Nadere regelgeving:
- Regeling keuringsinstanties Wet scheepsuitrusting
WET van 13 april 2000, houdende regels
met betrekking tot de productie en keuring van uitrusting voor
zeeschepen (Wet scheepsuitrusting)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op
Richtlijn
nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996
inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46), noodzakelijk is
regels te stellen met betrekking tot de productie en keuring van
uitrusting voor zeeschepen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. richtlijn: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese
Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG
1997, L 46);
b. de verdragen:
1°. het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag
betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275);
2°. het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen
Verdrag inzake Internationale Voorschriften ter voorkoming van
aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51);
3°. het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen
Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, (Trb.
1975, 147);
4°. het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen
Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976,
157);
5°. de bij de onder 1° tot en met 4° genoemde verdragen
behorende bindende protocollen, bindende bijlagen of bindende
aanhangsels;
c. uitrusting: de onderdelen van scheepsuitrusting, genoemd in
bijlage A.1 van de richtlijn;
d. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, en
waarvoor de verdragen voorschrijven dat de aan boord te plaatsen
uitrusting overeenkomstig de verdragen is goedgekeurd;
e. productvoorschriften: de relevante fabricagevoorschriften en
beproevingsnormen uit bijlage A.1 van de richtlijn;
f. overeenstemmingsbeoordeling: het onderzoek naar het voldoen
van uitrusting aan de productvoorschriften;
g. merk van overeenstemming: het symbool, weergegeven in bijlage
D van de richtlijn, dat wordt aangebracht op uitrusting waarvan
overeenkomstig deze wet of een andere regeling ter uitvoering van de
richtlijn is aangetoond dat zij voldoet aan de toepasselijke
voorschriften uit de verdragen;
h. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 4, eerste lid,
aangewezen instantie;
i. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op uitrusting, bestemd voor plaatsing
aan boord van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die in
gebruik zijn voor de uitvoering van een militaire taak.
Artikel 3
1.Uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands
schip, voldoet aan de productvoorschriften.
2.Uitrusting als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend in de
handel gebracht, indien zij is voorzien van het merk van
overeenstemming.
Hoofdstuk 2. De aanwijzing van keuringsinstanties
Artikel 4
1.Onze Minister wijst, met inachtneming van bijlage C van de
richtlijn, de instanties aan die zijn belast met door hem aan te
geven, in het kader van een of meer modules van
overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in bijlage B van de richtlijn,
te verrichten taken.
2.Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen
voorschriften worden verbonden, die mede betrekking kunnen hebben op
de door de aangewezen instantie in rekening te brengen tarieven.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de criteria voor de beoordeling van instanties die in
aanmerking wensen te komen voor een aanwijzing als bedoeld in het
eerste lid, de wijze van beoordeling en de door deze instanties
verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling.
4.Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid,
in:
a. indien hij van oordeel is dat de keuringsinstantie niet meer
voldoet aan de criteria van bijlage C van de richtlijn of de in de
ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, opgenomen
criteria voor de beoordeling van instanties;
b. indien de keuringsinstantie de bij of krachtens deze wet
gestelde regels of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften
niet naleeft.
Artikel 5
Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de
andere lidstaten van de Europese Unie in kennis van een aanwijzing of
een intrekking ingevolge artikel 4 en vermeldt in geval van een
aanwijzing de aan de aangewezen instantie toegekende taken en het door
de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan die instantie toegekende
identificatienummer.
Hoofdstuk 3. De overeenstemmingsbeoordeling
§ 1. Voorschriften voor de fabrikant
Artikel 6
In deze paragraaf wordt onder keuringsinstantie mede verstaan: een
door een andere lidstaat van de Europese Unie bij de Commissie van de
Europese Gemeenschappen aangemelde instantie, belast met in het kader
van een of meer modules van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in
bijlage B van de richtlijn, te verrichten taken.
Artikel 7
1.De fabrikant volgt voor uitrusting, bestemd voor plaatsing aan
boord van een Nederlands schip, een procedure van
overeenstemmingsbeoordeling.
2.Voor uitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in het eerste
lid, kan de fabrikant een procedure van overeenstemmingsbeoordeling
volgen.
3.Een procedure van overeenstemmingsbeoordeling wordt gevolgd,
voordat uitrusting in de handel wordt gebracht.
Artikel 8
1.Een procedure van overeenstemmingsbeoordeling behelst voor
uitrusting waarop ingevolge bijlage A.1 van de richtlijn:
a. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en C van toepassing
zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van
overeenstemming met het type;
b. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en D van toepassing
zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van
productiekwaliteitsborging;
c. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en E van toepassing
zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van
productkwaliteitsborging;
d. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en F van toepassing
zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van
productkeuring;
e. overeenstemmingsbeoordelingsmodule G van toepassing is: de
procedure van eenheidskeuring;
f. overeenstemmingsbeoordelingsmodule H van toepassing is: de
procedure van volledige kwaliteitsborging,
zoals opgenomen in bijlage B van de richtlijn.
2.De procedure van eenheidskeuring, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e, kan uitsluitend worden gevolgd voor uitrusting die per
stuk of in kleine hoeveelheden en niet in serie- of massaproductie
wordt geproduceerd.
3.Indien ingevolge bijlage A.1 van de richtlijn twee of meer
procedures als bedoeld in het eerste lid, van toepassing zijn, kiest
de fabrikant, onverminderd het tweede lid, voor een van de
toepasselijke procedures.
4.Indien op uitrusting zowel beproevingsnormen van de
Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) als beproevingsnormen
van het Europees Normalisatie-instituut voor Telecommunicatie (ETSI)
van toepassing zijn, kiest de fabrikant voor de normen van een van
beide instanties.
Artikel 9
1.De fabrikant kiest voor de uitvoering van een procedure van
overeenstemmingsbeoordeling een keuringsinstantie die bevoegd is om de
in het kader van die procedure aan een keuringsinstantie opgedragen
taken te verrichten.
2.Indien een procedure als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdelen a tot en met d, wordt gevolgd, kan voor de aanvullende
procedure een andere keuringsinstantie worden gekozen dan voor het
EG-typeonderzoek.
Artikel 10
1.De fabrikant brengt op uitrusting die voldoet aan de
productvoorschriften en waarvoor een toepasselijke procedure van
overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, in de laatste fase van het
productieproces het merk van overeenstemming aan.
2.Het merk van overeenstemming wordt, indien de keuringsinstantie
die de procedure van overeenstemmingsbeoordeling heeft uitgevoerd,
betrokken is bij de fase van fabricagecontrole, gevolgd door het
identificatienummer van die instantie. Het identificatienummer wordt
door de fabrikant aangebracht, indien het niet door de
keuringsinstantie zelf wordt aangebracht.
3.Het merk van overeenstemming en in voorkomend geval het
identificatienummer, bedoeld in het tweede lid, worden gevolgd door de
twee laatste cijfers van het jaar waarin het merk van overeenstemming
is aangebracht.
4.Het merk van overeenstemming wordt, met inachtneming van bijlage
D van de richtlijn, op een zodanige wijze op de uitrusting of een
daaraan bevestigd gegevensplaatje aangebracht, dat het voor de
verwachte gebruiksduur van de uitrusting zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar zal zijn, met dien verstande dat het merk van
overeenstemming op de verpakking, een etiket of een brochure wordt
aangebracht, indien de aard van de uitrusting aanbrenging op de
uitrusting zelf niet toelaat.
Artikel 11
1.De fabrikant stelt voor uitrusting waarop hij het merk van
overeenstemming heeft aangebracht, een schriftelijke verklaring van
overeenstemming op, waarin hij met inachtneming van de regels,
opgenomen in bijlage B van de richtlijn, verklaart dat die uitrusting:
a. in overeenstemming is met het certificaat van
EG-typeonderzoek en voldoet aan de productvoorschriften, indien
voor de uitrusting de procedure van overeenstemmingsbeoordeling is
gevolgd, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a;
b. in overeenstemming is met het certificaat van
EG-typeonderzoek, indien voor de uitrusting een procedure van
overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdelen b, c of d;
c. voldoet aan de productvoorschriften, indien voor de
uitrusting een procedure van overeenstemmingsbeoordeling is
gevolgd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e of f.
2.De verklaring van overeenstemming, bedoeld in het eerste lid,
vergezelt de uitrusting.
Artikel 12
De fabrikant verleent de keuringsinstantie en de door deze ingevolge
artikel 16, tweede lid, aangewezen natuurlijke personen of
rechtspersonen alle medewerking, voorzover dat noodzakelijk is voor de
uitvoering van de procedure van overeenstemmingsbeoordeling en de
uitoefening van andere in deze wet bedoelde taken.
Artikel 13
1.De door de fabrikant in het kader van een procedure van
overeenstemmingsbeoordeling aan de keuringsinstantie te verstrekken
technische documentatie voldoet aan het aanhangsel van bijlage B van
de richtlijn.
2.De fabrikant bewaart gedurende een periode van ten minste tien
jaren de technische documentatie, bedoeld in het eerste lid, alsmede
andere bij ministeriële regeling te bepalen gegevens.
3.De fabrikant verstrekt aan de personen of instanties die door
Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie zijn belast met
het uitvoeren van door de verdragen voorgeschreven prestatieproeven op
uitrusting in bedrijf aan boord van schepen, desgevraagd de inspectie-
en beproevingsverslagen die bij de overeenstemmingsbeoordeling van die
uitrusting zijn opgesteld.
§ 2. Voorschriften voor de gemachtigde van de fabrikant en degene
die de uitrusting in de handel brengt
Artikel 14
1.Voorzover door de fabrikant niet is voldaan aan de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 13, rusten deze
verplichtingen op de gemachtigde van de fabrikant of op degene die de
uitrusting in de handel brengt.
2.Zodra de gemachtigde van de fabrikant of degene die de uitrusting
in de handel brengt, aan een ingevolge het eerste lid op hem rustende
verplichting heeft voldaan, is die verplichting voor de ander en voor
de fabrikant opgeheven.
Artikel 15
Indien voor uitrusting, niet zijnde uitrusting bestemd voor plaatsing
aan boord van een Nederlands schip, door de fabrikant geen procedure van
overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, komt de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, toe aan de gemachtigde van de fabrikant of de
persoon die de uitrusting in de handel brengt. De artikelen 8 tot en met
13 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Voorschriften voor de keuringsinstantie
Artikel 16
1.Een keuringsinstantie neemt bij de uitvoering van de taken
waarmee zij in het kader van de procedures van
overeenstemmingsbeoordeling is belast, de in bijlage B van de
richtlijn opgenomen regels in acht.
2.Een keuringsinstantie is bevoegd om met inachtneming van bij
ministeriële regeling gegeven voorschriften beproevingen en controles
te doen verrichten door andere natuurlijke personen of rechtspersonen.
Artikel 17
Een keuringsinstantie die een procedure van
overeenstemmingsbeoordeling heeft uitgevoerd, brengt, indien zij
betrokken is bij de fase van fabricagecontrole, naast het merk van
overeenstemming haar identificatienummer aan of ziet erop toe dat dit
nummer wordt aangebracht door de fabrikant, diens gemachtigde of degene
die de uitrusting in de handel brengt.
Artikel 18
1.Indien de keuringsinstantie die een certificaat van
EG-typeonderzoek of een certificaat van EG-ontwerponderzoek heeft
afgegeven, vermoedt dat de uitrusting waarop het certificaat
betrekking heeft, niet meer aan de productvoorschriften voldoet ten
gevolge van een wijziging van die voorschriften, stelt zij daarnaar
een onderzoek in.
2.De keuringsinstantie trekt het certificaat van EG-typeonderzoek
of het certificaat van EG-ontwerponderzoek in, indien een onderzoek
als bedoeld in het eerste lid, uitwijst dat de uitrusting waarop het
certificaat betrekking heeft, niet meer aan de productvoorschriften
voldoet.
Artikel 19
1.Een keuringsinstantie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de
voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze
Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden,
voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig
is.
2.Een keuringsinstantie verstrekt aan de personen of instanties die
door een lidstaat van de Europese Unie zijn belast met het toezicht op
de naleving van veiligheidsvoorschriften aan boord van schepen
waarvoor door of namens die lidstaat veiligheidscertificaten zijn
afgegeven, aan andere keuringsinstanties en aan aangemelde instanties
als bedoeld in artikel 6, desgevraagd inlichtingen ter zake van de
door haar uitgevoerde procedures van overeenstemmingsbeoordeling.
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen
§ 1. Bepalingen inzake technische innovatie en beproeving van
uitrusting in bedrijf aan boord
Artikel 20
1.In uitzonderlijke gevallen van technische innovatie kan Onze
Minister voor uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een
Nederlands schip, waarvoor toepasselijke keuringsvoorschriften
ontbreken, een certificaat van gelijkwaardigheid afgeven, indien die
uitrusting naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan
uitrusting die voldoet aan de productvoorschriften.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de toepassing van het eerste lid, de wijze waarop de
gelijkwaardigheid van uitrusting wordt beoordeeld, en de verschuldigde
vergoeding voor de kosten van de beoordeling van gelijkwaardigheid en
de afgifte van het certificaat van gelijkwaardigheid.
3.Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van
gelijkwaardigheid is afgegeven, kunnen beperkingen en voorschriften
worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften worden in het
certificaat vermeld.
4.Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen
en de andere lidstaten van de Europese Unie onmiddellijk in kennis van
de afgifte van een certificaat van gelijkwaardigheid. Hij vermeldt
daarbij de bijzonderheden van het geval en doet de Commissie en de
andere lidstaten afschriften van de beoordelingsverslagen toekomen.
Artikel 21
1.Ten behoeve van de beproeving van uitrusting in bedrijf aan boord
van een Nederlands schip kan Onze Minister voor uitrusting waarvoor
geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, een
certificaat ten behoeve van beproeving afgeven.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de toepassing van het eerste lid en de voor de afgifte van
een certificaat van beproeving verschuldigde vergoeding.
3.Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat ten
behoeve van beproeving is afgegeven, kunnen beperkingen en
voorschriften worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften
worden in het certificaat vermeld.
4.Onze Minister bepaalt de geldigheidsduur van het certificaat. De
geldigheidsduur is niet langer dan voor een goede beproeving van de
uitrusting redelijkerwijs nodig is.
Artikel 22
Uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een
certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, behoeft in
afwijking van artikel 3, eerste lid, niet te voldoen aan de
productvoorschriften en mag, mits vergezeld van het desbetreffende
certificaat, in afwijking van artikel 3, tweede lid, ook zonder merk van
overeenstemming in de handel worden gebracht.
§ 2. Bijzondere bepalingen inzake het vrij verkeer van uitrusting
Artikel 23
1.Indien Onze Minister van oordeel is dat uitrusting die is
voorzien van het merk van overeenstemming, ook wanneer zij op de
juiste wijze aan boord is geplaatst en op de juiste wijze wordt
onderhouden en gebruikt voor haar gebruiksdoel, de gezondheid of de
veiligheid van de bemanning, de passagiers of andere personen in
gevaar kan brengen of het mariene milieu kan aantasten, neemt hij
passende voorlopige maatregelen om die uitrusting uit de handel te
nemen. Zo nodig verbiedt hij het in de handel brengen van die
uitrusting.
2.Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en
de Commissie van de Europese Gemeenschappen onmiddellijk en onder
opgave van redenen in kennis van maatregelen als bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 24
1.Indien Onze Minister van oordeel is dat op uitrusting in strijd
met deze wet het merk van overeenstemming is aangebracht, neemt hij
passende maatregelen om die uitrusting uit de handel te nemen. Zo
nodig verbiedt hij het in de handel brengen van die uitrusting.
2.Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en
de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van maatregelen
als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 25
De fabrikant, diens gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is
voor het in de handel brengen, verleent alle medewerking die
noodzakelijk is voor de uitvoering van maatregelen als bedoeld in de
artikelen 23 en 24.
Hoofdstuk 5. Verbodsbepalingen
Artikel 26
1.Het is verboden uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van
een Nederlands schip, in de handel te brengen of daartoe voorhanden te
hebben, indien die uitrusting niet is voorzien van het merk van
overeenstemming en ook niet vergezeld gaat van een certificaat van
gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 20, of een certificaat ten
behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 21.
2.Het is verboden om het merk van overeenstemming aan te brengen op
uitrusting die niet voldoet aan de productvoorschriften of waarvoor
geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd.
3.Het is verboden merktekens of opschriften aan te brengen die
anderen kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische
vormgeving van het merk van overeenstemming, of die de zichtbaarheid
of de leesbaarheid van het merk verminderen.
4.Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als
bedoeld in de artikelen 12, 13 en 25 of met een verbod als bedoeld in
artikel 23, eerste lid, tweede volzin, en 24, eerste lid, tweede
volzin.
Hoofdstuk 6. Toezicht
Artikel 27
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn belast de door Onze Minister aangewezen ambtenaren
van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Onze Minister kan voor bepaalde door hem aan te wijzen taken,
verband houdende met het toezicht op de naleving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, ambtenaren van andere diensttakken ter
beschikking stellen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Indien de
terbeschikkingstelling ambtenaren betreft, ressorterende onder een
ander ministerie dan dat van Onze Minister, wordt het desbetreffende
besluit genomen in overeenstemming met de minister van dat andere
ministerie.
3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 28
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het in het kader van artikel 4, vierde lid, onderdeel a,
op de keuringsinstanties uit te oefenen toezicht en de door de
keuringsinstanties voor de uitoefening van dat toezicht verschuldigde
vergoeding.
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen
Artikel 29
1.De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn tot en met
31 december 2000 niet van toepassing op uitrusting, genoemd in bijlage
A.1 van de richtlijn, naar de tekst van die bijlage zoals deze op 20
december 1996 is vastgesteld, indien die uitrusting is vervaardigd
voor de inwerkingtreding van deze wet en is goedgekeurd op grond van
regels, gesteld krachtens de Schepenwet of de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen, die voor 20 december 1996 van kracht
waren.
2.De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn gedurende
een termijn van twee jaren niet van toepassing op uitrusting die
ingevolge een na 20 december 1996 vastgesteld besluit van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie in
bijlage A.1 is opgenomen, indien die uitrusting is vervaardigd voor de
dag waarop het desbetreffende besluit voor de toepassing van deze wet
is gaan gelden, en zij is goedgekeurd op grond van regels, gesteld
krachtens de Schepenwet of de Wet voorkoming verontreiniging door
schepen, die voor de vaststelling van dat besluit van kracht waren. De
termijn van twee jaren vangt aan op de dag waarop het
wijzigingsbesluit voor de toepassing van deze wet gaat gelden.
3.Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover nodig ter uitvoering
van een besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van
de Raad van de Europese Unie tot wijziging van bijlage A.1 van de
richtlijn, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 30
1.Een wijziging van de richtlijn gaat voor de toepassing van deze
wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
2.Een wijziging van de verdragen gaat voor de toepassing van deze
wet gelden met ingang van de dag waarop die wijziging internationaal
in werking treedt.
Artikel 31
Voorzover op grond van de Overeenkomst inzake de Europese Economische
Ruimte de richtlijn ook verbindend is voor een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, wordt deze staat voor de toepassing van
deze wet gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 32
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 33
[Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen]
Artikel 34
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Wet scheepsuitrusting.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 april 2000
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de elfde mei 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|