| |
|
|
|
|
vorige
WET
SCHADEFONDS GEWELDSMISDRIJVEN
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 26 juni 1975, houdende voorlopige
regeling schadefonds geweldsmisdrijven
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorlopige regelen te geven voor de instelling van een fonds waaruit
uitkeringen kunnen worden toegekend aan personen die ten gevolge van een
geweldsmisdrijf zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen, alsmede aan
bepaalde nabestaanden van die personen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
het fonds: het schadefonds geweldsmisdrijven, bedoeld in artikel 2;
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
de commissie: de commissie, bedoeld in artikel 8, die met het beheer
van het fonds is belast;
de benadeelde: het slachtoffer, onderscheidenlijk de nabestaande,
door of namens wie een aanvraag voor een uitkering bij het fonds is
ingediend.
Artikel 2
1. Er is een schadefonds geweldsmisdrijven. Onze Minister verstrekt
het fonds jaarlijks een subsidie voor de kosten van de uitvoering van
deze wet, voor zover niet op andere wijze in de vergoeding van deze
kosten kan worden voorzien.
2. In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing.
3. Het fonds is rechtspersoon en gevestigd te Rijswijk. De
voorzitter van de commissie, of degene die hem vervangt,
vertegenwoordigt het fonds in en buiten rechte.
Artikel 3
1. Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan:
a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland
opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of
geestelijk letsel heeft bekomen;
b. aan een ieder die ten gevolge van een aan boord van een
Nederlands vaartuig of luchtvaartuig buiten Nederland opzettelijk
gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel
heeft bekomen;
c. aan nabestaanden van een onder a of b bedoeld persoon,
indien deze ten gevolge van het misdrijf is overleden;
d. aan anderen dan de onder c bedoelde personen, die de kosten
van lijkbezorging hebben voldaan van een onder a of b bedoeld
persoon, indien deze ten gevolge van het misdrijf is overleden.
2. Voor de toepassing van het vorige lid gelden als nabestaanden:
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de
geregistreerde partner van de overledene;
b. andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze
reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun
levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke
uitspraak verplicht was;
c. degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband
samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een
groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander
zonder het overlijden zou zijn voortgezet;
d. degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en
in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van
de gemeenschappelijke huishouding;
e. bloedverwanten van de overledene in de eerste graad en in de
tweede graad in de zijlijn.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder opzettelijk
gepleegd geweldsmisdrijf begrepen: de strafbare poging daartoe.
Artikel 4
1. De uitkering wordt naar redelijkheid en billijkheid bepaald. Zij
beloopt ten hoogste het bedrag van de door het letsel of overlijden
veroorzaakte schade, daaronder begrepen immateriële schade van
nabestaanden.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bedragen ten
hoogste kunnen worden uitgekeerd. Deze bedragen kunnen verschillen
naar gelang van de aard van de schade.
Artikel 5
Een uitkering kan achterwege blijven of op een geringer bedrag worden
bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een
omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te
rekenen.
Artikel 6
1. Het fonds houdt bij het doen van een uitkering rekening met
schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg kan
verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die
als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden
vergoed.
2. In het geval dat het fonds van oordeel is, al dan niet op
verzoek van de aanvrager, dat het afwachten van de procedures bedoeld
in het eerste lid onredelijk lang zou duren, kan het fonds aan de
aanvrager een uitkering toekennen. Het fonds stelt daarbij de
voorwaarde dat het door het slachtoffer ontvangen vergoedingen bedoeld
in het eerste lid, waarvan het fonds na de uitkering kennis krijgt,
alsnog in mindering op het bedrag van de uitkering kan brengen.
3. Het fonds kan bij de toekenning de op grond van het eerste lid
door het slachtoffer ontvangen vergoedingen in mindering brengen.
Indien het fonds na de uitkering kennis krijgt van een aan het
slachtoffer gedane vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan het dit
bedrag alsnog in mindering op het bedrag van de uitkering brengen. Het
fonds doet mededeling van deze verrekening aan de aanvrager.
4. De Staat treedt voor het bedrag dat het fonds aan de aanvrager
heeft uitgekeerd in de rechten die deze ter zake van de door hem
geleden schade tegenover derden heeft.
Artikel 7
Een aanvraag voor een uitkering moet bij het fonds worden ingediend
binnen drie jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Wordt de
aanvraag door een nabestaande gedaan, dan begint die termijn te lopen
van de dag van het overlijden. Een na afloop van de termijn ingediende
aanvraag wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat de aanvraag zo
spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
Artikel 8
1. Op de aanvraag wordt beslist door een commissie die met het
beheer van het fonds is belast. De commissie kan bij de beoordeling
van de aanvraag afwijken van het bepaalde bij deze wet, indien
toepassing ervan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
2. De commissie bestaat uit meervoudige en enkelvoudige kamers. Een
meervoudige kamer bestaat uit een oneven aantal van ten minste drie
leden. Een van de leden wordt door Onze Minister als voorzitter
aangewezen. De voorzitter kan, gehoord de commissie, uit de leden een
plaatsvervangend voorzitter aanwijzen.
