WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
betrokken dochteronderneming of vestiging: een
dochteronderneming of vestiging van een deelnemende vennootschap, die
volgens het voorstel tot oprichting van een SE bij die oprichting een
dochteronderneming of vestiging van de SE wordt;
bijzondere onderhandelingsgroep: de overeenkomstig artikel
1:8, eerste lid, ingestelde groep die tot doel heeft met de deelnemende
vennootschappen te onderhandelen over de vaststelling van regelingen met
betrekking tot de rol van de werknemers in de SE;
deelnemende vennootschappen: de vennootschappen die
rechtstreeks deelnemen aan de oprichting van een SE;
dochteronderneming van een vennootschap: een onderneming
waarop door de moederonderneming een overheersende invloed kan worden
uitgeoefend zoals omschreven in artikel 1:2;
informatie: inlichtingen die door de SE worden verstrekt aan
de SE-ondernemingsraad of aan de werknemersvertegenwoordigers, over
aangelegenheden die
1°. betrekking hebben op de SE of op een of meer van haar
dochterondernemingen of vestigingen in een lidstaat, of
2°. de bevoegdheid van de besluitvormingsorganen in één lidstaat
te buiten gaan;
inschrijving van de SE: de inschrijving van de SE, bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de verordening;
lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
medezeggenschap: de invloed van de ondernemingsraad of van de
werknemersvertegenwoordigers op de gang van zaken bij een vennootschap
door
1°. het recht om een aantal leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de vennootschap te kiezen of te benoemen, of
2°. het recht om met betrekking tot de benoeming van een aantal of
alle leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de
vennootschap aanbevelingen te doen of bezwaar te maken;
met dien verstande, dat indien het bestuursorgaan overeenkomstig een
onderlinge taakverdeling leden heeft die belast zijn met het uitvoerend
bestuur en leden die daarmee niet zijn belast, onder medezeggenschap
wordt verstaan het recht ten aanzien van de leden die niet zijn belast
met het uitvoerend bestuur;
Nederlandse deelnemende vennootschap: de deelnemende
vennootschap met statutaire zetel in Nederland;
raadpleging: dialoog en uitwisseling van standpunten tussen de
SE en de SE-ondernemingsraad of de werknemersvertegenwoordigers;
richtlijn: de richtlijn nr. 2001/86/EG van de Raad van de
Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van
de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PbEG
L 294);
rol van de werknemers: elke procedure, met inbegrip van
informatie, raadpleging en medezeggenschap, die de
werknemersvertegenwoordigers in staat stelt invloed uit te oefenen op de
binnen de vennootschap te nemen besluiten;
SE: een Europese naamloze vennootschap, opgericht
overeenkomstig de verordening;
toezichthoudend orgaan, leidinggevend orgaan of bestuursorgaan van
de SE: wat daaronder wordt verstaan in de verordening;
verordening: de verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van
de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de
Europese vennootschap (SE) (PbEG L 294).
2. Handelen of nalaten door het bestuur van de SE of van de
deelnemende vennootschappen, wordt toegerekend aan de natuurlijke
persoon of rechtspersoon, die de onderneming in stand houdt.
Definitie moederonderneming
Artikel 1:2
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder moederonderneming: de
vennootschap die direct of indirect een overheersende zeggenschap kan
uitoefenen op een andere onderneming en die zelf geen vennootschap is
waarover door een andere onderneming direct of indirect een
overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een vennootschap wordt,
tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn, indien
zij:
a. meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het
leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming
kan benoemen, of
b. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering
van de andere onderneming kan uitoefenen of
c. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere
onderneming verschaft.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder de rechten
van de moederonderneming ten aanzien van het kapitaal, het stemrecht en
de benoeming mede begrepen:
a. de overeenkomstige rechten van andere ondernemingen waarop zij
overheersende zeggenschap uitoefent;
b. de overeenkomstige rechten van personen of organen die handelen
onder eigen naam doch voor rekening van de moederonderneming of van
een of meer van haar dochterondernemingen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de rechten ten
aanzien van het kapitaal en het stemrecht niet toegerekend aan een
onderneming, indien zij deze voor rekening van anderen houdt.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden stemrechten,
verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien
hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen
evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in de
gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem
slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft uitgeoefend.
5. Geen moederonderneming is een onderneming als bedoeld in
artikel 3, vijfde lid, onder a of c van verordening (EEG) 4064/89 van de
Raad van 21 december 1989 (PbEG L 395) betreffende de controle op
concentraties van ondernemingen.
6. Het recht van een lidstaat dat op een vennootschap van
toepassing is, bepaalt of die vennootschap een moederonderneming is als
bedoeld in het eerste lid.
7. Indien meer vennootschappen aan een of meer criteria van het
eerste lid voldoen,
a. wordt de vennootschap die voldoet aan het criterium onder a
aangemerkt als moederonderneming, waarbij het benoemingsrecht met
betrekking tot het leidinggevend orgaan voorrang heeft;
b. heeft, indien toepassing van onderdeel a niet leidt tot
aanmerking van één vennootschap als moederonderneming, het criterium
onder b voorrang boven dat onder c; een en ander onverminderd het
bewijs dat een andere vennootschap een overheersende invloed kan
uitoefenen.
Definitie werknemer, vertegenwoordigers van werknemers,
SE-ondernemingsraad
Artikel 1:3
1. In dit hoofdstuk wordt onder werknemer verstaan
a. voor zover het in Nederland werkzame personen betreft: degene
die krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam is in de SE, de
deelnemende vennootschap of een betrokken dochteronderneming of
vestiging;
b. voor zover het in de overige lidstaten werkzame personen
betreft: hetgeen het recht van die lidstaat daaronder verstaat.
2. Voor de toepassing van de artikelen 1:8, tweede lid, 1:14,
vijfde lid ten aanzien van de vertegenwoordigers van werknemers in de
deelnemende vennootschappen, 1:15, eerste lid, 1:19, eerste lid, en
1:29, derde lid, wordt onder vertegenwoordigers van werknemers verstaan:
hetgeen daaronder wordt verstaan krachtens het recht van de lidstaat
waarin die werknemers werkzaam zijn; voor Nederland zijn dat
ondernemingsraden.
3. In dit hoofdstuk wordt onder de SE-ondernemingsraad verstaan:
het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt, ingesteld bij de in
artikel 1:18 bedoelde overeenkomst of overeenkomstig de voorschriften
van afdeling 3 van dit hoofdstuk, ten behoeve van de informatie en
raadpleging van de werknemers van de SE en haar dochterondernemingen en
vestigingen in de lidstaten of de uitoefening van
medezeggenschapsrechten in verband met de SE.
4. Voor de toepassing van artikel 1:4 wordt tevens onder de
SE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan dat de werknemers
vertegenwoordigt in een SE die haar statutaire zetel heeft in een andere
lidstaat, en dat is ingesteld krachtens de bepalingen in het nationale
recht van die lidstaat ter omzetting van artikel 4 van de richtlijn of
overeenkomstig de voorschriften van de bijlage van de richtlijn, ten
behoeve van de informatie en raadpleging van de werknemers van de SE en
haar dochterondernemingen en vestigingen in de lidstaten of de
uitoefening van medezeggenschapsrechten in verband met de SE.
Rechten en verplichtingen van Nederlandse
werknemersvertegenwoordigers
Artikel 1:4
1. Ten aanzien van de in Nederland werkzame werknemers die lid
zijn van een bijzondere onderhandelingsgroep, de SE-ondernemingsraad,
of als werknemersvertegenwoordigers lid zijn van het toezichthoudend
of bestuursorgaan van de SE, dan wel optreden als vertegenwoordigers
bij een andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers, gelden het tweede tot en met het zevende lid.
2. Deze werknemers behouden hun aanspraak op loon voor de tijd
gedurende welke zij niet de bedongen arbeid hebben verricht ten gevolge
van het bijwonen van een vergadering van de bijzondere
onderhandelingsgroep, van de SE-ondernemingsraad, of van het
toezichthoudend of bestuursorgaan van de SE, dan wel van een vergadering
in het kader van de andere wijze van informatieverstrekking en
raadpleging.
3. Voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
vervulling van hun taak, wordt hun in werktijd en met behoud van loon de
gelegenheid geboden tot onderling beraad en overleg met andere personen
over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun functie zijn
betrokken en om scholing en vorming te ontvangen.
4. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en
bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle
aangelegenheden ten aanzien waarvan hun geheimhouding is opgelegd of
waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke
karakter moeten begrijpen. Deze verplichting geldt ook voor personen die
een functie als bedoeld in het eerste lid vervullen zonder werknemer te
zijn.
5. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover hem die
wordt benaderd als deskundige als bedoeld in de artikelen 1:16, tweede
lid, en 1:30, eerste lid, mits de deelnemende vennootschappen dan wel de
SE of degene die de geheimhouding heeft opgelegd, vooraf daarvoor
toestemming hebben gegeven en de betrokken persoon vooraf schriftelijk
heeft verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid
tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde
persoon de geheimhoudingsplicht van toepassing.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van
de in het eerste lid bedoelde functie, noch door beëindiging van de
werkzaamheden van de betrokkene in de onderneming.
7. De werkgever draagt er zorg voor, dat degenen die kandidaat
staan of gestaan hebben voor een functie als bedoeld in het eerste lid,
alsmede degenen die deze functie vervullen of hebben vervuld, niet uit
hoofde hiervan worden benadeeld in hun positie in de onderneming.
8. Iedere in Nederland werkzame werknemer of
werknemersvertegenwoordiger kan van de werkgever verlangen dat deze hem
een overzicht geeft van het aantal werknemers dat bij de SE, de
deelnemende vennootschappen, betrokken dochterondernemingen of
vestigingen werkzaam is, alsmede van de verdeling van deze werknemers
over de lidstaten.
9. De werkgever van een in Nederland werkzame werknemer die is
aangewezen of gekozen als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep of
van de SE-ondernemingsraad doet daarvan mededeling aan de deelnemende
vennootschappen of de SE.
Beroep op de rechter
Artikel 1:5
1. Iedere belanghebbende kan de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam verzoeken te bepalen dat gevolg dient te
worden gegeven aan hetgeen is bepaald bij dit hoofdstuk, met
uitzondering van artikel 1:4 voor zo ver het tweede lid niet anders
bepaalt, of bij een overeenkomst als bedoeld in 1:18. Een bijzondere
onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een SE-ondernemingsraad,
ingesteld krachtens dit hoofdstuk, kunnen niet in de proceskosten van
deze procedure worden veroordeeld.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een
SE-ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingskamer van het gerechtshof
te Amsterdam verzoeken om:
a. krachtens artikel 1:4, vierde en vijfde lid, 1:12, tweede lid,
of 1:26, derde lid, opgelegde geheimhouding op te heffen op de grond
dat degene die de geheimhouding heeft opgelegd bij afweging van de
betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van
geheimhouding had kunnen besluiten;
b. degene die informatie heeft geweigerd krachtens artikel 1:12,
tweede lid, of 1:26, derde lid, te verplichten tot het verstrekken van
informatie op de grond dat deze bij afweging van de betrokken belangen
niet in redelijkheid tot het weigeren van informatie had kunnen
besluiten.
Verhouding tot andere wetten
Artikel 1:6
1. Wanneer een SE een communautaire onderneming is of een
moederonderneming in een communautaire groep in de zin van de Wet op
de Europese ondernemingsraden, is die wet niet van toepassing op die
onderneming en haar dochterondernemingen, tenzij de bijzondere
onderhandelingsgroep het besluit, bedoeld in artikel 1:13, eerste lid,
onderdeel b, heeft genomen.
2. Bij de benoeming van leden van het toezichthoudend orgaan of
het bestuursorgaan van de SE heeft de ondernemingsraad niet de rechten
en bevoegdheden die hem zijn toegekend in artikel 158, derde, vierde,
vijfde, zesde, zevende, achtste en twaalfde lid, artikel 159, tweede
lid, artikel 161, tweede lid, artikel 268, derde, vierde, vijfde, zesde,
zevende, achtste en twaalfde lid, artikel 269, tweede lid en artikel
271, tweede lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan het bij of krachtens de
wet bepaalde over het recht op:
a. informatie, raadpleging en medezeggenschap dat de werknemers van
de SE en van haar dochterondernemingen en vestigingen genieten, anders
dan medezeggenschap bij de benoeming van commissarissen of bestuurders
in het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE;
b. medezeggenschap bij de benoeming van commissarissen of
bestuurders in dochterondernemingen van de SE.
Afdeling 2. De rol van de werknemers in de SE krachtens overeenkomst
§ 1. Algemene bepalingen
Toepasselijkheid
Artikel 1:7
Indien de SE haar statutaire zetel in Nederland zal hebben is
Nederlands recht van toepassing op de in deze afdeling geregelde
onderhandelingsprocedure.
§ 2. De bijzondere onderhandelingsgroep
Instelling en doel
Artikel 1:8
1. De deelnemende vennootschappen die voornemens zijn een SE op
te richten stellen een bijzondere onderhandelingsgroep in die
representatief is voor de werknemers van de deelnemende
vennootschappen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen, om met
de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschappen in
onderhandeling te treden over regelingen inzake de rol van de
werknemers in de SE.
2. De deelnemende vennootschappen geven aan de vertegenwoordigers
van de werknemers van de vennootschappen, dan wel, bij het ontbreken
daarvan, aan de werknemers, een overzicht van de deelnemende
vennootschappen, de betrokken dochterondernemingen en vestigingen en de
daarin werkzame werknemers, alsmede de verdeling van deze werknemers
over de lidstaten. Indien na de instelling van de bijzondere
onderhandelingsgroep, bedoeld in het derde lid, wijzigingen optreden in
de gegevens die zijn vermeld in het overzicht, verstrekken de
deelnemende vennootschappen zo spoedig mogelijk na deze wijziging een
gewijzigd overzicht aan de bijzondere onderhandelingsgroep en, indien
die situatie zich voordoet, aan de werknemers of hun vertegenwoordigers
van de deelnemende vennootschappen, de betrokken dochterondernemingen en
vestigingen uit een lidstaat die nog niet in de bijzondere
onderhandelingsgroep is vertegenwoordigd.
3. De instelling van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
verstrekking van het in het tweede lid bedoelde overzicht vindt plaats
zo spoedig mogelijk na de openbaarmaking van het fusievoorstel of het
voorstel tot oprichting van een moederonderneming, dan wel nadat de
leidinggevende of de bestuursorganen overeenstemming hebben bereikt over
een voorstel tot oprichting van een dochteronderneming of tot omzetting
in een SE.
4. De deelnemende vennootschappen dragen er zorg voor dat binnen
die vennootschappen de samenstelling van de bijzondere
onderhandelingsgroep alsmede het tijdstip waarop de vergadering bedoeld
in artikel 1:11, tweede lid, tweede zin, zal worden gehouden, wordt
bekendgemaakt.
5. Zo spoedig mogelijk na haar instelling of na de ontvangst van
een gewijzigd overzicht als bedoeld in het tweede lid, tweede zin, stelt
de bijzondere onderhandelingsgroep ten behoeve van de toepassing van de
artikelen 1:9 en 1:14 een overzicht vast van haar samenstelling en de
door haar leden vertegenwoordigde werknemers. Het overzicht geeft ten
minste informatie over:
a. het aantal leden van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
lidstaat waaruit zij zijn afgevaardigd;
b. de deelnemende vennootschappen, betrokken dochterondernemingen
of vestigingen welker werknemers door elk lid worden vertegenwoordigd,
alsmede het aantal van die werknemers, dat tevens wordt uitgedrukt als
percentage van alle werknemers die door de leden gezamenlijk worden
vertegenwoordigd;
c. de deelnemende vennootschap, betrokken dochteronderneming of
vestiging waarin een lid als werknemer werkzaam is, dan wel over de
omstandigheid dat het lid geen werknemer is.
Samenstelling
Artikel 1:9
1. De bijzondere onderhandelingsgroep bestaat uit een zodanig
aantal vertegenwoordigers van de werknemers van de deelnemende
vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen en vestigingen,
dat is gewaarborgd dat per lidstaat een lid wordt gekozen of
aangewezen voor elke 10%, of een deel daarvan, van de werknemers die
in de betrokken lidstaat werkzaam zijn, berekend over het totale
aantal werknemers dat bij de deelnemende vennootschappen en de
betrokken dochterondernemingen en vestigingen in alle lidstaten
tezamen werkzaam is.
2. Indien een SE door fusie wordt opgericht zijn er van elke
lidstaat zoveel extra leden als nodig is om ervoor te zorgen, dat de
bijzondere onderhandelingsgroep ten minste één extra lid telt ter
vertegenwoordiging van elke in die lidstaat ingeschreven deelnemende
vennootschap met daar werkzame werknemers, die ingevolge de inschrijving
van de SE zal ophouden te bestaan als afzonderlijke rechtspersoon.
3. Het aantal van de in het tweede lid bedoelde extra leden
bedraagt ten hoogste 20% van het totale aantal leden op grond van het
eerste lid.
4. Het tweede lid geldt niet voor zover de toepassing ervan
dubbele vertegenwoordiging in de bijzondere onderhandelingsgroep tot
gevolg zou hebben van de werknemers die werkzaam zijn bij een
deelnemende vennootschap in een lidstaat. Van dubbele vertegenwoordiging
is slechts sprake, indien de deelnemende vennootschap die op grond van
het tweede lid in aanmerking komt voor een extra lid, reeds
vertegenwoordigd wordt door een werknemer die werkzaam is in die
deelnemende vennootschap.
5. Indien het aantal deelnemende vennootschappen groter is dan
het aantal extra leden dat krachtens het tweede en derde lid in de
bijzondere onderhandelingsgroep zitting kan nemen, worden de extra
zetels door vertegenwoordigers van de werknemers in verschillende
lidstaten ingenomen in dalende volgorde van het aantal werknemers in die
vennootschappen.
6. Elke deelnemende vennootschap met in Nederland werkzame
werknemers wordt door ten minste één lid vertegenwoordigd in de
bijzondere onderhandelingsgroep, tenzij het totale aantal leden daardoor
zou toenemen.
7. Het aantal leden van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met dit artikel. Indien
het aantal leden uit een lidstaat wijzigt zonder dat met betrekking tot
die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft plaatsgevonden,
hebben de voor die lidstaat zitting hebbende leden, voor de toepassing
van artikel 1:14, eerste, tweede, derde en vierde lid, en artikel 1:15,
eerste en derde lid, samen zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal
leden dat voor die lidstaat krachtens het eerste lid is vastgesteld en
vertegenwoordigen zij samen de in die lidstaat werkzame werknemers van
de deelnemende vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen en
vestigingen in een door hen te bepalen verhouding, dan wel, indien
daarover geen overeenstemming wordt bereikt, naar verhouding van het
aantal werknemers dat zij vertegenwoordigden voor de wijziging.
8. Indien uit het bepaalde in de eerste zin van het zevende lid
voortvloeit dat vanuit een lidstaat niet langer een lid van de
bijzondere onderhandelingsgroep kan worden afgevaardigd, dan wel daaruit
voortvloeit dat vanuit een nog niet vertegenwoordigde lidstaat alsnog
een lid kan worden afgevaardigd, neemt de bijzondere
onderhandelingsgroep geen besluiten totdat haar samenstelling en het
overzicht, bedoeld in artikel 1:8, vijfde lid, zijn gewijzigd.
Verkiezing of aanwijzing van de leden
Artikel 1:10
1. Elk lid van de bijzondere onderhandelingsgroep wordt gekozen
of aangewezen overeenkomstig het recht van of de praktijk in de
lidstaat waaruit hij wordt afgevaardigd. Bij de aanwijzing wordt
bepaald welk deel van de in die lidstaat werkzame werknemers van de
deelnemende vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen en
vestigingen door het aangewezen lid wordt vertegenwoordigd.
2. Met betrekking tot de Nederlandse deelnemende vennootschappen,
betrokken dochterondernemingen en vestigingen worden de leden van de
bijzondere onderhandelingsgroep aangewezen, dan wel wordt hun aanwijzing
ingetrokken, door de bij die deelnemende vennootschappen, betrokken
dochterondernemingen en vestigingen ingestelde ondernemingsraden.
3. Indien uitsluitend met betrekking tot ondernemingsraden als
bedoeld in het tweede lid een of meer centrale ondernemingsraden zijn
ingesteld, geschiedt de aanwijzing of intrekking door die raad of raden.
4. Indien geen centrale ondernemingsraad is ingesteld, maar wel
een of meer groepsondernemingsraden, geschiedt de aanwijzing of
intrekking door die raad of raden.
5. Indien niet alle ondernemingsraden of groepsondernemingsraden
zijn vertegenwoordigd in een centrale ondernemingsraad of
groepsondernemingsraad, geschiedt de aanwijzing of intrekking door de
centrale onderscheidenlijk groepsondernemingsraad of raden en de
niet-vertegenwoordigde ondernemingsraden gezamenlijk.
6. Indien er geen enkele ondernemingsraad is ingesteld, worden de
leden van de bijzondere onderhandelingsgroep gekozen door de
gezamenlijke in Nederland werkzame werknemers van de deelnemende
vennootschappen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen. De
verkiezing geschiedt bij geheime schriftelijke stemming, waarbij elke
werknemer één stem heeft. Ten behoeve van de verkiezing is een
vereniging van werknemers, die bedoelde werknemers onder haar leden
telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden
als werknemers te behartigen en als zodanig binnen de deelnemende
vennootschappen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen werkzaam
is en voorts in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, bevoegd
een kandidatenlijst in te dienen, mits zij over de samenstelling van de
kandidatenlijst overleg heeft gepleegd met haar leden binnen de
deelnemende vennootschappen, betrokken dochterondernemingen en
vestigingen. De bevoegdheid tot indiening van een kandidatenlijst berust
tevens bij een of meer van de werknemers van de deelnemende
vennootschappen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen, die geen
lid zijn van een vereniging als bedoeld in de voorgaande zin welke een
kandidatenlijst heeft ingediend.
7. Bij de toepassing van het tweede tot en met vijfde lid worden
werknemers van Nederlandse deelnemende vennootschappen, betrokken
dochterondernemingen en vestigingen die niet in een ondernemingsraad,
groepsondernemingsraad of centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd
zijn in de gelegenheid gesteld zich over de als lid van de bijzondere
onderhandelingsgroep aan te wijzen personen uit te spreken.
§ 3. Onderhandelingen en het sluiten van een overeenkomst
Overeenkomst
Artikel 1:11
1. De deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep stellen in een schriftelijke overeenkomst
regelingen vast over de rol van de werknemers in de SE. Daartoe
beleggen de deelnemende vennootschappen na de oprichting van de
bijzondere onderhandelingsgroep met deze een vergadering om te
onderhandelen over een dergelijke overeenkomst.
2. De deelnemende vennootschappen stellen de bijzondere
onderhandelingsgroep in de gelegenheid voorafgaand aan de
onderhandelingen bijeen te komen.
Informatieverstrekking
Artikel 1:12
1. De deelnemende vennootschappen voorzien de bijzondere
onderhandelingsgroep van de gegevens die noodzakelijk zijn bij de
onderhandelingen. Tot die gegevens behoren ten minste het voorstel tot
oprichting van de SE en het verloop van de oprichting tot het tijdstip
van de inschrijving van de SE.
2. De deelnemende vennootschappen zijn niet verplicht tot het
verstrekken van informatie, voor zover dat in redelijkheid het
functioneren van de deelnemende vennootschappen of haar
dochterondernemingen en vestigingen ernstig zou belemmeren dan wel
schaden. Zij kunnen terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld,
welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke
schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding
vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten
aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
Besluiten
Artikel 1:13
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan besluiten:
a. tot goedkeuring van een overeenkomst als bedoeld in artikel
1:11, eerste lid;
b. af te zien van het openen van onderhandelingen of tot het
beëindigen van reeds geopende onderhandelingen.
2. Het besluit bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beëindigt
de procedure tot sluiting van een overeenkomst en heeft tot gevolg dat
de regels op het gebied van informatie en raadpleging van werknemers van
toepassing zijn, die gelden in de lidstaten waar de SE werknemers heeft.
Na dit besluit is afdeling 3 van dit hoofdstuk niet van toepassing.
Besluitvorming
Artikel 1:14
1. Ieder lid van de bijzondere onderhandelingsgroep heeft één
stem.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep besluit tenzij anders is
bepaald, bij volstrekte meerderheid van haar aantal leden, tevens
vertegenwoordigende de volstrekte meerderheid van de werknemers.
3. Een besluit van de bijzondere onderhandelingsgroep tot
goedkeuring van een overeenkomst waarin het recht op medezeggenschap van
de werknemers wordt ingeperkt behoeft een meerderheid van tweederde van
haar aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde van de
werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten, indien:
a. de SE wordt opgericht door fusie en de medezeggenschap ten
minste 25% van het totale aantal werknemers van de deelnemende
vennootschappen bestrijkt, of
b. de SE wordt opgericht door oprichting van een moederonderneming
of een dochteronderneming en de medezeggenschap ten minste 50% van het
totale aantal werknemers van de deelnemende vennootschappen bestrijkt.
4. Van een inperking van het recht op medezeggenschap van de
werknemers als bedoeld in het derde lid is sprake, wanneer het aantal
leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE dat door
werknemersvertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel
waarvoor zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken, op grond
van de overeenkomst lager is dan het hoogste aantal leden ten aanzien
waarvan de werknemersvertegenwoordigers dat recht konden uitoefenen in
de deelnemende vennootschappen.
5. Een besluit van de bijzondere onderhandelingsgroep als bedoeld
in artikel 1:13, eerste lid, onderdeel b, behoeft een meerderheid van
tweederde van haar aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde
van de werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten.
6. Een besluit als bedoeld in artikel 1:13, eerste lid, onderdeel
b, kan door de bijzondere onderhandelingsgroep niet worden genomen
indien de onderhandelingen een SE betreffen die wordt opgericht door
omzetting en er in de om te zetten vennootschap medezeggenschap bestaat.
Heropening onderhandelingen
Artikel 1:15
1. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep het besluit heeft
genomen, bedoeld in artikel 1:13, eerste lid, onderdeel b, roept de SE
de bijzondere onderhandelingsgroep op schriftelijk verzoek van ten
minste 10% van de werknemers van de SE en haar dochterondernemingen en
vestigingen, of van hun vertegenwoordigers, opnieuw bijeen om in
onderhandeling te treden over regelingen op het gebied van de rol van
de werknemers in de SE.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet
gedurende twee jaren na de datum van het besluit, bedoeld in artikel
1:13, eerste lid, onderdeel b, tenzij met de bijzondere
onderhandelingsgroep is overeengekomen de onderhandelingen vroeger te
heropenen.
3. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep opnieuw bijeen wordt
geroepen zijn de artikelen 1:8, tweede, vierde en vijfde lid, 1:9,
eerste, zevende en achtste lid, 1:10, 1:11, 1:12, eerste lid, eerste
zin, 1:13, 1:14, eerste, tweede en vijfde lid, 1:16 en 1:18 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verplichtingen die
krachtens die artikelen rusten op de deelnemende vennootschappen,
betrekking hebben op de SE.
4. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep besluit tot
heropening van de onderhandelingen, maar die onderhandelingen niet tot
een overeenkomst leiden, is afdeling 3 van dit hoofdstuk niet van
toepassing.
Bijstand door deskundigen en kosten
Artikel 1:16
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan de vertegenwoordigers
van externe organisaties, waaronder een of meer verenigingen van
werknemers, in kennis stellen van het openen van onderhandelingen.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep kan zich in de
onderhandelingen doen bijstaan door een of meer deskundigen van haar
keuze. De deskundigen kunnen op verzoek van de bijzondere
onderhandelingsgroep bij onderhandelingsvergaderingen met de deelnemende
vennootschappen aanwezig zijn als adviseur.
3. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de bijzondere onderhandelingsgroep komen ten
laste van de deelnemende vennootschappen. Voor de kosten van bijstand
door deskundigen of van het voeren van rechtsgedingen geldt dit slechts,
indien de deelnemende vennootschappen vooraf van de te maken kosten in
kennis zijn gesteld.
Start en duur onderhandelingen
Artikel 1:17
1. De onderhandelingen beginnen op het tijdstip waarop de
eerste vergadering bedoeld in artikel 1:11, eerste lid, wordt gehouden
en kunnen worden voortgezet gedurende een periode van zes maanden.
2. De deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep kunnen in gezamenlijk overleg besluiten de
onderhandelingsperiode te verlengen tot een jaar, te rekenen vanaf het
in het eerste lid bedoelde tijdstip.
Inhoud overeenkomst
Artikel 1:18
1. Indien de deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep overeenkomen een SE-ondernemingsraad in te
stellen, dan regelt de overeenkomst ten minste de volgende
aangelegenheden:
a. de werkingssfeer van de overeenkomst;
b. de instelling van een SE-ondernemingsraad die als
gesprekspartner van de SE fungeert in het kader van informatie en
raadpleging van de werknemers van de SE en haar dochterondernemingen
en vestigingen;
c. de omvang en samenstelling van en de zetelverdeling in de
SE-ondernemingsraad, alsmede de zittingsduur van de leden;
d. het werkterrein en de bevoegdheden van de SE-ondernemingsraad;
e. de wijze van informatie en raadpleging van de
SE-ondernemingsraad;
f. de frequentie en plaats van de vergaderingen van de
SE-ondernemingsraad;
g. de financiële en materiële middelen waarover de
SE-ondernemingsraad kan beschikken;
h. de datum van inwerkingtreding en de looptijd van de
overeenkomst;
i. de gevallen waarin opnieuw over de overeenkomst moet worden
onderhandeld;
j. de procedure voor onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst,
de wijze waarop de overeenkomst wordt aangepast aan wijzigingen in de
structuur en grootte van de SE en in de aantallen werknemers die in de
lidstaten werkzaam zijn;
k. de gevolgen van het niet afsluiten van een nieuwe overeenkomst.
2. De deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep kunnen overeenkomen dat in plaats van de
SE-ondernemingsraad een of meer informatie- en raadplegingsprocedures
worden ingesteld. Op die overeenkomst is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien de deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep besluiten een medezeggenschapsregeling vast te
stellen regelt de overeenkomst ten minste de volgende aangelegenheden:
a. de inhoud van de medezeggenschapsregeling;
b. het aantal van de leden in het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SE die de werknemers gerechtigd zijn te kiezen
of te benoemen, of met betrekking tot wier benoeming zij aanbevelingen
kunnen doen of bezwaar kunnen maken;
c. de procedures voor het kiezen of benoemen van de in onderdeel b
bedoelde leden door of het met betrekking tot hun benoeming doen van
aanbevelingen of maken van bezwaar;
d. de rechten van de in onderdeel b bedoelde leden.
4. Indien de SE is opgericht door omzetting voorziet de
overeenkomst ten minste in dezelfde mate in elk aspect van de rol van de
werknemers als bij de in een SE om te zetten vennootschap het geval is.
5. De SE staat in voor de naleving van rechten en verplichtingen,
opgenomen in de overeenkomst.
6. De referentievoorschriften in afdeling 3 van dit hoofdstuk
zijn niet van toepassing op de overeenkomst, tenzij de overeenkomst
anders bepaalt.
7. De toepasselijkheid van artikel 1:19 kan in de overeenkomst
geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten.
Onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst
Artikel 1:19
1. Indien de overeenkomst geen regels bevat als bedoeld in
artikel 1:18, eerste lid, onderdelen i en j, of de daarin opgenomen
regels niet inhouden, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van
ondernemingen of vestigingen, die na het sluiten van de overeenkomst
tot de SE zijn gaan behoren, binnen twee jaar worden betrokken bij de
vernieuwing of aanpassing daarvan dan wel niet binnen twee jaar worden
vertegenwoordigd in de SE-ondernemingsraad of bij de andere procedure
van informatieverstrekking en raadpleging, is de SE verplicht om met
de SE-ondernemingsraad, of bij ontbreken daarvan met een nieuw
samengestelde bijzondere onderhandelingsgroep, te onderhandelen over
een nieuwe overeenkomst indien:
a. daarom verzocht wordt door ten minste 100 zodanige werknemers
van de SE en haar dochterondernemingen, of hun vertegenwoordigers, en
b. het aantal van die werknemers meer bedraagt dan 20% van het
totale aantal werknemers van de SE en haar dochterondernemingen in
alle lidstaten tezamen.
2. Indien de overeenkomst geen regels bevat als bedoeld in
artikel 1:18, eerste lid, onderdeel k en niet binnen een jaar na het
tijdstip waarop de eerste vergadering met de SE-ondernemingsraad of de
bijzondere onderhandelingsgroep wordt gehouden, een nieuwe overeenkomst
is gesloten, is afdeling 3 van dit hoofdstuk van toepassing tenzij de
SE-ondernemingsraad of de bijzondere onderhandelingsgroep de voorkeur
geeft aan voortgezette toepassing van de overeenkomst.
3. De artikelen 1:8, tweede, vierde en vijfde lid, 1:9, eerste,
zevende en achtste lid, 1:10, 1:11, 1:12, eerste lid, eerste zin, 1:13,
1:14, eerste, tweede en vijfde lid, 1:16 en 1:18 zijn van
overeenkomstige toepassing wanneer overeenkomstig het eerste lid over
een overeenkomst wordt onderhandeld, met dien verstande dat
verplichtingen die krachtens die artikelen rusten op de deelnemende
vennootschappen, betrekking hebben op de SE.
Afdeling 3. De rol van de werknemers in de SE krachtens
referentievoorschriften
§ 1. Algemene bepalingen
Toepasselijkheid referentievoorschriften
Artikel 1:20
Deze afdeling is van toepassing vanaf de datum van inschrijving van
de SE in Nederland indien:
a. de deelnemende vennootschappen en de bijzondere
onderhandelingsgroep dat overeenkomen, dan wel
b. er binnen de in artikel 1:17 gestelde termijn geen
overeenkomst is gesloten en
1°. elk van de deelnemende vennootschappen besluit ermee in te
stemmen dat afdeling 3 van dit hoofdstuk met betrekking tot de SE
wordt toegepast teneinde de SE te kunnen inschrijven en
2°. de bijzondere onderhandelingsgroep niet het in artikel
1:13, eerste lid, onderdeel b, bedoelde besluit heeft genomen.
Toepasselijkheid referentievoorschriften voor medezeggenschap bij
omzetting, fusie, bij oprichting van een moederonderneming of een
dochteronderneming
Artikel 1:21
1. Onverminderd artikel 1:20 is in het geval van oprichting van
een SE door omzetting paragraaf 4 van deze afdeling slechts van
toepassing indien op de in een SE omgezette vennootschap wettelijke
regels of praktijken van toepassing waren betreffende de
medezeggenschap van de werknemers in het toezichthoudend of het
bestuursorgaan.
2. Onverminderd artikel 1:20 is in het geval van oprichting van
een SE door fusie paragraaf 4 van deze afdeling slechts van toepassing,
indien voor de inschrijving van de SE in een of meer van de deelnemende
vennootschappen een of meer vormen van medezeggenschap van toepassing
waren die
a. ten minste 25% van het totale aantal werknemers van die
vennootschappen bestreken, of
b. minder dan 25% van het totale aantal werknemers van die
vennootschappen bestreken en de bijzondere onderhandelingsgroep
daartoe besluit.
3. In het geval van oprichting van een SE door oprichting van een
moederonderneming of een dochteronderneming is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in de onderdelen
a en b genoemde percentage in dat geval 50 bedraagt.
4. Indien in de deelnemende vennootschappen meer dan een vorm van
medezeggenschap bestond, besluit de bijzondere onderhandelingsgroep
welke van die vormen in de SE wordt ingevoerd. Een besluit tot invoering
van een vorm van medezeggenschap waaruit zou voortvloeien dat het recht
op medezeggenschap van de werknemers wordt ingeperkt behoeft een
meerderheid van tweederde van haar aantal leden, tevens
vertegenwoordigende tweederde van de werknemers en afkomstig uit ten
minste twee lidstaten. Van een inperking van het recht op
medezeggenschap van de werknemers als bedoeld in de vorige zin is
sprake, wanneer het aantal leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SE dat door de werknemers of hun
vertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel waarvoor zij
aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken, lager zou zijn dan
het hoogste van het aantal leden ten aanzien waarvan dat recht vóór de
inschrijving van de SE kon worden uitgeoefend in een van de deelnemende
vennootschappen. Het besluit bevat een beschrijving van de inhoud die
het recht van verkiezing of benoeming dan wel het recht van aanbeveling
of bezwaar heeft in de deelnemende vennootschap van welke het
medezeggenschapsregime in de SE wordt ingevoerd en van de procedure die
ten aanzien van die vennootschap geldt voor de uitoefening van dat
recht. De bijzondere onderhandelingsgroep deelt het besluit mede aan de
deelnemende vennootschappen.
5. Onverminderd artikel 38 van de verordening wordt bij gebreke
van een besluit als bedoeld in het vierde lid, in een in Nederland
ingeschreven SE als vorm van medezeggenschap ingevoerd het recht van
aanbeveling overeenkomstig de artikelen 158, 159 en 161 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, indien die artikelen of de artikelen 268, 269 en
271 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, op een of meer van de
deelnemende juridische lichamen van toepassing zijn. In andere gevallen
wordt bij gebreke van een besluit als bedoeld in het vierde lid in een
in Nederland ingeschreven SE als vorm van medezeggenschap ingevoerd het
recht van verkiezing of benoeming dan wel het recht van aanbeveling of
bezwaar dat vóór de inschrijving van de SE kon worden uitgeoefend in
de deelnemende vennootschap met het hoogste van het aantal leden van het
toezichthoudend of het bestuursorgaan dat door de werknemers of hun
vertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel waarvoor zij
aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken.
6. Indien met toepassing van de laatste zin van het vijfde lid is
vastgesteld welke vorm van medezeggenschap wordt ingevoerd, is het recht
van verkiezing of benoeming dan wel het recht van aanbeveling of bezwaar
alsmede de procedure voor de uitoefening van dat recht in
overeenstemming met de inhoud van en de procedure voor de uitoefening
van het betreffende recht ten aanzien van de deelnemende vennootschap
van welke het medezeggenschapsregime in de SE wordt ingevoerd.
§ 2. Referentievoorschriften voor de instelling en samenstelling van
de SE-ondernemingsraad
Instelling
Artikel 1:22
1. De SE stelt een SE-ondernemingsraad in.
2. De SE-ondernemingsraad bestaat uit werknemers van de SE en van
haar dochterondernemingen en vestigingen. Het lidmaatschap eindigt van
rechtswege wanneer het lid ophoudt werknemer te zijn.
3. Op de verkiezing of aanwijzing van de leden van de
SE-ondernemingsraad is artikel 1:10, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
4. Met betrekking tot de Nederlandse deelnemende vennootschappen,
betrokken dochterondernemingen en vestigingen worden de leden van de
SE-ondernemingsraad aangewezen of verkozen, dan wel wordt hun aanwijzing
ingetrokken overeenkomstig artikel 1:10, tweede tot en met het zevende
lid, met dien verstande dat die leden zitting hebben voor de duur van
vier jaren.
Samenstelling en besluitvorming
Artikel 1:23
1. Op de samenstelling van de SE-ondernemingsraad is artikel
1:9, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de SE-ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de
bijzondere onderhandelingsgroep. Wanneer zich in de SE en haar
dochterondernemingen en vestigingen zodanige en blijvende
veranderingen voordoen dat de samenstelling van de SE-ondernemingsraad
niet langer voldoet aan het bepaalde in de eerste zin, stelt de SE de
SE-ondernemingsraad daarvan zo spoedig mogelijk in kennis. De
SE-ondernemingsraad wijzigt zijn samenstelling uiterlijk binnen een
jaar na de kennisgeving. Zolang de samenstelling van de
SE-ondernemingsraad nog niet is gewijzigd, hebben de voor een lidstaat
zitting hebbende leden, voor de toepassing van de relevante bepalingen
betreffende de stemverhoudingen binnen de raad, samen zoveel stemmen
als overeenkomt met het aantal leden dat na de wijziging voor die
lidstaat zitting zal hebben.
2. De SE-ondernemingsraad stelt de SE in kennis van zijn
samenstelling.
3. Ieder lid van de SE-ondernemingsraad heeft één stem, zolang
door de raad niet anders is bepaald.
4. Onverminderd artikel 1:25, tweede lid, besluit de
SE-ondernemingsraad bij volstrekte meerderheid van het aantal
uitgebrachte stemmen, zolang door de raad niet anders is bepaald.
Regeling van werkzaamheden
Artikel 1:24
1. De SE-ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter
en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij
diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt
de SE-ondernemingsraad in rechte.
2. De SE-ondernemingsraad kan uit zijn midden een beperkt comité
bestaande uit ten hoogste drie leden kiezen.
3. De SE-ondernemingsraad stelt een reglement van orde vast.
Alvorens het reglement wordt vastgesteld wordt het bestuursorgaan van de
SE in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Indien een
beperkt comité is gekozen regelt het reglement de bevoegdheden daarvan.
Evaluatieprocedure en nieuwe onderhandelingen
Artikel 1:25
1. Uiterlijk vier jaren na zijn instelling besluit de
SE-ondernemingsraad, al dan niet op voorstel van de SE, of het
wenselijk is met de SE in onderhandeling te treden over het sluiten
van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1:11, eerste lid.
2. De artikelen 1:14, eerste en tweede lid, 1:16, 1:17, 1:18 en
1:19, zijn van overeenkomstige toepassing wanneer is besloten om over
een overeenkomst te onderhandelen, met dien verstande dat de
SE-ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de bijzondere
onderhandelingsgroep.
3. Een besluit van de SE-ondernemingsraad tot goedkeuring van een
overeenkomst waarin afdeling 3 van dit hoofdstuk niet langer van
toepassing wordt verklaard, of waarin het recht op medezeggenschap van
de werknemers wordt ingeperkt behoeft een meerderheid van tweederde van
zijn aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde van de
werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten. Van een inperking
van het recht op medezeggenschap als bedoeld in de eerste zin is sprake,
wanneer het aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan
van de SE dat door werknemersvertegenwoordigers kan worden gekozen of
benoemd, dan wel waarvoor zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar
kunnen maken, op grond van de overeenkomst lager is dan het aantal leden
ten aanzien waarvan de werknemersvertegenwoordigers dat recht in de SE
reeds kunnen uitoefenen.
4. Voor de toepassing van dit artikel begint de termijn bedoeld
in artikel 1:17 op het tijdstip waarop krachtens het eerste lid is
besloten met de SE in onderhandeling te treden. Wanneer bij het
verstrijken van deze termijn geen overeenkomst is gesloten blijft deze
afdeling van toepassing.
§ 3. Referentievoorschriften voor informatie en raadpleging
Informatie, raadpleging en bevoegdheid van de SE-ondernemingsraad
Artikel 1:26
1. De verstrekking van informatie door de SE geschiedt op een
zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat
de SE-ondernemingsraad of de vertegenwoordigers van de werknemers het
mogelijke effect ervan grondig kunnen beoordelen en desgewenst
raadplegingen met de SE kunnen voorbereiden.
2. De raadpleging door de SE van de SE-ondernemingsraad of van de
vertegenwoordigers van de werknemers geschiedt op een zodanig tijdstip,
op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat de
SE-ondernemingsraad of de vertegenwoordigers van de werknemers op basis
van de verstrekte informatie een mening over de door de SE beoogde
maatregelen kenbaar kunnen maken waarmee rekening kan worden gehouden in
het besluitvormingsproces binnen de SE.
3. De SE is niet verplicht tot het verstrekken van informatie,
voor zover dat in redelijkheid het functioneren van de SE of haar
dochterondernemingen en vestigingen ernstig zou belemmeren dan wel
schaden. De SE kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld,
welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke
schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding
vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten
aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
4. De bevoegdheid van de SE-ondernemingsraad is beperkt tot
aangelegenheden die betrekking hebben op de SE zelf, op een of meer van
haar dochterondernemingen of vestigingen in een andere lidstaat, of die
de bevoegdheid van de besluitvormingsorganen in een enkele lidstaat te
buiten gaan. De SE-ondernemingsraad treedt niet in de rechten en
bevoegdheden van de werknemers, bedoeld in artikel 1:6, derde lid.
Reguliere vergaderingen en informatieverstrekking
Artikel 1:27
1. Onverminderd artikel 1:28 komen de SE en de
SE-ondernemingsraad ten minste één maal per kalenderjaar in
vergadering bijeen. De SE stelt de leiding van plaatselijke
ondernemingen of vestigingen in kennis van de vergadering. In de
vergadering wordt de SE-ondernemingsraad aan de hand van een door de
SE opgesteld schriftelijk rapport geïnformeerd en geraadpleegd over
de gang van zaken bij en de vooruitzichten van de SE.
2. De informatie en raadpleging betreft in het bijzonder de
structuur van de SE, de financieel-economische positie, de
waarschijnlijke ontwikkeling van het bedrijf en van de productie en
omzet, de investeringen, ingrijpende veranderingen in de organisatie, de
invoering van een nieuwe arbeids- of productiewijze, fusie,
verplaatsing, inkrimping of sluiting van ondernemingen, vestigingen of
belangrijke onderdelen daarvan, de stand en de ontwikkeling van de
werkgelegenheid en collectief ontslag.
3. De SE verstrekt de SE-ondernemingsraad de agenda van de
vergaderingen van het bestuursorgaan, of van het leidinggevend en het
toezichthoudend orgaan, alsmede afschriften van alle documenten welke
aan de algemene vergadering van aandeelhouders worden voorgelegd.
Bijzondere omstandigheden
Artikel 1:28
1. De SE licht zo spoedig mogelijk de SE-ondernemingsraad in
over alle buitengewone omstandigheden en voorgenomen besluiten die
aanzienlijke gevolgen hebben voor de belangen van de werknemers, in
het bijzonder betreffende verplaatsing of sluiting van vestigingen of
ondernemingen of collectief ontslag.
2. Indien de SE-ondernemingsraad of, indien hij daartoe om
spoedeisende redenen besluit het beperkt comité, dat verzoekt, komt
deze met de SE of een ander geschikter bestuursniveau binnen de SE met
een eigen beslissingsbevoegdheid op het gebied van de te behandelen
onderwerpen in vergadering bijeen, om over de in het eerste lid genoemde
omstandigheden nader te worden geïnformeerd en geraadpleegd. Na afloop
van de vergadering of binnen een redelijke termijn na de vergadering kan
een advies door de SE-ondernemingsraad of het beperkt comité worden
uitgebracht.
3. Indien de SE besluit om het advies van de SE-ondernemingsraad
niet te volgen, wordt de raad of het beperkt comité in de gelegenheid
gesteld om nogmaals met het de SE in vergadering bijeen te komen om te
trachten tot overeenstemming te komen.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde vergadering vindt
plaats op een zodanig tijdstip dat die informatie en raadpleging nog
zinvol is. Deze vergadering doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de
SE.
5. Voor een vergadering met het beperkt comité worden mede
uitgenodigd de leden van de SE-ondernemingsraad die mede gekozen zijn
door de werknemers van de vestigingen of ondernemingen die door de
maatregelen rechtstreeks worden geraakt.
Functioneren van de SE-ondernemingsraad
Artikel 1:29
1. De SE-ondernemingsraad of het beperkt comité is gerechtigd
om voor elke vergadering met de SE te vergaderen zonder dat
laatstbedoelde daarbij vertegenwoordigd is. Artikel 1:28, vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
2. Het voorzitterschap van een bijeenkomst als bedoeld in artikel
1:27 en 1:28 wordt, tenzij anders wordt afgesproken, afwisselend bekleed
door de SE en de SE-ondernemingsraad.
3. Onverminderd enige op hen rustende verplichting tot
geheimhouding informeren de leden van de SE-ondernemingsraad de
werknemersvertegenwoordigers binnen de SE, of, bij afwezigheid van
werknemersvertegenwoordigers, alle werknemers van de SE en van haar
dochterondernemingen en vestigingen over de inhoud en de resultaten van
de informatie- en raadplegingsprocedure die overeenkomstig deze afdeling
heeft plaatsgevonden.
Bijstand door deskundigen en kosten
Artikel 1:30
1. De SE-ondernemingsraad en het beperkt comité kunnen zich
doen bijstaan door deskundigen van hun keuze voor zover dit voor het
verrichten van hun taken noodzakelijk is.
2. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de SE-ondernemingsraad en het beperkt comité
komen ten laste van de SE. De verplichting tot het dragen van de kosten
van door de SE-ondernemingsraad ingeschakelde deskundigen beperkt zich
tot één deskundige per agendaonderwerp, tenzij anders wordt
overeengekomen.
3. De eerste volzin van het tweede lid is eveneens van toepassing
op het voeren van rechtsgedingen, echter onder de voorwaarde dat de SE
vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld.
§ 4. Referentievoorschriften voor medezeggenschap
Aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE
waarvoor medezeggenschap geldt
Artikel 1:31
1. In het geval bedoeld in artikel 1:21, eerste lid, behouden
de werknemers van de in een SE omgezette vennootschap en van haar
dochterondernemingen en vestigingen of hun vertegenwoordigingsorgaan
alle elementen van medezeggenschap die vóór de inschrijving van de
SE bestonden in de omgezette vennootschap. Het in deze paragraaf voor
de andere wijzen van oprichting van de SE bepaalde is daartoe van
overeenkomstige toepassing.
2. In het geval van oprichting van een SE door fusie, of door
oprichting van een moederonderneming of een dochteronderneming, hebben
de werknemers van de SE en van haar dochterondernemingen en vestigingen
of hun vertegenwoordigingsorgaan het recht om leden van het
toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE te kiezen of te
benoemen, of om met betrekking tot die benoeming aanbevelingen te doen
of bezwaar te maken, voor een aantal dat gelijk is aan het hoogste van
het aantal leden ten aanzien waarvan dat recht vóór de inschrijving
van de SE kon worden uitgeoefend in een van de deelnemende
vennootschappen.
3. Indien vóór de inschrijving van de SE op geen van de
deelnemende vennootschappen regels betreffende de medezeggenschap van
werknemers van toepassing waren, hoeft de SE geen voorschriften voor
medezeggenschap van de werknemers in te voeren.
Medezeggenschap in verhouding tot aantal werknemers in lidstaten
Artikel 1:32
1. De SE-ondernemingsraad verdeelt de zetels in het
toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE waarop een
medezeggenschapsprocedure van toepassing is, zodanig dat de werknemers
worden vertegenwoordigd naar verhouding van het aantal werknemers van
de SE en van haar dochterondernemingen en vestigingen dat in elke
lidstaat werkzaam is.
2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat na
toewijzing van de eerste zetel aan de werknemers van de lidstaat met het
grootste aantal werknemers, de Nederlandse werknemers of die van een of
meer andere lidstaten niet vertegenwoordigd worden, wijst de
SE-ondernemingsraad de tweede zetel toe aan de werknemers van de SE die
in Nederland werkzaam zijn. Een derde en volgende zetel wordt toegewezen
aan de werknemers uit een van de andere nog niet vertegenwoordigde
lidstaten.
3. Het recht om te bepalen welke persoon wordt verkozen of
benoemd tot lid van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE,
dan wel ten aanzien van welke personen ten behoeve van de benoeming of
verkiezing aanbevelingen worden gedaan of bezwaar wordt gemaakt, wordt
uitgeoefend door of namens de werknemers in de lidstaat aan welke dat
recht is toegewezen en geschiedt volgens de in die lidstaat geldende
regels of praktijken.
4. Ten behoeve van de uitoefening van de in het derde lid
bedoelde rechten wordt voorafgaand aan de vervulling van een vacature in
het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE aan de werknemers
tijdig alle noodzakelijke informatie verstrekt met betrekking tot die
vacature. Aan de werknemers wordt een redelijke termijn gegund voor de
uitoefening van hun rechten.
5. Op de uitoefening van het ingevolge het derde lid aan de in
Nederland werkzame werknemers toegewezen recht is artikel 1:10, tweede
tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Rechten en plichten van leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan
Artikel 1:33
Elk lid van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE ten
aanzien van wie door de SE-ondernemingsraad het recht op medezeggenschap
is uitgeoefend, is van rechtswege lid met dezelfde rechten en plichten
als de leden die de aandeelhouders vertegenwoordigen, met inbegrip van
het stemrecht.
Afdeling 4. Verkiezing en aanwijzing van werknemers in een
niet-Nederlandse SE
Verkiezing en aanwijzing van werknemers in een niet-Nederlandse SE
Artikel 1:34
1. Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere
lidstaat dan Nederland een bijzondere onderhandelingsgroep dan wel een
SE-ondernemingsraad of een andere informatie- en raadplegingsprocedure
wordt ingesteld, zijn op de verkiezing of aanwijzing van de
Nederlandse leden de artikelen 1:10, tweede tot en met het zevende
lid, en 1:22, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere lidstaat
dan Nederland door Nederlandse werknemers het recht bedoeld in artikel
1:32, derde lid, kan worden uitgeoefend, is op de uitoefening van dat
recht artikel 1:10, tweede tot en met zevende lid, van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 2. De rol van de werknemers bij de Europese coöperatieve
vennootschap (SCE)
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Definities
Artikel 2:1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
betrokken dochteronderneming of vestiging: een
dochteronderneming of vestiging van een deelnemend juridisch lichaam,
die volgens het voorstel tot oprichting van een SCE bij die oprichting
een dochteronderneming of vestiging van de SCE wordt;
bijzondere onderhandelingsgroep: de overeenkomstig artikel
2:9, eerste lid, ingestelde groep die tot doel heeft met de deelnemende
juridische lichamen te onderhandelen over de vaststelling van regelingen
met betrekking tot de rol van de werknemers in de SCE;
deelnemende juridische lichamen: juridische lichamen die
rechtstreeks deelnemen aan de oprichting van een SCE;
dochteronderneming van een deelnemend juridisch lichaam of van een
SCE: een onderneming waarop door de moederonderneming een
overheersende invloed kan worden uitgeoefend zoals omschreven in artikel
2:2;
informatie: inlichtingen die door de SCE worden verstrekt aan
de SCE-ondernemingsraad of aan de werknemersvertegenwoordigers, over
aangelegenheden die
1°. betrekking hebben op de SCE of op een of meer van haar
dochterondernemingen of vestigingen in een lidstaat, of
2°. de bevoegdheid van de besluitvormingsorganen in één lidstaat
te buiten gaan;
inschrijving van de SCE: de inschrijving van de SCE, bedoeld
in artikel 12, eerste lid, van de verordening;
juridische lichamen: vennootschappen in de zin van artikel 48,
tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met
inbegrip van coöperaties, alsmede andere overeenkomstig het recht van
een lidstaat opgerichte en daaronder ressorterende juridische lichamen;
lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
medezeggenschap: de invloed van de ondernemingsraad of van de
werknemersvertegenwoordigers op de gang van zaken bij een juridisch
lichaam door
1°. het recht om een aantal leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van het juridisch lichaam te kiezen of te benoemen, of
2°. het recht om met betrekking tot de benoeming van een aantal of
alle leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van het
juridisch lichaam aanbevelingen te doen of bezwaar te maken;
met dien verstande, dat indien het bestuursorgaan overeenkomstig een
onderlinge taakverdeling leden heeft die belast zijn met het uitvoerend
bestuur en leden die daarmee niet zijn belast, onder medezeggenschap
wordt verstaan het recht ten aanzien van de leden die niet zijn belast
met het uitvoerend bestuur;
Nederlands deelnemend juridisch lichaam: het deelnemend
juridisch lichaam met statutaire zetel in Nederland;
raadpleging: dialoog en uitwisseling van standpunten tussen de
SCE en de SCE-ondernemingsraad of de werknemersvertegenwoordigers;
richtlijn: de richtlijn nr. 2003/72/EG van de Raad van de
Europese Unie van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van
een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de
werknemers (PbEG L 207);
rol van de werknemers: elke procedure, met inbegrip van
informatie, raadpleging en medezeggenschap, die de
werknemersvertegenwoordigers in staat stelt invloed uit te oefenen op
binnen het juridisch lichaam te nemen besluiten;
SCE: een Europese coöperatieve vennootschap, opgericht
overeenkomstig de verordening;
toezichthoudend orgaan, leidinggevend orgaan of bestuursorgaan van
de SCE: wat daaronder wordt verstaan in de verordening;
verordening: de verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van
de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een
Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEG L 207).
2. Handelen of nalaten door het bestuur van de SCE of van de
deelnemende juridische lichamen, wordt toegerekend aan de natuurlijke
persoon of rechtspersoon, die de onderneming in stand houdt.
Definitie moederonderneming
Artikel 2:2
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder moederonderneming: het
juridisch lichaam dat direct of indirect een overheersende zeggenschap
kan uitoefenen op een andere onderneming en dat zelf geen juridisch
lichaam is waarover door een andere onderneming direct of indirect een
overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een juridisch lichaam
wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn,
indien zij:
a. meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het
leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming
kan benoemen, of
b. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering
van de andere onderneming kan uitoefenen, of
c. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere
onderneming verschaft.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder de rechten
van de moederonderneming ten aanzien van het kapitaal, het stemrecht en
de benoeming mede begrepen:
a. de overeenkomstige rechten van andere ondernemingen waarop zij
overheersende zeggenschap uitoefent;
b. de overeenkomstige rechten van personen of organen die handelen
onder eigen naam doch voor rekening van de moederonderneming of van
een of meer van haar dochterondernemingen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de rechten ten
aanzien van het kapitaal en het stemrecht niet toegerekend aan een
onderneming, indien zij deze voor rekening van anderen houdt.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden stemrechten,
verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien
hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen
evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in de
gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem
slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft uitgeoefend.
5. Geen moederonderneming is een onderneming als bedoeld in
artikel 3, vijfde lid, onder a of c, van verordening (EEG) 4064/89 van
de Raad van 21 december 1989 (PbEG L 395) betreffende de controle
op concentraties van ondernemingen.
6. Het recht van een lidstaat dat op een juridisch lichaam van
toepassing is, bepaalt of dat juridisch lichaam een moederonderneming is
als bedoeld in het eerste lid.
7. Indien meer juridische lichamen aan een of meer criteria van
het eerste lid voldoen,
a. wordt het juridisch lichaam dat voldoet aan het criterium onder
a aangemerkt als moederonderneming, waarbij het benoemingsrecht met
betrekking tot het leidinggevend orgaan voorrang heeft;
b. heeft, indien toepassing van onderdeel a niet leidt tot
aanmerking van één juridisch lichaam als moederonderneming, het
criterium onder b voorrang boven dat onder c; een en ander
onverminderd het bewijs dat een ander juridisch lichaam een
overheersende invloed kan uitoefenen.
Definitie werknemer, vertegenwoordigers van werknemers,
SCE-ondernemingsraad
Artikel 2:3
1. In dit hoofdstuk wordt onder werknemer verstaan:
a. voor zover het in Nederland werkzame personen betreft: degene
die krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam is in de SCE, het
deelnemend juridisch lichaam of een betrokken dochteronderneming of
vestiging;
b. voor zover het in de overige lidstaten werkzame personen
betreft: hetgeen het recht van die lidstaat daaronder verstaat.
2. Voor de toepassing van de artikelen 2:9, tweede lid, 2:15,
vijfde lid, ten aanzien van de vertegenwoordigers van werknemers in de
deelnemende juridische lichamen, 2:16, eerste lid, 2:20, eerste lid,
2:31, derde lid, en 2:40, wordt onder vertegenwoordigers van werknemers
verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan krachtens het recht van de
lidstaat waarin die werknemers werkzaam zijn; voor Nederland zijn dat
ondernemingsraden.
3. In dit hoofdstuk wordt onder de SCE-ondernemingsraad verstaan:
het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt, ingesteld bij de in
artikel 2:19 bedoelde overeenkomst of overeenkomstig de voorschriften
van afdeling 3 van dit hoofdstuk ten behoeve van de informatie en
raadpleging van de werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen en
vestigingen in de lidstaten of de uitoefening van
medezeggenschapsrechten in verband met de SCE.
4. Voor de toepassing van artikel 2:4 wordt tevens onder de
SCE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan dat de werknemers
vertegenwoordigt in een SCE die haar statutaire zetel heeft in een
andere lidstaat, en dat is ingesteld krachtens de bepalingen in het
nationale recht van die lidstaat ter omzetting van artikel 4 van de
richtlijn of overeenkomstig de voorschriften van de bijlage van de
richtlijn, ten behoeve van de informatie en raadpleging van de
werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen en vestigingen in de
lidstaten of de uitoefening van medezeggenschapsrechten in verband met
de SCE.
Rechten en verplichtingen van Nederlandse
werknemersvertegenwoordigers
Artikel 2:4
1. Ten aanzien van de in Nederland werkzame werknemers die lid
zijn van een bijzondere onderhandelingsgroep, de SCE-ondernemingsraad,
of als werknemersvertegenwoordigers lid zijn van het toezichthoudend
of bestuursorgaan van de SCE, dan wel optreden als vertegenwoordigers
bij een andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van
werknemers, gelden het tweede tot en met het zevende lid.
2. Deze werknemers behouden hun aanspraak op loon voor de tijd
gedurende welke zij niet de bedongen arbeid hebben verricht ten gevolge
van het bijwonen van een vergadering van de bijzondere
onderhandelingsgroep, van de SCE-ondernemingsraad, of van het
toezichthoudend of bestuursorgaan van de SCE, dan wel van een
vergadering in het kader van de andere wijze van informatieverstrekking
en raadpleging.
3. Voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
vervulling van hun taak, wordt hun in werktijd en met behoud van loon de
gelegenheid geboden tot onderling beraad en overleg met andere personen
over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun functie zijn
betrokken en om scholing en vorming te ontvangen.
4. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en
bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle
aangelegenheden ten aanzien waarvan hun geheimhouding is opgelegd of
waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke
karakter moeten begrijpen. Deze verplichting geldt ook voor personen die
een functie als bedoeld in het eerste lid vervullen zonder werknemer te
zijn.
5. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover hem die
wordt benaderd als deskundige als bedoeld in de artikelen 2:17, tweede
lid, en 2:32, eerste lid, mits de deelnemende juridische lichamen dan
wel de SCE of degene die de geheimhouding heeft opgelegd, vooraf
daarvoor toestemming hebben gegeven en de betrokken persoon vooraf
schriftelijk heeft verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken
aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien
van de bedoelde persoon de geheimhoudingsplicht van toepassing.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van
de in het eerste lid bedoelde functie, noch door beëindiging van de
werkzaamheden van de betrokkene in de onderneming.
7. De werkgever draagt er zorg voor, dat degenen die kandidaat
staan of gestaan hebben voor een functie als bedoeld in het eerste lid,
alsmede degenen die deze functie vervullen of hebben vervuld, niet uit
hoofde hiervan worden benadeeld in hun positie in de onderneming.
8. Iedere in Nederland werkzame werknemer of
werknemersvertegenwoordiger kan van de werkgever verlangen dat deze hem
een overzicht geeft van het aantal werknemers dat bij de SCE, de
deelnemende juridische lichamen, betrokken dochterondernemingen of
vestigingen werkzaam is, alsmede van de verdeling van deze werknemers
over de lidstaten.
9. De werkgever van een in Nederland werkzame werknemer die is
aangewezen of gekozen als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep of
van de SCE-ondernemingsraad doet daarvan mededeling aan de deelnemende
juridische lichamen of de SCE.
Beroep op de rechter
Artikel 2:5
1. Iedere belanghebbende kan de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam verzoeken te bepalen dat gevolg dient te
worden gegeven aan hetgeen is bepaald bij dit hoofdstuk, met
uitzondering van artikel 2:4 voor zover het tweede lid niet anders
bepaalt, of bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 2:19. Een
bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een
SCE-ondernemingsraad, ingesteld krachtens dit hoofdstuk, kunnen niet
in de proceskosten van deze procedure worden veroordeeld.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een
SCE-ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingskamer van het gerechtshof
te Amsterdam verzoeken om:
a. krachtens artikel 2:4, vierde en vijfde lid, 2:13, tweede lid of
2:28, derde lid, opgelegde geheimhouding op te heffen op de grond dat
degene die de geheimhouding heeft opgelegd bij afweging van de
betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van
geheimhouding had kunnen besluiten;
b. degene die informatie heeft geweigerd krachtens artikel 2:13,
tweede lid, of 2:28, derde lid, te verplichten tot het verstrekken van
informatie op de grond dat deze bij afweging van de betrokken belangen
niet in redelijkheid tot het weigeren van informatie had kunnen
besluiten.
Verhouding tot andere wetten
Artikel 2:6
1. Wanneer een SCE een communautaire onderneming is of een
moederonderneming in een communautaire groep in de zin van de Wet op
de Europese ondernemingsraden, is die wet niet van toepassing op die
onderneming en haar dochterondernemingen, tenzij de bijzondere
onderhandelingsgroep het besluit, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid,
onderdeel b, heeft genomen.
2. Bij de benoeming van leden van het toezichthoudend orgaan of
het bestuursorgaan van een SCE als bedoeld in artikel 2:7, heeft de
ondernemingsraad niet de rechten en bevoegdheden die hem zijn toegekend
in de artikelen 63f, 63g en 63i, de artikelen 158, 159 en 161 of de
artikelen 268, 269 en 271 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan het bij of krachtens de
wet bepaalde over het recht op:
a. informatie, raadpleging en medezeggenschap dat de werknemers van
de SCE en van haar dochterondernemingen en vestigingen genieten,
anders dan medezeggenschap bij de benoeming van commissarissen of
bestuurders in het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE;
b. medezeggenschap bij de benoeming van commissarissen of
bestuurders in dochterondernemingen van de SCE of SCE's als bedoeld in
afdeling 4 van dit hoofdstuk.
Afdeling 2. De rol van de werknemers in de SCE krachtens overeenkomst
§ 1. Algemene bepalingen
Toepasselijkheid
Artikel 2:7
1. Deze afdeling is van toepassing in het geval van oprichting
van een SCE door ten minste twee juridische lichamen of door
omzetting.
2. Indien aan de oprichting, bedoeld in het eerste lid, mede
wordt deelgenomen door een of meer natuurlijke personen, wordt voor de
toepassing van deze afdeling onder deelnemende juridische lichamen mede
verstaan: natuurlijke personen.
3. In het geval van oprichting van een SCE door uitsluitend
natuurlijke personen of door slechts één juridisch lichaam en
natuurlijke personen, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing,
indien het totale aantal werknemers van de SCE en haar
dochterondernemingen en vestigingen in ten minste twee lidstaten ten
minste 50 zal bedragen. Het tweede lid is van toepassing.
Artikel 2:8
Toepasselijk recht
Indien de SCE haar statutaire zetel in Nederland zal hebben is
Nederlands recht van toepassing op de in deze afdeling geregelde
onderhandelingsprocedure.
§ 2. De bijzondere onderhandelingsgroep
Instelling en doel
Artikel 2:9
1. De deelnemende juridische lichamen die voornemens zijn een
SCE op te richten stellen een bijzondere onderhandelingsgroep in die
representatief is voor de werknemers van de deelnemende juridische
lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen, om met de
vertegenwoordigers van de werknemers van de juridische lichamen in
onderhandeling te treden over regelingen inzake de rol van de
werknemers in de SCE.
2. De deelnemende juridische lichamen geven aan de
vertegenwoordigers van de werknemers van de juridische lichamen, dan
wel, bij het ontbreken daarvan, aan de werknemers, een overzicht van de
deelnemende juridische lichamen, de betrokken dochterondernemingen en
vestigingen en de daarin werkzame werknemers, alsmede de verdeling van
deze werknemers over de lidstaten. Indien na de instelling van de
bijzondere onderhandelingsgroep, bedoeld in het derde lid, wijzigingen
optreden in de gegevens die zijn vermeld in het overzicht, verstrekken
de deelnemende juridische lichamen zo spoedig mogelijk na deze wijziging
een gewijzigd overzicht aan de bijzondere onderhandelingsgroep en,
indien die situatie zich voordoet, aan de werknemers of hun
vertegenwoordigers van de deelnemende juridische lichamen, de betrokken
dochterondernemingen en vestigingen uit een lidstaat die nog niet in de
bijzondere onderhandelingsgroep is vertegenwoordigd.
3. De instelling van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
verstrekking van het in het tweede lid bedoelde overzicht vindt plaats
zo spoedig mogelijk nadat de leidinggevende of de bestuursorganen
overeenstemming hebben bereikt over een voorstel tot oprichting van een
SCE.
4. De deelnemende juridische lichamen dragen er zorg voor dat
binnen die juridische lichamen de samenstelling van de bijzondere
onderhandelingsgroep alsmede het tijdstip waarop de vergadering, bedoeld
in artikel 2:12, eerste lid, tweede zin, zal worden gehouden, wordt
bekendgemaakt.
5. Zo spoedig mogelijk na haar instelling of na de ontvangst van
een gewijzigd overzicht als bedoeld in het tweede lid, tweede zin, stelt
de bijzondere onderhandelingsgroep ten behoeve van de toepassing van de
artikelen 2:10 en 2:15 een overzicht vast van haar samenstelling en van
de door haar leden vertegenwoordigde werknemers. Het overzicht geeft ten
minste informatie over:
a. het aantal leden van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
lidstaat waaruit zij zijn afgevaardigd;
b. de deelnemende juridische lichamen, betrokken
dochterondernemingen of vestigingen welker werknemers door elk lid
worden vertegenwoordigd, alsmede het aantal van die werknemers, dat
tevens wordt uitgedrukt als percentage van alle werknemers die door de
leden gezamenlijk worden vertegenwoordigd;
c. het deelnemend juridisch lichaam, betrokken dochteronderneming
of vestiging waarin een lid als werknemer werkzaam is, dan wel over de
omstandigheid dat het lid geen werknemer is.
Samenstelling
Artikel 2:10
1. De bijzondere onderhandelingsgroep bestaat uit een zodanig
aantal vertegenwoordigers van de werknemers van de deelnemende
juridische lichamen en de betrokken dochterondernemingen en
vestigingen, dat is gewaarborgd dat per lidstaat een lid wordt gekozen
of aangewezen voor elke 10%, of een deel daarvan, van de werknemers
die in de betrokken lidstaat werkzaam zijn, berekend over het totale
aantal werknemers dat bij de deelnemende juridische lichamen en de
betrokken dochterondernemingen en vestigingen in alle lidstaten
tezamen werkzaam is.
2. Indien een SCE door fusie wordt opgericht zijn er van elke
lidstaat zoveel extra leden als nodig is om ervoor te zorgen, dat de
bijzondere onderhandelingsgroep ten minste één extra lid telt ter
vertegenwoordiging van elke in die lidstaat ingeschreven deelnemende
coöperatie met daar werkzame werknemers, die ingevolge de inschrijving
van de SCE zal ophouden te bestaan als afzonderlijke rechtspersoon.
3. Het aantal van de in het tweede lid bedoelde extra leden
bedraagt ten hoogste 20% van het totale aantal leden op grond van het
eerste lid.
4. Het tweede lid geldt niet voor zover de toepassing ervan
dubbele vertegenwoordiging in de bijzondere onderhandelingsgroep tot
gevolg zou hebben van de werknemers die werkzaam zijn bij een
deelnemende coöperatie in een lidstaat. Van dubbele vertegenwoordiging
is slechts sprake, indien de deelnemende coöperatie die op grond van
het tweede lid in aanmerking komt voor een extra lid, reeds
vertegenwoordigd wordt door een werknemer die werkzaam is in die
deelnemende coöperatie.
5. Indien het aantal deelnemende coöperaties groter is dan het
aantal extra leden dat krachtens het tweede en derde lid in de
bijzondere onderhandelingsgroep zitting kan nemen, worden de extra
zetels door vertegenwoordigers van de werknemers in verschillende
lidstaten ingenomen in dalende volgorde van het aantal werknemers in die
coöperaties.
6. Elk deelnemend juridisch lichaam met in Nederland werkzame
werknemers wordt door ten minste één lid vertegenwoordigd in de
bijzondere onderhandelingsgroep, tenzij het totale aantal leden daardoor
zou toenemen.
7. Het aantal leden van de bijzondere onderhandelingsgroep en de
zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met dit artikel. Indien
het aantal leden uit een lidstaat wijzigt zonder dat met betrekking tot
die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft plaatsgevonden,
hebben de voor die lidstaat zitting hebbende leden, voor de toepassing
van artikel 2:15, eerste, tweede, derde en vierde lid, en artikel 2:16,
eerste en derde lid, samen zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal
leden dat voor die lidstaat krachtens het eerste lid is vastgesteld en
vertegenwoordigen zij samen de in die lidstaat werkzame werknemers van
de deelnemende juridische lichamen en de betrokken dochterondernemingen
en vestigingen in een door hen te bepalen verhouding, dan wel, indien
daarover geen overeenstemming wordt bereikt, naar verhouding van het
aantal werknemers dat zij vertegenwoordigden voor de wijziging.
8. Indien uit de eerste zin van het zevende lid voortvloeit dat
vanuit een lidstaat niet langer een lid van de bijzondere
onderhandelingsgroep kan worden afgevaardigd, dan wel daaruit
voortvloeit dat vanuit een nog niet vertegenwoordigde lidstaat alsnog
een lid kan worden afgevaardigd, neemt de bijzondere
onderhandelingsgroep geen besluiten totdat haar samenstelling en het
overzicht, bedoeld in artikel 2:9, vijfde lid, zijn gewijzigd.
Verkiezing of aanwijzing van de leden
Artikel 2:11
1. Elk lid van de bijzondere onderhandelingsgroep wordt gekozen
of aangewezen overeenkomstig het recht van of de praktijk in de
lidstaat waaruit hij wordt afgevaardigd. Bij de aanwijzing wordt
bepaald welk deel van de in die lidstaat werkzame werknemers van de
deelnemende juridische lichamen en de betrokken dochterondernemingen
en vestigingen door het aangewezen lid wordt vertegenwoordigd.
2. Met betrekking tot de Nederlandse deelnemende juridische
lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen worden de leden
van de bijzondere onderhandelingsgroep aangewezen, dan wel wordt hun
aanwijzing ingetrokken, door de bij die deelnemende juridische lichamen,
betrokken dochterondernemingen en vestigingen ingestelde
ondernemingsraden.
3. Indien uitsluitend met betrekking tot ondernemingsraden als
bedoeld in het tweede lid een of meer centrale ondernemingsraden zijn
ingesteld, geschiedt de aanwijzing of intrekking door die raad of raden.
4. Indien geen centrale ondernemingsraad is ingesteld, maar wel
een of meer groepsondernemingsraden, geschiedt de aanwijzing of
intrekking door die raad of raden.
5. Indien niet alle ondernemingsraden of groepsondernemingsraden
zijn vertegenwoordigd in een centrale ondernemingsraad of
groepsondernemingsraad, geschiedt de aanwijzing of intrekking door de
centrale onderscheidenlijk groepsondernemingsraad of raden en de
niet-vertegenwoordigde ondernemingsraden gezamenlijk.
6. Indien er geen enkele ondernemingsraad is ingesteld, worden de
leden van de bijzondere onderhandelingsgroep gekozen door de
gezamenlijke in Nederland werkzame werknemers van de deelnemende
juridische lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen. De
verkiezing geschiedt bij geheime schriftelijke stemming, waarbij elke
werknemer één stem heeft. Ten behoeve van de verkiezing is een
vereniging van werknemers, die bedoelde werknemers onder haar leden
telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden
als werknemers te behartigen en als zodanig binnen de deelnemende
juridische lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen
werkzaam is en voorts in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid,
bevoegd een kandidatenlijst in te dienen, mits zij over de samenstelling
van de kandidatenlijst overleg heeft gepleegd met haar leden binnen de
deelnemende juridische lichamen, betrokken dochterondernemingen en
vestigingen. De bevoegdheid tot indiening van een kandidatenlijst berust
tevens bij een of meer van de werknemers van de deelnemende juridische
lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen, die geen lid
zijn van een vereniging als bedoeld in de voorgaande zin welke een
kandidatenlijst heeft ingediend.
7. Bij de toepassing van het tweede tot en met vijfde lid worden
werknemers van Nederlandse deelnemende juridische lichamen, betrokken
dochterondernemingen en vestigingen die niet in een ondernemingsraad,
groepsondernemingsraad of centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd
zijn, in de gelegenheid gesteld zich over de als lid van de bijzondere
onderhandelingsgroep aan te wijzen personen uit te spreken.
8. Bij de verkiezing of aanwijzing op grond van dit artikel wordt
gestreefd naar een evenwichtige verhouding tussen het aantal mannelijke
en vrouwelijke leden.
§ 3. Onderhandelingen en het sluiten van een overeenkomst
Overeenkomst
Artikel 2:12
1. De deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep stellen in een schriftelijke overeenkomst
regelingen vast over de rol van de werknemers in de SCE. Daartoe
beleggen de deelnemende juridische lichamen na de oprichting van de
bijzondere onderhandelingsgroep met deze een vergadering om te
onderhandelen over een dergelijke overeenkomst.
2. De deelnemende juridische lichamen stellen de bijzondere
onderhandelingsgroep in de gelegenheid voorafgaand aan de
onderhandelingen bijeen te komen.
Informatieverstrekking
Artikel 2:13
1. De deelnemende juridische lichamen voorzien de bijzondere
onderhandelingsgroep van de gegevens die noodzakelijk zijn bij de
onderhandelingen. Tot die gegevens behoren ten minste het voorstel tot
oprichting van de SCE en het verloop van de oprichting tot het
tijdstip van de inschrijving van de SCE.
2. De deelnemende juridische lichamen zijn niet verplicht tot het
verstrekken van informatie, voor zover dat in redelijkheid het
functioneren van de deelnemende juridische lichamen of haar
dochterondernemingen en vestigingen ernstig zou belemmeren dan wel
schaden. Zij kunnen terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld,
welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke
schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding
vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten
aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
Besluiten
Artikel 2:14
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan besluiten:
a. tot goedkeuring van een overeenkomst als bedoeld in artikel
2:12, eerste lid;
b. af te zien van het openen van onderhandelingen of tot het
beëindigen van reeds geopende onderhandelingen.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
beëindigt de procedure tot sluiting van een overeenkomst en heeft tot
gevolg dat de regels op het gebied van informatie en raadpleging van
werknemers van toepassing zijn, die gelden in de lidstaten waar de SCE
werknemers heeft. Na dit besluit is afdeling 3 van dit hoofdstuk niet
van toepassing.
Besluitvorming
Artikel 2:15
1. Ieder lid van de bijzondere onderhandelingsgroep heeft één
stem.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep besluit, tenzij anders is
bepaald, bij volstrekte meerderheid van haar aantal leden, tevens
vertegenwoordigende de volstrekte meerderheid van de werknemers.
3. Een besluit van de bijzondere onderhandelingsgroep tot
goedkeuring van een overeenkomst waarin het recht op medezeggenschap van
de werknemers wordt ingeperkt behoeft een meerderheid van tweederde van
haar aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde van de
werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten, indien:
a. de SCE wordt opgericht door fusie en de medezeggenschap ten
minste 25% van het totale aantal werknemers van de deelnemende
coöperaties bestrijkt, of
b. de SCE wordt opgericht op enige andere wijze en de
medezeggenschap ten minste 50% van het totale aantal werknemers van de
deelnemende juridische lichamen bestrijkt.
4. Van een inperking van het recht op medezeggenschap van de
werknemers als bedoeld in het derde lid is sprake, wanneer het aantal
leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE dat door
werknemersvertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel
waarvoor zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken, op grond
van de overeenkomst lager is dan het hoogste aantal leden ten aanzien
waarvan de werknemersvertegenwoordigers dat recht konden uitoefenen in
de deelnemende juridische lichamen.
5. Een besluit van de bijzondere onderhandelingsgroep als bedoeld
in artikel 2:14, eerste lid, onderdeel b, behoeft een meerderheid van
tweederde van haar aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde
van de werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten.
6. Een besluit als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, onderdeel
b, kan door de bijzondere onderhandelingsgroep niet worden genomen
indien de onderhandelingen een SCE betreffen die wordt opgericht door
omzetting en er in de om te zetten coöperatie medezeggenschap bestaat.
Heropening onderhandelingen
Artikel 2:16
1. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep het besluit heeft
genomen, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, onderdeel b, roept de
SCE de bijzondere onderhandelingsgroep op schriftelijk verzoek van ten
minste 10% van de werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen
en vestigingen, of van hun vertegenwoordigers, opnieuw bijeen om in
onderhandeling te treden over regelingen op het gebied van de rol van
de werknemers in de SCE.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet
gedurende twee jaren na de datum van het besluit, bedoeld in artikel
2:14, eerste lid, onderdeel b, tenzij met de bijzondere
onderhandelingsgroep is overeengekomen de onderhandelingen vroeger te
heropenen.
3. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep opnieuw bijeen wordt
geroepen zijn de artikelen 2:9, tweede, vierde en vijfde lid, 2:10,
eerste, zevende en achtste lid, 2:11, 2:12, 2:13, eerste lid, eerste
zin, 2:14, 2:15, eerste, tweede en vijfde lid, 2:17 en 2:19 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verplichtingen die
krachtens die artikelen rusten op de deelnemende juridische lichamen,
betrekking hebben op de SCE.
4. Indien de bijzondere onderhandelingsgroep besluit tot
heropening van de onderhandelingen, maar die onderhandelingen niet tot
een overeenkomst leiden, is afdeling 3 van dit hoofdstuk niet van
toepassing.
Bijstand door deskundigen en kosten
Artikel 2:17
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan de vertegenwoordigers
van externe organisaties, waaronder een of meer verenigingen van
werknemers, in kennis stellen van het openen van onderhandelingen.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep kan zich in de
onderhandelingen doen bijstaan door een of meer deskundigen van haar
keuze. De deskundigen kunnen op verzoek van de bijzondere
onderhandelingsgroep bij onderhandelingsvergaderingen met de deelnemende
juridische lichamen aanwezig zijn als adviseur.
3. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de bijzondere onderhandelingsgroep komen ten
laste van de deelnemende juridische lichamen. Voor de kosten van
bijstand door deskundigen of van het voeren van rechtsgedingen geldt dit
slechts, indien de deelnemende juridische lichamen vooraf van de te
maken kosten in kennis zijn gesteld.
Start en duur onderhandelingen
Artikel 2:18
1. De onderhandelingen beginnen op het tijdstip waarop de
eerste vergadering, bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, wordt
gehouden en kunnen worden voortgezet gedurende een periode van zes
maanden.
2. De deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep kunnen in gezamenlijk overleg besluiten de
onderhandelingsperiode te verlengen tot een jaar, te rekenen vanaf het
in het eerste lid bedoelde tijdstip.
Inhoud overeenkomst
Artikel 2:19
1. Indien de deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep overeenkomen een SCE-ondernemingsraad in te
stellen, dan regelt de overeenkomst ten minste de volgende
aangelegenheden:
a. de werkingssfeer van de overeenkomst;
b. de instelling van een SCE-ondernemingsraad die als
gesprekspartner van de SCE fungeert in het kader van informatie en
raadpleging van de werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen
en vestigingen;
c. de omvang en samenstelling van en de zetelverdeling in de
SCE-ondernemingsraad, alsmede de zittingsduur van de leden;
d. het werkterrein en de bevoegdheden van de SCE-ondernemingsraad;
e. de wijze van informatie en raadpleging van de
SCE-ondernemingsraad;
f. de frequentie en plaats van de vergaderingen van de
SCE-ondernemingsraad;
g. de financiële en materiële middelen waarover de
SCE-ondernemingsraad kan beschikken;
h. de datum van inwerkingtreding en de looptijd van de
overeenkomst;
i. de gevallen waarin opnieuw over de overeenkomst moet worden
onderhandeld;
j. de procedure voor onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst
en de wijze waarop de overeenkomst wordt aangepast aan wijzigingen die
zich na de oprichting van de SCE hebben voorgedaan in de structuur of
grootte van de SCE en haar dochterondernemingen en vestigingen en in
de aantallen werknemers die in de lidstaten werkzaam zijn;
k. de gevolgen van het niet afsluiten van een nieuwe overeenkomst.
2. In de overeenkomst kunnen de regelingen worden opgenomen
betreffende het recht van werknemers om deel te nemen aan de algemene
vergadering of aan de sector- of afdelingsvergadering, vastgesteld
overeenkomstig artikel 2:40 juncto artikel 59, vierde lid, van de
verordening.
3. De deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep kunnen overeenkomen dat in plaats van de
SCE-ondernemingsraad een of meer informatie- en raadplegingsprocedures
worden ingesteld. Op die overeenkomst is het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien de deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep besluiten een medezeggenschapsregeling vast te
stellen regelt de overeenkomst ten minste de volgende aangelegenheden:
a. de inhoud van de medezeggenschapsregeling;
b. het aantal van de leden in het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SCE dat de werknemers gerechtigd zijn te kiezen
of te benoemen, of met betrekking tot wier benoeming zij aanbevelingen
kunnen doen of bezwaar kunnen maken;
c. de procedures voor het kiezen of benoemen van de in onderdeel b
bedoelde leden door of het met betrekking tot hun benoeming doen van
aanbevelingen of maken van bezwaar;
d. de rechten van de in onderdeel b bedoelde leden.
5. Indien de SCE is opgericht door omzetting voorziet de
overeenkomst ten minste in dezelfde mate in elk aspect van de rol van de
werknemers als bij de in een SCE om te zetten coöperatie het geval is.
6. De SCE staat in voor de naleving van rechten en
verplichtingen, opgenomen in de overeenkomst.
7. De referentievoorschriften in afdeling 3 van dit hoofdstuk
zijn niet van toepassing op de overeenkomst, tenzij de overeenkomst
anders bepaalt.
8. De toepasselijkheid van artikel 2:20 kan in de overeenkomst
geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten.
Onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst
Artikel 2:20
1. Indien de overeenkomst geen regels bevat als bedoeld in
artikel 2:19, eerste lid, onderdelen i en j, of de daarin opgenomen
regels niet inhouden, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van
ondernemingen of vestigingen, die na het sluiten van de overeenkomst
tot de SCE zijn gaan behoren, binnen twee jaar worden betrokken bij de
vernieuwing of aanpassing daarvan dan wel niet binnen twee jaar worden
vertegenwoordigd in de SCE-ondernemingsraad of bij de andere procedure
van informatieverstrekking en raadpleging, is de SCE verplicht om met
de SCE-ondernemingsraad, of bij ontbreken daarvan met een nieuw
samengestelde bijzondere onderhandelingsgroep, te onderhandelen over
een nieuwe overeenkomst indien:
a. daarom verzocht wordt door ten minste 100 zodanige werknemers
van de SCE en haar dochterondernemingen of hun vertegenwoordigers, en
b. het aantal van die werknemers meer bedraagt dan 20% van het
totale aantal werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen in
alle lidstaten tezamen.
2. Indien de overeenkomst geen regels bevat als bedoeld in
artikel 2:19, eerste lid, onderdeel k, en niet binnen een jaar na het
tijdstip waarop de eerste vergadering met de SCE-ondernemingsraad of de
bijzondere onderhandelingsgroep wordt gehouden, een nieuwe overeenkomst
is gesloten, is afdeling 3 van dit hoofdstuk van toepassing tenzij de
SCE-ondernemingsraad of de bijzondere onderhandelingsgroep de voorkeur
geeft aan voortgezette toepassing van de overeenkomst.
3. De artikelen 2:9, tweede, vierde en vijfde lid, 2:10, eerste,
zevende en achtste lid, 2:11, 2:12, 2:13, eerste lid, eerste zin, 2:14,
2:15, eerste, tweede en vijfde lid, 2:17 en 2:19 zijn van
overeenkomstige toepassing wanneer overeenkomstig het eerste lid over
een overeenkomst wordt onderhandeld, met dien verstande dat
verplichtingen die krachtens die artikelen rusten op de deelnemende
juridische lichamen, betrekking hebben op de SCE.
Afdeling 3. De rol van de werknemers in de SCE krachtens
referentievoorschriften
§ 1. Algemene bepalingen
Toepasselijkheid
Artikel 2:21
1. Deze afdeling is van toepassing in het geval van oprichting
van een SCE door ten minste twee juridische lichamen of door
omzetting.
2. In het geval van oprichting van een SCE door uitsluitend
natuurlijke personen of door slechts één juridisch lichaam en
natuurlijke personen, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing,
indien het totale aantal werknemers van de SCE en haar
dochterondernemingen en vestigingen in ten minste twee lidstaten ten
minste 50 zal bedragen.
3. Artikel 2:7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Tijdstip toepasselijkheid referentievoorschriften
Artikel 2:22
Deze afdeling is van toepassing vanaf de datum van inschrijving van
de SCE in Nederland indien:
a. de deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep dat overeenkomen, dan wel
b. er binnen de in artikel 2:18 gestelde termijn geen
overeenkomst is gesloten, en
1°. elk van de deelnemende juridische lichamen besluit ermee
in te stemmen dat afdeling 3 van dit hoofdstuk met betrekking tot
de SCE wordt toegepast teneinde de SCE te kunnen inschrijven, en
2°. de bijzondere onderhandelingsgroep niet het in artikel
2:14, eerste lid, onderdeel b, bedoelde besluit heeft genomen.
Toepasselijkheid referentievoorschriften voor medezeggenschap bij
omzetting, fusie, bij oprichting op andere wijze
Artikel 2:23
1. Onverminderd artikel 2:22 is in het geval van oprichting van
een SCE door omzetting paragraaf 4 van deze afdeling slechts van
toepassing, indien op de in een SCE omgezette coöperatie wettelijke
regels of praktijken van toepassing waren betreffende de
medezeggenschap van de werknemers in het toezichthoudend of het
bestuursorgaan.
2. Onverminderd artikel 2:22 is in het geval van oprichting van
een SCE door fusie paragraaf 4 van deze afdeling slechts van toepassing,
indien voor de inschrijving van de SCE in een of meer van de deelnemende
coöperaties een of meer vormen van medezeggenschap van toepassing waren
die
a. ten minste 25% van het totale aantal werknemers van die
coöperaties bestreken, of
b. minder dan 25% van het totale aantal werknemers van die
coöperaties bestreken en de bijzondere onderhandelingsgroep daartoe
besluit.
3. In het geval van oprichting van een SCE op enige andere wijze
is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
het in de onderdelen a en b van dat lid genoemde percentage in dat geval
50 bedraagt.
4. Indien in de deelnemende juridische lichamen meer dan één
vorm van medezeggenschap bestond, besluit de bijzondere
onderhandelingsgroep welke van die vormen in de SCE wordt ingevoerd. Een
besluit tot invoering van een vorm van medezeggenschap waaruit zou
voortvloeien dat het recht op medezeggenschap van de werknemers wordt
ingeperkt behoeft een meerderheid van tweederde van haar aantal leden,
tevens vertegenwoordigende tweederde van de werknemers en afkomstig uit
ten minste twee lidstaten. Van een inperking van het recht op
medezeggenschap van de werknemers als bedoeld in de vorige zin is
sprake, wanneer het aantal leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SCE dat door de werknemers of hun
vertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel waarvoor zij
aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken, lager zou zijn dan
het hoogste van het aantal leden ten aanzien waarvan dat recht vóór de
inschrijving van de SCE kon worden uitgeoefend in een van de deelnemende
juridische lichamen. Het besluit bevat een beschrijving van de inhoud
die het recht van verkiezing of benoeming dan wel het recht van
aanbeveling of bezwaar heeft in het deelnemend juridisch lichaam van
welke het medezeggenschapsregime in de SCE wordt ingevoerd en van de
procedure die ten aanzien van dat juridisch lichaam geldt voor de
uitoefening van dat recht. De bijzondere onderhandelingsgroep deelt het
besluit mede aan de deelnemende juridische lichamen.
5. Onverminderd artikel 36 van de verordening wordt bij gebreke
van een besluit als bedoeld in het vierde lid, in een in Nederland
ingeschreven SCE als vorm van medezeggenschap ingevoerd het recht van
aanbeveling overeenkomstig de artikelen 158 en 159 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, indien die artikelen of de artikelen 268 en 269 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, op een of meer van de deelnemende
juridische lichamen van toepassing zijn. In andere gevallen wordt bij
gebreke van een besluit als bedoeld in het vierde lid, in een in
Nederland ingeschreven SCE als vorm van medezeggenschap ingevoerd het
recht van verkiezing of benoeming dan wel het recht van aanbeveling of
bezwaar dat vóór de inschrijving van de SCE kon worden uitgeoefend in
het deelnemend juridisch lichaam met het hoogste van het aantal leden
van het toezichthoudend of het bestuursorgaan dat door de werknemers of
hun vertegenwoordigers kan worden gekozen of benoemd, dan wel waarvoor
zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken.
6. Indien met toepassing van de laatste zin van het vijfde lid is
vastgesteld welke vorm van medezeggenschap wordt ingevoerd, is het recht
van verkiezing of benoeming dan wel het recht van aanbeveling of bezwaar
alsmede de procedure voor de uitoefening van dat recht in
overeenstemming met de inhoud van en de procedure voor de uitoefening
van het betreffende recht ten aanzien van het deelnemend juridisch
lichaam van welk het medezeggenschapsregime in de SCE wordt ingevoerd.
§ 2. Referentievoorschriften voor de instelling en samenstelling van
de SCE-ondernemingsraad
Instelling
Artikel 2:24
1. De SCE stelt een SCE-ondernemingsraad in.
2. De SCE-ondernemingsraad bestaat uit werknemers van de SCE en
van haar dochterondernemingen en vestigingen. Het lidmaatschap eindigt
van rechtswege wanneer het lid ophoudt werknemer te zijn.
3. Op de verkiezing of aanwijzing van de leden van de
SCE-ondernemingsraad is artikel 2:11, eerste en achtste lid, van
overeenkomstige toepassing.
4. Met betrekking tot de Nederlandse deelnemende juridische
lichamen, betrokken dochterondernemingen en vestigingen worden de leden
van de SCE-ondernemingsraad aangewezen of verkozen, dan wel wordt hun
aanwijzing ingetrokken overeenkomstig artikel 2:11, tweede tot en met
het achtste lid, met dien verstande dat die leden zitting hebben voor de
duur van vier jaren.
Samenstelling en besluitvorming
Artikel 2:25
1. Op de samenstelling van de SCE-ondernemingsraad is artikel
2:10, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de SCE-ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de
bijzondere onderhandelingsgroep. Wanneer zich in de SCE en haar
dochterondernemingen en vestigingen zodanige en blijvende
veranderingen voordoen dat de samenstelling van de
SCE-ondernemingsraad niet langer voldoet aan het bepaalde in de eerste
zin, stelt de SCE de SCE-ondernemingsraad daarvan zo spoedig mogelijk
in kennis. De SCE-ondernemingsraad wijzigt zijn samenstelling
uiterlijk binnen een jaar na de kennisgeving. Zolang de samenstelling
van de SCE-ondernemingsraad nog niet is gewijzigd, hebben de voor een
lidstaat zitting hebbende leden, voor de toepassing van de relevante
bepalingen betreffende de stemverhoudingen binnen de raad, samen
zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal leden dat na de
wijziging voor die lidstaat zitting zal hebben.
2. De SCE-ondernemingsraad stelt de SCE in kennis van zijn
samenstelling.
3. Ieder lid van de SCE-ondernemingsraad heeft één stem, zolang
door de raad niet anders is bepaald.
4. Onverminderd artikel 2:27, tweede lid, besluit de
SCE-ondernemingsraad bij volstrekte meerderheid van het aantal
uitgebrachte stemmen, zolang door de raad niet anders is bepaald.
Regeling van werkzaamheden
Artikel 2:26
1. De SCE-ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter
en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij
diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt
de SCE-ondernemingsraad in rechte.
2. De SCE-ondernemingsraad kan uit zijn midden een beperkt
comité bestaande uit ten hoogste drie leden kiezen.
3. De SCE-ondernemingsraad stelt een reglement van orde vast.
Alvorens het reglement wordt vastgesteld wordt het bestuursorgaan van de
SCE in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Indien
een beperkt comité is gekozen regelt het reglement de bevoegdheden
daarvan.
Evaluatieprocedure en nieuwe onderhandelingen
Artikel 2:27
1. Uiterlijk vier jaren na zijn instelling besluit de
SCE-ondernemingsraad, al dan niet op voorstel van de SCE, of het
wenselijk is met de SCE in onderhandeling te treden over het sluiten
van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid.
2. De artikelen 2:15, eerste en tweede lid, 2:17, 2:18, 2:19 en
2:20, zijn van overeenkomstige toepassing wanneer is besloten om over
een overeenkomst te onderhandelen, met dien verstande dat de
SCE-ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de bijzondere
onderhandelingsgroep.
3. Een besluit van de SCE-ondernemingsraad tot goedkeuring van
een overeenkomst waarin afdeling 3 van dit hoofdstuk niet langer van
toepassing wordt verklaard, of waarin het recht op medezeggenschap van
de werknemers wordt ingeperkt behoeft een meerderheid van tweederde van
zijn aantal leden, tevens vertegenwoordigende tweederde van de
werknemers en afkomstig uit ten minste twee lidstaten. Van een inperking
van het recht op medezeggenschap als bedoeld in de eerste zin is sprake,
wanneer het aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan
van de SCE dat door werknemersvertegenwoordigers kan worden gekozen of
benoemd, dan wel waarvoor zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar
kunnen maken, op grond van de overeenkomst lager is dan het aantal leden
ten aanzien waarvan de werknemersvertegenwoordigers dat recht in de SCE
reeds kunnen uitoefenen.
4. Voor de toepassing van dit artikel begint de termijn, bedoeld
in artikel 2:18, op het tijdstip waarop krachtens het eerste lid is
besloten met de SCE in onderhandeling te treden. Wanneer bij het
verstrijken van deze termijn geen overeenkomst is gesloten blijft deze
afdeling van toepassing.
§ 3. Referentievoorschriften voor informatie en raadpleging
Informatie, raadpleging en bevoegdheid van de SCE-ondernemingsraad
Artikel 2:28
1. De verstrekking van informatie door de SCE geschiedt op een
zodanig tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat
de SCE-ondernemingsraad of de vertegenwoordigers van de werknemers het
mogelijke effect ervan grondig kunnen beoordelen en desgewenst
raadplegingen met de SCE kunnen voorbereiden.
2. De raadpleging door de SCE van de SCE-ondernemingsraad of van
de vertegenwoordigers van de werknemers geschiedt op een zodanig
tijdstip, op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat de
SCE-ondernemingsraad of de vertegenwoordigers van de werknemers op basis
van de verstrekte informatie een mening over de door de SCE beoogde
maatregelen kenbaar kunnen maken waarmee rekening kan worden gehouden in
het besluitvormingsproces binnen de SCE.
3. De SCE is niet verplicht tot het verstrekken van informatie,
voor zover dat in redelijkheid het functioneren van de SCE of haar
dochterondernemingen en vestigingen ernstig zou belemmeren dan wel
schaden. De SCE kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding
opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat. Zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld,
welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke
schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding
vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten
aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
4. De bevoegdheid van de SCE-ondernemingsraad is beperkt tot
aangelegenheden die betrekking hebben op de SCE zelf, op een of meer van
haar dochterondernemingen of vestigingen in een andere lidstaat, of die
de bevoegdheid van de besluitvormingsorganen in een enkele lidstaat te
buiten gaan. De SCE-ondernemingsraad treedt niet in de rechten en
bevoegdheden van de werknemers, bedoeld in artikel 2:6, derde lid.
Reguliere vergaderingen en informatieverstrekking
Artikel 2:29
1. Onverminderd artikel 2:30 komen de SCE en de
SCE-ondernemingsraad ten minste één maal per kalenderjaar in
vergadering bijeen. De SCE stelt de leiding van plaatselijke
ondernemingen of vestigingen in kennis van de vergadering. In de
vergadering wordt de SCE-ondernemingsraad aan de hand van een door de
SCE opgesteld schriftelijk rapport geïnformeerd en geraadpleegd over
de gang van zaken bij en de vooruitzichten van de SCE.
2. De informatie en raadpleging betreft in het bijzonder de
structuur van de SCE, de financieel-economische positie, de
waarschijnlijke ontwikkeling van het bedrijf en van de productie en
omzet, initiatieven met betrekking tot maatschappelijk verantwoord
ondernemen, de investeringen, ingrijpende veranderingen in de
organisatie, de invoering van een nieuwe arbeids- of productiewijze,
fusie, verplaatsing, inkrimping of sluiting van ondernemingen,
vestigingen of belangrijke onderdelen daarvan, de stand en de
ontwikkeling van de werkgelegenheid en collectief ontslag.
3. De SCE verstrekt de SCE-ondernemingsraad de agenda van de
vergaderingen van het bestuursorgaan, of van het leidinggevend en het
toezichthoudend orgaan, alsmede afschriften van alle documenten welke
aan de algemene vergadering van aandeelhouders worden voorgelegd.
Bijzondere omstandigheden
Artikel 2:30
1. De SCE licht zo spoedig mogelijk de SCE-ondernemingsraad in
over alle buitengewone omstandigheden en voorgenomen besluiten die
aanzienlijke gevolgen hebben voor de belangen van de werknemers, in
het bijzonder betreffende verplaatsing of sluiting van vestigingen of
ondernemingen of collectief ontslag.
2. Indien de SCE-ondernemingsraad of, indien hij daartoe om
spoedeisende redenen besluit het beperkt comité, dat verzoekt, komt
deze met de SCE of een ander geschikter bestuursniveau binnen de SCE met
een eigen beslissingsbevoegdheid op het gebied van de te behandelen
onderwerpen in vergadering bijeen, om over de in het eerste lid genoemde
omstandigheden nader te worden geïnformeerd en geraadpleegd. Na afloop
van de vergadering of binnen een redelijke termijn na de vergadering kan
een advies door de SCE-ondernemingsraad of het beperkt comité worden
uitgebracht.
3. Indien de SCE besluit om het advies van de
SCE-ondernemingsraad niet te volgen, wordt de raad of het beperkt
comité in de gelegenheid gesteld om nogmaals met de SCE in vergadering
bijeen te komen om te trachten tot overeenstemming te komen.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde vergadering vindt
plaats op een zodanig tijdstip dat die informatie en raadpleging nog
zinvol is. Deze vergadering doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de
SCE.
5. Voor een vergadering met het beperkt comité worden mede
uitgenodigd de leden van de SCE-ondernemingsraad die mede gekozen zijn
door de werknemers van de vestigingen of ondernemingen die door de
maatregelen rechtstreeks worden geraakt.
Functioneren van de SCE-ondernemingsraad
Artikel 2:31
1. De SCE-ondernemingsraad of het beperkt comité is gerechtigd
om voor elke vergadering met de SCE te vergaderen zonder dat
laatstbedoelde daarbij vertegenwoordigd is. Artikel 2:30, vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
2. Het voorzitterschap van een bijeenkomst als bedoeld in de
artikelen 2:29 en 2:30 wordt, tenzij anders wordt afgesproken,
afwisselend bekleed door de SCE en de SCE-ondernemingsraad.
3. Onverminderd enige op hen rustende verplichting tot
geheimhouding informeren de leden van de SCE-ondernemingsraad de
werknemersvertegenwoordigers binnen de SCE, of, bij afwezigheid van
werknemersvertegenwoordigers, alle werknemers van de SCE en van haar
dochterondernemingen en vestigingen over de inhoud en de resultaten van
de informatie- en raadplegingsprocedure die overeenkomstig deze afdeling
heeft plaatsgevonden.
Bijstand door deskundigen en kosten
Artikel 2:32
1. De SCE-ondernemingsraad en het beperkt comité kunnen zich
doen bijstaan door deskundigen van hun keuze voor zover dit voor het
verrichten van hun taken noodzakelijk is.
2. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de SCE-ondernemingsraad en het beperkt
comité komen ten laste van de SCE. De verplichting tot het dragen van
de kosten van door de SCE-ondernemingsraad ingeschakelde deskundigen
beperkt zich tot één deskundige per agendaonderwerp, tenzij anders
wordt overeengekomen.
3. De eerste volzin van het tweede lid is eveneens van toepassing
op het voeren van rechtsgedingen, echter onder de voorwaarde dat de SCE
vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld.
§ 4. Referentievoorschriften voor medezeggenschap
Aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE
waarvoor medezeggenschap geldt
Artikel 2:33
1. In het geval, bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, behouden
de werknemers van de in een SCE omgezette coöperatie en van haar
dochterondernemingen en vestigingen of hun vertegenwoordigingsorgaan
alle elementen van medezeggenschap die vóór de inschrijving van de
SCE bestonden in de omgezette coöperatie. Het in deze paragraaf voor
de andere wijzen van oprichting van de SCE bepaalde is daartoe van
overeenkomstige toepassing.
2. In de andere gevallen van oprichting van een SCE, hebben de
werknemers van de SCE en van haar dochterondernemingen en vestigingen of
hun vertegenwoordigingsorgaan het recht om leden van het toezichthoudend
of het bestuursorgaan van de SCE te kiezen of te benoemen, of om met
betrekking tot die benoeming aanbevelingen te doen of bezwaar te maken,
voor een aantal dat gelijk is aan het hoogste van het aantal leden ten
aanzien waarvan dat recht vóór de inschrijving van de SCE kon worden
uitgeoefend in een van de deelnemende juridische lichamen.
3. Indien vóór de inschrijving van de SCE op geen van de
deelnemende juridische lichamen regels betreffende de medezeggenschap
van werknemers van toepassing waren, hoeft de SCE geen voorschriften
voor medezeggenschap van de werknemers in te voeren.
Medezeggenschap in verhouding tot aantal werknemers in lidstaten
Artikel 2:34
1. De SCE-ondernemingsraad verdeelt de zetels in het
toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE waarop een
medezeggenschapsprocedure van toepassing is, zodanig dat de werknemers
worden vertegenwoordigd naar verhouding van het aantal werknemers van
de SCE en van haar dochterondernemingen en vestigingen dat in elke
lidstaat werkzaam is.
2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat na
toewijzing van de eerste zetel aan de werknemers van de lidstaat met het
grootste aantal werknemers, de Nederlandse werknemers of die van een of
meer andere lidstaten niet vertegenwoordigd worden, wijst de
SCE-ondernemingsraad de tweede zetel toe aan de werknemers van de SCE
die in Nederland werkzaam zijn. Een derde en volgende zetel wordt
toegewezen aan de werknemers uit een van de andere nog niet
vertegenwoordigde lidstaten.
3. Het recht om te bepalen welke persoon wordt verkozen of
benoemd tot lid van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE,
dan wel ten aanzien van welke personen ten behoeve van de benoeming of
verkiezing aanbevelingen worden gedaan of bezwaar wordt gemaakt, wordt
uitgeoefend door of namens de werknemers in de lidstaat aan welke dat
recht is toegewezen en geschiedt volgens de in die lidstaat geldende
regels of praktijken.
4. Ten behoeve van de uitoefening van de in het derde lid
bedoelde rechten wordt voorafgaand aan de vervulling van een vacature in
het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE aan de werknemers
tijdig alle noodzakelijke informatie verstrekt met betrekking tot die
vacature. Aan de werknemers wordt een redelijke termijn gegund voor de
uitoefening van hun rechten.
5. Op de uitoefening van het ingevolge het derde lid aan de in
Nederland werkzame werknemers toegewezen recht is artikel 2:11, tweede
tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
Rechten en plichten van leden van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan
Artikel 2:35
Elk lid van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE ten
aanzien van wie door de SCE-ondernemingsraad het recht op
medezeggenschap is uitgeoefend, is van rechtswege lid met dezelfde
rechten en plichten als de leden die de leden van de SCE
vertegenwoordigen, met inbegrip van het stemrecht.
Afdeling 4. De rol van de werknemers in de SCE krachtens nationale
wetgeving
Toepasselijkheid
Artikel 2:36
Deze afdeling is slechts van toepassing in het geval van oprichting
van een SCE door uitsluitend natuurlijke personen of door slechts één
juridisch lichaam en natuurlijke personen, indien het totale aantal
werknemers van de SCE en haar dochterondernemingen en vestigingen minder
dan 50 bedraagt of 50 of meer in slechts één lidstaat.
De rol van de werknemers in de SCE respectievelijk de
dochterondernemingen en vestigingen van de SCE
Artikel 2:37
1. In het geval van oprichting van een SCE als bedoeld in
artikel 2:36, geldt met betrekking tot de rol van de werknemers in de
SCE zelf, het recht dat in de lidstaat waarin de SCE haar statutaire
zetel heeft, van toepassing is op gelijksoortige lichamen. Ten aanzien
van een SCE met statutaire zetel in Nederland is dat het recht op
grond van de Wet op de ondernemingsraden en de artikelen 158 en 159
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Ten aanzien van de dochterondernemingen en vestigingen van de
SCE geldt met betrekking tot de rol van de werknemers het recht, dat in
de lidstaat waarin deze dochterondernemingen en vestigingen zijn
gevestigd, van toepassing is op gelijksoortige lichamen. Ten aanzien van
in Nederland gevestigde dochterondernemingen en vestigingen is dat het
recht op grond van de Wet op de ondernemingsraden.
3. Indien de statutaire zetel van een SCE, waarop regels
betreffende de medezeggenschap van werknemers van toepassing zijn,
verplaatst wordt naar een andere lidstaat, blijft ten minste hetzelfde
niveau van medezeggenschap in die SCE van toepassing.
Wijziging van de rol van de werknemers na inschrijving SCE
Artikel 2:38
Indien na de inschrijving van een SCE als bedoeld in artikel 2:36,
a. ten minste eenderde van het totale aantal werknemers van de
SCE en van haar dochterondernemingen en vestigingen in ten minste
twee verschillende lidstaten hierom verzoekt, of
b. het totale aantal werknemers van de SCE en van haar
dochterondernemingen en vestigingen in ten minste twee lidstaten 50
of meer bedraagt, zijn de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verplichtingen
die krachtens die afdelingen rusten op de deelnemende juridische
lichamen en betrokken dochterondernemingen en vestigingen,
betrekking hebben op de SCE respectievelijk dochterondernemingen en
vestigingen van de SCE.
Afdeling 5. Deelneming werknemers(vertegenwoordigers) aan de algemene
vergadering of sector- of afdelingsvergadering
Toepasselijkheid
Artikel 2:39
1. Deze afdeling is van toepassing in het geval van oprichting
van een SCE door ten minste twee juridische lichamen of door
omzetting.
2. In het geval van oprichting van een SCE door uitsluitend
natuurlijke personen of door slechts één juridisch lichaam en
natuurlijke personen, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing,
indien het totale aantal werknemers van de SCE en haar
dochterondernemingen en vestigingen in ten minste twee lidstaten ten
minste 50 zal bedragen.
3. Artikel 2:7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Stemrecht werknemers(vertegenwoordigers)
Artikel 2:40
Onverminderd artikel 59, vierde lid, van de verordening kunnen de
werknemers van de SCE of de werknemersvertegenwoordigers deelnemen aan
de algemene vergadering of aan de sector- of afdelingsvergadering en
stemrecht uitoefenen, indien:
a. de deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep daartoe hebben besloten bij de overeenkomst,
bedoeld in artikel 2:12, eerste lid,
b. een coöperatie, waarop een regeling als bedoeld in de aanhef
van toepassing is, wordt omgezet in een SCE, of
c. in het geval van een SCE die is opgericht anders dan door
omzetting, een regeling als bedoeld in de aanhef, op een van de
deelnemende juridische lichamen van toepassing was, en
1°. de deelnemende juridische lichamen en de bijzondere
onderhandelingsgroep niet binnen de in artikel 2:18 bedoelde
termijn tot goedkeuring van een overeenkomst als bedoeld in
artikel 2:12, eerste lid, konden besluiten,
2°. elk van de deelnemende juridische lichamen heeft besloten
ermee in te stemmen dat afdeling 3 van dit hoofdstuk met
betrekking tot de SCE wordt toegepast teneinde de SCE te kunnen
inschrijven,
3°. de bijzondere onderhandelingsgroep niet het in artikel
2:14, eerste lid, onderdeel b, bedoelde besluit heeft genomen,
4°. paragraaf 4 van afdeling 3 van dit hoofdstuk van
toepassing is, alsmede
5°. in de onder c bedoelde deelnemende coöperatie waarop de
deelnemingsregeling, bedoeld in de aanhef, van toepassing was, het
hoogste niveau van medezeggenschap bestond zoals dat gold in de
betrokken deelnemende juridische lichamen vóór de inschrijving
van de SCE.
Afdeling 6. Verkiezing en aanwijzing van werknemers in een
niet-Nederlandse SCE
Verkiezing en aanwijzing van werknemers in een niet-Nederlandse SCE
Artikel 2:41
1. Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere
lidstaat dan Nederland een bijzondere onderhandelingsgroep dan wel een
SCE-ondernemingsraad of een andere informatie- en
raadplegingsprocedure wordt ingesteld, zijn op de verkiezing of
aanwijzing van de Nederlandse leden de artikelen 2:11, tweede tot en
met achtste lid, en 2:24, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere lidstaat
dan Nederland door Nederlandse werknemers het recht, bedoeld in artikel
2:34, derde lid, kan worden uitgeoefend, is op de uitoefening van dat
recht 2:11, tweede tot en met achtste lid, van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 3. Overige en slotbepalingen
Einde van de arbeidsovereenkomst van (kandidaat)leden van de
SCE-ondernemingsraad
Artikel 3:1
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.]
Inwerkingtreding
Artikel 3:2
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Citeertitel
Artikel 3:3
Deze wet wordt aangehaald als: Wet rol werknemers bij Europese
rechtspersonen.