WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regelen te stellen voor een afzonderlijk beheer terzake van het gebruik
door de Staat van bepaalde zeeschepen en het Besluit Scheepvaartfonds
1944, Stb. E 23, in te trekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het Scheepvaartfonds 1955 wordt ingesteld voor een afzonderlijk
beheer terzake van het gebruik door de Staat van door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat aangewezen zeeschepen en het daarmede
samenhangende vervoer.
Artikel 2
1. Van de inkomsten en uitgaven van het Scheepvaartfonds 1955
wordt jaarlijks een afzonderlijke begroting opgemaakt en vastgesteld
volgens dezelfde regelen als voor de Rijksbegroting is bepaald.
2. Het beheer van die begroting wordt gevoerd door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 3
1. De begroting is verdeeld in twee afdelingen, waarvan de
eerste omvat de uitgaven en inkomsten der exploitatie en de tweede de
kapitaalsuitgaven en -ontvangsten.
2. Elke afdeling is gesplitst in artikelen en indien nodig worden
de afdelingen verdeeld in onderafdelingen.
3. De inrichting der begroting geschiedt overigens met
inachtneming van de voorschriften, welke door Onze Minister van
Financiën na overleg met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden
gesteld.
Artikel 4
1. Tot de dienst van enig jaar behoren:
a. uitkeringen van en aan het Rijk en de andere inkomsten en
uitgaven, welke op het beheer gedurende dat jaar betrekking hebben;
b. bedragen, waarvan bij afsluiting van die dienst bekend is, dat
zij verschuldigd, onderscheidenlijk te vorderen zijn en welke op het
beheer gedurende dat jaar betrekking hebben.
2. De bedragen, welke verschuldigd, onderscheidenlijk te vorderen
blijken te zijn nà afsluiting van de dienst, waartoe zij behoorden,
komen ten laste, respectievelijk ten bate van de overeenkomstige
artikelen der begroting van het dienstjaar, waarin het bestaan daarvan
blijkt.
Artikel 5
1. Tot de uitgaven van de eerste afdeling der begroting van het
Scheepvaartfonds 1955 worden mede gerekend:
a. het bedrag der afschrijvingen;
b. een uitkering aan het Rijk wegens rente van het voor dekking der
kapitaalsuitgaven opgenomen kapitaal;
c. een uitkering aan het Rijk tot een percentage van de waarde der
bezittingen tegenover de risico's, welke door het Rijk worden
gedragen;
d. een uitkering aan het Rijk ten bedrage van het voordelig saldo
der exploitatie.
2. Tot de inkomsten van de eerste afdeling der begroting van het
Scheepvaartfonds 1955 worden mede gerekend:
a. een uitkering van het Rijk als vergoeding van schaden, waarvoor
het risico door het Rijk wordt gedragen;
b. een uitkering van het Rijk, ten bedrage van het nadelig saldo
der exploitatie.
Artikel 6
1. Tot de kapitaalsuitgaven worden gerekend:
a. de kosten van de aankoop, de bouw en de verbouwing van
zeeschepen, alsmede de kosten van aankoop van duurzame
gebruiksartikelen;
b. een uitkering aan het Rijk wegens aflossing op het verstrekte
kapitaal, ten bedrage van de in het tweede lid onder b en c
bedoelde ontvangsten.
2. Tot de kapitaalsontvangsten worden gerekend:
a. een uitkering van het Rijk ten bedrage van de in het eerste lid
van dit artikel onder a bedoelde uitgaven;
b. het bedrag der afschrijvingen;
c. de opbrengst van vervreemde of overgedragen bezittingen,
voorzover verkregen door uitgaven als bedoeld in het eerste lid onder a
van dit artikel.
Artikel 7
Onze Minister van Financiën stelt het percentage, bedoeld in artikel
5, eerste lid onder b, telkenmale voor een periode van drie jaar
vast en dat, bedoeld in artikel 5, eerste lid onder c, voor een
periode van één jaar.
Artikel 8
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tussen de bij de
begrotingswet aangewezen artikelen van de eerste afdeling der begroting
onderling af- en over te schrijven.
Artikel 9
De Algemene Rekenkamer houdt toezicht op de juistheid der bedragen,
welke ten laste van en ten bate van het fonds worden gebracht.
Zij onderzoekt de boeken, rekeningen, verantwoordingen, bewijsstukken
en verdere bescheiden, zoals zij dit nodig acht voor het uitvoeren van
de taak, haar bij de wet opgedragen.
Artikel 10
1. De rekening van het Scheepvaartfonds 1955 wordt jaarlijks
opgemaakt en vastgesteld met inachtneming van de voorzieningen ten
aanzien van het beheer van het fonds als in deze wet opgenomen.
2. De inrichting der rekening geschiedt met inachtneming van de
voorschriften, door Onze Minister van Financiën na overleg met Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen drie
maanden na afsluiting van de dienst deze rekening aan Onze Minister van
Financiën ten onderzoek toe, die deze rekening binnen vijf maanden na
afsluiting van de dienst aan de Algemene Rekenkamer ter goedkeuring
toezendt onder bijvoeging van de opmerkingen, waartoe zijn onderzoek hem
aanleiding heeft gegeven; hij doet van zijn opmerkingen mededeling aan
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 11
1. Het beheer der kasmiddelen van het Scheepvaartfonds 1955
wordt administratief afgescheiden van het beheer der overige
kasmiddelen van het Rijk.
2. De door het Scheepvaartfonds 1955 benodigde kasmiddelen worden
verschaft door het Rijk, terwijl de overtollige kasmiddelen in 's Rijks
Schatkist worden gestort.
3. Van de geldelijke betrekkingen tussen het Rijk en het
Scheepvaartfonds 1955, voortvloeiende uit de bepalingen dezer wet, wordt
door Onze Minister van Financiën en het Scheepvaartfonds 1955 een
rekening-courant aangehouden.
Artikel 12
Voor zover ten aanzien van het beheer van het Scheepvaartfonds 1955
niet is voorzien in deze wet, is de Comptabiliteitswet 2001 van
toepassing, met dien verstande dat in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën daarvan kan worden afgeweken.
Artikel 13
1. Het Besluit Scheepvaartfonds 1944 is met ingang van 1
Januari 1955 slechts van toepassing op de vóór die datum liggende
begrotingstijdvakken en wordt na liquidatie van het daarbij ingestelde
fonds ingetrokken op een door Ons te bepalen tijdstip.
2. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 Januari 1955.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 December 1954
JULIANA
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. Algera
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
Uitgegeven de dertigste December 1954
De Minister van Justitie,
L.A. Donker