Nadere regelgeving:
- Besluit
informatie inzake rampen en zware ongevallen
- Besluit
kwaliteitscriteria planvorming rampenbestrijding (vervallen)
- Besluit
risico’s zware ongevallen 1999
- Regeling provinciale risicokaart
- Regeling
risico's zware ongevallen 1999'
WET van 30 januari 1985, houdende regels
inzake de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
geven over de rampenbestrijding en over de voorbereiding daarop;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. ramp of zwaar ongeval: een gebeurtenis
1°. waardoor een ernstige verstoring van de openbare
veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van
vele personen, het milieu of grote materiële belangen in
ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en
2°. waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en
organisaties van verschillende disciplines is vereist om de
dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
c. brandweerregio: een regio als bedoeld in artikel 3 van de
Brandweerwet 1985;
d. GHOR-regio: een intergemeentelijk samenwerkingsverband inzake
de geneeskundige hulpverlening als bedoeld in artikel 3 van de Wet
geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen;
e. het regionale college: het regionale college als bedoeld in
artikel 22 van de Politiewet 1993.
Hoofdstuk II. Voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware
ongevallen
Paragraaf 1. Gemeentelijke voorbereiding
Artikel 2
Het college van burgemeester en wethouders is belast met de
voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in de
gemeente, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald. Het
bevordert in het bijzonder het houden van oefeningen en de
totstandkoming van afspraken, die nodig zijn voor een doelmatige
bestrijding van rampen en zware ongevallen.
Artikel 3
1. Het college van burgemeester en wethouders stelt ten minste
één maal per vier jaren een rampenplan vast, waarin risico's worden
geïnventariseerd, de organisatie, de verantwoordelijkheden, de taken
en de bevoegdheden in het kader van de rampenbestrijding worden
beschreven en het beleid ten aanzien van het vaststellen van
rampbestrijdingsplannen wordt vastgelegd.
2. Het rampenplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien
gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.
3. De risico-inventarisatie in het rampenplan bevat:
a. een overzicht van de soorten rampen en zware ongevallen die
de gemeente bedreigen en de mogelijke gevolgen daarvan;
b. een overzicht van de risicovolle situaties binnen de
gemeente waarbij zich een ramp of zwaar ongeval kan voordoen en de
mogelijke gevolgen daarvan.
4. Het in het rampenplan opgenomen beleid ten aanzien van het
vaststellen van rampbestrijdingsplannen bevat in ieder geval een
overzicht van rampen en zware ongevallen waarvan de plaats, aard en
gevolgen voorzienbaar zijn en waarvoor een rampbestrijdingsplan wordt
vastgesteld alsmede een termijn waarbinnen dat zal worden vastgesteld.
5. Ten aanzien van de organisatie, verantwoordelijkheden, taken en
bevoegdheden in het kader van de rampenbestrijding bevat het
rampenplan in ieder geval:
a. begripsomschrijvingen;
b. een overzicht van diensten, instanties, organisaties en
personen, die bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen
kunnen worden betrokken;
c. een schema met betrekking tot de leiding over en de
gecoördineerde inzet van diensten en organisaties bij de
bestrijding van rampen en zware ongevallen;
d. een intern en extern verbindings- en alarmeringsschema;
e. een plan met betrekking tot de wijze waarop het college van
burgemeester en wethouders de informatie, bedoeld in artikel 10b,
eerste en tweede lid, en 10c verschaft, de wijze waarop de
burgemeester de informatie, bedoeld in artikel 11a, eerste en
tweede lid, verschaft, alsmede een plan met betrekking tot de
waarschuwing van de bevolking;
f. een plan met betrekking tot maatregelen te nemen bij een
verplaatsing van de bevolking;
g. een plan met betrekking tot de geneeskundige organisatie op
het terrein waar een ramp of een zwaar ongeval heeft
plaatsgevonden;
h. een plan met betrekking tot de opvang en verzorging van
slachtoffers;
i. een plan met betrekking tot psychosociale nazorg;
j. een plan met betrekking tot de voedselvoorziening van de
bevolking;
k. een plan met betrekking tot maatregelen ten behoeve van de
bevoorrading van met de bestrijding van rampen en zware ongevallen
belaste diensten, instanties, organisaties en personen;
l. een plan met betrekking tot het beperken van de schadelijke
gevolgen;
m. een plan met betrekking tot de vastlegging van gegevens met
betrekking tot veroorzaakte schade;
n. een plan met betrekking tot de organisatie en inrichting van
een centraal registratie- en inlichtingenbureau;
o. een plan met betrekking tot de verslaglegging;
p. een verzendlijst.
