Nadere regelgeving:
- Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van
rechterlijke ambtenaren
- Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
- Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie
WET van 29 november 1996 tot
vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang
van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter
uitvoering van artikel 117, vierde lid, van de Grondwet,
wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de
taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in
verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te
stellen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Veiligheid en Justitie;
b. rechterlijke ambtenaren: de
rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Wet op de rechterlijke organisatie;
c. salaris: het bedrag waarop
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming
van het bij of krachtens de artikelen 7, 9, eerste en derde
lid, en 13 tot en met 16 van deze wet bepaalde, aanspraak
heeft;
d. bezoldiging: het salaris van
de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding, vermeerderd met een periodieke schadeloosstelling
of geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in artikel 46 van
deze wet, en met de toelagen, die in de op deze wet berustende
regelgeving zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende
toelagen, waarop hij aanspraak heeft;
e. ambt: de door de rechterlijk
ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding te vervullen
functie;
f. rector: degene die krachtens
artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie als
rector van de opleiding van de rechterlijke ambtenaren in
opleiding is aangewezen;
g. burgerlijke rijksambtenaren:
degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke
openbare dienst werkzaam te zijn;
h. rechterlijke ambtenaren in
opleiding: de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in
artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:
a. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en
de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voorzover de
opleiding wordt doorgebracht bij een rechtbank: het bestuur
van die rechtbank;
b. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof:
het bestuur van dat gerechtshof;
c. ten aanzien van de
vice-presidenten van, de raadsheren in, de raadsheren in
buitengewone dienst bij, de griffier en substituut-griffier
van, en de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad: de president
van de Hoge Raad;
d. ten aanzien van de
plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal, de
advocaten-generaal in buitengewone dienst en de
plaatsvervangende advocaten-generaal bij de Hoge Raad: de
procureur-generaal bij de Hoge Raad;
e. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een
arrondissementsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in
opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een
arrondissementsparket: het hoofd van dat
arrondissementsparket;
f. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het landelijk
parket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor
zover de opleiding wordt doorgebracht bij het landelijk
parket: het hoofd van het landelijk parket;
g. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het functioneel
parket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor
zover de opleiding wordt doorgebracht bij het functioneel
parket: het hoofd van het functioneel parket;
h. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het
ressortsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in
opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij het
ressortsparket: het hoofd van het ressortsparket;
i. ten aanzien van de hoofden
van de in de onderdelen e tot en met h bedoelde parketten en
de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het
parket-generaal: het College van procureurs-generaal;
j. ten aanzien van de leden van
het College van procureurs-generaal: Onze Minister.
k. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de buitenstage:
de rector.
Hoofdstuk 1A [Vervallen per
01-07-2010]
§ 1A.1 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1b [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1d [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1e [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1f [Vervallen per 01-07-2010]
§ 1A.2 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1g [Vervallen per 01-07-2010]
§ 1A.3 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 1h [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en
beëdiging
Artikel 2
1. De benoeming in het ambt van
president van, vice-president van, raadsheer in of raadsheer in
buitengewone dienst bij de Hoge Raad, senior raadsheer, raadsheer
of raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, senior rechter A,
senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger in een
rechtbank, of procureur-generaal, plaatsvervangend
procureur-generaal, advocaat-generaal of advocaat-generaal in
buitengewone dienst bij de Hoge Raad, geschiedt bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister voor het leven.
2. De benoeming in het ambt van
procureur-generaal, deel uitmakend van het College van
procureurs-generaal, landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het
ressortsparket, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal
of advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal,
dan wel hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier
van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van
justitie, officier van justitie of substituut-officier van
justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het
functioneel parket of het parket-generaal geschiedt bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister.
3. De benoeming in het ambt van
plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het
parket-generaal, plaatsvervangend officier van justitie, officier
enkelvoudige zittingen dan wel plaatsvervangend officier
enkelvoudige zittingen geschiedt bij besluit van Onze Minister.
4. In afwijking van het derde lid
kan het College van procureurs-generaal de landelijk
hoofdadvocaat-generaal of een hoofdadvocaat-generaal, senior
advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend
advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal
benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie bij een
arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel
parket of het parket-generaal.
5. In afwijking van het derde lid
kan het College van procureurs-generaal een hoofdofficier van
justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior
officier van justitie A, senior officier van justitie, officier
van justitie, substituut-officieren van justitie of
plaatsvervangend officier van justitie bij een
arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel
parket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend
advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal.
6. De benoeming in het ambt van
senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur geschiedt bij besluit
van Onze Minister, indien het een benoeming in tijdelijke dienst
betreft, onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister, indien het een benoeming in vaste dienst
betreft. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen
voordracht voor benoeming dan op voorstel van de betrokken
functionele autoriteit.
7. De benoeming in het ambt van
griffier dan wel substituut-griffier van de Hoge Raad geschiedt
bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
8. De benoeming in het ambt van
rechterlijk ambtenaar in opleiding geschiedt bij besluit van Onze
Minister.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4
Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen
een Nederlander worden benoemd.
Artikel 5
1. Tot rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden benoemd degene:
a. aan wie op grond van het met
goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een
opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van
het recht door een universiteit dan wel de Open Universiteit
als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, de graad Bachelor op het gebied
van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van
het recht is verleend;
b. die op grond van het met
goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een
opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan
wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het recht om de titel
meester te voeren heeft verkregen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open
Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige
getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van
het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat
lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de beroepsvereisten voor de rechterlijke ambtenaren, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 7° en 9°, van de
Wet op de rechterlijke organisatie, en de rechterlijke ambtenaren
in opleiding.
4. Aan de bij of krachtens het
eerste tot en met derde lid gestelde beroepsvereisten wordt tevens
voldaan indien de betrokkene beschikt over een ten aanzien van het
door hem uit te oefenen beroep verleende erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties.
Artikel 5a
1. De benoeming in het ambt van
president van, vice-president van of raadsheer in de Hoge Raad
onderscheidenlijk procureur-generaal, plaatsvervangend
procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad kan op
verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig
jaren heeft bereikt, worden gewijzigd in een benoeming in het ambt
van raadsheer in buitengewone dienst onderscheidenlijk
advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad.
2. Een wijziging van de benoeming
als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van
aanspraken en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en
uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld
met ontslag. Artikel 46n is niet van toepassing op de raadsheren
in buitengewone dienst bij en advocaten-generaal in buitengewone
dienst bij de Hoge Raad.
Artikel 5b
1. In geval van benoeming van een
rechterlijk ambtenaar in een bij een gerechtshof of rechtbank te
vervullen ambt als bedoeld in artikel 2, eerste en zesde lid,
wordt bij besluit van de Raad voor de rechtspraak, overeenkomstig
de aanbeveling van het betrokken gerechtsbestuur, vastgesteld bij
welk gerechtshof of welke rechtbank dat ambt door hem wordt
vervuld.
2. In geval van benoeming van een
rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar ministerie
behorend parket te vervullen ambt als bedoeld in artikel 2, tweede
en derde lid, wordt bij besluit van Onze Minister vastgesteld bij
welk parket dat ambt door hem wordt vervuld. De eerste volzin is
niet van toepassing in geval van een benoeming in het ambt van
procureur-generaal of landelijk hoofdadvocaat-generaal.
3. In geval van een benoeming van
een rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar
ministerie behorend parket te vervullen ambt door het College van
procureurs-generaal als bedoeld in artikel 2, vierde en vijfde
lid, wordt bij besluit van het College van procureurs-generaal
vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld.
4. Wijziging op verzoek van de
betrokken rechterlijk ambtenaar van de vaststelling van het
gerechtshof of de rechtbank onderscheidenlijk het parket waarbij
een ambt als bedoeld in het eerste lid, tweede lid
onderscheidenlijk derde lid wordt vervuld, geschiedt eveneens bij
besluit van de Raad voor de rechtspraak, Onze Minister
onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal.
Artikel 5c
1. Wanneer bij een gerechtshof of
een rechtbank een plaats van senior raadsheer, raadsheer,
raadsheer-plaatsvervanger, senior rechter A, senior rechter,
rechter of rechter-plaatsvervanger openvalt, maakt het bestuur van
dat gerechtshof of die rechtbank een lijst van aanbeveling van zo
mogelijk drie kandidaten op.
2. De gerechtsvergadering kan het
bestuur adviseren inzake de lijst van aanbeveling, bedoeld in het
eerste lid, voor zover het de kandidaten betreft die nog niet als
rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij dat gerecht
werkzaam zijn.
3. Het bestuur van het gerechtshof
of de rechtbank zendt de lijst van aanbeveling, bedoeld in het
eerste lid, eventueel vergezeld van een advies als bedoeld in het
tweede lid, aan de Raad voor de rechtspraak.
4. Indien de lijst van aanbeveling
alleen kandidaten bevat die het desbetreffende ambt al bij een
ander gerecht vervullen, neemt de Raad voor de rechtspraak een
besluit als bedoeld in artikel 5b, vierde lid. Indien de lijst van
aanbeveling ook kandidaten bevat die het desbetreffende ambt nog
niet vervullen, zendt de Raad voor de rechtspraak de lijst, onder
medezending van een advies hierover, door aan Onze Minister.
5. Na ontvangst van de lijst van
aanbeveling en het advies van de Raad voor de rechtspraak, bedoeld
in het vierde lid, tweede volzin, beslist Onze Minister of hij ten
aanzien van een kandidaat voor de vacature een voordracht voor
benoeming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, doet of de Raad
voor de rechtspraak verzoekt een besluit als bedoeld in artikel
5b, vierde lid, te nemen.
6. Wanneer bij de Hoge Raad een
plaats van raadsheer openvalt, geeft de Hoge Raad daarvan kennis
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, onder meezending van een
door de Hoge Raad, na overleg met de procureur-generaal bij de
Hoge Raad, opgemaakte lijst van aanbeveling van zes kandidaten,
ten behoeve van de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal op te
maken voordracht van drie personen.
Artikel 5d
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
benoeming in vaste of tijdelijke dienst in een ambt als bedoeld in
artikel 2, tweede tot en met zevende lid.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, achtste
lid, waaronder in elk geval regels betreffende de benoeming in
tijdelijke of vaste dienst, en worden regels gesteld met
betrekking tot de aanwijzing van het gerecht of het parket waarbij
een ambt als bedoeld in artikel 2, achtste lid, wordt vervuld.
Artikel 5e
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het vaststellen van de
geschiktheid om in een ambt te worden benoemd;
b. de procedure voor benoeming in
een ambt bij het parket bij de Hoge Raad, een ambt bij een tot
het openbaar ministerie behorend parket, het ambt van
senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur of het ambt van
griffier of substituut-griffier van de Hoge Raad;
c. de procedure voor vaststelling
van het gerecht of parket waarbij een ambt wordt vervuld in
geval van benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 5b,
tweede lid, of in het ambt van senior-gerechtsauditeur of
gerechtsauditeur bij een gerechtshof of rechtbank; en
d. de in een benoemingsbesluit of
een besluit tot vaststelling van het gerecht of parket waarbij
een ambt wordt vervuld, te vermelden gegevens.
Artikel 5f
1. Een rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding vervult het ambt waarin hij
wordt benoemd op basis van een aanstelling voor een gemiddeld
aantal uren per week.
2. In afwijking van het eerste lid
worden raadsheren in buitengewone dienst,
raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers,
advocaten-generaal in buitengewone dienst, plaatsvervangende
advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en
plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen niet
aangesteld, maar kunnen zij voor het verrichten van werkzaamheden
door de functionele autoriteit worden opgeroepen.
3. Met uitzondering van raadsheren
in buitengewone dienst van en advocaten-generaal in buitengewone
dienst bij de Hoge Raad kunnen de in het tweede lid bedoelde
rechterlijke ambtenaren hun ambt ook vervullen op basis van een
aanwijzing voor een gemiddeld aantal uren per week.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de
aanstelling van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren
in opleiding en de aanwijzing van rechterlijke ambtenaren.
Artikel 5g
1. Een rechterlijk ambtenaar legt
bij een benoeming in een ambt voorafgaand aan de datum van
indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals
dat is vastgesteld in de eerste bijlage bij de wet.
2. Bij een opvolgende benoeming in
een ambt, dat bij hetzelfde gerecht of parket wordt vervuld, wordt
een rechterlijk ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, niet
opnieuw beëdigd, tenzij het:
a. de benoeming tot president
van of procureur-generaal bij de Hoge Raad betreft; of
b. de benoeming van een
gerechtsauditeur, niet tevens zijnde raadsheer-plaatsvervanger
of rechter-plaatsvervanger, of de griffier van de Hoge Raad
betreft.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de
beëdiging van rechterlijke ambtenaren.
4. In afwijking van het eerste lid
worden niet als zodanig beëdigd de plaatsvervangers van
rechtswege alsmede de door het College van procureurs-generaal
benoemde plaatsvervangers.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de beëdiging van
rechterlijke ambtenaren in opleiding.
Hoofdstuk 3. Salaris en andere
financiële arbeidsvoorwaarden
Artikel 6
Tenzij anders is bepaald, worden de
in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een
rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister
onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank
werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur, en ten
aanzien van een rechterlijk ambtenaar in opleiding uitgeoefend door
de Raad voor de rechtspraak.
Artikel 7
1. De rechterlijke ambtenaren en
rechterlijke ambtenaren in opleiding die hun ambt op basis van een
aanstelling vervullen, ontvangen een salaris.
2. Voor de bepaling van hun salaris
worden de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in
opleiding, bedoeld in het eerste lid, ingedeeld in de volgende
categorieën:
categorie1: president van en
procureur-generaal bij de Hoge Raad;
categorie 2: vice-president van en
plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad;
categorie 3: raadsheer in en
advocaat-generaal bij de Hoge Raad; procureur-generaal, lid van
het College van procureurs-generaal; hoofdofficier van justitie
bij de arrondissementsparketten Amsterdam, Den Haag,
Oost-Nederland en Rotterdam; hoofdofficier van justitie bij het
landelijk parket; hoofdofficier van justitie bij het functioneel
parket;
categorie 4: landelijk
hoofdadvocaat-generaal; hoofdofficier van justitie bij de overige
parketten;
categorie5: plaatsvervangend
hoofdofficier van justitie bij de arrondissementsparketten
Amsterdam, Den Haag, Oost-Nederland en Rotterdam; plaatsvervangend
hoofdofficier van justitie bij het landelijk parket;
plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het functioneel
parket;
categorie6: hoofdadvocaat-generaal;
plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij de overige
parketten;
categorie7: senior raadsheer in een
gerechtshof; senior rechter A in een rechtbank; senior
advocaat-generaal; senior officier van justitie A;
categorie 8: raadsheer in een
gerechtshof; senior rechter in een rechtbank, advocaat-generaal
bij het ressortsparket of het parket-generaal; senior officier van
justitie;
categorie9: rechter in een
rechtbank; officier van justitie;
categorie10: griffier van de Hoge
Raad; gerechtsauditeur, tevens raadsheer-plaatsvervanger in het
gerechtshof waarbij hij is aangesteld; gerechtsauditeur, tevens
rechter-plaatsvervanger in de rechtbank waarbij hij is aangesteld;
substituut-officier van justitie; officier enkelvoudige zittingen;
senior-gerechtsauditeur;
categorie11: gerechtsauditeur;
substituut-griffier van de Hoge Raad;
categorie12: rechterlijk ambtenaar
in opleiding.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden de hoogten van de salarissen van de
rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in
opleiding, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de indeling
in het tweede lid vastgesteld.
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 9
1. De rechterlijke ambtenaren,
bedoeld in artikel 5f, tweede en derde lid, die een ambt op basis
van een aanwijzing vervullen en niet reeds uit anderen hoofde als
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
salaris genieten, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een
salaris overeenkomstig het bij en krachtens artikel 7 bepaalde.
2. De rechterlijke ambtenaren,
bedoeld in artikel 5f, tweede lid, die werkzaamheden verrichten na
daartoe door de functionele autoriteit te zijn opgeroepen en niet
reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding salaris genieten, ontvangen een vergoeding
volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid:
a. wordt een
raadsheer-plaatsvervanger gelijk gesteld met een raadsheer in
hetzelfde gerechtshof;
b. wordt een
rechter-plaatsvervanger gelijk gesteld met een rechter of
senior rechter in dezelfde rechtbank;
c. wordt een plaatsvervangend
advocaat-generaal gelijk gesteld met een advocaat-generaal bij
hetzelfde parket;
d. wordt een plaatsvervangend
officier van justitie gelijkgesteld met een
substituut-officier van justitie of een officier van justitie
bij hetzelfde parket;
e. wordt een plaatsvervangend
officier enkelvoudige zittingen gelijkgesteld met een officier
enkelvoudige zittingen bij hetzelfde parket.
Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 13
1. Indien krachtens artikel 7,
derde lid, voor het salaris van een rechterlijk ambtenaar of een
rechterlijk ambtenaar in opleiding een schaal is vastgesteld,
geniet deze bij de eerste benoeming met ingang van de datum van
indiensttreding het als eerste in de schaal vermelde salaris en
vervolgens telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde
salaris.
2. Ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar wiens eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of
rechtbank betreft kan door het betrokken gerechtsbestuur van het
eerste lid worden afgeweken. Indien het gerechtsbestuur voornemens
is in deze zin te besluiten, stelt het de Raad voor de rechtspraak
in de gelegenheid hierover advies uit te brengen. Heeft de Raad
voor de rechtspraak advies uitgebracht, dan zendt het
gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen besluit
aan de Raad voor de rechtspraak.
3. Ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar, anders dan bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk
een rechterlijk ambtenaar in opleiding kan door Onze Minister
onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak van het eerste lid
worden afgeweken, doch niet anders dan op voorstel van of na het
inwinnen van advies bij de functionele autoriteit
onderscheidenlijk de rector.
Artikel 14
Bij een opvolgende benoeming in een
ambt waaraan een hoger maximum salaris is verbonden en waarvoor
krachtens artikel 7, derde lid, een schaal is vastgesteld, geschiedt
de inpassing in die schaal, met ingang van de datum van
indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse verhoging
tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft geschieden op
dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13
plaatsvond.
Artikel 15
1. Bij een opvolgende benoeming in
een ambt waaraan een gelijk maximum salaris is verbonden en
waarvoor krachtens artikel 7, derde lid, een schaal is
vastgesteld, geschiedt de inpassing in die schaal van de
rechterlijk ambtenaar die nog niet het aan dat ambt verbonden
maximum salaris geniet, met ingang van de datum van
indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse
verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft
geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die
overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.
2. In geval van een in artikel 5b,
vierde lid, bedoelde wijziging van de vaststelling van het gerecht
of het parket waarbij een ambt wordt vervuld, wordt aan het in het
eerste lid bepaalde overeenkomstige toepassing gegeven.
Artikel 16
1. Indien een niet voor het leven
benoemde rechterlijk ambtenaar, die nog niet het maximum salaris
van de voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel
van het in artikel 6 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult,
kan zijn salaris worden verhoogd tot een in die salarisschaal
vermeld hoger bedrag.
2. Indien een niet voor het leven
benoemde rechterlijk ambtenaar, die het maximum salaris van de
voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel van het
in artikel 6 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan zijn
salaris worden verhoogd tot een bedrag vermeld in de salarisschaal
behorende bij het ambt waarvan het maximum salaris het naast
hogere is van dat van het ambt waarin hij is benoemd.
3. Het oordeel over de wijze waarop
een ambt wordt vervuld, bedoeld in het eerste en tweede lid, komt
tot stand op basis van het verslag van een met de rechterlijk
ambtenaar gehouden functioneringsgesprek of een vastgestelde
beoordeling van het functioneren van de rechterlijk ambtenaar.
4. Verhoging van het salaris als
bedoeld in het eerste en tweede lid geschiedt met ingang van een
door het in artikel 6 bedoelde gezag te bepalen dag. In geval van
verhoging van het salaris als bedoeld in het eerste lid, blijft de
jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris
geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die
overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.
5. Een salarisverhoging als bedoeld
in het tweede lid kan worden ingetrokken indien de rechterlijk
ambtenaar zijn ambt naar het oordeel van het inartikel 6 bedoelde
gezag niet meer uitstekend vervult. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1. Het genot van het salaris vangt
aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar of de
rechterlijk ambtenaar in opleiding in dienst treedt.
2. Bij overgang naar een andere
functie binnen de rijksoverheid wordt, indien deze functie wordt
aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de benoeming
in het rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, het salaris in dit
ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van
het salaris in de nieuwe functie aanvangt.
3. Het salaris wordt per maand
genoten.
4. Indien een aanspraak op een
verhoging van het salaris ontstaat op een andere dag dan de eerste
dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf
de eerste dag van die kalendermaand.
5. Indien het salaris moet worden
berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het salaris
per dag vastgesteld door het maandelijkse salaris te delen door
het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.
6. Het tweede, derde en vijfde lid
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de toelagen
die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde tot de
bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding behoren.
Artikel 18
1. De bezoldiging van de
rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding
wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.
2. Zo spoedig mogelijk na het
overlijden wordt aan de weduwe of de weduwnaar van wie de
overleden rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd
gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als
maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar of de
rechterlijk ambtenaar in opleiding op de dag van het overlijden
genoot. Onder weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar
of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden
leefde, wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde
partner alsmede de nabestaande levenspartner met wie de niet
gehuwde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding samenwoonde en, met het oogmerk duurzaam samen te leven,
een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een
notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse
rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één
persoon als levenspartner worden aangemerkt.
3. De uitkering wordt vermeerderd
met een bedrag gelijk aan drie maal de vakantie-uitkering over een
maand. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk
ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in de maand van
het overlijden zou hebben genoten.
4. Bij ontstentenis van een weduwe
of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk
ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt
de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder
kinderen worden mede verstaan natuurlijke kinderen waarover de
rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding de
pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind
als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
5. Ontbreken ook minderjarige
kinderen, dan geschiedt, indien de rechterlijk ambtenaar of de
rechterlijk ambtenaar in opleiding kostwinner was van ouders,
meerderjarige kinderen, broers of zusters, de uitkering ten
behoeve van deze nagelaten betrekkingen.
6. Indien de rechterlijk ambtenaar
of rechterlijk ambtenaar in opleiding geen betrekkingen als
bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid nalaat, kan het in het
tweede lid bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden
uitgekeerd voor de betaling van de kosten die in verband met
lijkbezorging en de aan het overlijden voorafgaande ziekte zijn
gemaakt, indien de nalatenschap van de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding voor de betaling van die kosten
ontoereikend is.
7. Op het bedrag, bedoeld in het
tweede en derde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op
grond van artikel 35 van de Ziektewet, een uitkering op grond van
artikel 74 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een
uitkering op grond van artikel 53 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of een naar aard en strekking
daarmee overeenkomende uitkering, indien deze uitkeringen worden
uitgekeerd. Indien een uitkering als bedoeld in de eerste volzin
zowel uit een benoeming in een rechterlijk ambt als uit een of
meer andere betrekkingen voortvloeit, wordt voor de toepassing van
de eerste volzin onder uitkering verstaan het gedeelte van de
uitkering dat aan de benoeming in het rechterlijk ambt kan worden
toegerekend.
Artikel 18a
1. Artikel 18 is van
overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van de
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, met
dien verstande dat:
a. de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding geacht wordt te zijn
overleden op een door het in artikel 6 bedoelde gezag te
bepalen dag; en
b. hettweede tot en met zevende
lid van artikel 18 geen overeenkomstige toepassing vinden,
indien gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het
gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
2. Indien blijkt dat de als vermist
beschouwde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding in leven is en geen gegronde vermoedens bestaan dat van
ongeoorloofde afwezigheid sprake is geweest, kan de bezoldiging
alsnog aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding dan wel aan anderen worden uitbetaald.
3. De in het tweede lid bedoelde
bezoldiging wordt verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het
totaal van pensioen en uitkeringen dat uit hoofde van de
vermissing van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar
in opleiding, met betrekking tot het tijdvak waarover alsnog
aanspraak bestaat op bezoldiging, is toegekend.
Artikel 19
De bepalingen die voor burgerlijke
rijksambtenaren gelden ten aanzien van het gelijktijdig genot van
burgerlijke en militaire beloning, vinden overeenkomstige toepassing
ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren, die hun ambt op basis
van een aanstelling of aanwijzing vervullen, en de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, met dien verstande dat voor het leven
benoemde rechterlijke ambtenaren van de aan hun ambt verbonden
bezoldiging nimmer minder ontvangen dan het bedrag, waarmede deze
bezoldiging hun militaire bezoldiging overtreft.
Artikel 19a
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld omtrent de doorbetaling van bezoldiging aan
rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding in
geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte.
Artikel 19b
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen, in aanvulling op het in dit hoofdstuk bepaalde,
voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding
nadere arbeidsvoorwaarden worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 20 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 22 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 5 [Vervallen per
01-07-2010]
Paragraaf 5.1 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 25 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 26 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 27a [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 32 [Vervallen per 01-07-2010]
Paragraaf 5.2 [Vervallen per
01-07-2010]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 36 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 37 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 6. Overige rechten en
plichten
Artikel 40
Aan een rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding worden op zondagen en dagen die
bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als
algemeen erkende feestdagen geen werkzaamheden opgedragen, tenzij
het dienstbelang dit naar het oordeel van de functionele autoriteit
onvermijdelijk maakt.
Artikel 41
1. Het bestuur van de rechtbank
onderscheidenlijk het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat gerecht.
2. Het hoofd van het parket
verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die
werkzaam zijn bij dat parket.
3. De president van de Hoge Raad
verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs bij de Hoge
Raad.
4. Het bestuur van de rechtbank
onderscheidenlijk het hoofd van het parket verdeelt de
werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren in opleiding die de
opleiding bij dat gerecht onderscheidenlijk dat parket
doorbrengen.
5. Van de in het eerste tot en met
vierde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden kan slechts worden
afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit
naar het oordeel van het bestuur van het gerecht, de president van
de Hoge Raad onderscheidenlijk het hoofd van het parket
onvermijdelijk maakt.
Artikel 42
1. Voor schade die een rechterlijk
ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding bij de
vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij
zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde
uitsluitend de Staat aansprakelijk.
2. Voor schade als bedoeld in het
eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt
aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding jegens de Staat niet
aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn
opzet of bewuste roekeloosheid.
3. Voor schade die een gevolg is
van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet
aansprakelijk.
4. Onze Minister kan de betrokken
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding bij
besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond
van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale
kwijting een vergoeding te betalen.
5. In het besluit wordt het bedrag
van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden
vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige
raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister
zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt.
Artikel 43
1. Een niet voor het leven benoemde
rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding
onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens en van
de uitoefening van de rechten tot vereniging, tot vergadering en
tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten naar het
oordeel van de functionele autoriteit de goede vervulling van het
ambt of het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in
redelijkheid zou zijn verzekerd.
2. Het eerste lid is, voor zover
het betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het
lidmaatschap van:
a. een politieke groepering,
waarvan de aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de
Kieswet, of
b. een vakvereniging.
Artikel 44
1. Rechterlijke ambtenaren – met
uitzondering van de plaatsvervangers – en rechterlijke
ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage kunnen niet
tevens advocaat of notaris zijn dan wel anderszins van het
verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken.
2. Een advocaat kan niet tevens
werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger in de rechtbank waarbij
hij als advocaat is ingeschreven onderscheidenlijk als
raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof tot het rechtsgebied
waarvan de rechtbank behoort waarbij hij is ingeschreven.
3. Degene die als rechterlijk
ambtenaar werkzaam is bij een tot het openbaar ministerie behorend
parket, kan niet tevens werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger
in een rechtbank of als raadsheer-plaatsvervanger in een
gerechtshof. De eerste volzin is niet van toepassing gedurende de
periode waarin aan hem voor het gemiddeld aantal uren per week
waarvoor hij is aangesteld op zijn verzoek buitengewoon verlof is
verleend.
4. Rechterlijke ambtenaren en
rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage
vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is
met het oog op een goede vervulling van hun ambt of op de
handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
5. Rechterlijke ambtenaren en
rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage
stellen de functionele autoriteit in kennis van de betrekkingen
die zij buiten hun ambt vervullen. Zo mogelijk geschiedt de
kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen
van de betrekking. Ook indien zij geen betrekkingen buiten het
ambt vervullen, stellen zij de functionele autoriteit daarvan in
kennis.
6. De functionele autoriteit
beoordeelt of de vervulling van de betrekking ongewenst is met het
oog op de in het vierde lid genoemde gronden. Ten aanzien van de
met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren, niet zijnde
president, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president
van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een
rechtbank binnen het rechtsgebied van een gerechtshof, wordt deze
bevoegdheid uitgeoefend door de president van dat gerechtshof. Ten
aanzien van de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn
van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de
president van de Hoge Raad.
7. Bij een kennisgeving als bedoeld
in het vijfde lid, eerste volzin, worden de volgende gegevens
gemeld:
a. een korte omschrijving van
de betrekking alsmede het soort bedrijf of instantie waar de
betrekking wordt vervuld;
b. de naam van het bedrijf of
de instantie waar de betrekking wordt vervuld;
c. de plaats waar de betrekking
wordt vervuld;
d. of de betrekking bezoldigd
is of onbezoldigd;
e. het tijdstip van aanvang en
beëindiging van vervulling van de betrekking;
f. de omvang van de betrekking
in uren per maand; en
g. de hoogte van de bezoldiging
per jaar, aan te geven in categorieën;
met dien verstande dat de
plaatsvervangers, in afwijking van de onderdelen f en g, van hun
hoofdbetrekking de omvang en de hoogte van de bezoldiging niet
behoeven te melden.
8. De kennisgevingen worden
jaarlijks geactualiseerd.
9. Onze Minister stelt de
procureur-generaal bij de Hoge Raad in kennis van de betrekkingen
die de leden van het College van procureurs-generaal buiten hun
ambt vervullen.
10. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van
het vijfde, zevende en achtste lid.
Artikel 44a
1. In dit artikel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder nevenbetrekkingen: de
betrekkingen die rechterlijke ambtenaren en rechterlijke
ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage buiten hun ambt
vervullen.
2. De kennisgevingen, bedoeld in
artikel 44, vijfde lid, en de gegevens over een nevenbetrekking,
bedoeld in artikel 44, zevende lid, onderdelen a tot en met e,
worden per gerecht, parket dan wel parket-generaal opgenomen in
een register. De functionele autoriteit is verantwoordelijk voor
de juistheid en volledigheid van de in het register opgenomen
gegevens van de bij zijn gerecht, parket dan wel parket-generaal
werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in
opleiding gedurende de binnenstage.
3. Het register wordt jaarlijks
geactualiseerd.
4. Het register wordt in
elektronische vorm openbaar gemaakt en kan tevens worden ingezien
bij het desbetreffende gerecht, het desbetreffende parket dan wel
het parket-generaal.
5. Tegen betaling van de kostprijs
is een afschrift van een door de aanvrager op te geven gedeelte
uit het register verkrijgbaar.
6. In afwijking van het vierde lid
kan de functionele autoriteit met betrekking tot een
nevenbetrekking van een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk
ambtenaar in opleiding gedurende de binnenstage beslissen dat de
gegevens, bedoeld in artikel 44, zevende lid, onderdelen b en c,
met het oog op diens veiligheid, niet of niet volledig openbaar
worden gemaakt.
7. Indien op grond van het zesde
lid met betrekking tot een nevenbetrekking van een rechterlijk
ambtenaar gegevens niet of niet volledig openbaar worden gemaakt,
deelt de functionele autoriteit een procespartij in een zaak die
door die rechterlijk ambtenaar wordt behandeld, op haar verzoek
mee of de desbetreffende nevenbetrekking verband houdt met door
haar aan te geven bedrijven en instanties die bij haar zaak
betrokken zijn, tenzij dit een gevaar voor de veiligheid van de
rechterlijk ambtenaar oplevert.
8. Na beëindiging van een
nevenbetrekking blijven de gegevens over de nevenbetrekking
gedurende een termijn van drie jaar bewaard in het register.
9. In het register wordt ten
aanzien van de plaatsvervangers die gedurende een termijn van twee
jaar niet zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden
als bedoeld in artikel 5f, tweede lid, en gedurende die termijn
evenmin tijdelijk zijn aangewezen als bedoeld in artikel 5f, derde
lid, vermeld dat zij gedurende die termijn niet als zodanig zijn
opgeroepen of aangewezen.
10. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van
dit artikel.
Artikel 45
1. Aan een rechterlijk ambtenaar
onderscheidenlijk rechterlijk ambtenaar in opleiding die is
benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk
college, wordt voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen
van dat college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende
werkzaamheden ten behoeve van dat college, buitengewoon verlof met
behoud van bezoldiging verleend door Onze Minister dan wel, indien
het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een
gerechtshof of een rechtbank, het gerechtsbestuur
onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak, tenzij het
belang van de dienst zich daartegen verzet.
2. Aan een rechterlijk ambtenaar
onderscheidenlijk rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt voor
het verrichten van of het deelnemen aan activiteiten op de
terreinen, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, voor of van
een vereniging of centrale van verenigingen als bedoeld in artikel
50, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
verleend door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk
ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of een
rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor
de rechtspraak, tenzij het belang van de dienst zich daartegen
verzet.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het
buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste en tweede lid,
waaronder in elk geval regels betreffende de doorbetaling van
bezoldiging gedurende perioden waarin buitengewoon verlof als
bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verleend.
Artikel 46
1. Aan een rechterlijk ambtenaar
onderscheidenlijk rechterlijk ambtenaar in opleiding kan door Onze
Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die
werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, het gerechtsbestuur
onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak naar
billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of
overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.
2. Een afschrift van een beslissing
van Onze Minister of de Raad voor de rechtspraak als bedoeld in
het eerste lid wordt gezonden aan de functionele autoriteit van de
betrokken rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in
opleiding.
3. Het gerechtsbestuur, bedoeld in
het eerste lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de
gelegenheid om advies uit te brengen inzake een voorgenomen
besluit tot verlening van een schadeloosstelling, een
kostenvergoeding of een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in
het eerste lid die op jaarbasis meer dan € 5 000 bedraagt.
Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt
het gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen
besluit aan de Raad voor de rechtspraak.
4. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, regels geven omtrent schadeloosstelling,
kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan
groepen van rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in
opleiding.
Artikel 46a [Vervallen per
01-07-2010]
Hoofdstuk 6A. Disciplinaire
maatregelen, schorsing en ontslag
§ 6A.1. Algemeen
Artikel 46b
Dit hoofdstuk is alleen van
toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren.
§ 6A.2. Disciplinaire maatregelen
Artikel 46c
1. Ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar kan de disciplinaire maatregel van schriftelijke
waarschuwing worden opgelegd, indien hij:
a. de waardigheid van zijn
ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost;
b. de bepalingen overtreedt
waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een
vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt
zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen
of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting
of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting
wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt
opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de
betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult.
2. Ten aanzien van de rechterlijk
ambtenaar kan de disciplinaire maatregel van ontslag worden
opgelegd, indien hij door handelen of nalaten ernstig nadeel
toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in
haar te stellen vertrouwen.
3. Aan de rechterlijk ambtenaar die
zich schuldig maakt aan een van de gedragingen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, kan de disciplinaire maatregel van
ontslag worden opgelegd, indien hem eerder wegens een gelijke
overtreding de disciplinaire maatregel van schriftelijke
waarschuwing is opgelegd.
Artikel 46d
1. De disciplinaire maatregel van
schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd:
a. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en
daarvan niet tevens president zijn: door de rechterlijk
ambtenaar die tevens president van die rechtbank is;
b. ten aanzien van de
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof
en daarvan niet tevens president zijn, alsmede de rechterlijke
ambtenaren die tevens president zijn van een rechtbank binnen
het rechtsgebied van een gerechtshof: door de rechterlijk
ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof is;
c. ten aanzien van de
vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in
buitengewone dienst bij de Hoge Raad, alsmede de rechterlijke
ambtenaren die tevens president zijn van een gerechtshof: door
de president van de Hoge Raad;
d. ten aanzien van de
plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en
de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad:
door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
2. De disciplinaire maatregel van
ontslag wordt door de Hoge Raad opgelegd.
Artikel 46e
1. Een disciplinaire maatregel van
schriftelijke waarschuwing wordt niet opgelegd dan nadat de
rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof
of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk
de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de betrokken rechterlijk
ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze
schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.
2. Van het mondeling naar voren
brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat
door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te wiens
overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht, wordt
ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal
te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van
de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt
een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.
§ 6A.3. Schorsing
Artikel 46f
1. Een rechterlijk ambtenaar wordt
door de Hoge Raad geschorst, indien en voor zolang:
a. hij zich in voorlopige
hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een
misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
c. hij bij een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele
is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, hij surséance van
betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.
2. Een rechterlijk ambtenaar kan
door de Hoge Raad worden geschorst, indien:
a. hij wordt vervolgd wegens
een misdrijf;
b. er een ander ernstig
vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die
tot ontslag, anders dan op grond van artikel 46h, 46i of 46k,
zouden kunnen leiden.
3. Een schorsing als bedoeld in het
tweede lid eindigt na drie maanden, met dien verstande dat de Hoge
Raad de schorsing telkens voor ten hoogste drie maanden kan
verlengen.
4. De Hoge Raad beëindigt een
schorsing als bedoeld in het tweede lid zodra de grond hiervoor is
vervallen.
Artikel 46g
1. De Hoge Raad kan bij de
beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst,
bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel
of gedeeltelijk zal worden ingehouden.
2. Indien de schorsing anders dan
door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat de niet
genoten bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden
uitbetaald. Op de alsnog uit te betalen bezoldiging worden in
mindering gebracht de inkomsten, die de rechterlijk ambtenaar
heeft genoten uit arbeid die hij tijdens de schorsing heeft
verricht, tenzij zulks naar het oordeel van de Hoge Raad
onredelijk of onbillijk is.
§ 6A.4. Ontslag en herplaatsing
Artikel 46h
1. De rechterlijk ambtenaar wordt
op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister ontslagen.
2. Ontslag als bedoeld in het
eerste lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan
een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek
om ontslag is ontvangen. Van het bepaalde in de vorige volzin kan
worden afgeweken indien de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.
3. Met ingang van de eerste dag van
de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de
leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
Artikel 46ha
Onder passende arbeid wordt in de
artikelen 46i,46k en 46ka verstaan: alle arbeid die voor de krachten
en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar is berekend, tenzij
aanvaarding daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of
sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd.
Artikel 46i
1. De rechterlijk ambtenaar kan,
wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid, door de Hoge Raad worden ontslagen, indien:
a. de ongeschiktheid twee jaar
onafgebroken heeft geduurd;
b. herstel van zijn ziekte
binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a
genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te
verwachten; en
c. naar het oordeel van de
functionele autoriteit duurzame reïntegratie in de eigen
arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen
het gezagsbereik van Onze Minister, of in passende arbeid
buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is
te verwachten.
2. Voor het berekenen van het
tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
worden niet in aanmerking genomen:
a. perioden van ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid als gevolg van zwangerschap
voorafgaand aan het zwangerschapsverlof; en
b. perioden van ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid tijdens het zwangerschaps-en
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid,
van de Wet arbeid en zorg.
3. Voor de berekening van het
tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid,
anders dan bedoeld in het tweede lid, samengeteld:
a. indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
b. indien de ene periode van
ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van
ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke
zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1,
tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten,
en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht
kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
4. Het tijdvak van twee jaar,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verlengd:
a. indien de aangifte, bedoeld
in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet, later is gedaan
dan op grond van dat artikel is voorgeschreven, met de duur
van die vertraging;
b. indien de aanvraag, bedoeld
in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, later wordt gedaan dan in of op grond van dat
artikel is voorgeschreven, met de duur van die vertraging;
c. indien de wachttijd, bedoeld
in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, op grond van het zevende
lid van dat artikel is verlengd, met de duur van die
verlenging; en
d. indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, op grond van artikel 24, eerste lid, of artikel
25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen dan wel op grond van artikel 71a, negende lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een tijdvak
heeft vastgesteld, met de duur van dit tijdvak.
5. In afwijking van het eerste lid
kan de rechterlijk ambtenaar, indien de in dat lid bedoelde
voorwaarden zijn vervuld en hij hierom verzoekt, worden ontslagen
bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de
rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een ontslag
door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid.
6. Het eerste lid, onderdeel c, is
niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en
de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de
raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de
rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.
Artikel 46j
1. Om te beoordelen of sprake is
van een situatie als bedoeld in artikel 46i, eerste lid,
onderdelen a en b, wordt door de functionele autoriteit medisch
advies ingewonnen bij een daartoe door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, aangewezen arts.
Deze arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport
op, dat wordt toegezonden aan de functionele autoriteit en in
afschrift aan de betrokken rechterlijk ambtenaar.
2. De in het eerste lid bedoelde
arts betrekt bij zijn beoordeling een door de functionele
autoriteit aangewezen arts en, indien de rechterlijk ambtenaar dit
wenst, een door de rechterlijk ambtenaar aangewezen arts.
3. De functionele autoriteit stelt
de rechterlijk ambtenaar er schriftelijk van op de hoogte dat de
in het eerste lid bedoelde procedure zal worden ingesteld en dat
de rechterlijk ambtenaar bevoegd is desgewenst een arts aan te
wijzen. Deze kennisgeving geschiedt niet eerder dan nadat de
rechterlijk ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van
achttien maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte en in ieder geval op een zodanig tijdstip dat
de procedure met betrekking tot het medisch advies uiterlijk
binnen een periode van vierentwintig maanden ongeschiktheid
afgerond kan zijn.
Artikel 46k
1. Aan de rechterlijk ambtenaar,
die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte, kan door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele
autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid,
een ander ambt of andere functie worden opgedragen bij een gerecht
of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van
passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt
dat of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de opdracht, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld
en de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, worden gegeven bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de
rechtsgevolgen wordt een zodanige opdracht gelijkgesteld met een
door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid gegeven opdracht.
3. Indien aan de rechterlijk
ambtenaar een ander ambt of andere functie, niet zijnde een ambt
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt opgedragen, wordt hij
door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens
ontslagen als voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar.
4. Indien aan de rechterlijk
ambtenaar een ambt als bedoeld inartikel 2, eerste lid, wordt
opgedragen voor minder uren dan het aantal uren dat hij zijn
oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde, wordt hij door
de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens
ontslagen voor het meerdere aantal uren.
5. Het eerste tot en met vierde lid
zijn niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst
bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge
Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de
rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.
Artikel 46ka
1. De rechterlijk ambtenaar, die
wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid,
kan, in afwijking vanartikel 46i, eerste lid, door de Hoge Raad
worden ontslagen indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door de
functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee
te werken aan door de functionele autoriteit of een door de
functionele autoriteit aangewezen deskundige getroffen
maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere
passende arbeid te verrichten;
b. passende arbeid te
verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld; of
c. zijn medewerking te verlenen
aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van
aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71a, tweede
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Om te beoordelen of sprake is
van een situatie als bedoeld in het eerste lid wint de functionele
autoriteit het advies in van het in artikel 46j, eerste lid,
bedoelde Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 46l
1. De rechterlijk ambtenaar wordt
door de Hoge Raad ontslagen, indien hij:
a. ongeschikt is voor het
vervullen van zijn ambt, anders dan wegens ziekte;
b. een ambt of betrekking
aanvaardt dat onderscheidenlijk die volgens de wet
onverenigbaar is met het door hem beklede ambt;
c. het Nederlanderschap
verliest.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de rechterlijk ambtenaar in geval van ongeschiktheid voor
het vervullen van zijn ambt anders dan wegens ziekte, indien hij
hierom verzoekt, ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag
gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad overeenkomstig het
eerste lid, onderdeel a.
3. Voor de beoordeling of sprake is
van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt, anders dan
wegens ziekte, wordt advies ingewonnen bij een commissie van drie
deskundigen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden hieromtrent nadere regels gesteld.
Artikel 46m
De rechterlijk ambtenaar kan door de
Hoge Raad worden ontslagen, indien hij:
a. bij onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld dan wel
hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die
vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
b. bij onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van
faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, hij surséance van betaling heeft verkregen, dan wel
wegens schulden is gegijzeld;
c. als raadsheer- of
rechter-plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet
is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld
in artikel 5f, tweede lid, en gedurende die termijn evenmin
aangesteld is geweest of tijdelijk is aangewezen als bedoeld in
artikel 5f, eerste of derde lid.
Artikel 46n
1. Ingeval van een ontslag
ingevolge de artikelen 46c, tweede en derde lid, 46ka, 46l
ofartikel 46m, onderdelen a en b, kan de Hoge Raad een voorziening
treffen onderscheidenlijk kan bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister een voorziening worden getroffen waarbij de
rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het
oordeel van de Hoge Raad onderscheidenlijk Onze Minister met het
oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
2. De uitkering is ten hoogste
gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van
uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het
krachtens artikel 54 bepaalde ter zake van voorzieningen in geval
van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake
van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de
Werkloosheidswet.
3. Op de uitkering zijn voor het
overige de Werkloosheidswet en het krachtensartikel 54 bepaalde
ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien de rechterlijk ambtenaar
ter zake van hetzelfde ontslag recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet of het krachtens artikel 54 bepaalde
ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid, vervalt de
door de Hoge Raad of bij koninklijk besluit toegekende uitkering.
§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad
Artikel 46o
1. De Hoge Raad neemt de in dit
hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de
procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over beëindiging van een
schorsing beslist de Hoge Raad op vordering van de
procureur-generaal dan wel op verzoek van de betrokken rechterlijk
ambtenaar.
2. De vordering van de
procureur-generaal, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed
verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk
ambtenaar. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is
bij een gerechtshof of een rechtbank en daarvan niet tevens
president is, wordt in de eerste volzin onder functionele
autoriteit verstaan: de rechterlijk ambtenaar die tevens president
van dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank is. Indien de
betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof
onderscheidenlijk een rechtbank en daarvan tevens president is,
wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan:
de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de rechterlijk
ambtenaar die tevens president is van het gerechtshof tot het
rechtsgebied waarvan die rechtbank behoort.
3. De procureur-generaal vordert
niet dan nadat hij de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid
heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar
voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de
zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de
betrokken rechterlijk ambtenaar en de procureur-generaal wordt
ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal
te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de
rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal
verstrekt.
4. De vordering wordt door de
procureur-generaal gemotiveerd en schriftelijk ingesteld. Bij de
vordering wordt in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in het
derde lid, gevoegd.
Artikel 46p
1. Het onderzoek door de Hoge Raad
geschiedt in raadkamer.
2. De betrokken rechterlijk
ambtenaar wordt uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn
en daarbij, zo gewenst, zijn mening kenbaar te maken. De
uitnodiging gaat vergezeld van een afschrift van de ingestelde
vordering en van de daarbij gevoegde stukken.
3. De Hoge Raad kan, hetzij op
verzoek van de procureur-generaal of de betrokken rechterlijk
ambtenaar, hetzij ambtshalve, getuigen oproepen en horen.
4. De Hoge Raad beslist bij met
redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar.
5. De Hoge Raad doet aan het
betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad
alsmede aan Onze Minister onverwijld mededeling van een beslissing
als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 46q
Indien het ontslag, de schorsing of
het bij ongeschiktheid wegens ziekte opdragen van een ander ambt of
andere functie van de procureur-generaal in het geding is, worden de
in de artikelen 46o en 46p aan de procureur-generaal toegekende
bevoegdheden en verplichtingen uitgeoefend door de plaatsvervangend
procureur-generaal.
Hoofdstuk 7. Beroep
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 8. Overleg
Artikel 48
1. Over aangelegenheden van
algemeen belang voor de rechtstoestand – met inbegrip van de
algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
gevoerd – van de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, wordt niet beslist dan nadat daarover
door Onze Minister overleg is gevoerd met de Sectorcommissie
rechterlijke macht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van de regelingen, bedoeld in artikel 49,
een en ander voor zover in het overleg over deze regelingen niet
is voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende
voorzieningen te treffen ten behoeve van rechterlijke ambtenaren
of rechterlijke ambtenaren in opleiding.
3. Over algemene aangelegenheden
met betrekking tot de rechtspleging wordt door Onze Minister
overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, indien
hierom door een of meer leden van de Sectorcommissie rechterlijke
macht of Onze Minister wordt verzocht.
Artikel 49
Het overleg met betrekking tot
regelingen die specifiek betrekking hebben op overheids- en
onderwijspersoneel in het algemeen, bedoeld in artikel 1 van de
Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, heeft
eveneens betrekking op de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke
ambtenaren in opleiding.
Artikel 50
1. De deelnemers aan het overleg,
bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, zijn de
Sectorcommissie rechterlijke macht en Onze Minister.
2. De Sectorcommissie rechterlijke
macht bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak;
b. andere door Onze Minister
tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van
verenigingen van ambtenaren, die onder meer gelet op het
aantal rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in
opleiding dat zij vertegenwoordigen, eveneens als
representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier
toelating het algemeen belang zich niet verzet.
3. Ten aanzien van de
Sectorcommissie rechterlijke macht kunnen bij algemene maatregel
van bestuur over de volgende onderwerpen nadere regels worden
gesteld: de samenstelling, de werkwijze, de besluitvorming, de
stemverhouding daaronder begrepen, de onderwerpen waarover de
Sectorcommissie Onze Minister dient in te lichten, de intrekking
en schorsing van de toelating van verenigingen of centrales van
verenigingen tot de Sectorcommissie, en de schorsing van
vertegenwoordigers in de Sectorcommissie.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het
overleg tussen Onze Minister en de Sectorcommissie rechterlijke
macht.
Artikel 51
1. Voorstellen strekkende tot
invoering, wijziging of intrekking van regelingen welke
aangelegenheden betreffen waarop artikel 48, eerste lid,
betrekking heeft en waaraan individuele rechterlijke ambtenaren en
rechterlijke ambtenaren in opleiding rechten kunnen ontlenen dan
wel die plichten voor hen kunnen meebrengen, worden slechts ten
uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
Sectorcommissie rechterlijke macht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op voorstellen strekkende tot:
a. invoering of wijziging van
een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers
of alle werknemers, waaronder begrepen de rechterlijke
ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding,
b. invoering of wijziging van
een wettelijke regeling voor de rechterlijke ambtenaren en
rechterlijke ambtenaren in opleiding met een overeenkomstige
inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een
wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die
krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam
zijn,
c. vantoepassingverklaring op
de rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in
opleiding van een wettelijke regeling die betrekking heeft op
werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
werkzaam zijn en met die vantoepassingverklaring samenhangende
wijzigingen in voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke
ambtenaren in opleiding geldende regelingen, een en ander mits
het totaal van rechten en plichten van de rechterlijke
ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding over het
geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, of
d. implementatie van
verplichtingen voortvloeiend uit een internationaal verdrag.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld over het inwinnen van advies van een
commissie over een geschil en het onderwerpen van een geschil aan
een arbitrale uitspraak van een commissie door de deelnemers aan
het overleg, bedoeld in artikel 50, eerste lid, waaronder in elk
geval regels over de procedure voorafgaand aan het voorleggen van
een geschil aan de commissie en over de samenstelling en de
werkwijze van de commissie.
Artikel 52 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 53 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 54
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke
ambtenaren in opleiding regels worden gesteld met betrekking tot de
volgende onderwerpen:
a. arbeidsduur en werktijd;
b. vakantie en verlof;
c. voorzieningen in geval van
werkloosheid;
d. arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en
arbeidsongeschiktheid;
e. ontslag, herplaatsing,
schorsing en disciplinaire maatregelen ten aanzien van niet voor
het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en rechterlijke
ambtenaren in opleiding;
f. rechten en plichten bij
reorganisatie;
g. ambtskostuum;
h. installatie;
i. de gevallen waarin berichten
inzake de rechtspositie van de rechterlijk ambtenaar of
rechterlijk ambtenaar in opleiding in afwijking van artikel
2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend
elektronisch verzonden behoeven te worden en de voorwaarden die
daarbij in acht worden genomen;
j. bescherming bij de arbeid; en
k. overige rechten en plichten.
Artikel 55
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Artikel 56 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 57 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 58 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 59 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 60 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 62 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 63 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 64 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 65 [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 66 [Vervallen per 01-06-1999]
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
29 november 1996
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W.
Sorgdrager
Uitgegeven de tiende december
1996
De Minister van Justitie,
W.
Sorgdrager
Bijlage 1. Bijlage als bedoeld in
artikel 5g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren
Formulier voor het afleggen van de
eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar
Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn
aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal
onderhouden en nakomen.
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk
noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het
verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd,
noch zal geven of beloven.
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige
giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig
persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of
zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen
komen.
Ik zweer/beloof dat ik gegevens
waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en
waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet
vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot
mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling
voortvloeit, geheim zal houden.
Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met
eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van
personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen
zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.
Zo waarlijk helpe mij God
Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ........................, werd te
.....................
ten overstaan van (1)
..............................
door (2)
.............................
de bovenvermelde eed/belofte
afgelegd.
(1) .............................
(2) .............................
Bijlage Tweede [Vervallen per
01-07-2010]
Bijlage Derde [Vervallen per
01-07-2010]
|