WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het op
basis van de resultaten van de Europese Conventie te sluiten verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa aan een raadplegend referendum
te onderwerpen, teneinde de betrokkenheid van de burgers bij de
toekomstige hervormingen van de Europese Unie die voortvloeien uit de
Europese Conventie te verhogen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en
Koninkrijksrelaties;
b. referendum: raadplegend referendum, bedoeld in artikel 2;
c. referendumcommissie: referendumcommissie, genoemd in artikel
24;
d. verdrag: verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor
Europa.
Artikel 2
Er wordt een raadplegend referendum gehouden over het verdrag, zoals
dat is ondertekend voor het Koninkrijk.
Hoofdstuk 2. De kiesgerechtigdheid
Artikel 3
1. Kiesgerechtigd voor het referendum zijn diegenen die
kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
2. Voor de beoordeling of aan de vereisten voor het kiesrecht is
voldaan, is de toestand op de drieënveertigste dag voor de stemming,
bedoeld in artikel 8, bepalend. Het vereiste van het hebben bereikt van
de achttienjarige leeftijd wordt beoordeeld naar de toestand op de dag
van de stemming.
Artikel 4
Artikel B 6 van de Kieswet is van toepassing.
Artikel 5
De registratie van de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de
gemeente in de gemeentelijke administratie voor de verkiezingen van de
Tweede Kamer geldt tevens als registratie van de kiesgerechtigdheid voor
het referendum.
Artikel 6
De artikelen 34 en 35 van de Tijdelijke referendumwet zijn van
toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 34, eerste en tweede lid, in plaats van «elk
nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
b. in artikel 34, derde lid, in plaats van «vanaf het tijdstip
waarop het besluit van de voorzitter van het centraal stembureau tot
toelating van het inleidend verzoek tot het houden van een
referendum onherroepelijk is geworden» wordt gelezen: met ingang
van de dag waarop deze wet in werking is getreden;
c. in artikel 34, vierde lid, in plaats van «de dagtekening van
het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110» wordt gelezen: de
dagtekening van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Hoofdstuk 3. Kieskringen, stemdistricten en stembureaus
Artikel 7
1. Artikel E 1, eerste lid, van de Kieswet is van toepassing.
2. De artikelen 37, 38, 41, eerste lid, en 42 van de Tijdelijke
referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing,
met dien verstande dat:
a. in artikel 38, derde lid, in plaats van «een referendum» wordt
gelezen: het referendum;
b. in artikel 41, eerste lid, in plaats van «nationale referenda»
wordt gelezen: het referendum.
3. De hoofdstembureaus voor de verkiezing van de leden van de
Tweede Kamer treden op als hoofdstembureaus voor het houden van het
referendum.
Hoofdstuk 4. De stemming
Artikel 8
1. De referendumcommissie stelt zo spoedig mogelijk de dag van
de stemming vast, in overeenstemming met Onze Minister. De
bekendmaking van het besluit geschiedt door kennisgeving in de
Staatscourant.
2. Als dag van de stemming wordt aangewezen:
a. indien het verdrag voor, op of binnen vijf weken na de datum met
ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, is of
wordt ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn
die aanvangt op de vijfentachtigste dag en eindigt vijf maanden na de
datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn
benoemd;
b. indien het verdrag ten minste vijf weken na de datum met ingang
waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, wordt
ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn die
aanvangt op de vijftigste dag en eindigt vier maanden na de datum
waarop het verdrag is ondertekend voor het Koninkrijk.
3. De artikelen 110, derde lid, en 111 van de Tijdelijke
referendumwet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 110, derde lid, in plaats van «vier maanden» wordt
gelezen: vier dan wel vijf maanden;
b. in artikel 111, eerste lid, in plaats van «artikel 110, tweede
lid» wordt gelezen: artikel 8, tweede lid.
Artikel 9
1. De tekst van het verdrag is gedurende vier weken
voorafgaande aan de stemming kosteloos ter secretarie van elke
gemeente verkrijgbaar. De burgemeester brengt dit ter openbare kennis.
2. De burgemeester draagt er zorg voor dat de samenvatting,
bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, ten minste veertien
dagen voor de stemming aan het adres van de kiezers wordt bezorgd.
