WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op
de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de
instelling van de Raad voor de rechtspraak;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
Artikel II
[Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren]
Artikel III
[Wijzigt de Beroepswet]
Artikel IV
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel V
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]
Artikel VI
1. Degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet zijn aangewezen als kwartiermaker voor de Raad voor de
rechtspraak worden van rechtswege benoemd als lid van de Raad voor de
rechtspraak. Degene in wiens besluit tot aanwijzing als kwartiermaker
is bepaald dat hij beoogd voorzitter van de Raad voor de rechtspraak
is, wordt tevens van rechtswege benoemd als voorzitter van de Raad
voor de rechtspraak.
2. Artikel 84, derde lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie is van overeenkomstige toepassing.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien
van de kwartiermakers die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet een functie vervullen die in artikel 84, uitgezonderd het
zevende lid, onderdeel g, van de Wet op de rechterlijke organisatie
wordt aangemerkt als onverenigbaar met het lidmaatschap van de Raad voor
de rechtspraak. Het eerste en tweede lid zijn tevens niet van toepassing
ten aanzien van de kwartiermakers waarvoor in het besluit tot aanwijzing
als kwartiermaker is bepaald dat zij beoogd niet-rechterlijk lid van de
Raad voor de rechtspraak zijn en die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of
met rechtspraak belast lid van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven zijn.
Artikel VII
[Wijzigt de Wet organisatie en bestuur gerechten]
Artikel VIII
Bij het voor de eerste maal vaststellen van de in artikel 97 van de
Wet op de rechterlijke organisatie bedoelde algemene maatregel van
bestuur stelt Onze Minister, alvorens een voordracht daarvoor te doen,
degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet
zijn aangewezen als kwartiermaker voor de Raad voor de rechtspraak in de
gelegenheid schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken en wordt in de
nota van toelichting bij de algemene maatregel van bestuur aangegeven in
hoeverre en op welke gronden van deze zienswijze is afgeweken.
Artikel VIIIa
1. De door de gerechten voor de inwerkingtreding van deze wet
voor het jaar 2002 opgestelde en door Onze Minister goedgekeurde
jaarplannen gelden voor de toepassing van deze wet als jaarplannen als
bedoeld in artikel 31.
2. Het door degenen die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet als kwartiermaker voor de Raad voor de
rechtspraak zijn aangewezen voor het jaar 2002 opgestelde en door Onze
Minister goedgekeurde jaarplan geldt voor de toepassing van deze wet als
jaarplan als bedoeld in artikel 102.
Artikel VIIIb
Ten aanzien van het begrotingsvoorstel van de Raad, bedoeld in
artikel 98, eerste lid, voor het jaar 2003 geldt dat:
a. het in artikel 98, tweede lid, bedoelde overleg met de
gerechten tevens kan worden gevoerd met degenen die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als kwartiermaker
voor de Raad voor de rechtspraak zijn aangewezen;
b. dit wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de
aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van Justitie van
18 mei 2001 aangeboden Notitie hoofdlijnen amvb bekostiging
(Kamerstukken II 2000/01, 27 182, nr. 41), zonodig in afwijking
van de regels bedoeld in artikel 97, eerste lid.
Artikel VIIIc
1. In afwijking van artikel 100 kent Onze Minister voor het
jaar 2002 een budget toe aan de Raad dat gelijk is aan het in
hoofdstuk VI van de rijksbegroting ten behoeve van de Raad opgenomen
bedrag.
2. In afwijking van artikel 98, eerste lid, en artikel 99, eerste
tot en met derde lid, kan Onze Minister, op voorstel van de Raad, aan de
toekenning van het budget aan de Raad voor het jaar 2002 voorschriften
verbinden.
Artikel VIIId
In afwijking van artikel 29 kent de Raad aan de gerechten voor het
jaar 2002 een budget toe met inachtneming van het bepaalde in de aan de
Tweede Kamer bij brief van de Minister van Justitie van 18 mei 2001
aangeboden Notitie hoofdlijnen amvb bekostiging (Kamerstukken II
2000/01, 27 182, nr. 41).
Artikel VIIIe
1. In afwijking van artikel 35 sluiten de Raad en de gerechten
een convenant waarin de verantwoording over het jaar 2001 wordt
geregeld.
2. In afwijking van artikel 104 sluiten Onze Minister en de Raad
een convenant waarin de verantwoording over het jaar 2001 wordt
geregeld.
Artikel IX
Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaren na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel X
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister
van Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en
hoofdstukken van de Wet op de rechterlijke organisatie opnieuw vast, en
brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen,
paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van die wet met de nieuwe
nummering in overeenstemming.
Artikel XI
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel XII
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Raad voor de rechtspraak.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 december 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de achttiende december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals