| |
|
|
|
|
vorige
WET
STICHTING INDUSTRIEEL GARANTIEFONDS (WSIG)
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2008
Vervallen
m.i.v. 1 april 2008
|
|
WET van 18 juli 1957, houdende oprichting van een stichting ter
bevordering van de voorziening in de behoefte van industriële
ondernemingen aan risicodragend kapitaal
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, dat ten
behoeve van de industrialisatie door het Rijk een stichting wordt
opgericht ter bevordering van de voorziening in de behoefte van in
Nederland gevestigde of te vestigen industriële ondernemingen aan
risicodragend kapitaal;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Onze Minister van Economische Zaken wordt gemachtigd ten
behoeve van de industrialisatie een stichting met een
stichtingskapitaal van dertig millioen gulden in het leven te roepen
overeenkomstig de bij deze wet gevoegde ontwerp-acte van oprichting.
2. Onze genoemde Minister wordt tevens gemachtigd, ter aanvulling
van dit kapitaal, telkens wanneer hij zulks nodig oordeelt, ten laste
van het Rijk bedragen tot een totaal van ten hoogste zeventig millioen
gulden ter beschikking van de stichting te stellen.
Ten minste twee maanden, voordat hij tot het ter beschikking stellen
van een bedrag overgaat, brengt hij zijn voornemen daartoe ter kennis
van de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 2
1. De bedragen, welke de stichting over enig jaar moet betalen:
a. in de vorm van vergoedingen, als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de statuten der stichting,
b. ter zake van beheerskosten, als bedoeld in artikel 6, tweede
lid, onder d, van die statuten,
c. in de vorm van aflossingen van door haar bij derden opgenomen
geldleningen en ter voldoening van renten en andere kosten ter zake
van zodanige geldleningen,
worden zo mogelijk voldaan uit de geldmiddelen van de stichting, als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van haar statuten.
2. Indien deze bedragen over enig jaar niet ten volle
overeenkomstig het eerste lid kunnen worden gedekt, wordt het tekort
door het Rijk aan de stichting voorgeschoten.
3. Indien over enig jaar de som van de aan de stichting
toevloeiende dividendopbrengsten en de bedragen die zij ontvangt als
rente en aflossing ter zake van geldleningen, als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onder e, van haar statuten, de in het eerste lid
bedoelde bedragen overtreft, wordt het batig saldo in de eerste plaats
aangewend tot terugbetaling aan het Rijk van de bedragen, die in dat
jaar of in voorgaande jaren krachtens het tweede lid aan de stichting
zijn voorgeschoten of door het Rijk zijn betaald uit hoofde van voor het
nakomen van verplichtingen van de stichting aan derden verstrekte
garanties.
Artikel 3
Het Rijk is tegenover derden niet aansprakelijk voor andere
geldelijke verplichtingen van de stichting dan die, voor de nakoming
waarvan het garanties heeft verstrekt.
Artikel 4
De bepalingen van de Successiewet (Stb. 1859, 36) zijn ten
aanzien van de stichting niet van toepassing.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 6
Onze Minister van Economische Zaken verleent goedkeuring tot
wijziging van de statuten of tot opheffing van de stichting niet dan na
daartoe bij de wet te zijn gemachtigd.
Artikel 7
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Stichting Industrieel
Garantiefonds.
Artikel 8
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18 juli 1957
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Manshot
De Minister van Financiën,
Hofstra
Uitgegeven de zesde augustus 1957
De Minister van Justitie a.i.,
Struycken
|
|
|