| |
|
|
|
|
vorige
WET
STANKEMISSIE VEEHOUDERIJEN IN LANDBOUWONTWIKKELINGS-
EN VERWERVINGSGEBIEDEN
Tekst zoals deze geldt op 9 juli
2006
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2007
(Zie
Wet geurhinder en
veehouderij)
|
|
WET van 16 mei 2002, houdende
regels inzake stankemissie in ontwikkelingsgebieden (Wet
stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
regels te stellen met betrekking tot beslissingen inzake
vergunningen krachtens de Wet milieubeheer voor
veehouderijen, voorzover het betreft de stankemissies van
veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel
1
- 1.
- In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
agrarisch
bedrijf: veehouderij of andere inrichting die tot
een krachtens artikel
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie behoort en uitsluitend of in
hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouw-
of tuinbouwproducten;
bijlage:
bij deze wet behorende bijlage;
dierenverblijf:
al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden
gehouden;
extensiveringsgebied:
extensiveringsgebied als bedoeld in artikel
1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
kleinschalige
nevenactiviteit: bij gemeentelijke verordening als
zodanig aangewezen activiteit, die een
organisatorische binding heeft met een agrarisch
bedrijf en binnen de inrichting, of in de
onmiddellijke nabijheid daarvan plaatsvindt;
landbouwontwikkelingsgebied:
landbouwontwikkelingsgebied, als bedoeld in artikel
1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
mestvarkeneenheid:
eenheid die aangeeft met hoeveel mestvarkens een dier,
behorende tot een bij ministeriële regeling
aangewezen categorie, gelijkgesteld wordt wat betreft
stankemissie;
mestverwerkinginstallatie:
een of meer tot een veehouderij behorende installaties
waarin mest verwerkt wordt met een gezamenlijke
verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25 000 m3
mest per jaar;
omrekeningsfactor:
bij ministeriële regeling aan te wijzen factor die
aangeeft hoeveel dieren, behorende tot de in die
regeling genoemde diercategorie, die zijn gehuisvest
in het daarbij vermelde huisvestingssysteem, gelijk
worden gesteld met één mestvarkeneenheid;
Onze
Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
reconstructieplan:
plan, als bedoeld in artikel
11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
stankhinder:
gevolgen voor het milieu, die een veehouderij kan
veroorzaken door de emissie van stank uit de tot de
veehouderij behorende dierenverblijven en
mestverwerkingsinstallatie;
veehouderij:
inrichting, die tot een krachtens artikel
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het
kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen
of wegen van dieren;
vergunning:
vergunning krachtens artikel
8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
verwevingsgebied:
verwevingsgebied als bedoeld in artikel
1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
- 2.
- In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder voor stank gevoelig object:
- a.
- voor
stank gevoelig object categorie I:
- 1°.
- bebouwde
kom met stedelijk karakter;
- 2°.
- ziekenhuis,
sanatorium en internaat;
- 3°.
- objecten
voor verblijfsrecreatie;
- b.
- voor
stank gevoelig object categorie II:
- 1°.
- bebouwde
kom of aaneengesloten woonbebouwing van
beperkte omvang in een overigens agrarische
omgeving;
- 2°.
- objecten
voor dagrecreatie;
- c.
- voor
stank gevoelig object categorie III:
verspreid
liggende niet-agrarische bebouwing die aan het
betreffende buitengebied een overwegende woon- of
recreatiefunctie verleent;
- d.
- voor
stank gevoelig object categorie IV:
- 1°.
- woning,
behorend bij een agrarisch bedrijf, niet
zijnde een veehouderij waar 50 of meer
mestvarkeneenheden op grond van een vergunning
aanwezig mogen zijn;
- 2°.
- verspreid
liggende niet-agrarische bebouwing;
- e.
- voor
stank gevoelig object categorie V:
woning,
behorend bij een veehouderij waar 50 of meer
mestvarkeneenheden op grond van een vergunning
aanwezig mogen zijn.
- 3.
- In afwijking
van het tweede lid worden niet als voor stank gevoelig
object aangemerkt een kampeerterrein als bedoeld in artikel
8, tweede lid, onder a, of artikel
8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie,
een gebouw of een als kamphuis of blokhut aan te
merken bouwwerk, dat deel uitmaakt van een agrarisch
bedrijf en ter beschikking wordt gesteld voor het
houden van recreatief nachtverblijf.
- 4.
- Bij
ministeriële regeling wordt aangegeven op welke wijze
bij de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen:
- a.
- de
afstand tussen een veehouderij en een voor stank
gevoelig object wordt bepaald;
- b.
- stankemissie,
veroorzaakt door de dierenverblijven en de
mestverwerkingsinstallatie, wordt omgerekend in
mestvarkeneenheden.
Artikel
2
- 1.
- Bij
beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten
of veranderen van een veehouderij die geheel of
gedeeltelijk is gelegen in een
landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een
extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor
een reconstructieplan is bekendgemaakt, betrekt het
bevoegd gezag de stankhinder uitsluitend op de wijze
die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot
en met 6.
- 2.
- Het eerste
lid geldt niet voor voorschriften die worden gesteld
met toepassing van de artikelen
8.11, 8.44,
8.45 of 8.46
van de Wet milieubeheer.
Artikel
3
- 1.
- Een
vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd,
indien de afstand van de veehouderij tot een voor
stank gevoelig object, behorend tot een van de
categorieën I tot en met IV, dat niet tot de
veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal
meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen
berekeningsmethode.
- 2.
- In afwijking
van het eerste lid wordt een vergunning niet
geweigerd, indien:
- a.
- het
aantal dieren, dat overeenkomstig de voor de
veehouderij geldende vergunning aanwezig mag zijn,
van geen enkele van de diercategorieën toeneemt,
- b.
- het
aantal in de veehouderij overeenkomstig de voor de
veehouderij geldende vergunning toegestane
mestvarkeneenheden niet toeneemt en
- c.
- de
afstand tot een voor stank gevoelig object als
bedoeld in het eerste lid niet afneemt.
- 3.
- Indien:
- a.
- voor
een veehouderij een vergunning wordt aangevraagd
als bedoeld in artikel
8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer
met het oog op uitbreiding van het aantal in de
veehouderij te houden dieren van één of meer
diercategorieën,
- b.
- de
afstand tussen de veehouderij en een voor stank
gevoelig object, voorafgaand aan de uitbreiding,
kleiner is dan overeenkomstig artikel 3, eerste
lid, zou zijn toegestaan en
- c.
- het
aantal in de veehouderij overeenkomstig de voor de
veehouderij geldende vergunningen toegestane
mestvarkeneenheden zal afnemen door toepassing van
bij de aanvraag aangegeven maatregelen die
stankemissie reduceren en de afstand tussen de
veehouderij en een voor stank gevoelig object na
de uitbreiding niet kleiner wordt, wordt de
vergunning slechts verleend indien de uitbreiding
van het aantal dieren als gevolg van de
verandering van de inrichting niet meer bedraagt
dan de helft van het aantal dieren dat overeenkomt
met de reductie van de stankemissie, uitgedrukt in
mestvarkeneenheden, die door het toepassen van de
bij de aanvraag aangegeven maatregelen bereikt
wordt.
- 4.
- In afwijking
van het derde lid wordt de vergunning geweigerd,
indien in een geval als bedoeld in dat lid, de afstand
tussen de veehouderij en een voor stank gevoelig
object kleiner is dan 50 meter, dan wel, indien deze
meer bedraagt dan 50 meter, kleiner is dan de helft
van de overeenkomstig het eerste lid toegestane
afstand.
Artikel
4
- 1.
- Onverminderd
artikel 3, eerste lid, bedraagt de afstand tussen een
veehouderij waar dieren worden gehouden van een
diercategorie, waarvoor in de ministeriële regeling
bedoeld in artikel 1 geen omrekeningsfactor is
opgenomen, en een voor stank gevoelig object, ten
minste de afstand die voor de betrokken diercategorie
bij ministeriële regeling is aangegeven.
- 2.
- De afstand
tussen een veehouderij en een voor stank gevoelig
object categorie V bedraagt ten minste 50 meter.
Artikel
5
Met inachtneming
van de artikelen 3, eerste lid, en 4, bedraagt de afstand
van de buitenzijde van een dierenverblijf of een
mestverwerkingsinstallatie tot de buitenzijde van een voor
stank gevoelig object:
- a.
- categorie
I of II: ten minste 50 meter;
- b.
- categorie
III of IV: ten minste 25 meter.
Artikel
6
Voor de
toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 wordt:
- a.
- een
woning die op of na 19 maart 2000 tot een veehouderij
behoorde en daartoe niet meer behoort, gelijkgesteld
met een gevoelig object, behorende tot dezelfde
categorie als een bij die veehouderij behorende
woning;
- b.
- een
woning, die op of na 19 maart 2000, in samenhang met
het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen na
die datum van een veehouderij en de sloop van bij die
veehouderij behorende bedrijfsgebouwen, is gebouwd op
een kavel die op die datum behoorde tot die
veehouderij, gelijkgesteld met een gevoelig object,
behorende tot dezelfde categorie als een bij die
veehouderij behorende woning;
- c.
- een
kleinschalige nevenactiviteit en een zodanige
activiteit die na het geheel of gedeeltelijk buiten
werking stellen van het agrarisch bedrijf op of na 19
maart 2000 is voortgezet of opgestart, gelijkgesteld
met een gevoelig object, behorende tot dezelfde
categorie als een bij een veehouderij behorende
woning.
Artikel
7
Een ministeriële
regeling krachtens deze wet wordt vastgesteld door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Artikel
8
Deze wet treedt
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel
9
Deze wet wordt
aangehaald als: Wet stankemissie veehouderijen in
landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
16 mei 2002
BEATRIX
De Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P.
Pronk
De Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
L.J.
Brinkhorst
Uitgegeven zevenentwintigste
juni 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage, berekeningsmethode voor de minimaal vereiste afstand tot een
voor stank gevoelig object bij de aangegeven hoeveelheid
mestvarkeneenheden
| |
Categorie |
Aantal
mestvarkeneenheden (=mve's) |
Afstand
in meters (afronden op hele getallen) |
| 1 |
I |
0–150 |
100 |
| 2 |
I |
151–1000 |
9,157 x
(aantal mve's0,4804) |
| 3 |
I |
1001 en
meer |
7,387 x
(aantal mve's0,5104) |
| 4 |
II |
0–240 |
100 |
| 5 |
II |
241 en
meer |
6,995 x
(aantal mve's0,489) |
| 6 |
III |
0–115 |
50 |
| 7 |
III |
116–1000 |
5,929 x
(aantal mve's0,4539) |
| 8 |
III |
1001 en
meer |
7,556 x
(aantal mve's0,4189) |
| 9 |
IV |
0–500 |
50 |
| 10 |
IV |
501–1000 |
0,439 x
(aantal mve's0,7655) |
| 11 |
IV |
1001 en
meer |
3,013 x
(aantal mve's0,4863) |
|
|
|