WET van 24 december 1998, houdende
regelen ter beheersing en versnelling van de procedures inzake de aanleg
van de vijfde baan van de Luchthaven Schiphol (Wet procedures vijfde
baan Schiphol)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het
oog op een versnelde aanleg en gebruik van de vijfde baan ten behoeve
van het luchtvaartterrein Schiphol en de rechtstreeks daarmee verband
houdende voorzieningen wettelijke maatregelen te treffen, erop gericht
dat de onderscheidene procedures die daartoe nog doorlopen moeten
worden, beter kunnen worden beheerst en sneller kunnen worden afgerond
dan het geval is op grond van de reguliere wetgeving;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Begripsbepaling
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. Onze Ministers: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer gezamenlijk;
c. Schiphol: het luchtvaartterrein Schiphol;
d. Planologische Kernbeslissing: deel 4 van de Planologische
Kernbeslissing Schiphol en omgeving (kamerstukken II 1994/95,
23 552, nr. 52);
e. Aanwijzing Schiphol: besluit van Onze Minister van 23 oktober
1996, houdende aanwijzing ex artikel 27 jo. artikel 24 Luchtvaartwet
van het luchtvaartterrein Schiphol, alsmede besluit van Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
van 23 oktober 1996, houdende aanwijzingen ex artikel 26
Luchtvaartwet jo. artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
inzake de geluidszones rond het luchtvaartterrein Schiphol (Stcrt
211);
f. vijfde baan: baan 18/36 als aangegeven in artikel 5, tweede
lid, onderdeel a, van de Aanwijzing Schiphol;
g. planologische medewerking verlenen: het nemen van een of meer
besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening met
uitzondering van besluiten op aanvragen om aanlegvergunning – door
een gemeentebestuur, het bestuur van een regionaal openbaar lichaam
of van de provincie waarin de betrokken gemeente is gelegen,
waardoor de aanleg van de vijfde baan ten behoeve van Schiphol of
het gebruik van die baan kan plaatsvinden, alsmede de met die aanleg
of dat gebruik verband houdende voorzieningen kunnen worden
uitgevoerd, zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet
op de Ruimtelijke Ordening.
Paragraaf 2. Maatregelen op het gebied van de ruimtelijke ordening
Artikel 2
1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
enig bestemmingsplan, dat door het gemeentebestuur van Haarlemmermeer
ten behoeve van de aanleg van de vijfde baan en de rechtstreeks
daarmee verband houdende voorzieningen in procedure is gebracht, niet
onherroepelijk is geworden, geldt, in afwijking van de artikelen 25,
eerste lid, 26 en 28, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, eerste
volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor de totstandkoming
van het desbetreffende bestemmingsplan het volgende:
a. dat bestemmingsplan wordt binnen zes weken na inwerkingtreding
van deze wet vastgesteld;
b. het raadsbesluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan wordt
terstond ter inzage gelegd;
c. gedeputeerde staten beslissen omtrent de goedkeuring van het
besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan binnen twaalf weken
te rekenen van de dagtekening van het besluit, met dien verstande,
dat, indien het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan is
vastgesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet,
deze termijn twaalf weken bedraagt, verminderd met de tijd, dat de
beslissing omtrent de goedkeuring reeds in behandeling bij
gedeputeerde staten is, echter met een minimum van vier weken;
d. gedeputeerde staten maken hun besluit omtrent de goedkeuring van
dat bestemmingsplan terstond bekend;
e. het goedgekeurde bestemmingsplan wordt terstond na de
goedkeuring ter inzage gelegd.
2. Indien burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer op basis
van een verzoek van een belanghebbende om vrijstelling als bedoeld in
artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van de
aanleg van de vijfde baan en de rechtstreeks daarmee verband houdende
voorzieningen, voornemens zijn die vrijstelling te verlenen, geschiedt
de verlening in afwijking van artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 en 10 van deze wet.
Artikel 3
1. Indien planologische medewerking niet of niet tijdig wordt
verleend, kunnen Onze Ministers vrijstelling verlenen van bepalingen
in het betrokken bestemmingsplan ten aanzien van de aanleg van de
vijfde baan en de rechtstreeks daarmee verband houdende voorzieningen,
voor zover die bepalingen zich niet verdragen met de Planologische
Kernbeslissing en met de Aanwijzing Schiphol.
2. Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid plegen Onze
Ministers overleg met het betrokken gemeentebestuur.
3. Het besluit van Onze Ministers wordt terstond bekendgemaakt
aan het gemeentebestuur en het provinciaal bestuur. Het besluit wordt
voorts in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 3. Andere besluiten
Artikel 4
1. De belanghebbende draagt er zorg voor dat zo spoedig
mogelijk bij de bevoegde bestuursorganen de aanvragen worden ingediend
tot het nemen van de besluiten die nodig zijn met het oog op de aanleg
van de vijfde baan van Schiphol en de rechtstreeks daarmee verband
houdende voorzieningen, met uitzondering van de in artikel 2, eerste
lid, bedoelde besluiten inzake het verlenen van planologische
medewerking en de in paragraaf 5 bedoelde besluiten, gericht op de
onteigening van percelen.
2. De NV Luchthaven Schiphol is eveneens bevoegd de in het eerste
lid bedoelde aanvragen in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.
3. De belanghebbende zendt gelijktijdig een afschrift van de
aanvragen aan Onze Minister. Onze Minister zendt een afschrift van de
aanvragen aan Onze Minister wie het mede aangaat.
Artikel 5
Op de voorbereiding van de in artikel 6 bedoelde besluiten is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien
verstande dat:
a. in afwijking van artikel 3:11, eerste lid, van die wet de
aanvragen tot het nemen van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
besluiten ter inzage worden gelegd;
b. de ingevolge de artikelen 3:12 en 3:13 van die wet vereiste
kennisgevingen worden gedaan door Onze Minister;
c. de terinzagelegging tevens geschiedt op het Ministerie van
Verkeer en Waterstaat;
d. artikel 3:18 van die wet buiten toepassing blijft.
Artikel 6
1. Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding
van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde besluiten en van de overige
ambtshalve te nemen besluiten.
2. Onze Minister kan van andere betrokken bestuursorganen de
medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig
is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.
Artikel 7
1. De bestuursorganen tot wie de aanvragen om de in artikel 4,
eerste lid, bedoelde besluiten zijn gericht, nemen de besluiten binnen
twaalf weken na afloop van de in artikel 3:16 van de Algemene wet
bestuursrecht bedoelde termijn en zenden deze onverwijld toe aan Onze
Minister.
2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde termijn van
twaalf weken in bijzondere omstandigheden verlengen.
Artikel 8
1. Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te
beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet
of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze
Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een
beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun
besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde
bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers
voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen
zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op
de aanvraag te beslissen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in
artikel 6, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
Artikel 9
Indien bij de toepassing van artikel 8 de beslissing op een aanvraag
wordt genomen door Onze in dat artikel bedoelde Ministers, stort het
bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de
aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
Artikel 10
De in de artikelen 4, eerste lid, 8 en 19, eerste en tweede lid,
bedoelde besluiten worden door Onze Minister bekendgemaakt. Zij worden
voorts in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 4. Beroep
Artikel 11
1. Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 2, 3, eerste
lid, 4, eerste lid, 8 en 19, eerste en tweede lid, kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State.
2. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
3. In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht
vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de
besluiten, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 8 en 19, eerste en
tweede lid, aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 10
bedoelde bekendmaking is geschied.
Artikel 12
1. Met betrekking tot beroepen tegen de in artikel 11, eerste
lid, bedoelde besluiten beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State binnen twaalf weken na ontvangst van het verweerschrift
van het desbetreffende bestuursorgaan.
2. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling deze termijn met
ten hoogste zes weken verlengen.
Artikel 13
1. Indien over het ontwerp van een besluit van een
gemeentebestuur, een bestuur van een regionaal openbaar lichaam of
provinciaal bestuur, dat dient voor het verlenen van planologische
medewerking, zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen
deze zienswijzen geen grond vinden in zienswijzen over de
Planologische Kernbeslissing of over de Aanwijzing Schiphol.
2. Indien tegen een besluit van een gemeentebestuur, een bestuur
van een regionaal openbaar lichaam of provinciaal bestuur, dat dient
voor het verlenen van planologische medewerking, dan wel een besluit van
Onze Ministers op grond van artikel 3, eerste lid, beroep kan worden
ingesteld, kan dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen de
Planologische Kernbeslissing of tegen de Aanwijzing Schiphol.
3. Indien over een ontwerp van een in artikel 4, eerste lid,
bedoeld besluit zienswijzen naar voren worden gebracht, kunnen deze
zienswijzen geen grond vinden in zienswijzen over de Planologische
Kernbeslissing of over de Aanwijzing Schiphol.
4. Indien tegen een besluit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, 8
of 19, eerste of tweede lid, beroep wordt ingesteld, kan dat beroep geen
grond vinden in bedenkingen tegen deel 4 van de Planologische
Kernbeslissing of tegen de Aanwijzing Schiphol.
Paragraaf 5. Grondgebruik en grondverwerving
Artikel 14
Onteigening van onroerende zaken en van rechten als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de onteigeningswet ten behoeve van werken
niet voor de luchtvaart, welke met het oog op de rechtstreeks met de
aanleg van de vijfde baan van Schiphol verband houdende voorzieningen
dienen te worden onteigend, geschiedt ingevolge het besluit, bedoeld in
artikel 72a van de onteigeningswet.
Artikel 15
Het vonnis van onteigening van de rechtbank kan slechts in de
openbare registers worden ingeschreven nadat de Planologische
Kernbeslissing en de Aanwijzing Schiphol onherroepelijk zijn geworden.
Artikel 16
1. Onverminderd artikel 15 en in afwijking van de artikelen
54f, derde volzin, 54n en 59 van de onteigeningswet wordt het vonnis
van de rechtbank binnen acht weken nadat het is uitgesproken in de
openbare registers ingeschreven, ongeacht daartegen ingesteld verzet
of cassatie.
2. In afwijking van de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet
is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving geen
verklaring van de griffier dat het vonnis in kracht van gewijsde is
gegaan, benodigd doch een verklaring van de griffie van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit blijkt dat
de Planologische Kernbeslissing en de Aanwijzing Schiphol onherroepelijk
zijn geworden.
Artikel 17
Indien bij de uitvoering van werken, ten aanzien waarvan een of meer
besluiten als bedoeld in artikel 4 zijn genomen, blijkt, dat voor de
uitvoering toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht nodig is en
de noodzaak van die toepassing in redelijkheid niet was te voorzien, kan
Onze Minister een duurzame of tijdelijke verplichting opleggen als
bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van die wet. Aan de verplichting
kunnen voorwaarden of beperkingen worden verbonden.
Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
tegen de beslissing van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring van
een plan als bedoeld in artikel 2 beroep kan worden ingesteld dan wel
is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
beslist de Afdeling binnen twaalf weken na ontvangst van het
verweerschrift dan wel, indien het verweerschrift reeds is ontvangen,
binnen twaalf weken na dat tijdstip. Artikel 12, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien de uitspraak van gedeputeerde staten of een uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidt tot
gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan bestemmingsplan
is op de vaststelling van een nieuw plan artikel 2 van toepassing.
Artikel 19
1. Op aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en
artikel 4, eerste lid, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet zijn ingediend maar waarop op dat tijdstip nog niet is
beslist, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing, met dien
verstande, dat de termijn genoemd in artikel 7, eerste lid, twaalf
weken bedraagt, verminderd met de tijd, dat de aanvraag reeds bij het
bestuursorgaan in behandeling is tot een minimum van vier weken.
2. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
een aanvraag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 4, eerste
lid, is beslist en tegen het desbetreffende besluit bezwaar is gemaakt,
beslist het desbetreffende bestuursorgaan binnen vier weken na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op het bezwaar.
3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tegen
een besluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of tegen de uitspraak
op een bezwaar tegen zulk een besluit beroep is ingesteld, beslist het
orgaan, dat op het beroep moet beslissen, binnen twaalf weken na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op het beroep. Tegen deze
beslissing staat geen hoger beroep open.
4. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op
een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, of op een bezwaar
tegen een besluit op een dergelijke aanvraag is beslist, maar de
bezwaartermijn respectievelijk beroepstermijn nog niet is verstreken,
kan iedere belanghebbende, tenzij deze reeds bezwaar heeft gemaakt dan
wel beroep heeft ingesteld bij het desbetreffende orgaan, binnen zes
weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep instellen
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Reeds
ingediende bezwaarschriften worden door het bestuursorgaan, waarbij die
zijn ingediend, aangemerkt als beroepschrift en doorgestuurd naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Reeds ingediende
beroepschriften worden door het bestuursorgaan of de rechtbank, waarbij
die zijn ingediend, eveneens doorgestuurd naar de Afdeling
bestuursrechtspraak.
5. Op de behandeling van de bezwaren en beroepen als bedoeld in
het tweede respectievelijk derde lid zijn de artikelen 11, derde lid, 12
en 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 21
Deze wet wordt aangehaald als: Wet procedures vijfde baan Schiphol.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 december 1998
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos-Koomen
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer a.i.,
J.W. Remkes
Uitgegeven de zesentwintigste januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|