WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Staat der Nederlanden overgaat tot medeoprichting van de Stichting
Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, waarin de
vermogensbestanddelen van de Staat die worden toegerekend aan het
Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken worden ingebracht, voor welke medeoprichting
ingevolge artikel 29 van de Comptabiliteitswet machtiging bij wet is
vereist;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. Stichting CAOP: de stichting, bedoeld in artikel 2;
c. overgangsdatum: datum van oprichting van de Stichting CAOP;
d. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in
dienst is bij het Centrum voor Arbeidsverhoudingen
Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, hetzij
als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd namens de Staat der
Nederlanden over te gaan tot medeoprichting van de Stichting Centrum
voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, welke stichting tot doel
zal hebben diensten te verlenen ter ondersteuning van adviesorganen,
beroeps- en bezwarencommissies alsmede andere instanties, hieronder
begrepen privaatrechtelijk vormgegeven rechtspersonen, waaraan door de
overheid taken zijn opgedragen, of welke een bijzonder orgaan van
overleg zijn, op het gebied van aangelegenheden die de rechtspositie,
arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhouding van het overheidspersoneel
betreffen, dan wel welke een arbitrerende functie hebben in geschillen
inzake aangelegenheden die op dit gebied betrekking hebben, dit alles
in de ruimste zin des woords. Voorts heeft de stichting ten doel
documentatie en informatie te verzamelen over onderwerpen die
betrekking hebben op het gebied waarop zij werkzaam is en daarover
publieks- en persvoorlichting te verzorgen.
2. Een besluit van het bestuur van de Stichting CAOP strekkende
tot wijziging van het doel van de Stichting, dan wel tot ontbinding van
de Stichting, behoeft de toestemming van Onze Minister.
Artikel 3
1. De vermogensbestanddelen van de Staat welke aan het Centrum
voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken worden toegerekend gaan op de overgangsdatum onder
algemene titel over op de Stichting CAOP.
2. Onze Minister kan bepaalde vermogensbestanddelen van de in het
eerste lid bedoelde overgang uitzonderen.
3. Onze Minister van Financiën doet van de in het eerste lid
bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant of een
accountant die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 70b,
eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de
Registeraccountants, een verklaring opstellen, die door de Stichting
CAOP wordt neergelegd ten kantore van het handelsregister van de plaats
waar zij volgens haar statuten haar zetel heeft.
4. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld,
zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De
daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van
Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
Artikel 4
1. Ieder personeelslid ten aanzien van wie Onze Minister niet
anders heeft beslist, gaat over in dienst van de Stichting CAOP op een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande de overgangsdatum.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd, tenzij het
personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of
werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In
laatstgenoemde gevallen geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet
verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in
dienst van het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger
zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn
dienstverband bij het Centrum voor Arbeidsverhoudingen
Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onze
Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na het in werking treden van deze wet kan het
personeelslid Onze Minister mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de
overgang in dienst bij de Stichting CAOP. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld over het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister
beslist op de bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel
of gedeeltelijk gegrond verklaart kan hij, in afwijking van het eerste
lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de
Stichting CAOP, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de
Stichting CAOP aanbieden waarvan de inhoud in overeenstemming is met
zijn beslissing op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist
op de bezwaren van het personeelslid, als bedoeld in het vijfde en zesde
lid, komt in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum met hem
geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de
bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de
bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op
de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst
tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van
Onze Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een
arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP tegen zijn wil is. Indien deze
verklaring geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van
het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de Stichting CAOP, wordt
de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht ontbonden. Het in dit
lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met
inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het
personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting CAOP, dan wel de
Stichting CAOP verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan
te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing.
In het laatst bedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op
de eerste dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de
Stichting CAOP is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit
de rijksdienst.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn
bezwaren na de overgangsdatum bij de Stichting CAOP in dienst treedt,
zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben
gehad indien hij op de overgangsdatum zou zijn overgegaan in dienst van
de Stichting CAOP.
Artikel 5
1. Met ingang van de overgangsdatum, verkrijgt een
personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
4, eerste lid, tot stand is gekomen, ter zake van de ouderdoms- en
nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door de
Stichting CAOP aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder b, dan wel c, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet, die gelijkwaardig zijn aan die welke het
personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan
de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en neemt de aangewezen
instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
2. De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door de
Stichting CAOP op de overgangsdatum aangewezen.
3. De aanspraken ter zake van ouderdom en overlijden die een
personeelslid als bedoeld in het eerste lid toekomen krachtens de
Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit voortvloeiende
verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit
personeelslid vervallen op de overgangsdatum.
4. Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken die door
een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend
hadden kunnen worden gemaakt.
5. Het eerste, derde en vierde lid is van overeenkomstige
toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 4, zevende tot
en met het tiende lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij de
Stichting CAOP, met dien verstande dat bedoelde aanspraken ontstaan
onderscheidenlijk vervallen op de dag waarop dit personeelslid in dienst
treedt bij de Stichting CAOP.
6. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
aan de in het eerste en tweede lid bedoelde instelling een deel van het
vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de
overdrachtssom wordt bepaald op grond van de aanspraken op
ouderdomspensioen die krachtens de Algemeen burgerlijke pensioenwet ten
behoeve van een personeelslid zijn opgebouwd tot en met de dag
voorafgaande aan de datum van een indiensttreding bij de Stichting CAOP.
Het andere deel van de totale overdrachtssom bestaat uit een aan
bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor
nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve, een en ander volgens
een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen
opgebouwde-aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft
eenzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds achterblijvende vermogen.
7. In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de
overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat voorafgaand
aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken ongeschikt is
verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een percentage van
het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat personeelslid
berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn resterende
arbeidsgeschiktheid.
8. Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens
het uitgetreden personeelslid krachtens het derde lid en van de
waardeoverdracht krachtens het zesde lid, maakt het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds een berekening van de waardeoverdracht indien deze
gebaseerd zou zijn op de methode lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de
datum van indiensttreding een evenwichtige lasten- en batenbalans
opgesteld voor dit personeelslid. Als basisbijdragepercentage wordt op
deze balans het percentage aangehouden dat in de toekomst nodig is om de
nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de
Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te
houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het
percentage gebruikt dat nodig is om de lasten- en batenbalans van het
fonds in evenwicht te brengen.
9. Het verschil tussen de waardeoverdracht krachtens het zesde
lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het achtste lid wordt
verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en Onze Minister.
Artikel 6
1. Ter zake van de verkrijging van de vermogensbestanddelen van
de Staat, bedoeld in artikel 3, en de vermogensoverdracht van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan de door de Stichting CAOP
aangewezen instelling als bedoeld in artikel 5, zesde lid, blijft
heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
2. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt op de
openingsbalans van de Stichting CAOP geen goodwill opgevoerd inzake de
in artikel 3 bedoelde vermogensbestanddelen.
3. Ten aanzien van de overgang van de in artikel 3 bedoelde
vermogensbestanddelen van de Staat op de Stichting CAOP vindt in
afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 artikel 11 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 geen toepassing.
Artikel 7
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Stichting CAOP.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 september 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de eerste november 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager