel D 2 van de Algemene militaire pensioenwet.
4. Het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds draagt de
wiskundige reserve van het uitzicht op pensioen dat bij dat fonds is
opgebouwd door de betrokkene over aan het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds dan wel de Minister van Defensie.
5. De in het vierde lid bedoelde overdracht vindt plaats binnen
drie maanden na ontvangst van de in het derde lid bedoelde mededeling.
6. Door de overname van externe diensttijd door het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds of de Minister van Defensie vervalt het
uitzicht of recht van belanghebbende op pensioen over die tijd jegens de
Stichting Spoorwegpensioenfonds.
Artikel 34
Pensioenen ten aanzien waarvan op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet toepassing is gegeven aan artikel J 1a
of J 14 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel 93, 101, 154
van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers onderscheidenlijk
artikel J 1a , J 2a of M 5 van de Algemene militaire
pensioenwet, worden op aanvraag van de belanghebbende herzien met
inachtneming van de na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
toepasselijke bepalingen inzake samenloop van pensioenen.
Artikel 35
De heffing van overdrachtsbelasting blijft achterwege, terzake van de
overgang van vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 36
De Directie van de Stichting Spoorwegpensioenfonds wordt aangemerkt
als een afnemer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
De Spoorwegpensioenwet wordt ingetrokken.
Artikel 39
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Indien het bij koninklijke boodschap van 11 oktober 1993
ingediende voorstel van wet houdende maatregelen gericht op een goede
financiële basis voor de privatisering van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds en reparatie van de invaliditeitspensioenen (Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP; kamerstukken II 1993/94, 23
442, nrs. 1-3) tot wet wordt verheven, wordt deze wet geacht in werking
te zijn getreden voor eerstbedoelde wet.
Artikel 40
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering
Spoorwegpensioenfonds.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 december 1993
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Minister van Financiën,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage
Uitgegeven de achtentwintigste december 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|