Nadere regelgeving:
- Besluit
rijonderricht motorrijtuigen (vervallen)
- Besluit
rijonderricht motorrijtuigen 2009
- Regeling
rijonderricht motorrijtuigen (vervallen)
- Regeling
rijonderricht motorrijtuigen 2009
WET van 7 juli 1993, houdende herziening van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels
inzake de bevoegdheid tot het geven van onderricht in het besturen van
motorrijtuigen te herzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. rijonderricht: onderricht, gericht op het bijbrengen, behouden
of verbeteren van de rijvaardigheid en geschiktheid om aan het
verkeer deel te nemen als bestuurder van een motorrijtuig, waarvoor
een rijbewijs wordt gevorderd;
c. stage: na het examen te volgen rijonderricht gericht op het
verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel
a;
d. bijscholing: rijonderricht na de eerste afgifte van een
certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, gericht op het
hernieuwd verkrijgen van een certificaat als in dat onderdeel
bedoeld;
e. motorrijtuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Wegenverkeerswet 1994;
f. rijbewijs: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Wegenverkeerswet 1994;
g. scholing educatieve maatregel: onderricht, gericht op de
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid van
rijbewijshouders in het kader van een door het CBR krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 aan betrokkenen opgelegde verplichting zich te
onderwerpen aan educatieve maatregelen;
h. instituut: instituut, bedoeld in artikel 2;
i. toets: proef ter beoordeling van de vakbekwaamheid van
rijinstructeurs;
j. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Wegenverkeerswet 1994, niet zijnde een brommobiel;
k. brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien
van een carrosserie;
l. richtlijn rijbewijzen: de bij ministeriële regeling
aangewezen richtlijn;
m. scholing alcoholslotprogramma: individueel of groepsgewijs
onderricht gericht op de bevordering van de geschiktheid in het
kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b van de
Wegenverkeerswet 1994.
Hoofdstuk II. Het instituut
Artikel 2
1. Onze Minister wijst een instituut aan dat is belast met:
a. het afnemen van het examen rijinstructeur, met uitzondering
van de examens, bedoeld in het vijfde lid,
b. het afnemen van de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9,
vierde lid,
c. de beoordeling van de stage en de aanwijzing van de
stagebegeleiders,
d. de praktijkbeoordeling in het kader van de praktische
bijscholing, bedoeld in artikel 12b,
e. de vaststelling van de leerdoelen en de inhoud van de
theoretische bijscholing,
f. de certificering van de cursussen die aan de leerdoelen en
de inhoud, bedoeld in onderdeel e, voldoen,
g. het verlenen van de ontheffing, bedoeld in artikel 12b,
vierde lid,
h. de beoordeling van de examens in het kader van het
herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c,
i. het afnemen van de toets, bedoeld in artikel 21, derde lid,
j. het afnemen van het examen docent scholing educatieve
maatregel en van het aanvullend examen docent scholing
alcoholslotprogramma,
k. het bijhouden van het register, bedoeld in artikel 4,
l. de ongeldigverklaring van certificaten, bedoeld in artikel
15, eerste lid,
m. de vaststelling van de tarieven voor de activiteiten,
bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en f tot en met j.
2. Op het instituut is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van
toepassing.
3. Het instituut voert de taken, genoemd in het eerste lid,
onderdelen a tot en met d, en f tot en met j, uit overeenkomstig het
daarvoor geldende reglement. Het instituut stelt dit reglement vast
met inachtneming van de regels, bedoeld in het derde lid.
4. Onze Minister stelt, het instituut gehoord, regels met
betrekking tot de uitvoering door het instituut van de taken, genoemd
in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en f tot en met j.
5. Onze Minister kan rijksgecommitteerden aanwijzen die zijn belast
met het toezicht op de uitvoering door het instituut van de taken,
genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met
j. Onze Minister kan een rijksgecommitteerde schorsen of ontslaan
wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie, dan
wel wegens andere zwaarwegende redenen. Onze Minister stelt regels
voor het door de rijksgecommitteerden uitgeoefende toezicht.
6. Het examen militair rijinstructeur afgenomen door of vanwege
Onze Minister van Defensie, alsmede het examen politierijinstructeur
afgenomen door of vanwege hetzij Onze Minister van Justitie, hetzij
Onze Minister van Binnenlandse Zaken, dienen te worden afgenomen
overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurd examenreglement
waarin tevens het namens Onze Minister te houden toezicht op de
examens is geregeld.
7. Het instituut onthoudt zich van actieve deelname aan opleidingen
gericht op het afleggen van de examens, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a tot en met d, en h tot en met j.
8. Het voor het uitvoeren door het instituut van de taken, genoemd
in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met j te
betalen tarief bestaat mede uit een vergoeding van de kosten van de in
het vijfde lid bedoelde rijksgecommitteerden. Het instituut draagt het
in de eerste volzin bedoelde, vast te stellen deel van het tarief dat
de vergoeding van de kosten van de rijksgecommitteerden betreft aan
hen af overeenkomstig bij regeling van Onze Minister vast te stellen
regels.
Artikel 3
1. Tegen een besluit van het instituut kan een belanghebbende
administratief beroep instellen bij de in het tweede lid bedoelde
commissie.
2. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, en
drie plaatsvervangende leden. De leden en plaatsvervangende leden
worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Zij zijn niet werkzaam
bij of ten behoeve van het instituut. Onze Minister stelt hun beloning
vast.
3. In afwijking van artikel 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht
is voor de behandeling van het beroep een bedrag verschuldigd, indien
het beroep is gericht tegen een besluit ter zake van:
a. de toelating tot het examen rijinstructeur of het examen
docent educatieve maatregel of het aanvullend examen docent
scholing alcoholslotprogramma, of
b. de uitslag van het examen rijinstructeur of het examen
docent educatieve maatregel of het aanvullend examen docent
scholing alcoholslotprogramma.
4. De hoogte van het bedrag en de wijze van betaling worden
vastgesteld bij ministeriële regeling.
5. Indien de commissie het beroep gegrond acht, wordt het bedrag
aan de indiener van het beroepschrift terugbetaald.
6. Onze Minister stelt een reglement van orde vast met betrekking
tot de door de commissie te volgen procedure.
7. Het instituut verstrekt aan de commissie de gegevens die zij
voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
Artikel 4
1.Het instituut houdt een register betreffende de afgifte en de
ongeldigverklaring van certificaten.
2.In het kader van het register verwerkt het instituut gegevens
betreffende de afgifte en de ongeldigverklaring van certificaten,
gegevens omtrent de door het instituut verrichte taken, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, f tot en met j, en
de gegevens als bedoeld in artikel 12, derde lid, voor zover die
gegevens noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wet of
de daarop berustende bepalingen.
Artikel 5
1.Uit het register worden aan:
a. de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren, die
zijn belast met de uitvoering van deze wet, en
b. de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde ambtenaren,
de gegevens verstrekt die zij voor de uitvoering van hun taak
behoeven.
2.Aan andere personen dan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren
en degenen omtrent wie gegevens in het register zijn opgenomen, kunnen
op aanvraag en tegen betaling van het door het instituut voor de
behandeling van de aanvraag vastgestelde tarief, uit het register
gegevens worden verstrekt. Verstrekt worden slechts gegevens omtrent
de afgifte en de geldigheid van certificaten.
3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn gehouden om in bij
algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen mededeling te doen
van feiten die van belang zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 6
Indien het instituut is of wordt ontbonden dan wel indien zich andere
omstandigheden voordoen ten gevolge waarvan het instituut naar het
oordeel van Onze Minister niet in staat is de in artikel 2, eerste lid,
genoemde werkzaamheden te verrichten, draagt Onze Minister er zorg voor
dat deze werkzaamheden naar behoren worden uitgevoerd.
Hoofdstuk III. Rijonderricht
§ 1. Bevoegdheid tot het geven van rijonderricht
Artikel 7
1. Degene die bedrijfsmatig rijonderricht geeft in het besturen van
enige motorrijtuigcategorie is in het bezit van een door het instituut
afgegeven certificaat voor de motorrijtuigcategorie B als bedoeld in
de richtlijn rijbewijzen. Daarnaast is degene die bedrijfsmatig
rijonderricht geeft voor de in de richtlijn rijbewijzen genoemde
motorrijtuigcategorieën in het bezit van een door het instituut
afgegeven certificaat voor de desbetreffende motorrijtuigcategorie.
2. In afwijking van het eerste lid is geen certificaat vereist
voor:
a. de voertuigintroductie in een voor de bestuurder nieuw
motorrijtuig voor C, C1, CE, C1E, D, D1, DE of D1E als bedoeld in
de richtlijn rijbewijzen;
b. het theoretische rijonderricht, anders dan het vak verkeer,
voor het rijbewijs in de motorrijtuigcategorieën C, C1, D of D1,
en de theoretische scholing en theoretische bijscholing in het
kader van de vakbekwaamheid van bestuurders van die
motorrijtuigcategorieën, voor zover de betrokken docent voldoet
aan de bekwaamheidseisen bedoeld in artikel 4.2.1., tweede lid,
onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
en
c. het rijonderricht in het kader van een door het CBR
opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een scholing
educatieve maatregel.
3. Het certificaat dient:
a. geldig te zijn voor het rijonderricht dat wordt gegeven,
b. te voldoen aan de bij regeling van Onze Minister
vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
4. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, is degene die
bedrijfsmatig rijonderricht geeft voor het besturen van een bromfiets
in het bezit van een door het instituut afgegeven certificaat voor de
motorrijtuigcategorieën A1, A2 en A als bedoeld in de richtlijn
rijbewijzen en is degene die bedrijfsmatig rijonderricht geeft voor
het besturen van een brommobiel in het bezit van een door het
instituut afgegeven certificaat voor de motorrijtuigcategorie B als
bedoeld in de richtlijn rijbewijzen.
5. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, is een certificaat
als bedoeld in artikel 13, onderdeel a, alleen geldig voor het
rijonderricht dat wordt gegeven onder directe begeleiding van de
stagebegeleider.
Artikel 8
1.Artikel 7 is niet van toepassing op militaire rijinstructeurs en
politierijinstructeurs voor zover zij werkzaam zijn binnen hun
dienstverband en zij in het bezit zijn van een door Onze Minister
aangewezen diploma.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij
te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bepaalde
uitzonderingsgevallen, welke verband houden met het verkrijgen van de
bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, tijdelijk wordt of kan
worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7. Een beschikking
waarbij toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, wordt tegen
betaling van het daarvoor door Onze Minister vastgestelde tarief
gegeven door het instituut.
Artikel 8a
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 8b in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 8b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
Artikel 7 is niet van toepassing op militaire rij-instructeurs voor
zover zij werkzaam zijn binnen hun dienstverband.
§ 2. Afgifte van certificaten ten behoeve van het geven van
rijonderricht
Artikel 9
1. Het instituut geeft een certificaat voor het geven van
rijonderricht slechts af:
a. indien het de afgifte betreft aansluitend aan het examen ten
behoeve van de stage als bedoeld inartikel 12a, aan degene die
blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan de
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen
van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht,
b. indien het de afgifte betreft van een certificaat als
bedoeld in artikel 13, onderdeel b, aan degene die blijkens een
door het instituut afgenomen examen en een door het instituut
vastgestelde positieve beoordeling van de stage voldoet aan de bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen van
bekwaamheid tot het geven van rijonderricht,
c. indien het de afgifte betreft van een certificaat als
bedoeld in artikel 12b, eerste lid, of 12c, eerste lid, aan degene
die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde eisen van bekwaamheid tot het geven van
rijonderricht,
d. aan degene aan wie op grond van de krachtens de artikelen
12a, derde lid, onderdeel a, en 12b, derde lid, onderdeel b,
vastgestelde regels door het instituut een verlenging van de stage
of de bijscholing is toegestaan,
e. aan degene die in het bezit is van een niet langer dan zes
maanden voor de afgifte afgegeven militair of
politieinstructeursbewijs dat nog geldig is,
f. aan de migrerende beroepsbeoefenaar, bedoeld in artikel 1
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, die voldoet
aan de vereisten voor de erkenning van beroepskwalificaties,
bedoeld in artikel 5 van die wet.
2. De in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde eisen
van vakbekwaamheid kunnen verschillen naar gelang het betreft de
verschillende categorieën van motorrijtuigen.
3. Een certificaat, afgegeven in het in het eerste lid, onderdeel
e, bedoelde geval, kan alleen bevoegdheden verlenen die overeenkomen
met die welke voortvloeien uit het desbetreffende instructeursbewijs.
4. Bij de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald dat voor het deelnemen aan het
examen rijinstructeur een in die maatregel aangegeven niveau van
vooropleiding is vereist. Personen die niet voldoen aan dit niveau van
vooropleiding kunnen bij het instituut een geschiktheidstest afleggen.
Bij een positief resultaat van die geschiktsheidstest kan worden
deelgenomen aan het examen rijinstructeur.
5. Bij of krachtens de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot:
a. de inrichting en de inhoud van de geschiktheidtest;
b. de beoordeling van de competenties van de betrokkene en de
wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
Artikel 10
1.Een certificaat voor het geven van rijonderricht vermeldt
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels
de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het is
afgegeven.
2.Het instituut kan de uit het certificaat voortvloeiende
bevoegdheden beperken op grond van de bekwaamheid van de aanvrager tot
het geven van rijonderricht, door het stellen van eisen aan betrokkene
of aan het motorrijtuig waarin hij rijonderricht geeft.
Artikel 11
1.Het instituut geeft bij wijziging van de omvang van de uit het
certificaat voortvloeiende bevoegdheden een nieuw certificaat af
waarop de geldigheidsduur van het eerder afgegeven certificaat wordt
geplaatst.
2.Afgifte van het nieuwe certificaat geschiedt slechts tegen
inlevering van het eerder afgegeven certificaat waarop de wijziging
betrekking heeft.
Artikel 12
1. Het instituut geeft voor certificaten die versleten of geheel of
gedeeltelijk onleesbaar zijn, dan wel verloren zijn geraakt of teniet
zijn gegaan, tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief,
vervangende certificaten af. Het instituut geeft voorts bij wijziging
van de personalia van de houder van een certificaat een vervangend
certificaat af.
2. Afgifte van een vervangend certificaat geschiedt slechts tegen
inlevering van het eerder afgegeven versleten of geheel of ten dele
onleesbaar geworden certificaat.
3. Indien het te vervangen certificaat verloren is geraakt of
teniet is gegaan, dient een door de aanvrager ondertekende verklaring
te worden overgelegd, dat het certificaat verloren is geraakt of
teniet is gegaan. In de verklaring dienen de omstandigheden waaronder
het certificaat verloren geraakt of teniet gegaan is, te worden
omschreven.
4. Op het vervangende certificaat wordt door het instituut de
geldigheidsduur van het vervangen certificaat geplaatst.
§ 2a. Stage
Artikel 12a
1. Degene die blijkens een door het instituut afgegeven certificaat
voldoet aan de in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, bedoelde eisen
van vakbekwaamheid, doorloopt na de afgifte van dat certificaat een
stage door middel van het geven van rijonderricht in die
motorrijtuigcategorie. Het voldoen aan de regels voor de stage in de
motorrijtuigcategorieën B, C1, C, D1 of D wordt gelijkgesteld met het
voldoen aan de regels voor de stage in de motorrijtuigcategorieën BE,
C1E, CE, D1E of DE.
2. Het instituut kan stagebegeleiders aanwijzen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de inhoud, de duur en de mogelijke verlenging van de stage
in verband met bijzondere omstandigheden, en de wijze waarop die
wordt doorlopen,
b. de beoordeling van de stagiair en de wijze waarop de
beoordeling plaatsvindt,
c. de aanwijzing van stagebegeleiders.
§ 2b. Bijscholing
Artikel 12b
1. Degene die rijonderricht geeft en in het bezit is van een
certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, of een
instructeursbewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals dat artikel gold op 1 januari
2008 volgt theoretische en praktische bijscholing voor het
rijonderricht in de motorrijtuigcategorie waarvoor hij het certificaat
of het instructeursbewijs heeft. Indien een rijinstructeur in het
bezit is van een certificaat of een instructeursbewijs voor
verschillende motorrijtuigcategorieën als bedoeld in de richtlijn
rijbewijzen, volgt hij voor één van die categorieën theoretische en
praktische bijscholing.
2. Het instituut stelt de leerdoelen, de inhoud en de
voorgeschreven werkwijze van de theoretische bijscholing vast, en kan
de cursussen certificeren die aan de leerdoelen, de inhoud en de
voorgeschreven werkwijze voldoen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de omvang en de inhoud van de gecertificeerde cursussen, de
verplichtingen van degenen die de gecertificeerde cursussen
verzorgen, en de mogelijke verlenging van de theoretische
bijscholing in verband met bijzondere omstandigheden,
b. de omvang, de inhoud, de duur en de mogelijke verlenging van
de praktische bijscholing in verband met bijzondere
omstandigheden,
c. de beoordeling van de competenties van degene die
rijonderricht geeft en de wijze waarop die beoordeling
plaatsvindt.
4. Het instituut kan degene die rijonderricht geeft ontheffing
verlenen van de verplichting praktische bijscholing te volgen. Aan de
ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
§ 2c. Herintreding
Artikel 12c
1.Degene die beschikt over een certificaat of een
instructeursbewijs, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals dat artikel gold op 1 januari
2008 dat zijn geldigheid niet langer dan vijf jaar heeft verloren kan
een herintrederstraject volgen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot:
a. de omvang en de inhoud van het herintrederstraject,
b. de beoordeling van de competenties van de herintreder en de
wijze waarop die beoordeling plaatsvindt.
§ 3. Geldigheidsduur certificaten rijinstructeur
Artikel 13
Een certificaat is geldig:
a.
1. indien het wordt afgegeven aansluitend op het behalen van
het examen voor de categorie B als bedoeld in de richtlijn
rijbewijzen, voor de duur van twaalf achtereenvolgende maanden;
2. indien het wordt afgegeven aansluitend op het behalen van
het examen voor de categorie A1, A2, A, C1, C, D1 of D als
bedoeld in de richtlijn rijbewijzen, voor de duur van zes
achtereenvolgende maanden.
In bijzondere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan
te geven gevallen, kan de geldigheidsduur door het instituut
eenmalig met ten hoogste vier achtereenvolgende maanden worden
verlengd,
b. in de overige gevallen: voor de duur van vijf
achtereenvolgende jaren. In bijzondere bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te geven gevallen, kan de geldigheidsduur
door het instituut eenmalig met ten hoogste twaalf achtereenvolgende
maanden worden verlengd.
Artikel 14
Onverminderd het bepaalde in artikel 13 verliest een certificaat zijn
geldigheid door:
a. afgifte van een nieuw certificaat,
b. afgifte van een vervangend certificaat,
c. het onbevoegd aanbrengen van wijzigingen in het certificaat,
of
d. ongeldigverklaring, als bedoeld in de artikelen 15, 22, tweede
lid, en 23, vijfde lid.
Artikel 15
1.Het instituut verklaart een certificaat ongeldig indien:
a. het certificaat is afgegeven op grond van door de houder
verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien
de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de afgifte bekend
zou zijn geweest,
b. na afgifte van het certificaat blijkt dat het kennelijk
abusievelijk aan de houder is afgegeven,
c. het instituut de beoordeling van de stage als onvoldoende
vaststelt,
d. het instituut vaststelt dat de rijinstructeur onvoldoende
bij de theoretische bijscholing aanwezig is geweest, of
e. het instituut de beoordeling van ten minste de laatste van
de in vijf jaar gevolgde praktische bijscholingen als onvoldoende
vaststelt.
2.De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag
na de dag waarop de beschikking tot ongeldigverklaring is
bekendgemaakt.
3.De houder van het ongeldig verklaarde certificaat dient dat
certificaat in te leveren bij het instituut zodra de
ongeldigverklaring van kracht is geworden.
Hoofdstuk IV. Scholing educatieve maatregel en scholing
alcoholslotprogramma
Artikel 16
1. Degene die scholing educatieve maatregel geeft, alsmede degene
die scholing geeft in het kader van het alcoholslotprogramma, dient in
het bezit te zijn van een door het instituut afgegeven certificaat.
2. Het certificaat dient:
a. geldig te zijn voor de scholing educatieve maatregel die
wordt gegeven;
b. te voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen
inzake inrichting en uitvoering;
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
Artikel 17
1. Een certificaat voor het geven van scholing educatieve maatregel
wordt tegen betaling van het daarvoor door het instituut vastgestelde
tarief afgegeven door het instituut.
2. Een certificaat voor het geven van scholing educatieve maatregel
wordt slechts afgegeven aan degene die:
a. een geldig diploma bezit van een bij algemene maatregel van
bestuur aangegeven hoofdopleiding, die naar gelang van de te geven
scholing educatieve maatregel kan verschillen,
b. een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven aantal
jaren beroepservaring heeft die direct verband houdt met het in
onderdeel a bedoelde diploma, en
c. blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde aanvullende eisen
van bekwaamheid voor het geven van scholing educatieve maatregel,
die naar gelang van de te geven scholing educatieve maatregel
kunnen verschillen.
3. Een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het
alcoholslotprogramma wordt tegen betaling van het daarvoor door Onze
Minister vastgestelde tarief afgegeven door het instituut.
4. Een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het
alcoholslotprogramma wordt slechts afgegeven aan degene die:
a. een geldig diploma bezit van een bij algemene maatregel van
bestuur aangegeven hoofdopleiding,
b. een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven aantal
jaren beroepservaring heeft die direct verband houdt met het onder
a. bedoelde diploma, en
c. blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde aanvullende eisen
van bekwaamheid voor het geven van scholing in het kader van het
alcoholslotprogramma.
Artikel 18 [Vervallen per 01-08-2002]
Artikel 19
Ten aanzien van certificaten ten behoeve van het geven van scholing
educatieve maatregel en ten aanzien van certificaten ten behoeve van het
geven van scholing in het kader van het alcoholslotprogramma zijn de
artikelen 10-12 en 14 en 15 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Een certificaat voor het geven van scholing educatieve maatregel
alsmede een certificaat voor het geven van scholing in het kader van het
alcoholslotprogramma verliest zijn geldigheid met ingang van de datum
waarop het in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, bedoelde certificaat
of diploma zijn geldigheid verliest.
Hoofdstuk V. Maatregelen vakbekwaamheid
Artikel 21
1.Indien bij de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde ambtenaren een ernstig vermoeden bestaat dat de houder van
een certificaat voor het geven van rijonderricht niet langer voldoet
aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen van
bekwaamheid doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan het instituut onder vermelding van de feiten en
omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.
2.Het instituut besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
twee weken na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde
schriftelijke mededeling, of betrokkene zich al dan niet dient te
onderwerpen aan een onderzoek dat erop is gericht na te gaan of hij
voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen
van bekwaamheid.
3.Indien naar het oordeel van het instituut geen onderzoek vereist
is, kan hij betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels de verplichting opleggen tot het afleggen
van een toets bij het instituut binnen een door hem vastgestelde
termijn. De aan het afleggen van een toets verbonden kosten komen ten
laste van betrokkene.
4.Voor zover het besluit, bedoeld in het tweede lid, inhoudt dat
betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek wordt daarbij
bepaald door welke deskundige of door welke deskundigen het onderzoek
zal worden verricht.
5.Het instituut deelt het besluit, bedoeld in het tweede, derde en
vierde lid, mede aan degene die de schriftelijke mededeling, bedoeld
in het eerste lid, heeft gedaan.
Artikel 22
1.Degene die zich ingevolge het in artikel 21, tweede lid, bedoelde
besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek is, behoudens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen,
verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen. Gelijke
verplichting bestaat voor degene die ingevolge artikel 21, derde lid,
een toets dient af te leggen.
2.Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking alsmede
bij gebreke van een positief toetsresultaat binnen de krachtens
artikel 21, derde lid, vastgestelde termijn besluit het instituut
onverwijld tot ongeldigverklaring van het certificaat van de houder.
Het instituut bepaalt daarbij op welk deel van de geldigheidsduur
alsmede op welke in het certificaat aangeduide categorie of
categorieën van motorrijtuigen de ongeldigverklaring betrekking
heeft.
3.Het instituut deelt het besluit mede aan de in artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren.
4.De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag
na de dag waarop de beschikking tot ongeldigverklaring is
bekendgemaakt.
5.De houder van het ongeldig verklaarde certificaat dient dat
certificaat in te leveren bij het instituut zodra de
ongeldigverklaring van kracht is geworden.
Artikel 23
1.Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen
vier weken na de datum van bekendmaking van het in artikel 21, tweede
lid, bedoelde besluit plaats.
2.De deskundige deelt de uitslag van het onderzoek zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken nadat het onderzoek is
voltooid, schriftelijk mede aan het instituut, alsmede aan betrokkene.
3.Het instituut besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
twee weken na ontvangst van de uitslag van het onderzoek, of hij het
certificaat op grond van de uitslag al dan niet ongeldig verklaart.
4.Indien het instituut het certificaat niet ongeldig verklaart, kan
hij betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels de verplichting opleggen tot het afleggen van een
toets bij het instituut binnen een door hem vastgestelde termijn. De
aan het afleggen van een toets verbonden kosten komen ten laste van
betrokkene. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
5.Voor zover het besluit bedoeld in het derde lid, inhoudt dat het
certificaat ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk
deel van de geldigheidsduur alsmede op welke in het certificaat
aangeduide categorie of categorieën van motorrijtuigen de
ongeldigverklaring betrekking heeft. Artikel 22, derde, vierde en
vijfde lid, is van toepassing.
Hoofdstuk VI. Toezicht en opsporing
Artikel 24
1.Degene die rijonderricht dan wel scholing educatieve maatregel
geeft is verplicht het hem afgegeven certificaat op eerste vordering
van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
ambtenaren aan die ambtenaren behoorlijk ter inzage af te geven.
2.Indien rijonderricht dan wel scholing educatieve maatregel wordt
gegeven in een motorrijtuig is de rijinstructeur onderscheidenlijk de
docent educatieve maatregel verplicht dit motorrijtuig op eerste
vordering van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde ambtenaren te doen stilhouden en het hem afgegeven
certificaat aan die ambtenaren behoorlijk ter inzage af te geven.
Hoofdstuk VIA [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 24a [Vervallen per 01-06-2009]
Hoofdstuk VII. Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 25
1. Overtreding van de artikelen 7, 15, derde lid, 16, 22, vijfde
lid, 24 en 27, eerste en tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt, voor zover die overtreding bij die algemene
maatregel van bestuur uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt,
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van
de derde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 26
Bij veroordeling wegens overtreding van artikel 7 of van artikel 16
kan de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.
Artikel 27
1.Degene die rijonderricht geeft is verplicht het hem afgegeven
instructeursbewijs dan wel bewijs van ontheffing op eerste vordering
van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde
ambtenaren behoorlijk ter inzage af te geven.
2.Indien rijonderricht wordt gegeven in een motorrijtuig, is de
rijinstructeur verplicht dit motorrijtuig op eerste vordering van de
in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren
te doen stilhouden en het hem afgegeven instructeursbewijs dan wel
bewijs van ontheffing aan die ambtenaren behoorlijk ter inzage af te
geven.
3.Indien bij de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
bedoelde ambtenaren een ernstig vermoeden bestaat dat de houder van
een instructeursbewijs als bedoeld in artikel 27 kennelijk niet
voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen
van bekwaamheid, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de feiten en
omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. De
artikelen 21, tweede tot en met vijfde lid, 22 en 23 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 28 [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 30a [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 30b
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 31 [Vervallen per 01-06-2009]
Artikel 32
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 33
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet rijonderricht motorrijtuigen,
met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal
worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
's-Gravenhage, 7 juli 1993
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de vijfde augustus 1993
De Minister van Justitie a.i.,
J.E. Andriessen
|