6. Het rampenplan is afgestemd op calamiteitenplannen als bedoeld
in artikel 5.29 van de Waterwet die betrekking hebben op geheel of ten
dele binnen de gemeentegrenzen gelegen waterstaatswerken, alsmede op
plannen, vastgesteld voor het gebied van aangrenzende gemeenten en van
aangrenzende andere staten.
7. Het college van burgemeester en wethouders zendt het rampenplan
en de wijzigingen daarop binnen een maand na vaststelling toe aan
gedeputeerde staten, en ter kennisneming aan de commissaris van de
Koning, de hoofdofficier van justitie alsmede aan de bestuursorganen
die binnen de gemeentegrenzen belast zijn met aangelegenheden
betreffende de waterstaatszorg, indien het plan voor de
waterstaatszorg van belang is.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen criteria worden
vastgesteld waaraan gedeputeerde staten ingevolge artikel 7 de
kwaliteit van het rampenplan toetsen.
Artikel 4
1.De burgemeester stelt ten minste één maal per vier jaren de
rampbestrijdingsplannen vast voor de rampen en zware ongevallen,
genoemd in het overzicht, bedoeld in artikel 3, vierde lid.
2.In het rampbestrijdingsplan is het geheel van de bij die ramp of
dat zware ongeval te nemen maatregelen opgenomen.
3.Het rampbestrijdingsplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien
gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.
4.Het rampbestrijdingsplan is afgestemd op calamiteitenplannen als
bedoeld in artikel 69 van de Waterstaatswet 1900 die betrekking hebben
op geheel of ten dele binnen de gemeente gelegen waterstaatswerken,
alsmede op plannen, vastgesteld voor het gebied van aangrenzende
gemeenten en van aangrenzende andere staten.
5.De burgemeester zendt het rampbestrijdingsplan en de wijzigingen
daarop binnen een maand na vaststelling toe aan de commissaris van de
Koning, alsmede aan de bestuursorganen die binnen de gemeentegrenzen
belast zijn met aangelegenheden betreffende de waterstaatszorg, indien
het plan voor de waterstaatszorg van belang is.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen criteria worden
vastgesteld waaraan de commissaris van de Koning ingevolge artikel 8
de kwaliteit van het rampbestrijdingsplan toetst.
Artikel 4a
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen rampen en zware
ongevallen worden aangewezen waarvoor een rampbestrijdingsplan wordt
vastgesteld.
2.Bij of krachtens die maatregel worden regels gesteld omtrent:
a. de inhoud van het rampbestrijdingsplan;
b. het raadplegen van de bevolking bij het opstellen van het
rampbestrijdingsplan en van belangrijke wijzigingen van dat plan;
c. het periodiek beproeven en actualiseren van het
rampbestrijdingsplan;
d. de bekendmaking van een besluit, bedoeld in het derde lid.
3.In afwijking van het krachtens het eerste lid bepaalde kan de
burgemeester op grond van de ingevolge artikel 10a verschafte
informatie besluiten dat voor een desbetreffende inrichting geen
rampbestrijdingsplan behoeft te worden vastgesteld.
Artikel 5
1.Het bestuur van de regionale brandweer stelt ingevolge artikel 4,
eerste lid, onderdeel 2, onder a, van de Brandweerwet 1985, ten minste
één maal per vier jaren een beheersplan vast, waarin het beleid ten
aanzien van de multidisciplinaire voorbereiding van de
rampenbestrijding en ten aanzien van de waarborging van de benodigde
capaciteit en kwaliteit van de organisatie van de rampenbestrijding is
vastgelegd.
2.Het beheersplan bevat in ieder geval:
a. het niveau van het hulpaanbod dat wordt nagestreefd op grond
van de analyse van de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 3,
derde lid;
b. de op het niveau van het hulpaanbod, bedoeld in onderdeel a,
afgestemde operationele prestaties van de brandweer, de politie en
de geneeskundige hulpverleningsdiensten en ziekenhuizen, voor
zover het de geneeskundige hulpverlening bij rampen en zware
ongevallen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, betreft, de
daarbij behorende capaciteit en deskundigheid en de maatregelen
gericht op de realisering of de instandhouding daarvan;
c. de inzet van de organisaties, bedoeld in onderdeel b, in het
kader van het voorkomen en beperken van risico's, de daarbij
behorende capaciteit en deskundigheid en de maatregelen gericht op
de realisering of de instandhouding daarvan;
d. de op het niveau van het hulpaanbod, bedoeld in onderdeel a,
afgestemde prestaties van andere bij de rampenbestrijding
betrokken gemeentelijke diensten en de maatregelen gericht op de
realisering of de instandhouding daarvan;
e. het op het niveau van het hulpaanbod, bedoeld in onderdeel
a, afgestemde opleidings- en oefenprogramma en de maatregelen
gericht op de realisering of de instandhouding daarvan.
3.Het beheersplan is afgestemd met de beheersplannen van de binnen
de provincie gelegen andere brandweerregio's en met de beheersplannen
in aangrenzende provincies.
4.Het beheersplan wordt tussentijds geactualiseerd, indien
gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.
5.Het beheersplan wordt vastgesteld in overeenstemming met het
regionale college en het bestuur van de GHOR-regio.
6.Het bestuur van de regionale brandweer zendt het beheersplan en
de wijzigingen daarop binnen een maand na vaststelling toe aan
gedeputeerde staten, en ter kennisneming aan de commissaris van de
Koning, alsmede aan de bestuursorganen die binnen het grondgebied van
de aan de regeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Brandweerwet 1985, deelnemende gemeenten, belast zijn met
aangelegenheden betreffende de waterstaatszorg.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen criteria worden
vastgesteld waaraan gedeputeerde staten ingevolge artikel 9 de
kwaliteit van het beheersplan toetsen.
Paragraaf 2. Provinciale voorbereiding
Artikel 6
1.De commissaris van de Koning stelt ten minste één maal per vier
jaren een provinciaal coördinatieplan vast, waarin in ieder geval is
opgenomen een schema met betrekking tot de leiding over en de
gecoördineerde inzet van diensten en organisaties bij de bestrijding
van een ramp of een zwaar ongeval op provinciaal niveau, alsmede
gegevens over het verzoeken en verlenen van bijstand.
2.Het provinciaal coördinatieplan wordt tussentijds
geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding
geven.
3.Het provinciaal coördinatieplan wordt uiterlijk een maand na de
vaststelling ter kennisneming aan Onze Minister, aan de burgemeesters
in de provincie alsmede aan de bestuursorganen die binnen de
provinciegrenzen zijn belast met aangelegenheden betreffende de
waterstaatszorg gezonden.
Artikel 6a
1.Gedeputeerde staten dragen zorg voor de productie en het beheer
van een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige
risico's zijn aangeduid. Deze risicokaart vermeldt de plaatsgebonden
en geografisch te onderscheiden risico's die zijn beschreven in de
gemeentelijke risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 3, alsmede de
gegevens die zijn opgenomen in het openbare register, bedoeld in
artikel 12.12 van de Wet milieubeheer. De kaart is openbaar.
2.De colleges van burgemeester en wethouders in de provincie en de
directeur-generaal van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en
milieu leveren gedeputeerde staten de voor de uitvoering van het
eerste lid benodigde gegevens.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over de
in de risicokaart op te nemen categorieën van rampen, over de
productie, het beheer en de vormgeving van de risicokaart, over de
wijze waarop en de frequentie waarmee gegevens voor de risicokaart
dienen te worden aangeleverd en over de wijze waarop toegang kan
worden verkregen tot onderdelen van de risicokaart.