3. Bij de samenvatting wordt van de verkrijgbaarheid van de tekst
van het verdrag ter gemeentesecretarie mededeling gedaan.
Artikel 10
De artikelen 115 tot en met 120 van de Tijdelijke referendumwet,
zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien
verstande dat:
a. in artikel 115 in plaats van «de aan het referendum
onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit»
wordt gelezen: het verdrag;
b. in artikel 115 in plaats van «de wet of het besluit» wordt
gelezen: het verdrag;
c. in onderdeel a van artikel 117 in plaats van «datum van het
koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het
besluit, bedoeld in artikel 112» wordt gelezen: drieënveertigste
dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
d. in onderdeel d van artikel 117 in plaats van «de wet of het
besluit» wordt gelezen: het verdrag;
e. in artikel 118, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum
van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110,
onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt
gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel
8,;
f. in artikel 119, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum
van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110,
onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt
gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel
8,;
g. in artikel 119, tweede lid, onderdeel c, in plaats van
«artikel 34» wordt gelezen: artikel 6;
h. in artikel 120, eerste lid, in plaats van «een nationaal
referendum» wordt gelezen: het referendum;
i. in artikel 120, eerste lid, in plaats van «datum van het in
artikel 110 bedoelde koninklijk besluit» wordt gelezen:
drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8;
j. in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de
aan het referendum onderworpen wet» wordt gelezen: het verdrag.
Hoofdstuk 5. De stemopneming door het stembureau
Artikel 11
De artikelen 121, 122, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 122,
tweede lid, 123, 124 en 125, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke
referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing,
met dien verstande dat:
a. in artikel 122, eerste lid, onderdelen a en b, in plaats van
«de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum
onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag;
b. in artikel 123, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de
wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
c. in artikel 123, eerste lid, en in artikel 125, eerste lid, de
woorden «en kiesgerechtigden» buiten toepassing blijven.
Artikel 12
De burgemeester draagt er zorg voor dat de processen-verbaal, met
daarbij gevoegd de opgaven van de door hem vastgestelde aantallen
stemmen, onverwijld worden overgebracht naar de voorzitter van het
hoofdstembureau.
Artikel 13
Artikel 127 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31
december 2004 is van toepassing.
Hoofdstuk 6. De vaststelling van de uitslag van het referendum
Artikel 14
De artikelen 128 tot en met 131, 133, eerste lid, 134, 135, eerste
tot en met derde lid, en 136, onderdelen a tot en met d, van de
Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van
toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 129, eerste lid, in plaats van «provincie» wordt
gelezen «kieskring» en de woorden «en van de in de artikelen 122
en 125, derde lid, bedoelde aantallen kiesgerechtigden voor het
referendum» buiten toepassing blijven;
b. in artikel 131 in plaats van «artikel 126» wordt gelezen:
artikel 12;
c. in artikel 135, eerste lid, in plaats van «een nationaal
referendum» wordt gelezen: het referendum;
d. in artikel 136, onderdelen a en b, in plaats van «de aan het
referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen
besluit» wordt gelezen: het verdrag.
Artikel 15
Het centraal stembureau stelt vervolgens vast of een meerderheid van
de kiesgerechtigden die bij de stemming een geldige stem hebben
uitgebracht zich voor het verdrag heeft uitgesproken.
Artikel 16
De artikelen 138 en 139 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die
luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing.
Artikel 17
De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van het
referendum zo spoedig mogelijk openbaar door plaatsing van een afschrift
van het proces-verbaal in de Staatscourant.
Artikel 18
De voorzitter van het centraal stembureau doet een afschrift van het
proces-verbaal toekomen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
en Onze Minister.
Artikel 19
Artikel 142 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31
december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in het tweede
lid in plaats van «artikel 126» wordt gelezen: artikel 12.
Hoofdstuk 7. Bepalingen inzake beroep
Artikel 20
Geen beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een besluit van het stembureau, het hoofdstembureau of de
burgemeester inzake het verloop van de stemming, de stemopneming en
de vaststelling van de uitslag van het referendum;
b. het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Artikel 21
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen besluiten van het
centraal stembureau inzake het verloop van de stemming, de stemopneming
en de vaststelling van de uitslag van het referendum.
Artikel 22
Artikel 145 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31
december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van
«artikel 144» wordt gelezen: artikel 21.
Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
Artikel 23
De artikelen 147 en 150 tot en met 164 van de Tijdelijke
referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing,
met dien verstande dat in de artikelen 147, 150, eerste lid, 151 tot en
met 156, 157, eerste lid, en 159 tot en met 161 in plaats van «een
referendum» wordt gelezen: het referendum.
Hoofdstuk 9. De referendumcommissie
Artikel 24
1. Er is een referendumcommissie.
2. De referendumcommissie bestaat uit een voorzitter en vier
andere leden.
3. De leden van de referendumcommissie worden door de Tweede
Kamer der Staten-Generaal benoemd. De benoeming van de voorzitter vindt
plaats op voordracht van de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid, de overige leden worden benoemd op voordracht van
onderscheidenlijk de Kiesraad, de Adviesraad internationale
vraagstukken, de Raad voor het openbaar bestuur en de
Sociaal-Economische Raad. Elk van de adviesorganen, genoemd in de tweede
volzin, doet een voordracht van ten minste twee personen.
4. Indien het verdrag voor de datum van inwerkingtreding van deze
wet is ondertekend voor het Koninkrijk, worden de leden zo spoedig
mogelijk na de inwerkingtreding van deze wet benoemd.
Artikel 25
1. De referendumcommissie heeft een secretaris.
2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de
referendumcommissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de
referendumcommissie.
3. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.
4. De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de
referendumcommissie.
5. Onze Minister benoemt de secretaris en de andere medewerkers.
Artikel 26
1. De referendumcommissie heeft tot taak:
a. het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid;
b. het vaststellen van een feitelijke samenvatting van het verdrag;
c. het verstrekken van subsidies ten behoeve van maatschappelijke
initiatieven die zich ten doel stellen het publieke debat in Nederland
over het verdrag dan wel het referendum te bevorderen.
2. De referendumcommissie stelt een regeling vast met betrekking
tot:
a. de nadere bepaling van de activiteiten waarvoor subsidie kan
worden verstrekt en de wijze van verstrekking;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag
wordt bepaald;
c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de bevoegdheid om besluiten te nemen over subsidieverlening;
e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
f. de verplichtingen voor de subsidieontvanger, waaronder de
rapportage over toepassing van de subsidie;
g. de vaststelling van de subsidie;
h. de betaling van de subsidie en de eventuele verlening van
voorschotten en
i. overige onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering van
dit hoofdstuk.
3. Het subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is € 1 miljoen.
4. In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de referendumcommissie zo spoedig mogelijk na de
afwikkeling van de krachtens het eerste lid, onderdeel c, verstrekte
subsidies een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid en de
doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk. Het
verslag wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegezonden en
algemeen verkrijgbaar gesteld.
Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Artikel 27
Artikel 167 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31
december 2004 is van toepassing.
Artikel 28
Indien de Tijdelijke referendumwet is vervallen voor het tijdstip
waarop deze wet vervalt, wordt in deze wet in plaats van «Tijdelijke
referendumwet» gelezen: Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op
31 december 2004.
Artikel 29
1. Onze Minister kan bepalen dat tijdens het referendum
experimenten plaatsvinden met het oog op nieuwe voorzieningen die de
kiesgerechtigde in Nederland in staat stellen om in een stemlokaal
naar keuze te stemmen.
2. Op experimenten als bedoeld in het eerste lid is hetgeen bij
of krachtens de Experimentenwet Kiezen op Afstand met betrekking tot
zodanige experimenten is bepaald, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke
referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 treedt deze wet in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. In afwijking van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde
op 31 december 2004 kan over deze wet geen referendum op grond van de
Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 worden
gehouden.
Artikel 31
Deze wet vervalt op een door bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. Dit tijdstip ligt na de vaststelling van het verslag, bedoeld
in artikel 26, vierde lid.
Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Wet raadplegend referendum Europese
Grondwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 januari 2005
BEATRIX
De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
Th.C. de Graaf
Uitgegeven de derde februari 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner