| |
|
|
|
|
vorige
WET
STEDELIJKE VERNIEUWING
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2011
Vervallen
m.i.v. 28 april 2011
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel
stedelijke vernieuwing
(vervallen)
WET van 15 november 2000 ter stimulering
van integrale stedelijke vernieuwing (Wet stedelijke vernieuwing)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij
stedelijke vernieuwing, met inbegrip van lokale milieubescherming, te
kiezen voor een meer samenhangende, interactieve en innoverende aanpak;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. stedelijke vernieuwing: op stedelijk gebied gerichte
inspanningen die strekken tot verbetering van de leefbaarheid en
veiligheid, bevordering van een duurzame ontwikkeling en
verbetering van de woon- en milieukwaliteit, versterking van het
economisch draagvlak, versterking van culturele kwaliteiten,
bevordering van de sociale samenhang, verbetering van de
bereikbaarheid, verhoging van de kwaliteit van de openbare ruimte
of anderszins tot structurele kwaliteitsverhoging van dat
stedelijk gebied;
b. ontwikkelingsprogramma: programma als bedoeld in artikel 7,
eerste lid;
c. investeringsbudget: subsidie aan een gemeente krachtens
hoofdstuk 3, ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van
een ontwikkelingsprogramma of van een activiteit in het kader van
stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid;
d. investeringstijdvak: tijdvak van vijf kalenderjaren,
waarvoor investeringsbudget wordt verstrekt;
e. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie;
f. plusregio: plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen.
2.De in deze wet neergelegde taken en bevoegdheden ten aanzien van
stedelijke vernieuwing hebben slechts betrekking op stedelijke
vernieuwing, die gericht is op de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 2. Bestuurlijke verhoudingen
Artikel 2
De gemeenteraad draagt zorg voor stedelijke vernieuwing. Hiertoe
stelt hij een ontwikkelingsprogramma vast of treft anderszins
maatregelen in het belang van de stedelijke vernieuwing.
Artikel 3
Provinciale staten dragen uitsluitend zorg voor de bevordering en
ondersteuning van stedelijke vernieuwing, in het bijzonder ten aanzien
van gemeenten waaraan gedeputeerde staten investeringsbudget kunnen
verlenen.
Artikel 4
1.Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen,
dragen zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke
vernieuwing.
2.Waar bij of krachtens deze wet bevoegdheden zijn toegekend aan
Onze Minister, oefent hij deze uit in overeenstemming met Onze
Ministers wie het mede aangaat.
Hoofdstuk 3. Investeringsbudget
§ 3.1. Verdeling investeringsbudget
Artikel 5
1.Onze Minister kan aan gemeenten investeringsbudget verstrekken
ten behoeve van de uitvoering van het gemeentelijke beleid inzake
stedelijke vernieuwing.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden de gemeenten
aangewezen, waaraan Onze Minister, mede gelet op de aard en omvang van
de stedelijke vernieuwingsopgave in die gemeenten, investeringsbudget
kan verstrekken. De bij de maatregel aangewezen gemeenten blijven in
elk geval voor de duur van een investeringstijdvak als zodanig
aangewezen.
3.Ten behoeve van andere gemeenten dan die, bedoeld in het tweede
lid, verstrekt Onze Minister de middelen voor investeringsbudget aan
de onderscheidene provincies. Onze Minister kan hieraan voorschriften
verbinden.
4.Gedeputeerde staten kunnen investeringsbudget verstrekken aan de
gemeenten, bedoeld in het derde lid, ten behoeve van de uitvoering van
het gemeentelijke beleid inzake stedelijke vernieuwing.
Artikel 6
1.Uiterlijk op 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het
investeringstijdvak geeft Onze Minister inzicht in:
a. voor een gemeente waaraan hij investeringsbudget kan
verstrekken: een indicatie van de hoogte van dat budget, waarbij
hij tevens aangeeft welk deel van dat budget afkomstig is uit
gelden voor bodemsanering, en
b. voor een provincie: de hoogte van het provinciale budget ten
behoeve van de verstrekking van investeringsbudget aan de overige
gemeenten.
2.De berekening van de budgetten, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels.
3.Uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het provinciale
budget, bedoeld in het eerste lid, onder b, geven gedeputeerde staten
inzicht in de verdeling van de middelen voor investeringsbudget over
in hun provincie gelegen gemeenten waaraan zij investeringsbudget
kunnen verstrekken. Daarbij:
a. wijzen gedeputeerde staten de gemeenten aan waarvan naar hun
oordeel gelet op de aard en de omvang van de stedelijke
vernieuwingsopgave een ontwikkelingsprogramma wordt verlangd om in
aanmerking te komen voor investeringsbudget,
b. geven gedeputeerde staten een indicatie van de hoogte van
het budget voor deze gemeenten en
c. maken gedeputeerde staten, gehoord burgemeester en
wethouders van de betrokken gemeenten, met het oog op de
toepassing van artikel 11, vijfde lid, aanhef en onder a, artikel
8, derde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, aanhef en onder c,
bekend binnen welke groepen van gemeenten onderlinge afstemming
van de ontwikkelingsprogramma's en de activiteiten in het kader
van de stedelijke vernieuwing, bedoeld in artikel 7, vijfde lid,
hun gewenst voorkomt, welke bekendmaking geen betrekking heeft op
gemeenten die zijn gelegen in een plusregio.
4.Bij provinciale verordening worden regels gegeven omtrent de
wijze waarop de verdeling tussen de gemeenten van de middelen voor
investeringsbudget wordt vastgesteld. Bij de verdeling houdt de
provincie rekening met de aard en de omvang van de stedelijke
vernieuwingsopgave in die gemeenten.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gegeven omtrent de verdeling, bedoeld in het derde en vierde
lid. Deze regels kunnen onder meer inhouden dat beperkingen worden
aangebracht in de mate waarin gedeputeerde staten bij de verdeling van
de middelen voor investeringsbudget andere criteria kunnen hanteren
dan die welke krachtens het tweede lid gelden voor de berekening van
de budgetten van de in het eerste lid, onder a, bedoelde gemeenten.
§ 3.2. De verlening van investeringsbudget
Artikel 7
1. Investeringsbudget kan worden verleend aan een gemeente die
beschikt over een door de gemeenteraad vastgesteld
ontwikkelingsprogramma:
a. waarin de gemeentelijke doelstellingen van stedelijke
vernieuwing voldoende zijn onderbouwd en worden weergegeven in
termen van toetsbare resultaten,
b. waarin wordt ingegaan op de relatie met stedelijke
vernieuwing die zich niet richt op de fysieke leefomgeving,
c. dat betrekking heeft op het investeringstijdvak en inzicht
geeft in het daaropvolgende tijdvak,
d. dat een financiële paragraaf bevat, die inzicht geeft in de
van stedelijke vernieuwing te verwachten kosten en opbrengsten,
e. dat vermeldt met welk resultaat intergemeentelijke
afstemming van de ontwikkelingsprogramma's heeft plaatsgevonden,
en
f. waarin de in het tweede lid bedoelde landelijke
doelstellingen van stedelijke vernieuwing in acht zijn genomen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de landelijke
doelstellingen van stedelijke vernieuwing vastgesteld en kunnen:
a. nadere regels worden gegeven omtrent de in het eerste en
derde lid gestelde eisen en
b. eisen worden gesteld aan de intergemeentelijke afstemming
van de ontwikkelingsprogramma's.
3. Bij de voorbereiding van het ontwikkelingsprogramma betrekken
burgemeester en wethouders in elk geval:
a. de ingezetenen van de gemeente en degenen die in de gemeente
een belang hebben bij het programma, op de wijze als is voorzien
in de verordening die is vastgesteld krachtens artikel 150 van de
Gemeentewet,
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, indien van
toepassing, die behoren tot dezelfde groep, bedoeld in artikel 6,
derde lid, onder c, als die waartoe de gemeente behoort, dan wel
dezelfde plusregio als waarin de gemeente is gelegen, en
c. burgemeester en wethouders van andere gemeenten wier
belangen hierbij rechtstreeks in het geding zijn.
4. De raad van een gemeente als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
die een meerjarenprogramma voor de onderscheidenlijke uitkeringen van
het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak vaststelt, laat het
ontwikkelingsprogramma daarvan deel uitmaken.
5. In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten
gedurende het investeringstijdvak op aanvraag aan een gemeente, die
niet is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a,
investeringsbudget verlenen ten behoeve van een activiteit in het
kader van de stedelijke vernieuwing, indien de daartoe strekkende
aanvraag vergezeld gaat van een onderbouwing van de voorgenomen
stedelijke vernieuwing, waarin in elk geval een financiële paragraaf
is opgenomen en welke vermeldt met welk resultaat overleg is gevoerd
met betrokken partijen, waaronder, indien van toepassing, mede
begrepen burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot
dezelfde groep, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, als die
waartoe de gemeente behoort, dan wel dezelfde plusregio als waarin de
gemeente is gelegen.
Artikel 8
1.De verlening van investeringsbudget kan geheel of gedeeltelijk
worden geweigerd, indien:
a. de gemeenteraad geen ontwikkelingsprogramma heeft
vastgesteld,
b. het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met de eisen
die zijn gesteld in artikel 7, eerste of derde lid, of
c. het ontwikkelingsprogramma naar het oordeel van Onze
Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten niet verenigbaar is
met de ingevolge artikel 7, tweede lid, gegeven regels.
2.De verlening van investeringsbudget kan tevens geheel of
gedeeltelijk worden geweigerd, indien er gegronde reden bestaat om aan
te nemen, dat:
a. het ontwikkelingsprogramma niet of niet geheel zal worden
verwezenlijkt,
b. de gemeente niet zal voldoen aan de aan het
investeringsbudget verbonden verplichtingen, of
c. de gemeente in het kader van de aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze
gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben
geleid.
3.De verlening van investeringsbudget kan voorts slechts geheel of
gedeeltelijk worden geweigerd, indien:
a. het ontwikkelingsprogramma onvoldoende intergemeentelijk is
afgestemd, of
b. het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met op grond
van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal of
rijksbeleid.
4.Onze Minister gaat onderscheidenlijk gedeputeerde staten gaan
niet over tot weigering van verlening van investeringsbudget dan nadat
de gemeente in de gelegenheid is gesteld het ontwikkelingsprogramma
aan te passen binnen een door Onze Minister onderscheidenlijk
gedeputeerde staten te bepalen termijn.
5.In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten in
geval van een andere gemeente dan aangewezen ingevolge artikel 6,
derde lid, onder a, de verlening van investeringsbudget geheel of
gedeeltelijk weigeren, indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 7,
vijfde lid,
b. de beoogde activiteit in het kader van stedelijke
vernieuwing niet verenigbaar is met de ingevolge artikel 7, tweede
lid, gegeven regels,
c. de beoogde activiteit in het kader van de stedelijke
vernieuwing onvoldoende intergemeentelijk is afgestemd, of
d. de beoogde activiteit in het kader van de stedelijke
vernieuwing niet verenigbaar is met op grond van een wettelijke
bevoegdheid vastgesteld provinciaal of rijksbeleid. Het vierde lid
is van overeenkomstige toepassing.
6.Onze Minister kan de verlening van investeringsbudget geheel of
gedeeltelijk weigeren indien budgettaire omstandigheden daartoe
aanleiding geven.
Artikel 9
1.Aan de verlening van investeringsbudget kunnen verplichtingen
worden verbonden, voorzover de verwezenlijking van het doel van het
investeringsbudget dit vordert. De verplichtingen kunnen slechts
betrekking hebben op aangelegenheden ten aanzien waarvan Onze Minister
onderscheidenlijk gedeputeerde staten op grond van een wettelijk
voorschrift bevoegdheid hebben.
2.Aan de verlening van investeringsbudget is in elk geval de
verplichting verbonden dat:
a. indien de ingevolge artikel 7, tweede lid, vastgestelde
landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing gedurende het
investeringstijdvak worden gewijzigd, het ontwikkelingsprogramma
voorzover mogelijk hieraan wordt aangepast, en
b. indien een gemeentelijke beleidswijziging leidt tot
wijziging van de gemeentelijke doelstellingen van stedelijke
vernieuwing gedurende het investeringstijdvak, het
ontwikkelingsprogramma slechts wordt aangepast na instemming van
Onze Minister, gehoord gedeputeerde staten, dan wel, indien van
toepassing, het dagelijks bestuur van de plusregio,
onderscheidenlijk na instemming van gedeputeerde staten, gehoord,
indien van toepassing, het dagelijks bestuur van de plusregio.
3.De aan de verlening van investeringsbudget verbonden
verplichtingen kunnen na die verlening worden uitgewerkt, voorzover de
beschikking tot verlening dit vermeldt.
Artikel 10
1.Zolang het investeringsbudget niet is vastgesteld, kan Onze
Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten, indien ten
minste twee jaren van het investeringstijdvak zijn verstreken, ten
hoogste éénmaal de verlening van investeringsbudget intrekken of ten
nadele van de gemeente wijzigen, indien:
a. de doelstellingen waarvoor investeringsbudget is verleend
kennelijk niet of niet geheel zullen worden verwezenlijkt en dit
de gemeente kan worden toegerekend, of
b. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de verlening van
investeringsbudget verbonden verplichtingen.
2.Zolang het investeringsbudget niet is vastgesteld, kan Onze
Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten de verlening van
investeringsbudget intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen,
indien:
a. verleende voorschotten zijn besteed aan een ander doel dan
stedelijke vernieuwing,
b. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
beschikking op de aanvraag tot verlening van investeringsbudget
zou hebben geleid, of
c. de verlening van investeringsbudget anderszins onjuist was
en de gemeente dit wist of behoorde te weten.
3.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop het investeringsbudget is verleend, tenzij bij de intrekking of
wijziging anders is bepaald.
Artikel 11
1.Een aanvraag tot verlening van investeringsbudget wordt gedaan
door burgemeester en wethouders, gaat vergezeld van het
ontwikkelingsprogramma en wordt ingediend:
a. indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, bij Onze Minister en
b. indien het een gemeente betreft die is aangewezen ingevolge
artikel 6, derde lid, onder a, bij gedeputeerde staten.
2.Indien een aanvraag tot verlening van de onderscheidenlijke
uitkeringen van het Grotestedenbeleid bij Onze Minister belast met de
coördinatie van het Grotestedenbeleid wordt ingediend, wordt, in
afwijking van het eerste lid, die aanvraag mede aangemerkt als een
aanvraag tot verlening van investeringsbudget.
3.De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 15 november van het jaar
dat voorafgaat aan het investeringstijdvak, indien het een gemeente
betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en uiterlijk op 15
februari van het eerste jaar van het investeringstijdvak, indien het
een gemeente betreft die is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid,
onder a. Indien in een bepaald geval het wegens overschrijding van de
indieningstermijn buiten behandeling laten van een aanvraag zou leiden
tot onbillijkheden van overwegende aard, kan Onze Minister
onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten besluiten de aanvraag
alsnog te behandelen. In dat geval kan een lager investeringsbudget
worden verleend dan het bedrag dat op grond van artikel 6, eerste of
derde lid, voor de betrokken gemeente als investeringsbudget is
geïndiceerd.
4.Onze Minister, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, beslissen
op een aanvraag binnen acht weken na de dag waarop die aanvraag door
Onze Minister, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, dan wel waarop
de aanvraag tot verlening van de onderscheidenlijke uitkeringen van
het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak door Onze Minister
belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid, is ontvangen.
Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd.
5.Onze Minister beslist niet op de aanvraag van een gemeente
waaraan hij investeringsbudget kan verlenen dan nadat hij gedeputeerde
staten van de betrokken provincie gedurende ten minste vier weken in
de gelegenheid heeft gesteld hem van advies te dienen ten aanzien van
in elk geval:
a. de intergemeentelijke afstemming van het
ontwikkelingsprogramma, met dien verstande dat het advies geen
betrekking heeft op de intergemeentelijke afstemming van een
ontwikkelingsprogramma van een gemeente die is gelegen in een
plusregio, en
b. de verenigbaarheid van het ontwikkelingsprogramma met op
grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal
beleid.
6.Onze Minister beslist niet op de aanvraag van een gemeente
waaraan hij investeringsbudget kan verlenen en die is gelegen in een
plusregio, dan nadat hij het dagelijks bestuur van de betreffende
plusregio gedurende ten minste vier weken in de gelegenheid heeft
gesteld hem van advies te dienen ten aanzien van de intergemeentelijke
afstemming van het ontwikkelingsprogramma.
7.Gedeputeerde staten beslissen niet op de aanvraag van een
gemeente waaraan zij investeringsbudget kunnen verlenen en die is
gelegen in een plusregio, dan nadat zij het dagelijks bestuur van de
betreffende plusregio gedurende ten minste vier weken in de
gelegenheid hebben gesteld hen van advies te dienen ten aanzien van de
intergemeentelijke afstemming van het ontwikkelingsprogramma of de
activiteit in het kader van de stedelijke vernieuwing, bedoeld in
artikel 7, vijfde lid.
Artikel 12
1. Onze Minister verleent gedurende het investeringstijdvak per
jaar een voorschot aan de provincies en de gemeenten waaraan hij
investeringsbudget heeft verleend.
2. Gedeputeerde staten verlenen gedurende het investeringstijdvak
per jaar een voorschot aan de gemeenten die zijn aangewezen ingevolge
artikel 6, derde lid, onder a, en waaraan zij investeringsbudget
hebben verleend.
3. Indien budgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan
de verlening van voorschot in afwijking van het eerste en tweede lid
plaatsvinden over zeven kalenderjaren, waarbij over de uitgestelde
betalingen van voorschotten geen rente wordt vergoed.
§ 3.3. Vaststelling van investeringsbudget
Artikel 13
1.Burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan
investeringsbudget is verleend, dienen uiterlijk op de 15e juli
volgende op de afloop van het investeringstijdvak een aanvraag in tot
vaststelling van het investeringsbudget bij Onze Minister, indien het
een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of bij
gedeputeerde staten, indien het een gemeente betreft als bedoeld in
artikel 5, derde lid.
2.Bij de aanvraag wordt verantwoordingsinformatie over de besteding
van de verleende voorschotten gevoegd, alsmede een vergelijking van de
in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke doelstellingen
van stedelijke vernieuwing, dan wel, indien het een gemeente betreft
als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de in de aanvraag opgenomen
onderbouwing van de activiteit in het kader van de stedelijke
vernieuwing, en de aan het investeringsbudget verbonden verplichtingen
met de bereikte resultaten en een toelichting van de verschillen. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de
verantwoordingsinformatie en de vergelijking, bedoeld in dit
artikellid.
3.Indien een aanvraag tot vaststelling van de onderscheidenlijke
uitkeringen van het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak bij
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, die aanvraag mede
aangemerkt als een aanvraag tot vaststelling van het
investeringsbudget.
4.De verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, maakt,
indien van toepassing, deel uit van de verantwoordingsinformatie die
bij de bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
ingediende aanvraag is gevoegd.
5.Gedeputeerde staten vatten ten aanzien van gemeenten waaraan zij
investeringsbudget hebben verleend, de bevindingen samen die zij
hebben verkregen uit de stukken, bedoeld in het eerste en tweede dan
wel zesde lid, en dienen deze samenvatting, vergezeld van die stukken,
in bij Onze Minister uiterlijk op de 31e december volgende op de
afloop van het investeringstijdvak.
6.Indien het investeringsbudget betreft ter tegemoetkoming in de
kosten van de uitvoering van een activiteit in het kader van
stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, en
voornoemde activiteit aan het einde van het investeringstijdvak niet
is verwezenlijkt, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid dat:
a. burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente
uiterlijk op de in het eerste lid bedoelde datum aan gedeputeerde
staten een verklaring overleggen omtrent de reden van het niet
verwezenlijken van voornoemde activiteit;
b. zij een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget
indienen tegelijk met de eerstvolgende indiening van de
jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 198, eerste
lid, van de Gemeentewet, na verwezenlijking van voornoemde
activiteit, onder overlegging van de in het tweede lid bedoelde
bescheiden.
Artikel 14
1. Onze Minister stelt onderscheidenlijk gedeputeerde staten
stellen binnen vier maanden na de indieningstermijn genoemd in artikel
13, eerste of zesde lid, het bedrag van het investeringsbudget vast.
Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste twee maanden worden verlengd.
Het bedrag van het investeringsbudget wordt vastgesteld op het bedrag
van het verleende investeringsbudget, indien geen van de in artikel
10, eerste en tweede lid, bedoelde omstandigheden zich voordoet.
2. Het investeringsbudget wordt overeenkomstig de vaststelling
ervan betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.
Artikel 15
1.Indien de in artikel 13, eerste of zesde lid, bedoelde termijn
voor indiening van de aanvraag om vaststelling van het
investeringsbudget is verstreken zonder dat een aanvraag is ingediend,
kan het investeringsbudget ambtshalve worden vastgesteld.
2.Onze Minister gaat onderscheidenlijk gedeputeerde staten gaan
niet over tot ambtshalve vaststelling dan nadat de gemeente in de
gelegenheid is gesteld een aanvraag in te dienen binnen een door Onze
Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten te bepalen termijn.
Artikel 16
1.Onze Minister kan onderscheidenlijk gedeputeerde staten kunnen
jegens de betrokken gemeente verplichtingen verbinden aan
investeringsbudget dat voor het op dat moment lopende
investeringstijdvak wordt of is verleend, indien met betrekking tot
het afgelopen investeringstijdvak:
a. de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke
doelstellingen van stedelijke vernieuwing naar het oordeel van
Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten onvoldoende
zijn bereikt en dit de gemeente kan worden toegerekend,
b. de activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing,
bedoeld in artikel 7, vijfde lid, naar het oordeel van
gedeputeerde staten niet of niet geheel heeft plaatsgevonden en
dit de gemeente kan worden toegerekend,
c. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de verlening van
investeringsbudget verbonden verplichtingen,
d. de verleende voorschotten door de gemeente zijn besteed aan
een ander doel dan stedelijke vernieuwing, of
e. de aanvraag tot vaststelling van investeringsbudget niet of
niet tijdig is ingediend.
2.Indien naar het oordeel van Onze Minister onderscheidenlijk
gedeputeerde staten genoegzaam vaststaat dat met de in het eerste lid
bedoelde verplichtingen niet kan worden volstaan, dan wel van het
opleggen daarvan in redelijkheid onvoldoende resultaat kan worden
verwacht, kan het investeringsbudget over het afgelopen
investeringstijdvak, zo nodig ambtshalve, lager worden vastgesteld dan
het voor dat tijdvak verleende investeringsbudget. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de
berekening van de hoogte van het bedrag waarmee het investeringsbudget
lager wordt vastgesteld.
3.Onze Minister kan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten kunnen,
ten onrechte betaalde bedragen aan investeringsbudget en voorschotten
van een gemeente terugvorderen voorzover na de dag waarop het
investeringsbudget is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.
Bij de terugvordering kan worden bepaald dat over die bedragen een
rentevergoeding verschuldigd is.
§ 3.4. Overige bepalingen
Artikel 16a
1.Gedeputeerde staten dienen uiterlijk op de 15e juli van het
tweede jaar volgende op de afloop van het investeringstijdvak de
verantwoordingsinformatie over de verdeling van het provinciaal budget
bij Onze Minister in.
2.De verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, maakt,
indien van toepassing, deel uit van de verantwoordingsinformatie die
bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
ingediend.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven
omtrent de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17
1.Onze Minister kan een provincie een aanwijzing geven, indien:
a. de verdeling van de door haar verkregen middelen ten behoeve
van het aan gemeenten te verlenen investeringsbudget, of
b. de wijze van beoordeling van de aanvragen om
investeringsbudget van de gemeenten
naar zijn oordeel niet verenigbaar is met de bij of krachtens
deze wet gegeven regels.
2.Onze Minister kan een provincie tevens een aanwijzing geven,
indien het provinciale budget niet is besteed ten behoeve van
verlening van investeringsbudget.
3.Indien naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam vaststaat
dat met het geven van een aanwijzing niet kan worden volstaan, dan wel
dat daarvan in redelijkheid onvoldoende resultaat kan worden verwacht,
kan hij het door hem aan de provincie ter beschikking gestelde budget
geheel of gedeeltelijk terugvorderen voorzover na de dag waarop de
betrokken verantwoordingsinformatie is ingediend nog geen vijf jaren
zijn verstreken.
Artikel 18
1.Indien het bedrag dat uit 's Rijks kas beschikbaar is voor
investeringsbudget gedurende het investeringstijdvak wordt verhoogd,
kan Onze Minister een aanvullend investeringsbudget onderscheidenlijk
aanvullende middelen voor investeringsbudget verstrekken volgens
regels die worden gegeven bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 6, 7, 9 en 11.
2.Indien gedurende een investeringstijdvak een gemeente als bedoeld
in artikel 5, derde lid, wordt aangewezen als een gemeente als bedoeld
in het tweede lid van dat artikel, kan Onze Minister die gemeente
investeringsbudget verstrekken volgens regels die worden gegeven bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur, waarbij zo nodig kan
worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 6,
7, 11 en 12.
3.In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wijzigt Onze Minister
het bedrag van het reeds voor het betrokken investeringstijdvak aan de
betrokken provincie verleende investeringsbudget ten nadele van die
provincie tot ten hoogste het bedrag van het reeds door gedeputeerde
staten van die provincie aan de betrokken gemeente verleende
investeringsbudget en wijzigen gedeputeerde staten van die provincie
de verlening van investeringsbudget aan die gemeente ten nadele van
die gemeente met hetzelfde bedrag. De door Onze Minister reeds aan de
betrokken provincie en de door die provincie reeds aan de betrokken
gemeente bij wijze van voorschot betaalde bedragen aan
investeringsbudget worden onderling verrekend.
Hoofdstuk 4. Andere subsidies dan investeringsbudget
§ 4.1. Innovatiebudget
Artikel 19
1.Onze Minister kan ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen
in de stedelijke vernieuwing volgens bij algemene maatregel van
bestuur gegeven regels subsidie verstrekken.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ieder jaar
subsidieplafonds worden vastgesteld voor de verschillende activiteiten
waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Daarbij wordt de wijze van
verdeling van het beschikbare bedrag bepaald.
§ 4.2. Tijdelijke stimuleringsregelingen
Artikel 20
1. Onze Minister kan bij wijze van uitzonderlijke en tijdelijke
stimulans subsidie verstrekken voor activiteiten op het gebied van de
stedelijke vernieuwing volgens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur of, indien spoed vereist is, bij ministeriële regeling
gegeven regels.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of, indien spoed
vereist is, bij ministeriële regeling kunnen ieder jaar
subsidieplafonds worden vastgesteld voor de verschillende activiteiten
waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Daarbij wordt de wijze van
verdeling van het beschikbare bedrag bepaald.
§ 4.3. Maximum van andere subsidies dan investeringsbudget
Artikel 21
Het totaal van de in dit hoofdstuk genoemde subsidies dat uit 's
Rijks kas beschikbaar is voor een tijdvak van vijf kalenderjaren dat
samenvalt met een investeringstijdvak, beloopt ten hoogste tien procent
van het bedrag dat uit 's Rijks kas beschikbaar is voor
investeringsbudget in dat tijdvak.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Artikel 22
1.De verlening van investeringsbudget of andere subsidie op grond
van deze wet kan worden ingetrokken of gewijzigd wegens strijd met een
uit een verdrag voor de staat voortvloeiende verplichting. Bij de
intrekking of wijziging kan worden bepaald, dat over ten onrechte
betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.
2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging
anders is bepaald.
Artikel 23
1.Desgevraagd verstrekken burgemeester en wethouders Onze Minister
gegevens over de uitvoering van deze wet en geven hem inzage in de
desbetreffende stukken.
2.Burgemeester en wethouders verlenen op verzoek van Onze Minister
medewerking aan openbaarmaking van de resultaten van de stedelijke
vernieuwing.
3.Het eerste en tweede lid zijn, jegens gedeputeerde staten, van
overeenkomstige toepassing op burgemeester en wethouders van gemeenten
waaraan gedeputeerde staten investeringsbudget hebben verleend.
4.Het eerste en tweede lid zijn, jegens Onze Minister, van
overeenkomstige toepassing op gedeputeerde staten.
5.De financiële gevolgen van de informatieverstrekking, bedoeld in
het eerste lid, worden niet gecompenseerd.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de informatievoorziening.
Artikel 24
1.Na afloop van een investeringstijdvak doet Onze Minister verslag
aan de Staten-Generaal over de toepassing en de effecten van deze wet.
2.Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, alsmede het
dagelijks bestuur van een plusregio, verlenen desgevraagd medewerking
aan het door Onze Minister uit te brengen verslag.
Artikel 25
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn belast:
a. in het gehele Rijk: de bij besluit van Onze Minister aan te
wijzen rijksambtenaren,
b. in een provincie: de door de Commissaris van de Koning aan te
wijzen personen.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 26
1.De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur, met
uitzondering van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
5, tweede lid, treden niet eerder in werking dan acht weken na de
dagtekening van het Staatsblad waarin de desbetreffende besluiten zijn
geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de Staten-Generaal
mededeling gedaan.
2.Een krachtens artikel 5, tweede lid, vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal
overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat acht weken
na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt
vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers
of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van
een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van
de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval
wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk
ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een
van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet
aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 27
Deze wet treedt in werking op een bij de wet te bepalen tijdstip.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet stedelijke vernieuwing.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 november 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.W. Remkes
Uitgegeven de dertigste november 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|