WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is om te
geraken tot opheffing van het recht van de Dertiende Penning;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. De hoogte van het recht van de Dertiende Penning wordt
bepaald op elf ten honderd van de waarde van de onroerende zaken
waarop het recht rust.
2. Het recht van de Dertiende Penning is opgeheven na verloop van
dertig jaren te rekenen van de dag van inwerkingtreding van deze wet.
3. Naastingsrechten, verband houdende of ooit gehouden hebbende
met het recht van de Dertiende Penning, zijn afgeschaft.
Artikel 2
Deze wet treedt in werking op de eerste kalenderdag van de maand
januari van het jaar dat volgt op dat waarin deze in het Staatsblad
is geplaatst.
Artikel 3
Onze Minister van Justitie draagt zorg dat bekendheid wordt gegeven
aan de dag waarop ingevolge de artikelen 1, tweede lid, en 2 het recht
van de Dertiende Penning zal zijn opgeheven. Deze bekendmaking geschiedt
in de derde maand welke volgt op die waarin deze wet in het Staatsblad
is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten en
ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 oktober 1984
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de elfde oktober 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes