Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 5 juli 1979 inzake de
schadeloosstelling en de toekenning van uitkering en pensioen aan de
leden en de gewezen leden van het Europees Parlement, alsmede van
pensioen aan hun weduwen en wezen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
regeling te treffen voor de schadeloosstelling van de in Nederland
gekozen leden van het Europese Parlement en voor toekenning van een
uitkering en een pensioen aan de gewezen leden van het Europese
Parlement, alsmede van een pensioen aan hun weduwen en wezen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. het Europese Parlement: de Vergadering bestaande uit de
vertegenwoordigers van de volkeren van de in de Europese
Gemeenschappen verenigde staten;
b. lid van het Europese Parlement: de in Nederland gekozen
vertegenwoordiger in de onder a bedoelde vergadering;
c. schadeloosstelling: de schadeloosstelling voor de leden van
het Europese Parlement, bedoeld inartikel 2, eerste lid.
Artikel 1a
1.Deze wet is niet van toepassing op de leden van het Europees
Parlement die volledig vallen onder de werking van het Statuut van de
leden van het Europees Parlement (besluit nr. 2005/684/EG van het
Europees Parlement van 28 september 2005, PbEU L 262).
2.Het eerste lid geldt niet zover het betreft de door die leden op
grond van deze wet opgebouwde pensioenaanspraken.
Artikel 2
1. De schadeloosstelling komt overeen met de schadeloosstelling,
bedoeld in artikel 2, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede
Kamer.
2. Op de schadeloosstelling wordt een bedrag van € 11 530,10
ingehouden.
Artikel 2a
1.Indien aan het burgerlijk rijkspersoneel een eenmalige uitkering
wordt toegekend en wordt bepaald dat deze uitkering een algemeen
karakter draagt, ontvangen de leden van het Europese Parlement een
uitkering op gelijke voet.
2.De leden ontvangen een eindejaarsuitkering overeenkomstig de
bepalingen welke daaromtrent voor het burgerlijk rijkspersoneel zijn
vastgesteld.
3.Indien de hoogte van een uitkering afhankelijk is van de hoogte
van de schadeloosstelling, blijft bij de berekening van de hoogte van
die uitkering de inhouding, bedoeld in artikel 2, tweede lid, buiten
beschouwing.
Artikel 2b [Vervallen per 26-06-1997]
Artikel 2c [Vervallen per 27-04-2007]
Artikel 3
1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de schadeloosstelling
verminderd met de helft van het bedrag waarmee de neveninkomsten van
het lid van het Europese Parlement per jaar een bedrag gelijk aan 14%
van de schadeloosstelling te boven gaan, met dien verstande dat deze
vermindering maximaal 35% van de schadeloosstelling bedraagt. Indien
het lid een gedeelte van het kalenderjaar lid van het Europese
Parlement is, gelden de bedragen naar evenredigheid.
2. Onder neveninkomsten wordt verstaan het gezamenlijke bedrag dat
het lid wegens het verrichten van nevenactiviteiten tijdens het
lidmaatschap geniet als:
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
3. De neveninkomsten worden bepaald overeenkomstig de regels van de
Wet inkomstenbelasting 2001 en worden verrekend in het jaar waarin
deze zijn genoten in de zin van die wet, met dien verstande dat geen
verrekening meer plaats heeft, indien de neveninkomsten worden genoten
na 31 december van het jaar waarin het lidmaatschap wordt beëindigd.
4. Indien een lid van het Europese Parlement tevens lid is van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangt hij voor zijn lidmaatschap
van het Europese Parlement geen schadeloosstelling. De artikelen 4 en
7 zijn op hem niet van toepassing.
Artikel 4
1. Ieder jaar voor 1 april of binnen twee maanden na de dag van
zijn eerste deelname aan de vergadering van het Europese Parlement
verstrekt een lid van het Europese Parlement aan de voorzitter van het
managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden een opgave van de
neveninkomsten, welke het lid verwacht over het betreffende
kalenderjaar of een gedeelte daarvan te zullen genieten, dan wel een
verklaring, dat hij verwacht niet meer dan 14% van de
schadeloosstelling aan neveninkomsten over dat jaar of een evenredig
deel daarvan over het betreffende gedeelte van dat jaar te zullen
genieten.
2. De voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Haaglanden deelt aan de Minister van Binnenlandse
Zaken het bedrag van de voorlopige aftrek van de schadeloosstelling
mede en verstrekt een afschrift van deze mededeling aan het lid.
3. Indien een lid van het Europese Parlement een verklaring inzendt
dat een opgave van neveninkomsten achterwege blijft of indien geen
opgave of verklaring is ingezonden binnen de termijn, bedoeld in het
eerste lid, wordt bij de toepassing van artikel 3 uitgegaan van de
maximale vermindering.
4. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar zendt een lid
van het Europese Parlement of zenden zijn nabestaanden aan de
voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden
een opgave van neveninkomsten, welke over dat kalenderjaar zijn
genoten, dan wel een verklaring dat per jaar niet meer dan 14% van de
schadeloosstelling of, indien het lid een gedeelte van het
kalenderjaar lid van de kamer is geweest, een evenredig deel van dit
bedrag, is genoten.
5. De voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Haaglanden deelt zo spoedig mogelijk na ontvangst van
de in het vorige lid bedoelde opgave of verklaring aan de Minister van
Binnenlandse Zaken het bedrag van de definitieve aftrek van de
schadeloosstelling mede en verstrekt een afschrift van deze mededeling
aan het lid van het Europese Parlement.
6. Indien een opgave of een verklaring als in het vierde lid
bedoeld niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar is
ontvangen, geeft de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Haaglanden daarvan kennis aan de Minister van
Binnenlandse Zaken. In dat geval wordt bij de toepassing van artikel 3
uitgegaan van de maximale vermindering.
7. Het bedrag van de uitbetaalde schadeloosstelling kan, al dan
niet op verzoek van een lid van het Europese Parlement, worden
herzien, indien op grond van een onherroepelijk geworden aanslag in de
inkomstenbelasting daartoe aanleiding blijkt te bestaan.
8. Bij de toepassing van dit artikel vindt zo nodig terugbetaling
of verrekening plaats.
Artikel 5
1.De schadeloosstelling eindigt met de dag waarop een lid van het
Europese Parlement ophoudt lid van dat Parlement te zijn.
2.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van het
Europees Parlement wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie het
overleden lid niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
gelijk aan driemaal het bedrag van de schadeloosstelling, dat over de
laatste volle maand aan het lid is uitgekeerd. Indien de overledene
geen weduwe of weduwnaar als bedoeld in de vorige volzin, nalaat,
geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of
minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg
droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt
de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
van de schadeloosstelling van het lid van het Europees Parlement.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner en de
nabestaande levenspartner met wie het overleden niet-gehuwde lid van
het Europees Parlement samenwoonde en - met het oogmerk duurzaam samen
te leven - een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd op basis
van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één
persoon als levenspartner worden aangemerkt. Onze Minister kan
verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt
overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in
de eerste volzin is gesloten.
Artikel 6 [Vervallen per 19-11-2011]
Artikel 7
De leden van het Europese Parlement hebben bij aftreden aanspraak op
uitkering op de voet van de bepalingen van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers met betrekking tot leden van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
Artikel 8
1.Behoudens het bepaalde in de volgende leden hebben de leden van
het Europese Parlement en hun nabestaanden aanspraak op pensioen op de
voet van de bepalingen van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers met betrekking tot leden van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
2.Voor zover tijd, waarover als lid van het Europese Parlement
aanspraak bestaat op pensioen, samenloopt met tijd, waarover als
politieke ambtsdrager, als bedoeld in de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers, anders dan als lid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, aanspraak bestaat op pensioen, bedraagt het pensioen
als lid van het Europese Parlement over die samenlopende tijd per jaar
1,75% van de schadeloosstelling die gedurende die tijd laatstelijk
krachtens deze wet werd genoten of zou zijn genoten, indien geen
andere inkomsten dan die als politieke ambtsdrager, als in dit lid
bedoeld, en als lid van het Europese Parlement zouden zijn genoten.
3.Het tweede lid vindt overeenkomstige toepassing voor de
berekening van weduwen- en wezenpensioenen.
4.Artikel 67, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers is niet van toepassing bij de berekening van het
weduwenpensioen krachtens deze wet, indien toepassing van dat artikel
plaatsvindt bij de berekening van het pensioen als weduwe of als
achtergebleven geregistreerde partner van een lid of gewezen lid van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
5.Voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers en andere overheidspensioenwetten wordt een
pensioen krachtens deze wet aangemerkt als een overheidspensioen.
Artikel 9
1.Hoofdstuk 18 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
is van overeenkomstige toepassing.
2.Bij de overeenkomstige toepassing van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers op grond van het eerste lid en de artikelen 7
tot en met 8, wordt onder schadeloosstelling verstaan de
schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 10 [Vervallen per 26-06-1997]
Artikel 11
De kosten van de uit deze wet voortvloeiende schadeloosstellingen,
uitkeringen, pensioenen en toeslagen, komen ten laste van Hoofdstuk VII
van de Rijksbegroting.
Artikel 12
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 13
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 15
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 16
Wanneer na de dag na de inwerkingtreding van deze wet met
terugwerkende kracht tot vóór die dag toepassing wordt gegeven aan
artikel 7 van de Wet van 30 oktober 1968 (Stb. 584) vindt artikel 10
mede toepassing.
Artikel 17
Indien een lid van het Europese Parlement dat op de dag van zijn
benoemdverklaring lid van de Tweede Kamer, lid van gedeputeerde staten,
dan wel wethouder is, en krachtens artikel 7 aanspraak heeft op
uitkering ter zake van het aftreden als lid van het Europese Parlement
vóór of aan het einde van de in 1979 aangevangen periode van vijf
jaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Akte van 20 september
1976, Trb. 1976, 175, wordt de vóór het ontslag als lid van de Tweede
Kamer, lid van gedeputeerde staten, dan wel wethouder zonder wezenlijke
onderbreking als zodanig vervulde tijd voor de toepassing van artikel
52, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers geacht als lid van het Europese Parlement te zijn vervuld.
Artikel 17a
Onder neveninkomsten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt met
betrekking tot aan het kalenderjaar 2001 voorafgaande kalenderjaren
verstaan winst uit onderneming en zuivere inkomsten uit tegenwoordige
arbeid. Met betrekking tot die jaren wordt in artikel 3, derde lid,
onder Wet inkomstenbelasting 2001 verstaan Wet op de inkomstenbelasting
1964.
Artikel 18
Deze wet kan worden aangehaald als Wet schadeloosstelling, uitkering
en pensioen leden Europees Parlement.
Artikel 19
1. Deze wet treedt, behoudens het bepaalde in het tweede lid, in
werking met ingang van 17 juli 1979. Indien het Staatsblad waarin deze
wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 17 juli 1979, treedt zij in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
en werkt zij terug tot 17 juli 1979.
2. Artikel 12 treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1979
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
Uitgegeven de negentiende juli 1979
De Minister van Justitie a.i.,
H. Wiegel
|