Paragraaf 3. Provinciale toetsing van de voorbereiding
Artikel 7
1.Indien het college van burgemeester en wethouders verzuimt een
rampenplan vast te stellen, nodigen gedeputeerde staten het college
uit om het plan binnen drie maanden vast te stellen.
2.Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het rampenplan
niet aan de wettelijke eisen voldoet, nodigen zij het college van
burgemeester en wethouders binnen drie maanden nadat het plan is
ontvangen uit het plan binnen een door hen vast te stellen termijn te
wijzigen.
3.Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het rampenplan
niet meer actueel is, nodigen zij het college van burgemeester en
wethouders uit het plan binnen een door hen vast te stellen termijn te
wijzigen.
4.Indien het college van burgemeester en wethouders geen gevolg
geeft aan een uitnodiging op grond van het eerste, tweede of derde
lid, stellen gedeputeerde staten het plan respectievelijk de wijziging
daarvan binnen zes maanden op kosten van de gemeente vast.
5.Alvorens de bevoegdheden, bedoeld in de vorige leden, toe te
passen, treden gedeputeerde staten in overleg met het college van
burgemeester en wethouders.
Artikel 8
1.Indien de burgemeester verzuimt het rampbestrijdingsplan vast te
stellen, nodigt de commissaris van de Koning hem uit om het plan
binnen drie maanden vast te stellen.
2.Indien de commissaris van de Koning van oordeel is dat het
rampbestrijdingsplan niet aan de wettelijke eisen voldoet, nodigt hij
de burgemeester binnen drie maanden nadat het plan is ontvangen uit
het plan binnen een door hem vast te stellen termijn te wijzigen.
3.Indien de commissaris van de Koning van oordeel is dat het
rampbestrijdingsplan niet meer actueel is, nodigt hij de burgemeester
uit het plan binnen een door hem vast te stellen termijn te wijzigen.
4.Indien de burgemeester geen gevolg geeft aan een uitnodiging op
grond van het eerste, tweede of derde lid, stelt de commissaris van de
Koning het plan respectievelijk de wijziging daarvan binnen zes
maanden op kosten van de gemeente vast.
5.Alvorens de bevoegdheden, bedoeld in de vorige leden, toe te
passen, treedt de commissaris van de Koning in overleg met de
burgemeester.
Artikel 9
1.Indien het bestuur van de regionale brandweer verzuimt het
beheersplan vast te stellen, nodigen gedeputeerde staten het bestuur
uit om het plan binnen drie maanden vast te stellen.
2.Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het beheersplan
niet aan de wettelijke eisen voldoet, nodigen zij het bestuur van de
regionale brandweer binnen drie maanden nadat het plan is ontvangen
uit het plan binnen een door hen vast te stellen termijn te wijzigen.
3.Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het beheersplan
niet meer actueel is, nodigen zij het bestuur van de regionale
brandweer uit het plan binnen een door hen vast te stellen termijn te
wijzigen.
4.Indien het bestuur van de regionale brandweer geen gevolg geeft
aan een uitnodiging op grond van het eerste tweede of derde lid,
stellen gedeputeerde staten het plan respectievelijk de wijziging
daarvan binnen zes maanden op kosten van het bestuur van de regionale
brandweer vast.
5.Alvorens de bevoegdheden, bedoeld in de vorige leden, toe te
passen, treden gedeputeerde staten in overleg met de besturen van de
regionale brandweer en van de GHOR-regio en met het regionale college.
Artikel 10
1.Indien de commissaris van de Koning van oordeel is dat met de
uitvoering van de in het beheersplan neergelegde beleidsmaatregelen
met betrekking tot de prestaties en het opleidingen oefenprogramma,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onvoldoende voortgang wordt geboekt,
kan hij het bestuur van de regionale brandweer aanwijzingen geven ter
bevordering van de uitvoering daarvan.
2.Alvorens een aanwijzing te geven treedt de commissaris van de
Koning in overleg met het bestuur van de regionale brandweer.
Paragraaf 4. Informatieverplichtingen ten behoeve van de
voorbereiding
Artikel 10a
1.Een ieder die beschikt over relevante veiligheidstechnische
gegevens, verschaft het college van burgemeester en wethouders, de
burgemeester en het bestuur van de regionale brandweer de informatie
die nodig is opdat zij hun taken in het kader van de voorbereiding van
de bestrijding van rampen en zware ongevallen naar behoren kunnen
uitvoeren. Dit geldt niet voor zover deze informatie reeds op grond
van andere voorschriften is verschaft of kan worden verkregen.
2.Burgemeester en wethouders kunnen bevelen dat een krachtens
artikel 4a, eerste lid, aangewezen risicovol object niet in bedrijf
gesteld wordt, indien degene die de inrichting gaat drijven niet aan
de in het eerste lid bedoelde verplichting tot informatieverstrekking
heeft voldaan.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de informatieverschaffing, bedoeld in het
eerste lid.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op gegevens waarvan de
geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is
geboden.
Artikel 10b
1.Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor
dat de bevolking, de commissaris van de Koning en Onze Minister op
passende wijze informatie wordt verschaft over de rampen en zware
ongevallen die de bevolking en het milieu kunnen treffen, de
maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van deze
rampen en zware ongevallen en de bij deze rampen en zware ongevallen
te volgen gedragslijn.
2.Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor
dat de bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen betrokken
personen op passende wijze informatie wordt verschaft over de rampen
en zware ongevallen die de bevolking en het milieu kunnen treffen, de
risico's die hun inzet kan hebben voor hun gezondheid en de
voorzorgsmaatregelen die in verband daarmee zijn of zullen worden
getroffen.
3.Onze Minister draagt er zorg voor dat alle staten waarvan de
bevolking en het milieu door rampen en zware ongevallen op Nederlands
grondgebied kunnen worden getroffen, de informatie over de
onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft, voor zover
deze niet reeds op grond van andere voorschriften is verschaft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven
over de inhoud van de informatie, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, en over de wijze waarop de in die leden bedoelde taken
worden uitgevoerd.
Artikel 10c
1.Het college van burgemeester en wethouders stelt de krachtens
artikel 10a verschafte gegevens ten behoeve van de vaststelling van de
in artikel 4a, eerste lid, bedoelde rampbestrijdingsplannen uit eigen
beweging ter beschikking van het publiek. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen terzake regels worden gesteld.
2.Onverminderd artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van
bestuur en in afwijking van artikel 10, tweede lid, van die wet blijft
het verstrekken van informatie over de gegevens, bedoeld in het eerste
lid, achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de
volgende belangen:
a. het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van
de Wet openbaarheid van bestuur;
b. het belang, bedoeld in artikel 10, zevende lid, onder b, van
de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover het betreft het
voorkomen van sabotage.
3.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet
openbaarheid van bestuur is niet van toepassing op het op verzoek
verstrekken van informatie over gegevens die bij de toepassing van het
bij of krachtens deze wet bepaalde ter uitvoering van richtlijn nr.
96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996
betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij
gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 10) door enig
bestuursorgaan zijn verkregen.
4.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet
openbaarheid van bestuur is op het op verzoek verstrekken van
informatie over gegevens als bedoeld in het derde lid uitsluitend van
toepassing, voor zover die gegevens een vertrouwelijk karakter hebben.
5.Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet
openbaarheid van bestuur is op het op verzoek verstrekken van
informatie over gegevens als bedoeld in het derde lid uitsluitend van
toepassing, voor zover het gegevens betreft die afbreuk kunnen doen
aan de mogelijkheid van het voorkomen van sabotage.
6.Artikel 10, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet
openbaarheid van bestuur is, voorzover het gaat om milieu-informatie
als bedoeld in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer, uitsluitend van
toepassing voorzover het gegevens betreft die afbreuk doen aan de
mogelijkheid van het voorkomen van sabotage.
Paragraaf 5. Bestuurlijke rapportage over de voorbereiding
Artikel 10d
Het bestuur van de regionale brandweer rapporteert, na overleg met
het regionale college en het bestuur van de GHOR-regio, jaarlijks over
de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de
beleidsmaatregelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en zendt deze aan
de commissaris van de Koning en ter kennisneming aan gedeputeerde
staten.
Artikel 10e
De commissaris van de Koning informeert, mede op basis van de
informatie, verkregen op grond van artikel 10d, Onze Minister jaarlijks
over de stand van zaken met betrekking tot de rampenbestrijding en de
voorbereiding daarop.
Artikel 10f
Onze Minister informeert, mede op basis van de informatie, verkregen
op grond van artikel 10e, en de artikelen 19 en 19a van de Brandweerwet
1985, de Tweede Kamer der Staten-Generaal ten minste één maal per vier
jaren over de stand van zaken met betrekking tot de rampenbestrijding en
de voorbereiding daarop.
Paragraaf 6. Onderzoek ten behoeve van voorbereiding
Artikel 10g
1.Indien een ramp of zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, draagt het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ramp of
het zware ongeval zich heeft voorgedaan zorg voor een onderzoek van de
ramp of het zware ongeval en doet het zonodig aanbevelingen om een
soortgelijke ramp of soortgelijk zwaar ongeval voor de toekomst te
voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken, tenzij de Onderzoeksraad
voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad
voor veiligheid, daar onderzoek naar verricht.
2.Indien daartoe aanleiding is, wordt naar aanleiding van het eigen
onderzoek of het onderzoek van de Onderzoeksraad voor veiligheid het
rampenplan, de rampbestrijdingsplannen of het beheersplan aangepast.
Hoofdstuk III. Taken en bevoegdheden bij de bestrijding van een ramp
of een zwaar ongeval
Artikel 11
1.De burgemeester heeft het opperbevel in geval van een ramp of een
zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Degenen
die aan de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval deelnemen,
staan onder zijn bevel. Hij doet zich bijstaan door een door hem
samengestelde gemeentelijke rampenstaf.
2.Degene die de leiding over de brandweer heeft, is tevens belast
met de operationele leiding van de bestrijding van een ramp of een
zwaar ongeval, tenzij de burgemeester een andere voorziening treft.
Artikel 11a
1.De burgemeester draagt er zorg voor dat de bevolking, de
hoofdofficier van justitie, Onze commissaris in de provincie, en Onze
Minister op passende wijze informatie wordt verschaft over de
oorsprong, de omvang en de gevolgen van een ramp die of een zwaar
ongeval dat de bevolking en het milieu bedreigt of treft, alsmede over
de bij deze ramp of dit zware ongeval te volgen gedragslijn.
2.De burgemeester draagt er zorg voor dat de bij de bestrijding van
een ramp of een zwaar ongeval betrokken personen op passende wijze
informatie wordt verschaft over een ramp die of een zwaar ongeval dat
de bevolking en het milieu bedreigt of treft, de risico’s die hun
inzet bij deze ramp of dit zware ongeval heeft voor hun gezondheid en
de voorzorgsmaatregelen die in verband daarmee zijn of zullen worden
getroffen.
3.Onze Minister draagt er zorg voor dat alle staten waarvan de
bevolking en het milieu door rampen en zware ongevallen op Nederlands
grondgebied worden bedreigd of getroffen, de informatie over de
onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft, voor zover
deze niet reeds op grond van andere voorschriften is verschaft.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven
over de inhoud van de informatie, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, en over de wijze waarop de in die leden bedoelde taken
worden uitgevoerd.
Artikel 11b
1.In geval van een ramp of een zwaar ongeval stelt een ieder die
daarvan kennis draagt, de burgemeester van de gemeente waar de ramp of
het zware ongeval plaatsvindt, zo spoedig mogelijk daarvan op de
hoogte.
2.In geval van een ramp of een zwaar ongeval verschaft een ieder
die over relevante veiligheidstechnische informatie beschikt, de
burgemeester van de gemeente waar de ramp of het zware ongeval
plaatsvindt, de informatie die nodig is opdat hij zijn taken, bedoeld
in artikel 11a, eerste en tweede lid, naar behoren kan uitvoeren. Dit
geldt niet voor zover deze informatie reeds op grond van andere
voorschriften is verschaft of kan worden verkregen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven
over de inhoud van de informatie, bedoeld in het tweede lid, alsmede
over de wijze waarop de informatie wordt verschaft en welke
natuurlijke personen of rechtspersonen de informatie verplicht zijn te
verschaffen.
4.Het tweede lid is niet van toepassing op gegevens waarvan de
geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is
geboden.
Artikel 12
Onze commissaris in de provincie kan in geval van een ramp of een
zwaar ongeval van meer dan plaatselijke betekenis in een of meer
gemeenten of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan de
burgemeesters in de provincie, zoveel mogelijk na overleg met hen, de
nodige aanwijzingen geven over het door hen inzake de bestrijding van
een ramp of een zwaar ongeval te voeren beleid. Hij kan alsdan in de
operationele leiding van de bestrijding van een ramp of een zwaar
ongeval voorzien. Hij doet zich bijstaan door een door hem samengestelde
provinciale rampenstaf.
Artikel 13
Onze Minister kan in geval van een ramp of een zwaar ongeval of van
ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, indien het algemeen belang
zulks dringend eist, Onze commissaris in de provincie, zoveel mogelijk
na overleg met hem, de nodige aanwijzingen geven over het door hem
inzake de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval te voeren
beleid.
Artikel 14
De burgemeesters, Onze commissarissen in de provinciën en Onze
Minister verstrekken elkaar de nodige inlichtingen ten behoeve van de
toepassing van de artikelen 11-13.
Artikel 14a
Indien bij of krachtens de wet aan een van Onze Ministers de
bevoegdheid is gegeven bij een ramp of een zwaar ongeval regels te
stellen of maatregelen te treffen, maakt hij van deze bevoegdheid geen
gebruik dan na overleg met Onze Minister, tenzij de vereiste spoed zich
daartegen verzet.
Hoofdstuk IV. Bijstand
Artikel 15
1.Behoeft een burgemeester in geval van een ramp of een zwaar
ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan bijstand van
provinciale diensten, dan richt hij een verzoek daartoe aan Onze
commissaris in de provincie.
2.Onze commissaris in de provincie voldoet aan het verzoek, tenzij
dringende redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 16
1.Indien Onze commissaris in de provincie niet kan voldoen aan een
verzoek, als bedoeld in artikel 15, richt hij zich tot Onze Minister
met het verzoek om bijstand van provinciale diensten uit andere
provincies.
2.Onze Minister beslist op het verzoek na overleg met Onze
betrokken commissarissen in de provincies. Onze betrokken
commissarissen in de provincies treffen de nodige voorzieningen.
Artikel 17
1.Behoeft een burgemeester in geval van een ramp of een zwaar
ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan bijstand van
rijksdiensten, dan richt hij een verzoek daartoe aan Onze commissaris
in de provincie, die zich ter zake wendt tot Onze Minister.
2.Onze Minister richt zich ter zake tot Onze betrokken Minister,
die de nodige voorzieningen treft, tenzij dringende redenen zich
daartegen verzetten.
Artikel 18
In bijzondere gevallen kan Onze commissaris in de provincie een
verzoek tot bijstand van militairen richten aan Onze Minister. Deze
wendt zich ter zake tot Onze Minister van Defensie, die de nodige
voorzieningen treft, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de bestrijding
van rampen en zware ongevallen in buitengewone omstandigheden alsmede de
voorbereiding daarop
§ 1. Voorbereiding
Artikel 19
1.Onze commissaris in de provincie kan burgemeester en wethouders
aanwijzingen geven over gezamenlijke oefeningen van gemeenten, die
tezamen een gemeenschappelijke regeling inzake de brandweer zijn
aangegaan, met het oog op de bestrijding van rampen en zware
ongevallen in buitengewone omstandigheden.
2.Onze commissaris in de provincie kan burgemeester en wethouders
opdragen oefeningen, als bedoeld in het eerste lid, te houden, indien
deze naar zijn oordeel in onvoldoende mate worden gehouden.
3.Onze Minister kan Onze commissaris in de provincie opdragen
aanwijzingen en opdrachten, als bedoeld in het eerste en tweede lid,
te geven voorzover het oefeningen betreft van gemeenten die in meer
dan één provincie zijn gelegen.
Artikel 20
Onze Minister stelt de eisen vast, waaraan rampenplannen en
provinciale coördinatieplannen, als bedoeld in hoofdstuk II van deze
wet, moeten voldoen met het oog op de bestrijding van rampen en zware
ongevallen in buitengewone omstandigheden.
§ 2. Bevoegdheden
Artikel 21
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 22 tot en met 24
in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn
gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons
oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 22
1.Onze commissaris in de provincie kan de burgemeesters in de
provincie de nodige aanwijzingen geven inzake de bestrijding van een
ramp of een zwaar ongeval.
2.Onze Minister kan Onze commissaris in de provincie opdragen aan
de burgemeesters in de provincie de nodige aanwijzingen te geven
inzake de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval.
Artikel 23
Onze Minister kan, indien het algemeen belang zulks dringend eist,
voorzien in de uitoefening van bevoegdheden van Onze commissaris in de
provincie en van de burgemeester op grond van deze wet, door die
uitoefening geheel of ten dele aan zich te trekken dan wel daarmee
geheel of ten dele een andere autoriteit te belasten.
Artikel 24
Onze commissaris in de provincie, de burgemeester en de door hen of
door Onze Minister aangewezen personen hebben toegang tot elke plaats,
voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
Artikel 25
1.In de kosten die voor de gemeenten voortvloeien uit de
daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval en de
gevolgen daarvan, kan uit ’s Rijks kas een bijdrage worden verleend.
2.In de kosten die voortvloeien uit het verlenen van bijstand als
bedoeld in artikel 3 van de op 14 november 1984 te Den Haag tot stand
gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het
Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het
bestrijden van rampen en ongevallen (Trb. 1984, 155) en van de op 7
juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse
bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen
daaronder begrepen (Trb. 1988, 95), kan door Onze Minister aan de bij
de bestrijding betrokken provincies, gemeenten, organisaties en
diensten een bijdrage worden verleend.
3.In de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit het opsporen en
ruimen van als gevolg van de Tweede Wereldoorlog achtergebleven
explosieven, kan door Onze Minister een bijdrage worden verleend.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het
bepaalde in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 25a [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 25b
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 10a
bepaalde ten aanzien van krachtens artikel 4a aangewezen inrichtingen
zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders binnen hun
ambtsgebied aangewezen ambtenaren. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over dit toezicht.
Artikel 25c
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens artikel 10a
bepaalde ten aanzien van krachtens artikel 4a aangewezen inrichtingen,
tot welke bevoegdheid mede behoort het stilleggen of gedeeltelijk buiten
werking stellen of verzegelen van de inrichting dan wel het verzegelen
of verwijderen van hetgeen zich in de inrichting bevindt.
Artikel 26
Handelen in strijd met de artikelen 10a, eerste lid, en 11b, tweede
lid, is een strafbaar feit voor zover dat handelen in de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 10a, derde lid,
onderscheidenlijk artikel 11b, derde lid, is aangeduid als strafbaar
feit.
Artikel 27
1.De Wet rampenplannen (Stb. 1981, 384) wordt ingetrokken.
2.Plannen, vastgesteld op grond van de Wet rampenplannen, worden
geacht plannen te zijn, vastgesteld krachtens deze wet, met dien
verstande dat zij met inachtneming van het bepaalde in deze wet
opnieuw dienen te zijn vastgesteld vier jaren na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 28
1.Deze wet wordt aangehaald als: Wet rampen en zware ongevallen.
2.Zij treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden
gesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 30 januari 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Van Amelsvoort
Uitgegeven de zesentwintigste februari 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|