3. De benoeming van de leden van de commissie geschiedt voor ten
hoogste vier jaar, behoudens de mogelijkheid van eerder ontslag op
eigen verzoek. Herbenoeming kan tweemaal, telkens voor ten hoogste
vier jaar, plaatsvinden. Het lidmaatschap eindigt bij het bereiken van
de leeftijd van zeventig jaren.
4. Aanvragen van eenvoudige aard die bij de commissie aanhangig
worden gemaakt, worden in behandeling genomen door de enkelvoudige
kamer. Indien een aanvraag naar het oordeel van deze kamer ongeschikt
is voor behandeling, verwijst zij dit naar de meervoudige kamer. De
enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een aanvraag naar de
meervoudige kamer verwijzen. De verwijzing kan geschieden in elke
stand van het onderzoek. De behandeling van de verwezen aanvraag wordt
voortgezet in de stand waain het zich bevindt.
5. Indien een aanvraag naar het oordeel van de meervoudige kamer
geschikt is voor verdere behandeling door de enkelvoudige kamer, kan
zij dit verwijzen naar een enkelvoudige kamer. De vierde en vijfde
volzin van het vierde lid zijn van toepassing.
6. Aan de commissie is een secretaris verbonden, die door Onze
Minister, de commissie gehoord, wordt benoemd en ontslagen.
7. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de
commissie.
Artikel 9
1. De daarvoor in aanmerking komende autoriteiten, colleges en
ambtenaren verschaffen de commissie zo spoedig mogelijk de door haar
verlangde inlichtingen. De commissie kan ook inlichtingen inwinnen bij
andere personen, wanneer zij dit ter vervulling van haar taak nodig
acht.
2. De commissie kan getuigen en deskundigen oproepen. De benadeelde
is bevoegd bij de ondervraging van de getuigen en deskundigen aanwezig
te zijn; hij wordt daartoe van de voorgenomen ondervraging in kennis
gesteld.
Artikel 10
De leden van de commissie leggen, alvorens aan de werkzaamheden van
de commissie deel te nemen, de eed of belofte af, dat zij hun taak
overeenkomstig de gestelde voorschriften naar geweten zullen vervullen.
Onze Minister geeft nadere regels betreffende de wijze waarop de eed of
de belofte wordt afgelegd.
Artikel 11
Vergoeding voor reis- en verblijfkosten, alsmede voor tijdverzuim,
wordt toegekend aan de in artikel 9, tweede lid, bedoelde getuigen en
deskundigen, en aan de benadeelde indien hij op verzoek van de commissie
in persoon is verschenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld.
Artikel 12
De inrichting en werkwijze van de commissie en het secretariaat
worden nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij kan
worden voorzien in de instelling van een of meer subcommissies die voor
bepaald omschreven werkzaamheden namens de commissie kunnen optreden.
Artikel 13
1. De commissie kan, vooruitlopend op haar beslissing, een
voorlopige uitkering doen.
2. De beslissing tot het toekennen van een uitkering doet een
vordering op het fonds ontstaan voor het bij die beslissing toegekende
bedrag. De secretaris zorgt dat de beslissing zo spoedig mogelijk ten
uitvoer wordt gelegd.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 18a
1. Een ieder die in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft en
die na 1 januari 2006 in een andere Lid-Staat van de Europese Unie
slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf,
kan een aanvraag om een uitkering door de desbetreffende Lid-Staat
indienen bij het fonds.
2. Het fonds zendt een aanvraag tot uitkering zo spoedig mogelijk
door aan de bevoegde instantie van de desbetreffende Lid-Staat.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
het indienen van een aanvraag om uitkering en de procedure van
afhandeling daarvan.
Artikel 19
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inrichting en de
administratie van het fonds en het daarop uit te oefenen toezicht.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 22
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van deze wet.
Artikel 23
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Geen uitkering wordt toegekend ter zake van enig misdrijf dat
vóór 1 januari 1973 is voorgevallen. Tenzij op grond van artikel 7,
eerste lid, een langere termijn van toepassing is, kan ten aanzien van
een misdrijf dat op of na 1 januari 1973, doch vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet is voorgevallen, een aanvraag, als in
dat artikel bedoeld, uiterlijk twee maanden na dat tijdstip worden
ingediend.
Artikel 24
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet schadefonds
geweldsmisdrijven.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 26 juni 1975
JULIANA
De Minister van Justitie,
Van Agt
Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 1975
De Minister van Justitie a.i.,
De Gaay Fortman
|
|
|