WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het heffen van rechten
voor het legaliseren van handtekeningen een wettelijke basis behoeft;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Voor het legaliseren van handtekeningen zijn aan het Rijk
rechten verschuldigd.
2. Het tarief van de rechten wordt vastgesteld door Onze minister
wie het aangaat. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde
opbrengst van de rechten de geraamde uitgaven terzake niet te boven
gaat.
Artikel 2
1. De Wet van 9 mei 1890, Stb. 80, tot nadere regeling van de
heffing en bestemming der Kanselarijleges wordt ingetrokken.
2. Het koninklijk besluit van 10 september 1969, Stcrt. 182,
houdende regeling inzake de vergoeding voor het verstrekken van
afschriften en voor de legalisatie van handtekeningen, wordt
ingetrokken.
Artikel 3
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag van de datum, van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met
uitzondering van artikel 2, eerste lid, welke in werking treedt op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 juni 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiλn,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de elfde juli 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin