Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 9 september 1992,
houdende enkele rechtspositionele voorzieningen voor
rampbestrijders in buitengewone omstandigheden
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
wettelijke regeling te treffen voor enkele
rechtspositionele voorzieningen voor hen die zich
voorbereiden op, deelnemen aan of hebben deelgenomen aan
de bestrijding van een ramp in buitengewone
omstandigheden;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Binnenlandse Zaken;
b. rampbestrijdingsdienst: het
deelnemen aan
1°. het bestrijden van een
ramp of een zwaar ongeval nadat de artikelen 53 en 54 van
de Wet veiligheidsregio’s in werking zijn gesteld;
2°. een oefening ter
voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware
ongevallen in geval van buitengewone omstandigheden, aan
het houden waarvan Onze Minister zijn goedkeuring heeft
gehecht;
3°. het bestrijden van een
ramp of een zwaar ongeval in België onderscheidenlijk de
Bondsrepubliek Duitsland naar aanleiding van een verzoek
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk
België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het
bestrijden van rampen en ongevallen (Trb. 1984, 155)
onderscheidenlijk de Overeenkomst tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de
wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van
rampen, zware ongevallen daaronder begrepen (Trb. 1988,
95);
4°. een oefening die in
België of in de Bondsrepubliek Duitsland wordt gehouden
ter voorbereiding op het bestrijden van een ramp of een
zwaar ongeval als bedoeld onder ten derde, aan het houden
waarvan Onze Minister zijn goedkeuring heeft gehecht;
c. rampbestrijder: degene die
1°. bij wijze van beroep
2°. als vrijwilliger
de rampbestrijdingsdienst
vervult of heeft vervuld bij een gemeentelijke of regionale
brandweer, bij een basisgezondheidsdienst, bij een Regionale
Ambulancevoorziening, bij een gemeenschappelijke meldkamer,
bij het Nederlandse Rode Kruis of bij een instelling,
zorgaanbieder, of gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s;
d. zijn gewone werk: de
werkzaamheden die de rampbestrijder voorafgaande aan de
rampbestrijdingsdienst gewoonlijk in de uitoefening van zijn
bedrijf of beroep heeft verricht;
e. geneeskundig adviseur: een
door Onze Minister aangewezen geneeskundige;
f. grondslag: de in artikel 27
bedoelde grondslag.
2. Voor de toepassing van deze wet
en de daarop rustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. gehuwd: als partner
geregistreerd;
b. weduwe: achtergebleven
geregistreerde partner;
c. weduwenuitkering: uitkering
ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt onder rampbestrijder mede
verstaan degene, die op verzoek of op bevel van de burgemeester dan
wel op verzoek van de commissaris van de Koning de
rampbestrijdingsdienst, bedoeld in artikel 1, onder b, ten eerste,
vervult of heeft vervuld.
Artikel 3
Indien er sprake is van een ramp of
een crisis, kan Onze Minister op verzoek van de burgemeester bepalen
dat het deelnemen aan het bestrijden van die ramp of dat ongeval
wordt aangemerkt als rampbestrijdingsdienst in de zin van artikel 1,
onder b, ten eerste.
Artikel 4
Aanspraken aan deze wet, met
uitzondering van artikel 28, kunnen slechts worden ontleend voor
zover de in deze wet vervatte voorzieningen aanspraken krachtens een
andere wettelijke regeling, met uitzondering van de Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284), of krachtens arbeidsovereenkomst
overtreffen.
Artikel 5
1. Een uitkering als bedoeld in de
hoofdstukken II, III, IV en artikel 29 bedraagt per maand niet
meer dan een twaalfde deel van 260 maal het in artikel 17, eerste
lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde
bedrag, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid blijft de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 16,
buiten beschouwing.
Artikel 6
Een uitkering als bedoeld in de
hoofdstukken II, III en IV bedraagt per maand niet minder dan de som
van de desbetreffende uitkering en de toeslag die in aanvulling
daarop zou worden verleend, indien die uitkering zou zijn aangemerkt
als een loondervingsuitkering in de zin van de Toeslagenwet (Stb.
1987, 91).
Hoofdstuk II. Uitkering bij ziekte
Artikel 7
1. De rampbestrijder heeft recht op
een ziekengelduitkering indien hij:
a. door ziekten of gebreken
ontstaan tijdens de rampbestrijdingsdienst, verhinderd wordt
nadien zijn gewone werk te verrichten;
b. door ziekten of gebreken die
ontstaan zijn binnen 6 maanden na beëindiging van de
rampbestrijdingsdienst en die in overwegende mate hun oorzaak
vinden in de rampbestrijdingsdienst, verhinderd wordt zijn
gewone werk te verrichten.
2. De ziekengelduitkering, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt gedurende 12 maanden 100% van de
grondslag en daarna gedurende 6 maanden 80% van de grondslag.
3. In afwijking van het tweede lid
eindigt de ziekengelduitkering met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin de rampbestrijder de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
Artikel 8
Geen recht op een ziekengelduitkering
als bedoeld in artikel 7 bestaat:
a. indien de rampbestrijder de
ziekten of gebreken heeft voorgewend, althans zodanig overdreven
voorgesteld, dat de verhindering tot het verrichten van zijn
gewone werk niet kan worden aangenomen;
b. indien de rampbestrijder de
verhindering tot het verrichten van zijn gewone werk opzettelijk
heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn
psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 9
1. Geen recht op een
ziekengelduitkering als bedoeld in artikel 7, of op verdere
betaling daarvan, bestaat wanneer en voor zolang de
rampbestrijder:
a. weigert zich te onderwerpen
aan een onderzoek vanwege de geneeskundig adviseur of, na voor
zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden
niet verschijnt;
b. zonder voldoende gronden
nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de hem door de
behandelende geneeskundigen gegeven voorschriften, met dien
verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van
medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
uitgezonderd;
c. zich zodanig gedraagt, dat
zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
d. voor derden of zichzelf
werkzaamheden verricht, tenzij dit door de geneeskundig
adviseur in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
geacht.
2. De rampbestrijder kan aan een
onderzoek vanwege de geneeskundig adviseur worden onderworpen ter
beantwoording van de vraag, of zich een omstandigheid voordoet als
bedoeld in het eerste lid, onder b of c, of in artikel 8.
Artikel 10
Indien de rampbestrijder binnen een
tijdvak van 30 kalenderdagen nadat de betaling van de
ziekengelduitkering, bedoeld in artikel 7, in verband met herstel
gestaakt is, wederom wegens dezelfde ziekten of gebreken verhinderd
wordt zijn gewone werk te verrichten, wordt de nieuw opgetreden
verhindering als een voortzetting van de vorige verhindering
beschouwd en wordt de betaling van de ziekengelduitkering hervat.
Hoofdstuk III. Uitkeringen bij
invaliditeit
Artikel 11
De rampbestrijder heeft recht op een
invaliditeitsuitkering, indien hij na afloop van de periode waarin
hij op grond van artikel 7 een ziekengelduitkering ontving, geheel
of gedeeltelijk algemeen invalide is.
Artikel 12
1. Geheel of gedeeltelijk algemeen
invalide is degene, die ten gevolge van ziekten of gebreken geheel
of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen,
hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring,
ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht,
of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. In het eerste lid wordt onder de
eerstgenoemde arbeid verstaan arbeid, die voor de krachten en
bekwaamheden van de rampbestrijder is berekend en die hem met het
oog op zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden
opgedragen.
3. Bij de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de
rampbestrijder de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4. Bij de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit wordt, zoveel doenlijk, rekening
gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
Artikel 13
De invaliditeitsuitkering bedraagt
bij een invaliditeitsgraad van:
|
80% of meer |
73% |
|
65-80% |
59,45% |
|
55-65% |
45,89% |
|
45-55% |
36,50% |
|
35-45% |
27,64% |
|
25-35% |
18,25% |
|
15-25% |
9,39% van de grondslag. |
Artikel 14
1. In afwijking van artikel 13 is
de invaliditeitsuitkering, indien de invaliditeitsgraad 80% of
meer bedraagt en de rampbestrijder in een althans voorlopig
blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, welke geregeld
oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van zijn
hulpbehoevendheid, gelijk aan 100% van de grondslag.
2. Het eerste lid vindt geen
toepassing, indien de rampbestrijder in een inrichting is
opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering
inzake ziektekosten komen.
Artikel 15
Op de invaliditeitsuitkering zijn de
artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
De rampbestrijder aan wie een
invaliditeitsuitkering is toegekend, heeft - indien de ziekten of
gebreken in overwegende mate hun oorzaak vinden in de
rampbestrijdingsdienst en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid
zijn te wijten - recht op een aanvullende uitkering ten bedrage van
18% van de invaliditeitsuitkering.
Artikel 17
Onze Minister wijzigt de
invaliditeitsuitkering overeenkomstig de wijziging van de
invaliditeitsgraad.
Artikel 18
De invaliditeitsuitkering eindigt met
ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
rampbestrijder de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
Artikel 19
1. De rampbestrijder heeft recht op
een bijzondere invaliditeitsuitkering indien hij na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onder b, maar binnen 2 jaar na de beëindiging van de
rampbestrijdingsdienst, door ziekten of gebreken geheel of
gedeeltelijk algemeen invalide wordt en deze invaliditeit naar het
oordeel van Onze Minister in overwegende mate haar oorzaak vindt
in de rampbestrijdingsdienst.
2. Dit hoofdstuk is van
overeenkomstige toepassing op de bijzondere
invaliditeitsuitkering.
Hoofdstuk IV. Uitkeringen bij
overlijden en vermissing
Artikel 20
1. De weduwe van de rampbestrijder
die tijdens de rampbestrijdingsdienst is komen te overlijden,
heeft recht op een weduwenuitkering.
2. Indien het overlijden binnen
twee jaar na beëindiging van de rampbestrijdingsdienst
plaatsvindt, bestaat eveneens recht op een weduwenuitkering indien
het overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de
rampbestrijdingsdienst.
3. Het recht op een
weduwenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de weduwe de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet,
heeft bereikt.
Artikel 21
De weduwenuitkering bedraagt 50% van
de grondslag.
Artikel 22
1. Ieder kind van de rampbestrijder
die tijdens de rampbestrijdingsdienst is komen te overlijden, dat
de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft bereikt en niet
gehuwd is of gehuwd geweest is, heeft recht op een wezenuitkering.
2. Met het kind, bedoeld in het
eerste lid, wordt gelijkgesteld het kind voor wie de
rampbestrijder op het tijdstip van het overlijden de
pleegouderlijke zorg had.
3. Onder pleegouderlijke zorg,
bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als ware het een eigen
kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor.
Artikel 23
De wezenuitkering, bedoeld in artikel
22, bedraagt:
a. voor elk kind wiens ouder
onderscheidenlijk wiens pleegouder aan het overlijden van de
rampbestrijder recht op een weduwenuitkering ontleent, 10% van
de grondslag;
b. voor elk ander kind 20% van de
grondslag.
Artikel 24
1. Het gezamenlijk bedrag aan
weduwenuitkering en wezenuitkering gaat 70% van de grondslag niet
te boven.
2. Indien wegens de toepassing van
het eerste lid de uitkeringen een vermindering moeten ondergaan,
geschiedt deze naar evenredigheid van hun bedragen.
Artikel 25
1. Na het overlijden van de
rampbestrijder, aan wie een uitkering krachtens de hoofdstukken II
of III is toegekend, wordt deze uitkering, voor zover niet reeds
uitbetaald, tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend
op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald aan de weduwe
van de rampbestrijder van wie de rampbestrijder niet duurzaam
gescheiden leefde.
2. Na het overlijden van de
rampbestrijder, die op het moment van overlijden recht had op een
vergoeding als bedoeld in artikel 28 of een uitkering als bedoeld
in artikel 29, wordt deze vergoeding of uitkering, voor zover niet
reeds uitbetaald, ter grootte van hetgeen de rampbestrijder zou
hebben ontvangen, indien de rampbestrijdingsdienst voor hem tot de
laatste dag van de derde maand volgend op die waarin het
overlijden plaatsvond, zou hebben voortgeduurd, uitbetaald aan de
weduwe van de rampbestrijder van wie de rampbestrijder niet
duurzaam gescheiden leefde.
3. Bij ontstentenis van de persoon,
bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt de betaling aan de
kinderen van de overledene, die de leeftijd van eenentwintig jaar
nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of gehuwd geweest zijn.
4. Bij ontstentenis van de
personen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt de
betaling aan degenen ten aanzien van wie de rampbestrijder
grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
Artikel 26
1. Indien een rampbestrijder wordt
vermist in verband met de rampbestrijdingsdienst, hebben degenen
die aan zijn overlijden recht op uitkering zouden ontlenen, recht
op een tijdelijke uitkering op dezelfde voet als in de voorgaande
artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.
2. De tijdelijke uitkering gaat van
rechtswege over in een voortdurende uitkering zodra vaststaat dat
de vermiste rampbestrijder is overleden.
Hoofdstuk V. Grondslag
Artikel 27
1. Onder grondslag worden in deze
wet en de daarop berustende bepalingen verstaan de inkomsten uit
of in verband met zijn gewone werk, die de rampbestrijder in het
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop het recht
op een uitkering krachtens deze wet is ontstaan, heeft genoten.
2. Indien de rampbestrijder in het
jaar, bedoeld in het eerste lid, geen inkomsten uit of in verband
met zijn gewone werk heeft genoten, wordt onder grondslag verstaan
twaalf maal het bedrag waarop hij op grond van artikel 28, eerste
lid, recht heeft. Ten aanzien van de rampbestrijder die minder dan
tien uren rampbestrijdingsdienst heeft vervuld, wordt voor de
berekening van het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, het aantal
uren gesteld op 10.
3. Indien de inkomsten, bedoeld in
het eerste lid, voortkomen uit of verband houden met de
uitoefening van een vrij beroep of eigen bedrijf, worden onder
inkomsten verstaan de winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld
in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Indien de rampbestrijder in het
jaar, bedoeld in het eerste lid, zijn gewone werk verrichtte in
een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtsbetrekking, is
artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien in de bezoldiging van het
rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht en wordt bepaald in
hoeverre deze wijziging een algemeen karakter draagt, wordt de
grondslag in overeenkomstige mate aangepast aan de
bezoldigingswijziging voor zover deze dat algemeen karakter heeft.
Hoofdstuk VI. Overige voorzieningen
Artikel 28
1. De rampbestrijder, bedoeld in
artikel 1, onder c, ten tweede, die de rampbestrijdingsdienst,
bedoeld in artikel 1, onder b, ten eerste, ten derde en ten
vierde, en artikel 3, vervult, alsmede de rampbestrijder, bedoeld
in artikel 2, die de rampbestrijdingsdienst, bedoeld in artikel 1,
onder b, ten eerste, en artikel 3, vervult, hebben recht op een
beloning van € 13,61 per uur.
2. Onze Minister past het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, aan, voor zover wijzigingen in
overeenkomstige vergoedingen voor het vrijwillig
brandweerpersoneel daartoe aanleiding geven.
Artikel 29
1. De rampbestrijder, bedoeld in
artikel 1, onder c, ten tweede, die tijdens de
rampbestrijdingsdienst, bedoeld in artikel 1, onder b, ten eerste,
ten derde en ten vierde, en artikel 3, loon of inkomsten uit zijn
gewone werk derft, alsmede de rampbestrijder, bedoeld in artikel
2, die tijdens de rampbestrijdingsdienst, bedoeld in artikel 1,
onder b, ten eerste, en artikel 3, loon of inkomsten uit zijn
gewone werk derft, hebben onverminderd artikel 5 recht op een
uitkering met betrekking tot hetgeen zij ter zake derven die
gelijk is aan:
a. het bedrag van het werkelijk
gederfde loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet
financiering sociale verzekeringen, al naar gelang zij hun
gewone werk in loondienst uitoefenen of tot deze categorie
gerekend kunnen worden;
b. het bedrag van de werkelijk
gederfde inkomsten, al naar gelang zij hun gewone werk door
zelfstandige beroepsuitoefening of door het voeren van een
eigen bedrijf verrichten;
c. de werkelijk gederfde
bezoldiging die zij krachtens een wettelijke regeling zouden
hebben genoten, al naar gelang zij hun gewone werk krachtens
een publiekrechtelijke aanstelling verrichten.
2. Indien de inkomsten van de
rampbestrijder, bedoeld in het eerste lid, een wisselend karakter
dragen, wordt onverminderd artikel 5 voor de berekening van de
uitkering, bedoeld in het eerste lid, het dag- of maandgemiddelde
van deze inkomsten over de laatste 26 weken genomen.
Artikel 30
1. De rampbestrijder heeft recht op
vergoeding van de te zijnen laste blijvende noodzakelijk gemaakte
kosten van geneeskundige behandeling van ziekten of gebreken die
in overwegende mate hun oorzaak vinden in de
rampbestrijdingsdienst.
2. Voorts kan aan de rampbestrijder
een tegemoetkoming worden toegekend in de te zijnen laste
blijvende noodzakelijk gemaakte kosten, die verband houden met de
in het eerste lid bedoelde ziekten of gebreken.
Artikel 31
1. Aan de rampbestrijder wordt de
schade aan de hem behorende goederen vergoed die hij als gevolg
van de rampbestrijdingsdienst buiten zijn schuld lijdt, voor zover
deze schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen
en hij niet uit anderen hoofde recht heeft op vergoeding van die
schade.
2. Voorts heeft de rampbestrijder
in geval van vermindering of verlies van lichaamsfuncties, waarvan
de oorzaak in overwegende mate ligt in de rampbestrijdingsdienst,
recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
Hoofdstuk VII. Uitvoering
Artikel 32
Onze Minister is belast met de
uitvoering van deze wet.
Artikel 33
Een aanvraag om toepassing van in
deze wet geregelde voorzieningen dient bij Onze Minister te worden
ingediend binnen een jaar nadat het recht op een voorziening is
ontstaan.
Artikel 34
1. De aanvrager onderscheidenlijk
degene aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht aan Onze
Minister onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk
is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte
van een uitkering krachtens deze wet of het bedrag dat daarvan
wordt uitbetaald.
2. Indien de aanvrager
onderscheidenlijk degene aan wie een voorziening is toegekend de
verplichting hem op grond van het eerste lid opgelegd, niet
nakomt, is Onze Minister bevoegd de voorziening tijdelijk of
blijvend geheel te weigeren, of tijdelijk of blijvend gedeeltelijk
te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.
Artikel 35
Alvorens Onze Minister een beslissing
neemt op een aanvraag om een uitkering als bedoeld in de
hoofdstukken II, III, IV of een voorziening als bedoeld in de
artikelen 30 en 31, tweede lid, vraagt hij zonodig het advies van de
geneeskundig adviseur.
Artikel 36
1. Omtrent elke aanvraag, bedoeld
in artikel 33, neemt Onze Minister binnen dertien weken een
beslissing.
2. Onze Minister kan een beslissing
ambtshalve herzien.
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 38
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden in het belang van een goede
uitvoering van deze wet nadere regels gesteld.
2. Onze Minister kan, wanneer hij
overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking
van een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een
onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging
zijnde maatregel regels stellen.
3. De regeling, bedoeld in het
tweede lid, blijft behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat
de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in
werking treedt, doch uiterlijk tot 12 maanden na de dag van
inwerkingtreding.
Hoofdstuk VIII. Betaalbaarstelling
Artikel 39
De betaling van de uitkeringen
krachtens deze wet geschiedt in maandelijkse termijnen.
Artikel 40
Wanneer als gevolg van
omstandigheden, waaraan de betrokkene geen schuld draagt, de
toekenning van een voorziening wordt vertraagd, is Onze Minister
bevoegd hem een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een
voorziening te verlenen.
Artikel 41
1. Onze Minister is bevoegd hetgeen
op grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of
gedeeltelijk terug te vorderen:
a. gedurende vijf jaren na de
dag van betaalbaarstelling indien hij door toedoen van de
aanvrager onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende twee jaar na de
dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het
de aanvrager redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat Onze
Minister onverschuldigd heeft betaald.
2. Een voorschot wordt door degene
aan wie een voorziening krachtens deze wet is toegekend, op eerste
vordering aan Onze Minister terugbetaald of door Onze Minister in
mindering gebracht op een later te betalen bedrag.
Artikel 42
1. Een voorziening krachtens deze
wet is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of
belening.
2. Een machtiging tot het in
ontvangst nemen van de voorziening onder welke vorm of benaming
verleend, is steeds herroepelijk.
3. Elk beding, strijdig met het
eerste of tweede lid, is nietig.
Hoofdstuk IX [Vervallen per
01-01-2013]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk X. Slot- en
overgangsbepalingen
Artikel 44
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen bepalingen van deze wet op andere dan de in artikel
1, onder c, bedoelde groepen van personen die de
rampbestrijdingsdienst vervullen, van overeenkomstige toepassing
worden verklaard. Zonodig kunnen daarbij tevens aanvullende regels
worden gegeven.
2. De voordracht tot een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan
door Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat te zamen.
Artikel 45
Onze Minister is bevoegd in bepaalde
gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard,
welke zich bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.
Artikel 46
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gegeven betreffende de wijze waarop met de daarvoor in
aanmerking komende vertegenwoordigers van de rampbestrijders overleg
wordt gepleegd over de voorschriften die ter uitvoering van deze wet
worden gesteld.
Artikel 46a
Voorzover de grondslag, bedoeld in
artikel 27, moet worden bepaald over een aan het kalenderjaar 2001
voorafgaand kalenderjaar, wordt voor de toepassing van het derde lid
van dat artikel onder winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld
in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 verstaan winst uit
onderneming als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Artikel 47
1. De Wet op de noodwachten (Stb.
1971, 61) wordt ingetrokken.
2. De noodwachter, genoemd in
artikel 7 van de Wet op de noodwachten, diens nagelaten betrekking
of diens rechtsverkrijgende, en de groepen van personen die op
grond van artikel 171 van die wet bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, die de dag voorafgaande aan
de datum van inwerkingtreding van deze wet aanspraak hebben op een
uitkering of voorziening krachtens die genoemde wet, of binnen een
jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet een verzoek om
toekenning van een in de Wet op de noodwachten genoemde uitkering
of voorziening hebben ingediend, hebben aanspraak op een met
bedoelde uitkering of voorziening overeenkomende, in deze wet
geregelde uitkering of voorziening. Deze wet is hierbij zoveel
mogelijk van overeenkomstige toepassing.
3. Degene die op de dag voorafgaand
aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 ingevolge
een opdracht van een daartoe aangewezen gezag als reserve
werkzaamheden heeft verricht bij de rijks- of gemeentepolitie en
op die dag aanspraak had op een in deze wet geregelde uitkering of
voorziening dan wel binnen een jaar na die datum een verzoek om
toekenning van een zodanige uitkering of voorziening heeft
ingediend, heeft aanspraak op een met bedoelde uitkering of
voorziening overeenkomende, in deze wet geregelde uitkering of
voorziening. Deze wet is hierbij zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
4. Degene die krachtens het tweede
lid dan wel het derde lid aanspraak heeft op een in deze wet
geregelde uitkering of voorziening, heeft, in voorkomend geval,
recht op het verschil tussen de even bedoelde uitkering of
voorziening en de uitkering of voorziening waarop hij aanspraak
gehad zou hebben indien de in het eerste lid bedoelde wet niet zou
zijn ingetrokken.
Artikel 48
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Artikel 49
Deze wet kan worden aangehaald als:
Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
9 september 1992
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
C.I.
Dales
Uitgegeven de dertiende
oktober 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|