WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de
Staat overgaat tot mede-oprichting van de Stichting Informatie- en
Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen en dat daartoe
ingevolge artikel 40 van de Comptabiliteitswet 1976 (Stb. 1976, 671)
machtiging bij de wet vereist is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk wordt
gemachtigd mede op te richten de Stichting Informatie- en
Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen, hierna te noemen
de Stichting, waarvan de ontwerp-statuten als bijlage bij deze wet zijn
gevoegd.
Artikel 2
De Stichting heeft het recht de inlichtingen, die zij voor de
vervulling van haar taak behoeft, te vragen aan overheidsorganen en
openbare en particuliere instellingen, een en ander met uitsluiting van
inlichtingen die vertrouwelijke gegevens over personen bevatten.
Artikel 3
Deze wet kan worden aangehaald als Wet Stichting I.C.O.D.O.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 28 september 1983
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de dertiende december 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
Heden, verschenen voor mij notaris ter standplaats in
tegenwoordigheid van na te noemen, mij notaris bekende getuigen:
1. De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk, of de heer/mevrouw blijkens bijzondere schriftelijke volmacht dd.
van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
gemachtigd te dezer zake namens deze op te treden.
2. De heer Cornelis Andries van der Hooft,
(volgen de namen van de vertegenwoordigers van die in het bestuur
deelnemende stichtingen en organisaties).
De comparanten verklaarden bij deze in het leven te roepen de hierna
te noemen Stichting.
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 40 van de
Comptabiliteitswet 1976 is bij wet van (Stb. ) door voornoemde
Staatssecretaris machtiging verkregen om tot mede-oprichting van deze
Stichting over te gaan.
De comparanten verklaren voor de Stichting de hierna volgende
statuten vast te stellen.
Ontwerp-statuten
Naam en zetel
Artikel 1
1. De Stichting draagt de naam: "Stichting Informatie- en
Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen". Zij wordt
in deze statuten verder aangeduid als: de Stichting.
2. De Stichting is gevestigd te Utrecht.
Begripsomschrijving
Artikel 2
In deze statuten wordt verstaan onder
"oorlogsgetroffenen": zij die door of in verband met
gebeurtenissen tijdens of ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog schade
aan hun gezondheid hebben opgelopen, alsmede hun nagelaten betrekkingen.
Hieronder worden niet begrepen zij, die zich daarbij uit Nederlands
nationaal oogpunt beschouwd onwaardig hebben gedragen; de Stichting
heeft geen onderzoeksplicht ter zake;
voorts wordt verstaan onder
"de Ministers": de Minister van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk, van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van
Defensie.
Doel en taken van de stichting
Artikel 3
1. De Stichting heeft ten doel:
a. het bevorderen van de doeltreffendheid van de dienstverlening
aan oorlogsgetroffenen en het coördineren van die dienstverlening;
b. het verstrekken van informatie omtrent wetten, regelingen en
procedures, die voor oorlogsgetroffenen van belang zijn, als ook
omtrent hulpverleningsmogelijkheden.
2. De Stichting tracht haar doel te bereiken onder meer door middel
van:
a. het bevorderen van de deskundigheid in de dienstverlening en
het wetenschappelijk onderzoek in het belang van de
oorlogsgetroffenen, het behartigen van de voorlichting aan
instellingen, doelgroepen en de samenleving, en het verstrekken van
informatie aan oorlogsgetroffenen, hulpverleners, hulpverlenende
instellingen en andere personen of instanties;
b. het desgevraagd bemiddelen tussen oorlogsgetroffenen en
hulpverleners;
c. het uitbrengen van advies binnen haar werkterrein aan
overheden, hulpverleningsorganisaties, andere organisaties en
individuele hulpverleners na raadpleging van de natuurlijke of
rechtspersoon op wie het advies betrekking heeft.
3. De Stichting neemt alle rechten en verplichtingen over van de
voormalige te Utrecht gevestigde "Stichting Voorlopig ICODO",
waarin is geïntegreerd de Stichting Informatiecentrum voor door de
Oorlog Getroffenen.
4. De Stichting zal zelf geen rechtstreekse procesmatige hulp
verlenen.
5. De Stichting zal niet treden in de taken en doelstellingen van de
instellingen en instanties, welke betrokken zijn bij de hulpverlening
aan oorlogsgetroffenen en bij de uitvoering van de vigerende wetten en
regelingen die van toepassing zijn op oorlogsgetroffenen.
Bestuur
Artikel 4
1. De Stichting wordt bestuurd door een bestuur, waarvan de leden
door de Ministers worden benoemd, geschorst en ontslagen, te weten:
- een onafhankelijk voorzitter, tevens lid;
vier. onafhankelijke leden die geacht kunnen worden deskundig te
zijn op medisch, psycho-therapeutisch, sociaal of sociaal-cultureel,
dan wel bestuurlijk gebied;
- een lid op voordracht van en bij voorkeur uit het bestuur van
respectievelijk:
de Stichting 1940-1945;
de Stichting Joods Maatschappelijk Werk;
de Stichting Pelita;
de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers;
het Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers;
de Nederlandse Vereniging voor Ambulante Geestelijke
Gezondheidszorg;
de Joint, Landelijke Organisatie voor Maatschappelijke
Dienstverlening;
de Stichting Burger-oorlogsgetroffenen;
- een lid op voordracht van en uit respectievelijk:
de Buitengewone Pensioenraad;
de Uitkeringsraad;
de Raad van Overleg binnen de Stichting 1940-1945.
2. De Ministers gaan niet tot benoeming van de onafhankelijke
voorzitter en de onafhankelijke leden, in het vorige lid bedoeld, over
dan na overleg met het bestuur.
3. De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk wijst
twee vertegenwoordigers en de Minister van Volksgezondheid en
Milieuhygiëne, alsmede de Minister van Defensie wijzen ieder één
vertegenwoordiger aan als adviseurs van het bestuur. Zij kunnen aan de
beraadslagingen van het bestuur deelnemen. Eveneens wijzen deze
Ministers een vaste plaatsvervanger voor elk van hun vertegenwoordigers
aan.
4. De voorzitter en de overige leden van het bestuur worden benoemd
voor een periode van drie jaar; zij zijn terstond herbenoembaar. Bij hun
(her-)benoeming dienen zij de leeftijd van zeventig jaar nog niet te
hebben bereikt. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door het
verstrijken van de zittingsduur, bedanken, overlijden of ontslag.
Een lid benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen
plaats, treedt af op het ogenblik, waarop een lid in wiens plaats hij of
zij is benoemd, had moeten aftreden.
5. Het bestuur kiest uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter
en een penningmeester. De benoeming van de plaatsvervangend voorzitter
behoeft de goedkeuring van de Ministers.
6. Het bestuur kan uit zijn midden een dagelijks bestuur aanwijzen,
indien de noodzaak daartoe aanwezig wordt geacht.
7. De bestuursleden kunnen aan de besluitneming deelnemen zonder
voorafgaande raadpleging van de instelling of instantie door welke zij
zijn voorgedragen.
8. De bestuursleden hebben het recht zich in geval van verhindering
te laten vervangen door een door hen aan te wijzen vaste plaatsvervanger
uit het bestuur van hun organisatie.
9. Het bestuur is bevoegd bestuurscommissies in te stellen ter
voorbereiding en uitvoering van zijn besluiten. Het bestuur is eveneens
bevoegd deskundigen te horen en commissies van deskundigen in te
stellen, waarin tevens een of meer bestuursleden kunnen worden benoemd.
10. De voorzitter of bij diens ontstentenis zijn plaatsvervanger, te
zamen met een door het bestuur aan te wijzen bestuurslid of een voor het
geval van diens ontstentenis door het bestuur aan te wijzen ander
bestuurslid, maar niet het bestuur, vertegenwoordigt de Stichting in en
buiten rechte.
Huishouding
Artikel 5
1. Het bestuur vergadert ten minste vijf maal per jaar en voorts zo
vaak als de voorzitter dit nodig acht, dan wel ten minste drie
bestuursleden zulks onder opgaaf van redenen verlangen.
2. Besluiten kunnen alleen rechtsgeldig genomen worden indien ten
minste de helft van de bestuursleden of hun plaatsvervangers aanwezig
is. Tenzij in deze statuten anders is bepaald, beslist het bestuur bij
gewone meerderheid van uitgebrachte geldige stemmen. Blanco stemmen
worden geacht niet te zijn uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt
een voorstel geacht te zijn verworpen.
3. De voorzitter ontvangt voor zijn werkzaamheden een door de
Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk te bepalen
vergoeding. De overige bestuursleden, hun plaatsvervangers, alsmede de
deskundigen bedoeld in artikel 4, negende lid, ontvangen een vacatiegeld
overeenkomstig de bepalingen van het Vacatiegeldenbesluit 1970 voor het
bijwonen van de vergaderingen van het bestuur en van eventuele
bestuurscommissies.
De voorzitter en de andere bestuursleden, alsmede hun
plaatsvervangers ontvangen vergoeding van kosten overeenkomstig de voor
rijksambtenaren geldende regelen.
4. Voor het verrichten van de dagelijkse werkzaamheden wordt het
bestuur van de Stichting bijgestaan door een bureau onder
verantwoordelijkheid van een direkteur. De direkteur wordt benoemd,
geschorst en ontslagen door het bestuur na instemming van de Minister
van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en is aan het bestuur
verantwoording verschuldigd. Hij behartigt het secretariaat van het
bestuur en heeft in de bestuursvergadering een adviserende stem. Het
bestuur benoemt, schorst en ontslaat de overige medewerkers van het
bureau, de direkteur gehoord.
5. Het bestuur stelt een reglement vast. Daarin worden ten minste
geregeld de bijeenroeping en de orde van de vergaderingen, de gang van
zaken bij stemmingen, de regels voor delegatie en mandaat, de instelling
en werkwijze van een dagelijks bestuur en van commissies en de
instructie voor de direkteur en zijn medewerkers.
6. Het bestuur stelt het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden van
de personeelsleden van het bureau vast. Deze behoeven de goedkeuring van
de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
Bureau
Artikel 6
1. De medewerkers van het bureau worden zoveel mogelijk zodanig
gekozen, dat daarin voldoende deskundigheid aanwezig is op het gebied
van bestuur en recht, van maatschappelijke en therapeutische
begeleiding, van opbouwwerkzaamheden, van voorlichting en scholing, van
documentatie en financieel-economische en organisatorische zaken.
2. Binnen de doelstelling van de Stichting is het bureau belast met:
a. het adviseren in overleg met betrokkenen bij verbetering van
organisatorische structuren van hulpverlenende instellingen, bij
samenwerking tussen die instellingen, bij de inschakeling van de
maatschappelijke dienstverlening, de geestelijke gezondheidszorg en
andere aanverwante instanties, alsmede bij de inschakeling van
vrijwilligersorganisaties;
b. het verzamelen van gegevens van wetstechnische en financiële
aard, van wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaring en van
instellingen en personen, waarop in voorkomende gevallen een beroep
gedaan kan worden;
c. het geven en het bevorderen van algemene en gerichte
voorlichting;
d. het bevorderen van deskundigheid en van wetenschappelijk
onderzoek;
e. het verstrekken van informatie aan belanghebbenden omtrent de
inhoud en procedures van wetten en regelingen voor
oorlogsgetroffenen en van andere wetten en regelingen, die voor
oorlogsgetroffenen van belang zijn, alsmede omtrent instellingen en
personen op het gebied van de hulpverlening, zowel op het materiële
als het immateriële vlak;
f. het desgevraagd bemiddelen tussen hulpvragers en
hulpverleners, indien de hulpvragers zelf de weg niet weten te
vinden of te kennen geven niet in staat te zijn bevredigende
contacten te leggen, voor zover daardoor een eenmaal begonnen proces
van hulpverlening niet geschaad wordt;
g. andere taken, die door het bestuur aan het bureau worden
opgedragen.
Financiën
Artikel 7
1. De middelen van de Stichting bestaan uit overheidssubsidies en
hetgeen de Stichting door erfstelling, legaat, schenking of op enigerlei
andere wijze verkrijgt.
2. Nalatenschappen kunnen uitsluitend onder het voorrecht van
boedelbeschrijving worden aanvaard.
3. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het
kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, na goedkeuring door
de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
4. Jaarlijks wordt vóór één oktober een begroting opgesteld
houdende raming van de inkomsten en uitgaven voor het komende
kalenderjaar. Aanspraak op vergoeding van de uitgaven door het rijk
ontstaat eerst nadat deze begroting door de Minister van Cultuur,
Recreatie en Maatschappelijk Werk is goedgekeurd.
5. Binnen drie maanden na afloop van het boekjaar, dat samenvalt met
het kalenderjaar, wordt door het bestuur een balans, alsmede een
rekening en verantwoording van het in het afgelopen jaar gevoerde
financiële beheer opgemaakt ter vergelijking met de goedgekeurde
begroting.
6. De penningmeester houdt toezicht op het beheer van de financiën.
7. De administratie staat onder controle van het Hoofd van de
Accountantsdienst van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk. Deze kan een door hem ondertekende
accountantsverklaring afgeven houdende goedkeuring van het gevoerde
financiële beheer.
8. De boekhouding van de Stichting wordt ingericht naar het door het
in het zevende lid bedoeld Hoofd te geven aanwijzingen. Het bestuur is
verplicht de in dit artikel genoemde bescheiden tien jaren lang te
bewaren.
Verslag
Artikel 8
Jaarlijks uiterlijk in de maand juni brengt het bestuur aan de
Ministers een verslag uit van de werkzaamheden van de Stichting in het
afgelopen kalenderjaar.
Het verslag is openbaar.
Statuten
Artikel 9
1. Het bestuur kan de statuten wijzigen, mits zulks geschiedt in een
vergadering waarin ten minste drie/vierde van het aantal bestuursleden
of hun plaatsvervangers, onder wie de voorzitter of plaatsvervangend
voorzitter, aanwezig is en met ten minste twee/derde van het aantal
uitgebrachte geldige stemmen.
2. Indien in deze vergadering het vereiste aantal bestuursleden of
hun plaatsvervangers niet aanwezig is, wordt binnen een maand een tweede
vergadering belegd, waarin ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden
of hun plaatsvervangers met ten minste twee/derde van het aantal
uitgebrachte geldige stemmen kan worden besloten.
3. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.
4. Een besluit tot wijziging van de statuten behoeft de goedkeuring
van de Ministers.
Overgangsbepaling
Artikel 10
1. Het bestuur is bevoegd de Stichting te ontbinden. Op een daartoe
te nemen besluit is het bepaalde in artikel 9 ter zake van een besluit
tot wijziging van de statuten van overeenkomstige toepassing.
2. Na ontbinding van de Stichting, conform het vorige lid, zal de
Stichting door het bestuur worden geliquideerd.
De Ministers bepalen welke bestemming, na betaling van alle schulden,
aan een eventueel batig liquidatiesaldo van de Stichting zal worden
gegeven.
3. De Stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan indien en voor
zover dit voor de vereffening van haar zaken nodig is. Gedurende de
vereffening blijven de bepalingen van de statuten voor zoveel mogelijk
en nodig van kracht. Tijdens de laatstbedoelde periode worden in stukken
en aankondigingen, die van de Stichting uitgaan, aan haar naam
toegevoegd de woorden "in liquidatie".
Overgangsbepaling
Artikel 11
In afwijking van het bepaalde in artikel 4, vierde lid, kunnen bij de
eerste benoeming na het verlijden van deze akte voor een periode van
één jaar tot lid van het bestuur worden benoemd personen, die de
leeftijd van zeventig jaar reeds hebben bereikt.
Slotbepaling
Artikel 12
In alle gevallen, waarin de statuten niet voorzien, beslist het
bestuur.
Comparanten zijn mij notaris bekend.
Waarvan akte in minuut is verleden te
op de datum in hoofd dezer akte vermeld, in tegenwoordigheid van
(getuigen).
Vervolgens is deze akte na voorlezing, door de comparanten en mij,
notaris, ondertekend.