WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tot
verzelfstandiging van de Nederlandse Staatsloterij over te gaan, daartoe
de Wet op de kansspelen te wijzigen en de Minister van Financiën te
machtigen tot de oprichting van een stichting waaraan de organisatie van
de Staatsloterij kan worden opgedragen en waarin de
vermogensbestanddelen van de Staat, welke kunnen worden toegerekend aan
de Directie der Staatsloterij, worden ingebracht, dat voor de oprichting
van deze stichting op grond van artikel 40 van de Comptabiliteitswet
1976 (Stb. 1976, 671) een wettelijke machtiging vereist is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. de stichting: de Stichting Exploitatie Nederlandse
Staatsloterij, bedoeld in artikel 2;
c. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de stichting;
d. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in
dienst is bij het Ministerie van Financiën, de Directie der
Staatsloterij, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht, met uitzondering van de in artikel 10
bedoelde personen.
Hoofdstuk 2. Machtiging
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden op te richten de Stichting Exploitatie Nederlandse
Staatsloterij.
2. De in het eerste lid bedoelde stichting heeft, voorzover dit
haar ingevolge de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is
toegestaan, tot doel het organiseren van de Staatsloterij, het
organiseren en houden van andere kansspelen, het verlenen van diensten
aan derden bij de organisatie van kansspelen en het in samenwerking met
derden organiseren van kansspelen, alsmede al hetgeen met het
vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
Artikel 3
1. Onze Minister bepaalt welke vermogensbestanddelen aan de
Directie der Staatsloterij worden toegerekend. Deze
vermogensbestanddelen gaan op de overgangsdatum onder algemene titel
over op de stichting zonder dat daarvoor een nadere akte of betekening
wordt gevorderd.
2. Onze Minister doet van de in het eerste lid bedoelde
vermogensbestanddelen door een registeraccountant of een accountant die
een vergunning heeft als bedoeld in artikel 70b, eerste lid,
onder b, van de Wet op de Registeraccountants (Stb. 1962,
258), een verklaring opstellen, die door de stichting wordt nedergelegd
ten kantore van het handelsregister van de plaats waar zij volgens haar
statuten haar zetel heeft.
Artikel 4
Met betrekking tot de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld,
veranderen de bewaarders van de desbetreffende registers de
tenaamstelling in die registers. Onze Minister draagt de zorg voor de
daartoe nodige opgaven aan de bewaarders van de desbetreffende
registers.
Artikel 5
1. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
2. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt op de
openingsbalans van de stichting geen goodwill opgevoerd met betrekking
tot de in artikel 3 bedoelde vermogensbestanddelen.
3. Met betrekking tot de overgang van de in artikel 3 bedoelde
vermogensbestanddelen van de Staat op de stichting vindt in afwijking
van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen toepassing.
Artikel 6
Onverminderd andere wettelijke bepalingen inzake de netto-opbrengsten
uit de staatsloterij wordt een door Onze Minister te bepalen deel van
het anders dan uit de organisatie van de staatsloterij verkregen
positieve bedrijfsresultaat na aftrek van belastingen aan de Staat
afgedragen.
Artikel 7
Artikel 285, derde lid, Boek 2 Burgerlijk Wetboek is niet van
toepassing op de stichting.
Hoofdstuk 3. Personeel
Artikel 8
1. Ieder personeelslid heeft op de overgangsdatum het recht in
dienst te treden bij de stichting op een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht ingaande op de overgangsdatum.
2. Een arbeidsovereenkomst als in het eerste lid bedoeld, geldt
voor onbepaalde tijd indien het personeelslid was aangesteld in vaste
dienst, dan wel werkzaam was voor onbepaalde tijd op
arbeidsovereenkomst.
3. De arbeidsovereenkomst geldt voor de niet verstreken tijd van
de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst, indien het personeelslid
was aangesteld of werkzaam was op een arbeidsovereenkomst voor een
bepaalde tijd.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk
overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in
dienst van het Ministerie van Financiën, Directie der Staatsloterij,
behoudens ten aanzien van enkele nader door Onze Minister te bepalen
functies.
5. Het arbeidsvoorwaardenpakket zal in het algemeen niet
ongunstiger zijn dan dat wat gold voor het personeelslid uit hoofde van
zijn dienstbetrekking bij het Ministerie van Financiën.
6. De stichting is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te gaan
zonder nadere selectie of keuring.
7. Het personeelslid is door het tot stand komen van de
arbeidsovereenkomst van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van
het Ministerie van Financiën.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde
in dit artikel.
Artikel 9
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt het in artikel 8,
zevende lid, bedoelde personeelslid jegens de aan te wijzen
instelling, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b of c
, of artikel 2, vierde lid, onder B of C van de Pensioen- en
Spaarfondsenwet 1952 (Stb. 275) aanspraken die in totaliteit
gelijkwaardig zijn aan die welke het personeelslid op bedoeld tijdstip
krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540)
heeft.
2. De aanspraken die een personeelslid op wie het eerste lid van
toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet,
met uitzondering van de aanspraken die voor de overgangsdatum geldend
zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op de
overgangsdatum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid.
3. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt
aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen
van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. De overdrachtssom wordt
bepaald op basis van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de
Algemeen burgerlijke pensioenwet ten behoeve van de in het eerste lid
bedoelde personeelsleden zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande
aan de overgangsdatum. In de totale overdrachtssom zijn voorts tenminste
een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor
nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander
volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen
opgebouwde aansprakenbalans. Het over te dragen vermogen heeft hetzelfde
rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
achterblijvende vermogen.
4. Ten behoeve van de berekening van het effect voor het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens
de uitgetreden personeelsleden krachtens het tweede lid en van de
waarde-overdracht krachtens het derde lid, maakt het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze
gebaseerd zou zijn op lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de dag
voorafgaande aan de overgangsdatum een evenwichtige
lasten-en-batenbalans opgesteld voor deze groep personeelsleden.
Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans ingezet het
percentage dat in de toekomst nodig is om nog op te bouwen rechten van
nieuwe deelgerechtigden in het Algemeen burgerlijk pensioenfonds juist
te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als
inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om
de lasten-en-batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.
5. Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het derde
lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het vierde lid wordt
verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en het Ministerie
van Financiën.
6.
a. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verstrekt
aan een personeelslid als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke
opgave van de uit hoofde van zijn ambtenaarschap opgebouwde aanspraken
ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet en van de desbetreffende
wiskundige reserve. Het desbetreffende personeelslid dient binnen twee
maanden aan het bestuur van het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds
schriftelijk kenbaar te maken of hij met deze opgave instemt. Artikel N
15, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet is van
overeenkomstige toepassing.
b. De opgave van het bestuur van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds als bedoeld onder a is een beslissing als bedoeld
in artikel S 1, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet. De
artikelen S 1 en S 2 van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1. De bevoegdheid tot de verkoop van staatsloten die ingevolge
artikel 11 van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483), zoals
dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, aan een
natuurlijke persoon is verleend, wordt met ingang van de
overgangsdatum ingetrokken
2. De in het eerste lid bedoelde persoon is met ingang van de
overgangsdatum van rechtswege eervol ontslagen uit diens aanstelling als
debitant.
3. De stichting biedt de in het eerste lid bedoelde persoon een
overeenkomst aan om staatsloten aan derden te verkopen.
Hoofdstuk 4. Wijziging van de wet op de kansspelen
Artikel 11
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 12
De beschikking van de Staatssecretaris van Financiën van 11 juli
1973 (Stcrt. 148), het Reglement Collecteurs 1983 (Stcrt.
183), het Reglement Debitanten 1983 (Stcrt. 183), de besluiten
van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 1983 (Stcrt.
42), de kasinstructie Collecteurs 1984, de kasinstructie Debitanten
1984, de regelingen van de Staatssecretaris van Financiën van 29
november 1985 (Stcrt. 233), van 30 januari 1986 (Stcrt.
21), van 15 november 1985 (Stcrt. 232), van 23 februari 1988 (Stcrt.
39) van 22 januari 1990 (Stcrt. 15) respectievelijk van 30 mei
1990 (Stcrt. 107) en de Regeling klachtencommissie Staatsloterij
(Stcrt. 1988, 39) worden ingetrokken.
Artikel 13
Klachten, zoals bedoeld in artikel 7 van de Regeling
klachtencommissie Staatsloterij, ingediend binnen 30 dagen na
inwerkingtreding van deze wet worden behandeld overeenkomstig de voor
die datum geldende voorschriften voor de behandeling van deze klachten.
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 15
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 16
Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 17
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Stichting Exploitatie
Nederlandse Staatsloterij.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 14 mei 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
De Staatssecretaris van Justitie,
A. Kosto
Uitgegeven de twaalfde juni 1992
De Minister van Justitie a.i.,
W. Kok