WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gezien de
gezamenlijke verklaring met betrekking tot het overleg tussen een
delegatie uit het kabinet en de Badan Persatuan op 28 november 1985 en
21 april 1986, wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot de
toekenning van een uitkering en van een herdenkingspenning;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. het register: het register van personen die door de zorg van de
Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar Nederland
zijn overgebracht, welk register is aangelegd op basis van de enquête
van februari 1952, bedoeld in het rapport van de commissie, ingesteld
bij besluit van de Minister van Maatschappelijk Werk van 24 september
1957, nr. U 2598 Kabinet;
c. de uitkeringsgerechtigde:
1°. degene die voorkomt in het register, op 1 januari 1986 in
enig persoonsregister, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van
het Besluit Bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442) was
ingeschreven, op 1 januari 1986 in leven was, en niet als kind,
pleeg- of adoptiefkind naar Nederland is meegekomen;
2°. degene die op 1 januari 1986 in enig persoonsregister, als
bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit
Bevolkingsboekhouding was ingeschreven, op 1 januari 1986 in leven
was, en waarvan door degene die de uitkering aanvraagt wordt
aangetoond dat de betreffende persoon:
- behoorde tot de groep personen die door de zorg van de
Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar
Nederland zijn overgebracht, hetzij uit eigen hoofde, hetzij als
echtgenoot of echtgenote van een andere uitkeringsgerechtigde, en
- nadien viel onder de zorg van het Commissariaat
Ambonezenzorg;
3°. degene die op 1 januari 1986 in enig persoonsregister, als
bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit
Bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442) was ingeschreven, op 1
januari 1986 in leven was, en die
- onmiddellijk voor 27 december 1949 Nederlands onderdaan
niet-Nederlander was op grond van de Wet op het Nederlands
onderdaanschap (Wet van 10 februari 1910, Stb. nr. 55) en
na overkomst in 1951 of 1952 naar Nederland door naturalisatie
Nederlander is geworden, en
- naar het oordeel van Onze Minister behoorde tot de groep
personen die in 1951 of 1952 uit hoofde van hun dienstverband bij
de Koninklijke Marine door de zorg van de Nederlandse regering in
groepsverband naar Nederland zijn overgebracht;
d. de weduwe of weduwnaar: degene die op 1 januari 1986 in enig
persoonsregister als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het
Besluit Bevolkingsboekhouding was ingeschreven en die vóór 1 januari
1976 tot de datum van het overlijden gehuwd was met een
uitkeringsgerechtigde of met een persoon die, ware hij op 1 januari
1986 nog in leven geweest, uitkeringsgerechtigd zou zijn geweest;
e. de erfgenamen: de erfgenamen gezamenlijk, onderscheidenlijk de
erfgenaam van de uitkeringsgerechtigde die is overleden voor 1 januari
1989;
f. het uitkeringsjaar: het kalenderjaar, waarop de uitkering
betrekking heeft;
g. de uitkering: de jaarlijkse uitkering, bedoeld in artikel 4.
2. Onze Minister kan als uitkeringsgerechtigde aanmerken een
persoon:
- die naar zijn oordeel behoort tot de groep personen die door de
zorg van de Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar
Nederland zijn overgebracht hetzij uit eigen hoofde hetzij als
echtgenoot of echtgenote van een andere uitkeringsgerechtigde, en
- die niet onder de zorg van het Commissariaat Ambonezenzorg is
gevallen, maar wel aan de overige voorwaarden van het eerste lid,
onder c, ten tweede, voldoet, en
- van wie door degene die de uitkering aanvraagt wordt aangetoond
dat deze persoon zich onmiddellijk na aankomst in Nederland eigener
beweging heeft onttrokken aan de zorg van het Commissariaat
Ambonezenzorg.
De rechthebbenden
Artikel 2
1. Recht op de uitkering hebben:
a. de uitkeringsgerechtigde;
b. de weduwe of weduwnaar.
2. Twee rechthebbenden die op 1 januari van het betreffende
uitkeringsjaar met elkaar waren gehuwd, hebben slechts recht op één
uitkering, die aan hen gezamenlijk, ieder voor de helft, toekomt.
3. De weduwe of weduwnaar heeft, onverminderd het bepaalde in het
tweede lid, slechts recht op één uitkering.
Artikel 3
1. Het recht op de uitkering van de rechthebbenden, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, vervalt met ingang van het uitkeringsjaar
volgend op het jaar van overlijden van de betreffende rechthebbende.
2. Indien de niet gehuwde rechthebbende dan wel de gehuwde
rechthebbende die geen weduwe of weduwnaar nalaat, is overleden voor 1
januari 1989, treden de erfgenamen in zijn of haar plaats en duurt het
recht op de uitkering ten bate van de erfgenamen voort tot en met 31
december 1988.
3. Indien de rechthebbenden die met elkaar gehuwd waren, beiden
zijn overleden voor 1 januari 1989, treden de erfgenamen van de
uitkeringsgerechtigde in de plaats van de langstlevende rechthebbende en
duurt het recht op de uitkering ten bate van de erfgenamen voort tot en
met 31 december 1988.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, treden, indien
de rechthebbenden die met elkaar gehuwd waren, beiden
uitkeringsgerechtigd waren, de erfgenamen van ieder van hen in de plaats
van de langstlevende, waarbij de uitkering voor de helft toekomt aan de
erfgenamen van de man en voor de helft aan de erfgenamen van de vrouw.
De uitkering
Artikel 4
1. De uitkering ten bedrage van € 907,56 's jaars wordt op
aanvraag, met inachtneming van het in deze wet bepaalde, door Onze
Minister toegekend aan de rechthebbende, bedoeld in artikel 2.
2. De toekenning blijft van kracht zolang het recht op de
uitkering voortduurt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, de toekenning wordt gewijzigd zonder dat daartoe
een nieuwe aanvraag wordt vereist.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, eindigt de
toekenning in de gevallen, bedoeld in artikel 3, tweede, derde en vierde
lid, bij het eindigen van het recht op de uitkering van de
rechthebbende.
De aanvraag
Artikel 5
1. De aanvraag wordt schriftelijk en uiterlijk op 1 juli van
enig uitkeringsjaar door of namens de rechthebbende ingediend.
2. De aanvraag welke wordt ontvangen nà 1 juli van enig
uitkeringsjaar geldt als aanvraag gedaan in het uitkeringsjaar volgende
op dat waarin de aanvraag is ontvangen.
3. Onze Minister beslist op de aanvraag vòòr het einde van het
uitkeringsjaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
Artikel 6
1. De aanvraag kan worden ingediend tot 1 oktober 1991.
2. Niet als aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden
beschouwd:
a. een aanvraag van de weduwe of weduwnaar, voorzover aan de
uitkeringsgerechtigde reeds eerder een uitkering is toegekend;
b. een aanvraag van de erfgenamen, bedoeld in artikel 3, derde of
vierde lid, voorzover de aanvraag van de rechthebbende zelf geen
eerste aanvraag zou zijn geweest.
De herdenkingspenning
Artikel 7
1. Aan de rechthebbende dan wel de erfgenamen die in de plaats
treden van de rechthebbende, wordt op een daartoe strekkende aanvraag
een herdenkingspenning uitgereikt.
2. De aanvraag voor de herdenkingspenning wordt gelijktijdig met
de aanvraag voor de uitkering bij Onze Minister ingediend.
3. Geen herdenkingspenning wordt uitgereikt indien geen uitkering
wordt toegekend.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt aan de
erfgenamen van een persoon die, ware hij op 1 januari 1986 nog in leven
geweest, uitkeringsgerechtigd zou zijn geweest en die geen weduwe of
weduwnaar heeft nagelaten die rechthebbend is, op een daartoe strekkende
aanvraag de herdenkingspenning uitgereikt. De aanvraag kan worden
ingediend tot 1 oktober 1991.
5. Geen herdenkingspenning wordt uitgereikt aan:
a. de weduwe of weduwnaar van een uitkeringsgerechtigde aan wie
reeds een penning is uitgereikt;
b. de erfgenamen van de rechthebbende aan wie reeds een penning is
uitgereikt;
c. degene die niet heeft voldaan aan het bij of krachtens deze wet
bepaalde met betrekking tot het indienen van de aanvraag.
6. De vormgeving van de herdenkingspenning wordt door Onze
Minister bepaald.
Belasting- en premieheffing uitkeringsgerechtigde
Artikel 8
De over de uitkering verschuldigde belasting ingevolgde de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de verschuldigde premies ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181), de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb.
1967, 655) en de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) komen
ten laste van het Rijk.
Samenloop met publiekrechtelijke uitkeringen
Artikel 9
De uitkering blijft buiten beschouwing bij de verlening van bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand en andere, op het inkomen van de
rechthebbende afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of
verstrekkingen.
Artikel 10
Ten aanzien van de uitkering blijft artikel 1461 van het Burgerlijk
Wetboek buiten toepassing.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11
1. Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot de bij
de aanvraag van de uitkering of van de herdenkingspenning over te
leggen bescheiden, de wijze van behandeling van die aanvragen, alsmede
met betrekking tot de wijze en voorwaarden van de betaling van de
uitkering.
2. De regelen worden in de Nederlandse Staatscourant
bekend gemaakt.
Artikel 12
In afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, kan de
aanvraag voor de uitkering over het uitkeringsjaar 1986 tot uiterlijk 1
december 1986 worden ingediend.
Artikel 13
1. Het Besluit Rietkerk-uitkering (Stb. 1986, 523) wordt
ingetrokken met dien verstande dat de beslissingen genomen op grond
van dit besluit geacht worden te zijn genomen krachtens deze wet.
2. Degene die op grond van het Besluit Rietkerk-uitkering niet in
aanmerking kwam voor een uitkering maar op grond van enige bepaling van
deze wet wel voor de uitkering in aanmerking kan komen, kan de aanvraag
over de jaren 1986, 1987 en 1988 tot uiterlijk 1 juli 1988 indienen. Een
beslissing op een aanvraag ingevolge dit artikellid wordt voor 1 januari
1989 genomen.
Artikel 14
Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 1986.
Artikel 15
Deze wet kan worden aangehaald als Wet Rietkerk-uitkering.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 mei 1988
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk
Uitgegeven de zesentwintigste mei 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes