WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Dienst
Landbouwvoorlichting te privatiseren, dat voor deze privatisering een
wettelijke machtiging op grond van artikel 40 van de Comptabiliteitswet
1976 (Stb. 1976, 671) vereist is en dat het daarnaast gewenst is,
enige andere wettelijke regelingen ter zake te treffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij;
b. Dienst Landbouwvoorlichting: dienst van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, ingesteld bij besluit van Onze
Minister van 14 april 1989 (O&E 89/340);
c. stichting: Stichting Landbouwvoorlichting;
d. personeelslid: degene die op de dag voorafgaande aan de
overgangsdatum in dienst is bij de Dienst Landbouwvoorlichting,
hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht;
e. overgangsdatum: door Onze Minister te bepalen datum waarop
ingevolge artikel 5, eerste lid, het personeelslid overgaat in
dienst van de stichting.
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der
Nederlanden op te richten dan wel mede op te richten de Stichting
Landbouwvoorlichting.
2. De stichting heeft tot doel het verbeteren van het
ondernemerschap en van het rendement in technisch-economische zin van
het agrarisch bedrijf ten behoeve van de werkenden op dat bedrijf binnen
de randvoorwaarden van een duurzame, concurrerende en veilige landbouw.
3. De stichting tracht haar doel met name te bereiken door het
verstrekken van technisch-economische voorlichting aan de werkenden in
de primaire sector in de land- en tuinbouw.
Artikel 3
1. Behoudens het bepaalde in artikel 5 gaan de
vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de Dienst
Landbouwvoorlichting worden toegerekend op de datum van oprichting van
de stichting onder algemene titel over op de stichting.
2. Onze Minister kan bepaalde vermogensbestanddelen van de in het
eerste lid bedoelde overgang uitzonderen.
3. Onze Minister doet van de vermogensbestanddelen welke
ingevolge de voorgaande leden overgaan op de stichting door een
registeraccountant of een accountant die een vergunning heeft als
bedoeld in artikel 70b, eerste lid, onder b, van de Wet op
de Registeraccountants (Stb. 1962, 258), een verklaring
opstellen, die door de stichting wordt neergelegd ten kantore van het
register, bedoeld in artikel 289 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4
Bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van
de stichting is het Sociaal Statuut Privatisering Landbouwvoorlichting
van toepassing.
Artikel 5
1. Ieder personeelslid ten aanzien van wie Onze Minister niet
anders heeft beslist gaat over in dienst bij de stichting op een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de
overgangsdatum.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het
personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of
werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de
arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor
bepaalde tijd dan wel de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die overeenkomt met
de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst bij de
Dienst Landbouwvoorlichting.
4. De arbeidsvoorwaarden in hun geheel zullen niet ongunstiger
zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn
dienstverband bij de Dienst Landbouwvoorlichting.
5. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het
personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de
Staat.
6. In afwijking van het eerste lid komt op de overgangsdatum geen
arbeidsovereenkomst tot stand met een personeelslid dat overeenkomstig
door Onze Minister te stellen regels bezwaren heeft ingediend tegen de
overgang in dienst bij de stichting, tenzij het voor de overgangsdatum
de bezwaren heeft ingetrokken. Onze Minister beslist op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren
ongegrond verklaart, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na
de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar maakt dit
niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum
dan wel, indien het einde van die week valt na de overgangsdatum, op de
eerste dag van de volgende maand.
8. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel
of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het
personeelslid niet overgaat in dienst bij de stichting. Indien Onze
Minister niet een zodanige beslissing heeft genomen, komt, tenzij het
personeelslid niet een week na de kennisgeving van de beslissing aan
Onze Minister kenbaar maakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst
tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van die week na
de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand. De inhoud van
die arbeidsovereenkomst is in overeenstemming met de beslissing van Onze
Minister.
9. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de
bezwaren intrekt, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste
dag van de daarop volgende maand.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
ongegrond verklaart, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na
de kennisgeving van de beslissing aan Onze Minister kenbaar maakt dit
niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van
de volgende maand.
11. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren
geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het
personeelslid niet overgaat in dienst bij de stichting dan wel de
stichting verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te
bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing.
Artikel 6
De onder de Dienst Landbouwvoorlichting berustende archiefbescheiden
worden voor een tijdvak van twintig jaar ter beschikking gesteld van de
stichting.
Artikel 7
Ter zake van de verkrijging ingevolge artikel 3 door de stichting van
vermogensbestanddelen van de Staat blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
Artikel 8
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat niet eerder kan worden vastgesteld dan nadat met de bonden
van overheidspersoneel, vertegenwoordigd in de Bijzondere Commissie,
bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb.
1931, 248) overeenstemming is bereikt over de arbeidsvoorwaarden.
Artikel 9
Deze wet kan worden aangehaald als Wet Stichting
Landbouwvoorlichting.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 september 1992
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
Uitgegeven de achtste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin