Nadere regelgeving:
- Besluit studiefinanciering 2000
- Regeling studiefinanciering 2000
WET van 29 juni 2000, houdende
intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging
door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering
2000)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Wet op de studiefinanciering te wijzigen als uitvloeisel
van het regeerakkoord 1998 en van de nota "Flexibele
studiefinanciering; een stelsel dat past"; dat het voorts
wenselijk is de leesbaarheid van de Wet op de
studiefinanciering te vergroten; dat het in verband met
het grote aantal wijzigingen wenselijk is de Wet op de
studiefinanciering in te trekken en te vervangen door een
nieuwe wet;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afsluitend examen:
a. voor wat betreft hoofdstuk 4
het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, alsmede het daarmee overeenkomende examen
van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel
2.13a,
b. voor wat betreft de
hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding
buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14,
bacheloropleiding: opleiding als
bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel
1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft
ondergaan,
belastbaar minimumloon: bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag,
afgeleid van het totaal van het minimumloon en de
minimumvakantiebijslag voor een 23-jarige op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
beroepsonderwijs: opleiding als
bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en als bedoeld in artikel 2.13a,
collegegeldkrediet: lening voor
betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,
debiteur: degene die zich krachtens
artikel 6.2 heeft verplicht tot terugbetaling,
deelnemer: degene die
beroepsonderwijs volgt,
hoger beroepsonderwijs: hoger
beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek,
hoger onderwijs: wetenschappelijk
onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3
en in artikel 2.14,
lening: rentedragende lening die
niet kan worden omgezet in een gift, onverminderd omzetting,
bedoeld in artikel 10.8,
masteropleiding: opleiding als
bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid,
onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel
1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft
ondergaan,
onderwijsnummer: door Onze Minister
uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan
wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
opleiding niveau 1 of 2:
a. assistentopleiding en
basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste
lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, en
b. opleiding buiten Nederland
als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft
vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau
1 of 2,
opleiding niveau 3 of 4:
a. vakopleiding,
middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, en
b. opleiding buiten Nederland
als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft
vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau
3 of 4,
ouder: natuurlijke ouder of
adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
partner: partner als bedoeld in
artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen,
peiljaar: tweede jaar voorafgaand
aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan
wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de
draagkracht in de zin van hoofdstuk 6 wordt vastgesteld,
prestatiebeurs: rentedragende
lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift,
waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening
die niet kan worden omgezet in een gift,
reisproduct: elektronisch product
dat studerenden kunnen laden op een OV-chipkaart wanneer zij
beschikken over reisrecht,
reisrecht: recht om te reizen als
bedoeld in artikel 3.7, eerste lid,
reisvoorziening: voorziening als
bedoeld in artikel 3.7 en paragraaf 3.7,
RSR: Regisseur Studenten Reisrecht,
de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak
heeft de digitale administratie van het reisproduct voor
studerenden op de OV-chipkaart te voeren,
specialistenopleiding:
specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
student: degene die hoger onderwijs
volgt, niet zijnde een extraneus,
studerende: deelnemer of student,
studiefinanciering: door Onze
Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen van een
opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop
uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,
studiefinancieringstijdvak:
kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van
studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze
periode ten minste 1 kalendermaand is,
studiejaar:
1°. in het hoger onderwijs:
tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en
eindigt op 31 augustus daaropvolgend,
2°. in het beroepsonderwijs:
tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en
eindigt op 31 juli daaropvolgend,
studiepunt: eenheid waarin de
studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgedrukt,
thuiswonende studerende: studerende
die niet een uitwonende studerende is,
toetsingsinkomen: inkomen als
bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens
bij de toepassing van de artikelen 3.4 en 3.17, voor
berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
uitwonende studerende: studerende
die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
veronderstelde ouderlijke bijdrage:
bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te
worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt
verminderd,
vervoerbedrijf: rechtspersoon die
op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde
verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht,
voltijdse opleiding: opleiding in
de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, met uitzondering van deeltijds onderwijs,
vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000,
WEB: Wet educatie en
beroepsonderwijs,
wetenschappelijk onderwijs:
wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
wettelijk collegegeld: wettelijk
collegegeld als bedoeld in artikel 7.45 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
WHW: Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek.
2. Onder voltijdse opleiding wordt
mede verstaan een duale opleiding in de zin van de WHW.
Artikel 1.2. Peildatum
Voor de toepassing van het bepaalde
bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag
van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 1.3. Voorwaarden omtrent
aanvraag
Aan welke voorwaarden een aanvraag
moet voldoen, kan bij ministeriële regeling worden bepaald. In
ieder geval wordt daarbij bepaald dat de aanvrager zijn
burgerservicenummer of onderwijsnummer verstrekt.
Artikel 1.4 [Vervallen per
01-09-2005]
Artikel 1.5. Verplichtingen
uitwonende studerende
1. Voor het normbedrag voor een
uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet
aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het
adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de
studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van
hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
staat of staan ingeschreven.
2. Op een studerende die ingevolge
artikel 2.13a of artikel 2.14 in aanmerking komt voor
studiefinanciering is het eerste lid, onderdeel a, niet van
toepassing.
Artikel 1.6 [Vervallen per
01-01-2009]
Artikel 1.7. Gebruik
burgerservicenummer of onderwijsnummer
1. Onze Minister gebruikt het
burgerservicenummer of onderwijsnummer van een studerende of
debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
a. in contacten met die
studerende of debiteur,
b. in contacten met personen en
instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen
van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een
persoonsregistratie,
c. teneinde de gegevens van die
studerende of debiteur te vergelijken met de gegevens die over
hem zijn opgenomen in het basisregister onderwijs, bedoeld in
artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht, voorzover dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en
d. in contacten met de
toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a.
2. Het burgerservicenummer of
onderwijsnummer van de partner of ouder van een studerende of
debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts
worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de
desbetreffende studerende of debiteur, alsmede, voorzover het
betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met
personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het
opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een
persoonsregistratie.
Artikel 1.8. AWIR van toepassing
Op deze wet zijn van toepassing van
de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen:
a. artikel 6,
b. artikel 9, eerste lid, en
c. artikel 10, eerste lid.
Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
Paragraaf 2.1. Algemeen
Artikel 2.1. Reikwijdte en
voorwaarden studiefinanciering
Deze wet regelt de studiefinanciering
en is van toepassing op studerenden die voldoen aan de voorwaarden
inzake:
a. nationaliteit als bedoeld in
artikel 2.2,
b. leeftijd als bedoeld in
artikel 2.3, en
c. onderwijssoort als bedoeld in
de paragrafen 2.2 tot en met 2.4.
Artikel 2.2. Nationaliteit
1. Voor studiefinanciering kan een
studerende in aanmerking komen die:
a. de Nederlandse nationaliteit
bezit,
b. niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein
van de studiefinanciering met een Nederlander wordt
gelijkgesteld, of
c. niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot
een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van
personen die voor het terrein van de studiefinanciering met
Nederlanders worden gelijkgesteld.
2. Onverminderd het eerste lid,
onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van
personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de
kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.
Artikel 2.3. Leeftijd
1. Voor studiefinanciering kan een
deelnemer in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van het
kwartaal waarop hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
2. Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die op de eerste dag van het kwartaal
waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen:
a. jonger is dan 18 jaren: met
ingang van de eerste dag van het daaropvolgende kwartaal, of
b. 18 jaren is of ouder: met
ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger
onderwijs is gaan volgen.
3. Voor studiefinanciering kan een
studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de
leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
4. In afwijking van het derde lid
behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30
jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking
studiefinanciering geniet.
Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
Artikel 2.4. Beroepsonderwijs in
Nederland
Voor studiefinanciering kan een
deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven aan:
a. een instelling als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB, voor zover het een uit
's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of
b. een instelling die ten aanzien
van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 van de WEB bedoelde
recht heeft verkregen.
Artikel 2.5. Aanspraak
1. Een deelnemer heeft geen
aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een
opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12
vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
2. De aanspraak op
studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4,
die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen,
stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling
de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan Onze Minister heeft
medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken
waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
3. De aanspraak op
studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer
de gegevens, bedoeld in artikel 4.19, niet verstrekt. Zolang hij
deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens
geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende
studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert,
herleeft de aanspraak.
Artikel 2.6 [Vervallen per
30-04-2008]
Artikel 2.7. Aanspraak bij einde
studie beroepsonderwijs
1. De aanspraak op
studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de
dag waarop de deelnemer het laatste studiejaar van een opleiding
met goed gevolg heeft afgesloten.
2. Indien de deelnemer aansluitend
aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt,
opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op
studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het
kalenderjaar.
3. Indien de deelnemer na zijn
uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze
opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet
gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn
aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide
opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan.
Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste
opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die
aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.
Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer
Een deelnemer aan een opleiding
niveau 3 of 4 die na 31 juli 2005 voor het eerst studiefinanciering
ontving voor het volgen van beroepsonderwijs, heeft geen aanspraak
op studiefinanciering beroepsonderwijs:
a. indien hij na het verstrijken
van zijn aanspraak op de prestatiebeurs, bedoeld in artikel 4.7,
gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
b. indien er 10 jaren verstreken
zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst
studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is
toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van
de Wet studiefinanciering BES is toegekend voor het volgen van
beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
c. In afwijking van onderdeel b
wordt, indien artikel 4.14, eerste lid, toepassing vindt, de
termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met de
duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
d. In afwijking van onderdeel b
wordt, indien artikel 4.14, tweede lid, toepassing vindt, de
termijn van 10 jaren, genoemd in onderdeel b, verlengd met 5
jaren.
Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
Artikel 2.8. Voltijdse opleidingen
hoger onderwijs aan bekostigde instellingen
1. Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen
van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse
masteropleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool,
opgenomen in de bijlage van de WHW.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de
artikelen 5a.12, eerste, vijfde en zesde lid, 5a.12a, eerste lid,
5a.15, of 6.5, tweede lid, van de WHW.
Artikel 2.9. Voltijdse opleidingen
hoger onderwijs aan aangewezen instellingen
1. Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen
van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse
masteropleiding verzorgd door een rechtspersoon voor hoger
onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de WHW, die
initiële opleidingen verzorgt.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing gedurende de termijn, bedoeld in de
artikelen 5a.12, eerste, vijfde en zesde lid, 5a.12a, eerste lid,
5a.15, of 6.10, derde lid, van de WHW.
Artikel 2.10. Bekostigde voltijdse
kerkelijke opleidingen hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van
een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve
waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een
bijdrage wordt verleend.
Artikel 2.11. Bij amvb aangewezen
hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat
anders dan op grond van de WHW, volledig en rechtstreeks uit de
openbare kas wordt bekostigd.
Artikel 2.12 [Vervallen per
01-09-2007]
Artikel 2.13. Geen aanspraak of geen
aanspraak meer
1. Een student heeft geen aanspraak
op studiefinanciering:
a. indien hij na het
verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs in het
hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
b. indien er 10 jaren
verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het
eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van
hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de Wet
studiefinanciering BES,
c. indien hij is ingeschreven
aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten
hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, of
d. indien hij in het
betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een
tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs
of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van
deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een
ander land wordt verstrekt.
2. De aanspraak van een student die
een opleiding volgt als bedoeld in artikel 2.14vervalt over het
tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld inartikel 9.2,
eerste lid, niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een
studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op
studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij
die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
3. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, wordt, indien artikel 5.16, eerste lid, toepassing
vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid,
onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde
bijzondere omstandigheden.
4. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, wordt, indien artikel 5.16, tweede lid, toepassing
vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid,
onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
Artikel 2.13a. Buitenlandse
opleidingen beroepsonderwijs
1. Voor studiefinanciering kan een
deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen
van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
a. waarvan het niveau en de
kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse
opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend
examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een
opleiding in de zin van de WEB, en
b. die overigens voldoet aan
bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.
2. Onze Minister stelt vast of een
opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het
eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt
aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau
3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1
of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze
vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk
een opleiding niveau 3 of 4.
3. Dit artikel is niet van
toepassing op deelnemers die op grond van artikel 2.2, tweede lid,
slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het
onderwijs ontvangen.
Artikel 2.14. Buitenlandse
opleidingen hoger onderwijs
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die na 31 augustus 2007 zijn ingeschreven
voor het volgen van hoger onderwijs aan een opleiding buiten
Nederland. Dit artikel is niet van toepassing op studenten die op
grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in
de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
2. Voor studiefinanciering kan een
student in aanmerking komen die:
a. is ingeschreven voor het
volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland,
voorzover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding
studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit
van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige
opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor
de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor
overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW,
b. is ingeschreven voor het
volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland die,
onverminderd onderdeel a, overigens voldoet aan bij
ministeriële regeling vastgestelde criteria, en
c. ten minste 3 jaren van de 6
jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in
Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig
verblijf heeft gehad. De periode gedurende welke een student
is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld
onder a, telt niet mee voor de bepaling van de 6 jaren,
bedoeld in de vorige volzin.
3. Onze Minister stelt vast of een
opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het
tweede lid. Indien voor een vergelijkbare opleiding of
vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een
masteropleiding in Nederland de prestatiebeurs voor meer dan 4
jaren wordt verstrekt stelt Onze Minister voor de betreffende
opleiding buiten Nederland de duur van de prestatiebeurs vast op
de duur van de periode gedurende welke studiefinanciering wordt
verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs voor die opleiding in
Nederland. Indien de studielast van een vergelijkbare opleiding of
vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een
masteropleiding in Nederland minder dan 4 jaren betreft, stelt
Onze Minister de studielast van de opleiding buiten Nederland vast
op de studielast van die opleiding in Nederland.
4. Het tweede en derde lid van
artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van
overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde
lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor
de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige
toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse
nationaliteit.
Artikel 2.15. Geen aanspraak
studiefinanciering als deelnemer bij samenloop beroepsonderwijs en
hoger onderwijs
De studerende die lesgeld is
verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en
cursusgeldwet en tevens voor het volgen van hoger onderwijs
aanspraak heeft op studiefinanciering, geldt voor de toekenning van
studiefinanciering niet als deelnemer.
Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift
bij samenloop
1. De deelnemer die na 31 juli 2005
voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst
studiefinanciering ontving en die aanspraak heeft op
studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of
4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding
niveau 1 of 2.
2. De deelnemer die aanspraak heeft
op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten
Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een
opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
3. De deelnemer die voor 1 augustus
2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering
ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op
niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op
studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
4. De deelnemer die voor 1 augustus
2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering
ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een
beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op
studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
Artikel 2.16. Geen aanspraak
beroepsonderwijs na eerdere aanspraak
1. De deelnemer heeft geen
aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2,
indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs voor het volgen van een
opleiding beroepsonderwijs heeft genoten.
2. De studerende heeft geen
aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds
4 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een
opleiding in het hoger onderwijs.
Artikel 2.17. Rechtens ontnomen
vrijheid
1. Een studerende die voor ten
minste één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft,
behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen
in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van
het Wetboek van Strafrecht en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk
VIa, van de Wet op de Jeugdzorg, met ingang van de eerste dag van
de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten
minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op
studiefinanciering voor een thuiswonende studerende.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld,
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn
niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
Paragraaf 3.1. Samenstelling
studiefinanciering
Artikel 3.1. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering bestaat uit
basisbeurs, uit basislening en uit aanvullende beurs of
aanvullende lening en voor studenten ook uit collegegeldkrediet.
2. Studiefinanciering kan geheel of
gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
a. gift,
b. prestatiebeurs, of
c. lening.
3. De hoogte van de
studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor
een kalendermaand en voor studenten ook op basis van het
collegegeldkrediet.
4. In afwijking van het derde lid
kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op
een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
Artikel 3.2. Samenstelling
maandbudget deelnemer
1. Het budget voor een deelnemer
voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de
kosten van levensonderhoud,
b. een tegemoetkoming in de
kosten van het lesgeld, en
c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd
met:
a. een toeslag voor een partner
ingevolge artikel 3.4, of
b. een toeslag voor een
één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. De tegemoetkoming in de kosten
van het lesgeld wordt voor een deelnemer vastgesteld op
eentwaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van
de Les- en cursusgeldwet vastgestelde of herziene bedrag van het
lesgeld.
4. De bedragen zijn opgenomen in
artikel 3.18.
Artikel 3.3. Samenstelling
maandbudget student
1. Het budget voor een student voor
een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de
kosten van levensonderhoud, en
b. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd
met:
a. een toeslag voor een partner
ingevolge artikel 3.4, of
b. een toeslag voor een
één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. De bedragen zijn opgenomen in
artikel 3.18.
Artikel 3.4. Toeslag partner
1. Aan een studerende met een
partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in
aanmerking komt voor studiefinanciering, wordt een toeslag voor
een partner toegekend.
2. Uitsluitend als financieel
afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen
heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan
€ 8 129,26 [Red: Per 1 januari 2013: € 9.017,71] en die de
verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12
jaar waarvoor op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak
op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen
van de partner is artikel 8, derde lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen en artikel 3.17, derde tot en met
zesde en tiende lid, van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
3. Het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, is opgenomen in artikel 3.18.
4. Artikel 9, tweede lid, van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is van toepassing.
Artikel 3.5. Toeslag één-oudergezin
1. Aan een studerende zonder
partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die
niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op
grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag
heeft, wordt een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.
2. Het bedrag is opgenomen in
artikel 3.18.
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Artikel 3.6. Basisbeurs
1. De hoogte van de basisbeurs is
verschillend voor uit- en thuiswonende studerenden en voor
beroepsonderwijs en hoger onderwijs. De bedragen zijn opgenomen in
artikel 3.18.
2. Van de basisbeurs maakt een
reisvoorziening deel uit, tenzij anders is bepaald.
3. Van de basisbeurs kunnen de
toeslagen, bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5, deel uitmaken.
Artikel 3.7. Vorm toekenning
reisvoorziening
1. Voor studerenden aan een
opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een
reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de
studerende geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de
vervoersbedrijven.
2. Voor studerenden die aanspraak
hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding
buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag,
bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3,
tweede lid.
In afwijking van de eerste volzin
kan een studerende als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als
reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
3. Voor studerenden voor wie geen
burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze
Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag,
bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3,
tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en
toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede
en derde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering
van dit artikel.
Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
Artikel 3.8. Aanvullende beurs
1. De hoogte van de aanvullende
beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend
ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
2. Het maximale bedrag van de
aanvullende beurs is opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag
veronderstelde ouderlijke bijdrage
1. Maatstaf voor de bepaling van de
veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de
afzonderlijke ouders van de studerende in het peiljaar.
2. [Vervallen.]
3. Op het toetsingsinkomen in het
peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is
naar de maatstaf van 2008 gelijk aan€ 15 928,16[Red: Per 1
januari 2013: € 17.668,93.] . Indien een van de ouders is
overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet.
Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als
ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één
ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de
vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien voor een
ouder voor de inkomstenbelasting– naast de algemene
heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting of de
aanvullende alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, en voor
hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van
de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2008
gelijk is aan € 20 199,42 [Red: Per 1 januari 2013: €
22.407,00.] .
4. Het bruto kortingsbedrag op
jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in
het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
5. Op het bruto kortingsbedrag,
bedoeld in het vierde lid, worden in mindering gebracht:
a. de ingevolge hoofdstuk 6
vastgestelde termijnen over een jaar of, indien dit minder is,
de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is,
en
b. € 363,– voor ieder kind
dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan
het studiefinancieringstijdvak, onder de werking van de
hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten of van artikel 2, derde tot
en met vijfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget valt.
6. [Vervallen.]
7. Het bedrag dat na de toepassing
van het vijfde lid resteert, is de berekeningsgrondslag voor een
ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage op jaarbasis.
8. Indien een kind waarvoor de
aftrek, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, heeft
plaatsgevonden, onder de werking van deze wet gaat vallen, wordt
met ingang van het tijdstip waarop dit kind onder de werking van
deze wet gaat vallen, de veronderstelde ouderlijke bijdrage,
bedoeld in het zevende lid, opnieuw berekend.
9. De berekeningsgrondslag voor een
ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage op maandbasis is
de bijdrage, bedoeld in het zevende lid, gedeeld door 12.
Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij
terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de ouders of een
van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van
artikel 3.9, indien sprake is van een terugval in inkomen over het
eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het
toetsingsinkomen in dat jaar.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een
vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide
ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar,
met dien verstande dat:
a. de vermindering niet kan
worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen
normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van
inkomensverwerving, en
b. aannemelijk wordt gemaakt
dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan
aan de vereisten genoemd in de aanhef, alsmede in onderdeel a.
Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of
nog niet bekend inkomen
Voor de toepassing van de artikelen
3.9 en 3.10 wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het
eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden
bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag
dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Artikel 3.12.
Alleenstaande-ouderkorting
Indien voor een ouder voor de
inkomstenbelasting na het peiljaar – naast de algemene
heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting van toepassing
wordt, wordt op aanvraag van die ouder of de studerende de hoogte
van de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, derde lid,
dienovereenkomstig aangepast.
Artikel 3.13. Veronderstelde
ouderlijke bijdrage
1. De veronderstelde ouderlijke
bijdrage is de som van de maandbedragen, bedoeld in artikel 3.9,
negende lid. De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer
bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende.
2. De aanvullende beurs van een
studerende wordt verminderd met de in het eerste lid bedoelde
veronderstelde ouderlijke bijdrage. De vermindering is nihil,
indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is.
3. Indien een ouder meer dan een
kind heeft dat recht heeft op studiefinanciering, met uitzondering
van het kind dat tevens valt onder artikel 3.9, vijfde lid, onder
b, en dat met betrekking tot de desbetreffende maand een
aanvullende beurs heeft aangevraagd, wordt het maandbedrag,
bedoeld in het eerste lid, verdeeld over deze kinderen.
Artikel 3.14. Weigerachtige of
onvindbare ouders
1. Op aanvraag van een studerende
kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in
de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een
langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende
of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig
verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een
conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
2. Indien het eerste lid toepassing
vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke
bijdrage van de andere ouder aan de studerende bedoeld in het
eerste lid, artikel 3.9, derde lid, derde volzin, van
overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van
andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van
de vraag of sprake is van:
a. een situatie als bedoeld in
het eerste lid, en
b. de voorwaarden waaronder de
toekenning van de aanvraag geschiedt.
Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
Artikel 3.15. Basislening
De basislening is een lening. De
hoogte van de basislening is opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.16. Aanvullende lening
Het verschil tussen het maximale
bedrag van de aanvullende beurs en de voor een studerende berekende
aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende
lening toegekend.
Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
1. Het collegegeldkrediet is een
lening die aan de student op aanvraag wordt toegekend.
2. Het bedrag dat per maand kan
worden geleend bedraagt ten hoogste eentwaalfde deel van het
volledige wettelijke collegegeld volgens het basistarief, bedoeld
in artikel 7.45, eerste lid. Indien het door de student voor een
periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor het volgen van
hoger onderwijs hoger is dan het volledige wettelijke collegegeld
volgens het basistarief, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid,
bedraagt het bedrag dat per maand kan worden geleend, in afwijking
van de eerste volzin, ten hoogste eentwaalfde deel van het door de
student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag voor
het volgen van hoger onderwijs.
3. Het collegegeldkrediet bedraagt
per maand maximaal vijftwaalfde deel van het volledige wettelijke
collegegeld volgens het basistarief, bedoeld in artikel 7.45,
eerste lid.
Artikel 3.17. Vordering wegens eigen
inkomsten studerende
1. Indien een studerende in een
kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van
Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het
toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf
van 1 januari 2011 van€ 13 215,83 [Red: Per 1 januari 2013: €
13.530,90.] .
2. [Vervallen.]
3. Tot het meerinkomen worden niet
gerekend:
a. een uitkering op grond van
de Wet werk en bijstand, de Toeslagenwet of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
b. de studiefinanciering
verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze
inkomsten begrepen, en
c. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a,
van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar
waarin de studerende zijn afsluitend examen behaalt, is
verworven. Met dien verstande dat een studerende hier slechts
eenmaal voor in aanmerking komt.
4. Voor iedere maand dat een
studerende een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene
nabestaandenwet, blijft daarvan een bedrag ter grootte van de
maximale aanvullende beurs voor een thuiswonende deelnemer,
bedoeld in artikel 3.18, buiten beschouwing.
5. Bij de berekening van het
meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de
studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het
kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in
de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn
aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode
betreffen:
a. die begint bij de aanvang
van het kalenderjaar, of
b. die eindigt bij het einde
van het kalenderjaar.
6. Voor de toepassing van het
vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen
op verzoek van de studerende herleid tot maandbedragen door de
desbetreffende bedragen te delen door 12:
a. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a van
de Wet inkomstenbelasting 2001,
b. de negatieve
persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 3.1, tweede
lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
c. de persoonsgebonden aftrek,
bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel j, van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
d. het inkomen uit aanmerkelijk
belang, bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting
2001, en
e. het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, verminderd met daarin begrepen te
conserveren inkomen.
7. Indien een studerende in een
kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan Onze
Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd,
met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som
van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende
toegekende bedragen aan:
a. basisbeurs,
b. aanvullende beurs, en
c. voor iedere maand waarin hij
op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag
gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de
reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid,
vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met
inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is
berekend.
8. Over de verschuldigde bedragen,
bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de
artikelen 6.3 en 6.4, met ingang van de eerste dag van de
kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is
gegeven.
9. Indien een studerende voor 1
juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave
doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar
voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende
niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem
is betaald.
10. De vordering die ontstaat door
toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de
met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende
prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar
niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die
prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering
gebrachte bedrag gaat teniet.
11. Een aanvraag van de studerende
aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft
voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien
dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende
kalenderjaar.
Paragraaf 3.5. Normbedragen
Artikel 3.18. Overzicht normbedragen
De bedragen in onderstaande
overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in euro’s naar de
maatstaf van 1 september 2007:
Overzicht 1. Maandbedragen
|
|
Hoger onderwijs |
Beroepsonderwijs |
|
Levensonderhoud |
|
|
|
a. thuiswonend |
€ 618,29 |
€ 472,89 |
|
b. uitwonend |
€ 813,29 |
€ 667,89 |
Overzicht 2. Financieringsbronnen
|
|
Hoger onderwijs |
Beroepsonderwijs |
|
Basisbeurs (excl. toeslagen) |
|
|
|
a. thuiswonend |
€ 97,85 |
€ 77,15 |
|
b. uitwonend |
€ 272,46 |
€ 251,76 |
|
Maximale aanvullende
beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) |
|
|
|
a. thuiswonend |
€ 229,94 |
€ 316,44 |
|
b. uitwonend |
€ 250,33 |
€ 336,83 |
|
Basislening |
€ 290,50 |
€ 168,05 |
|
Toeslag partner |
€ 570,31 |
€ 570,31 |
|
Toeslag één-oudergezin |
€ 456,36 |
€ 456,36 |
Paragraaf 3.6. Toekenning
Artikel 3.19. Toekenning
studiefinanciering
1. Onze Minister kent
studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft
ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of
krachtens deze wet.
2. Onze Minister besluit op een
aanvraag om studiefinanciering:
a. indien de aanvraag is
ingediend vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het
kalenderjaar waarop de studiefinanciering betrekking heeft:
vóór 31 december van dat voorafgaande jaar, en
b. indien de aanvraag is
ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binnen 8
weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 3.20. Gedeeltelijke
toekenning
Indien het op basis van de verstrekte
gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te
stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van
een lening.
Artikel 3.21. Toekenningsperiode
1. Studiefinanciering wordt
toegekend per studiefinancieringstijdvak.
2. Studiefinanciering wordt niet
toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van
indiening van de aanvraag.
3. Aan de studerende die reeds
studiefinanciering ontvangt en een aanvraag heeft ingediend om in
aanmerking te komen voor:
a. het normbedrag voor een
uitwonende studerende,
b. een toeslag voor een
partner, of
c. een toeslag voor een
één-oudergezin,
wordt de verhoging van de
studiefinanciering niet toegekend voor een periode gelegen
voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.
4. Op aanvraag van de studerende
onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met
ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag
aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
Artikel 3.22 [Vervallen per
01-01-2006]
Paragraaf 3.7. Toekenning
reisvoorziening
Artikel 3.23. Gebruik
burgerservicenummer
1. In afwijking van artikel 1.7
gebruikt Onze Minister het burgerservicenummer van een studerende
ter zake van de toekenning van diens reisrecht in contacten met
RSR.
2. RSR gebruikt het
burgerservicenummer van een studerende slechts:
a. ter vaststelling van de
identiteit van een studerende wanneer deze zich tot de
vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan
een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in artikel
3.26, eerste lid, en
b. in contacten met Onze
Minister.
Artikel 3.24 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 3.25 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 3.26. Aanvang reisrecht;
omvang van rechten
1. Het reisrecht vangt aan op het
moment dat de studerende het reisproduct heeft geladen op een
daarvoor bestemde OV-chipkaart.
2. Het reisrecht wordt naar keuze
van de studerende toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht.
3. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen
van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht,
bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden
tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de studerende de keuze tussen
soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag
tot herziening door de studerende van een gemaakte keuze in
soorten reisrecht.
Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht
1. De studerende is verplicht het
reisproduct te verwijderen uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:
a. zijn aanspraak op reisrecht
is beëindigd, of
b. zijn reisrecht op grond van
artikel 3.7, tweede of derde lid, is vervangen door een
reisvoorziening in de vorm van geld.
2. Bij het ten onrechte beschikken
over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan
wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van
€ 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve
kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het
reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met
de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met
het einde van die maand.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van
het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene
aan wie het reisrecht is toegekend.
4. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van
beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip
waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet
worden aangetoond.
Artikel 3.28 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 3.29. Vergoeding bij geen
reisrecht
1. Wanneer een studerende door
toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over
een geladen reisproduct beschikt, heeft hij over die periode
jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van
het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, mits hij meer dan
3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand,
zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde
gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft
verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in
artikel 3.7, tweede lid, heeft hij slechts aanspraak op een
vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens
binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een
aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
2. De studerende vraagt de
vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag
voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of,
indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het
eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
3. De studerende heeft geen recht
op enige vergoeding:
a. wegens het geen of slechts
gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of
b. in geval van inname,
verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de
OV-chipkaart, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid.
Artikel 3.30. Nadere regels voor
reizen van en naar Waddeneilanden
Ten behoeve van het reizen tussen
Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten
van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende
voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studerenden
verstrekken.
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in
Nederland
Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering
in de vorm van gift of lening
Artikel 4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van
toepassing:
a. op deelnemers die in Nederland
een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en
b. op deelnemers die in Nederland
een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus 2005 voor het
volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen.
Artikel 4.2. Vorm waarin
studiefinanciering wordt verstrekt
Studiefinanciering wordt verstrekt in
de vorm van een gift of een lening.
Artikel 4.3. Langdurige afwezigheid
in het beroepsonderwijs
1. De studiefinanciering van de
deelnemer die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft
deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5
weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit
een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De
periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege
vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
2. In afwijking van het eerste lid
kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van
beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is,
indien een deelnemer in een of meer onderwijseenheden zonder
geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
3. Onder afwezigheid met geldige
reden wordt uitsluitend verstaan afwezigheid wegens ziekte van de
deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door
middel van een gedagtekende verklaring van een arts, of
afwezigheid wegens bijzondere familieomstandigheden.
Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8
weken
Artikel 4.3 is niet van toepassing
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover
die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere
bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde
voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het
onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de
periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd
met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid
in het niet bekostigd beroepsonderwijs
1. Het bestuur van de rechtspersoon
waarvan de instelling, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b,
uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand
houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een
periode van afwezigheid van 4 weken de deelnemer in kennis dat
daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is
gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de
afwezigheid.
2. Uiterlijk op de vijfde werkdag
na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon vast:
a. of de reden die de deelnemer
binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf
voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de deelnemer binnen 8
weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden
heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
3. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde
werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer
voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan
deelnemen.
4. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na
afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de
deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5
weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft
deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde
van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan
deelnemen, de datum daarvan.
5. De periodes van 5 en 8 weken
worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen
onderwijs werd verzorgd.
6. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen,
bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over
de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze
betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld
inartikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van
betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat
tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering
in de vorm van prestatiebeurs
Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van
toepassing op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 3 of
4 volgen, en die na 31 juli 2005 voor het volgen van
beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
Artikel 4.7. Vorm waarin
studiefinanciering wordt verstrekt
1. Studiefinanciering, met
uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, wordt
voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland
tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een
prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de
eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat
wordt verstrekt in de vorm van een gift.
2. Indien een deelnemer een
specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren studiefinanciering in
de vorm van prestatiebeurs heeft genoten, wordt aan hem
studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de
aanvullende lening, voor die opleiding op aanvraag gedurende ten
hoogste 2 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
3. Indien aan de voorwaarden,
bedoeld in deze paragraaf, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs
omgezet in een gift.
4. Studiefinanciering wordt
gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld
in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening.
Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking
van de artikelen 3.1, derde lid,3.2, 3.13 en 3.18, naar de
maatstaf van 1 januari 2005€ 787,02[Red: per 1 januari 2013 tot
1 januari 2014 € 873,12] . Tevens kan een reisvoorziening worden
verstrekt.
5. Op aanvraag kan een deelnemer
als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de periode, bedoeld in het
vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte
van het bedrag, bedoeld in artikel 3.4, derde lid.
6. Op aanvraag kan een deelnemer
als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het
vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte
van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 4.8. Vorm waarin
reisvoorziening wordt verstrekt
1. In afwijking van artikel 4.7,
eerste en tweede lid, wordt de studiefinanciering in de vorm van
een reisvoorziening verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs
gedurende het in deze leden bedoelde aantal jaren, vermeerderd met
3 jaren. Indien artikel 4.12 is toegepast, wordt de uitkomst van
de vorige volzin met 1 jaar vermeerderd.
2. Het deel van de prestatiebeurs
dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk
aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende
door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt
gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding
voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die
de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar
onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of
verrekend.
3. Indien de prestatiebeurs niet
kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de
reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het
reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in
artikel 3.26 of is beëindigd als bedoeld in artikel 3.27. In
afwijking vanartikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment
van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde
rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op
een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede
of derde lid, is toegekend.
Artikel 4.9. Diplomatermijn
beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is
een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag
van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs is toegekend
voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4.
Artikel 4.10. Omzetting in gift bij
afstuderen binnen diplomatermijn
1. Indien een deelnemer binnen de
diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een
opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de
aan hem ingevolge artikel 4.7, eerste lid, toegekende
prestatiebeurs omgezet in een gift.
2. Indien een deelnemer binnen de
diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een
specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan
hem ingevolge artikel 4.7, tweede lid, toegekende prestatiebeurs
omgezet in een gift.
3. Indien een deelnemer binnen de
diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een
opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de
resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm
van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4
aanvangt.
4. Met een afsluitend examen van
een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een
specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen
van een opleiding in het hoger onderwijs.
5. Omzetting vindt plaats per 1
januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft
vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden,
bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een deelnemer in het eerste
jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs geniet en hij
in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1
februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw
studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4
dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn
aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van
dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs
omgezet in een gift.
Artikel 4.12. Eenmalige verlenging
duur prestatiebeurs
Onze Minister verlengt op aanvraag
van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar
indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts
en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling
waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke,
zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het
afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af
te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een deelnemer op enig moment
binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met
arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de
zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt
de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Artikel 4.14. Bijzondere
omstandigheden
1. Indien een deelnemer als direct
gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in
staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg
het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen,
wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere
omstandigheden.
2. Indien een deelnemer als direct
gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in
staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg
het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen,
wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder
bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder
geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een deelnemer niet in
staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de,
op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn
beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een
opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende
prestatiebeurs omgezet in een gift.
4. Indien een deelnemer als direct
gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge
van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten
gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische
ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen,
ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding
nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag
van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere
omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere
omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door
gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon
of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling
waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden
uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende
verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de
rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is
ingeschreven.
Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van een prestatiebeurs
of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag
opgebouwde rente teniet.
Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten
Nederland
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Artikel 4.16. Reikwijdte
beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van
toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van
beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.13a.
Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1
of 2 buiten Nederland
Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van
toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van
een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en
waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt
als een opleiding niveau 1 of 2.
Artikel 4.18. Studiefinanciering
1. Studiefinanciering wordt
gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
2. Studiefinanciering wordt
gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid,
verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan
worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde
lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 €
770,53[Red: per 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 € 873,12] .
Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
Artikel 4.19. Studievoortgang
1. Een deelnemer verstrekt
jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan
Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit
blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is
ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering
heeft aangevraagd.
2. Een deelnemer verstrekt
jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan
Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in
het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3
of 4 buiten Nederland
Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van
toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van
een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en
waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt
als een opleiding niveau 3 of 4.
Artikel 4.21. Studiefinanciering
1. De artikelen 4.7, eerste, derde
en vierde lid, 4.8, 4.9, 4.10, eerste, derde, vierde en vijfde
lid, 4.11, 4.12,4.13, 4.14 en 4.15 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Artikel 4.19 is van
overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de
vorm van een gift is toegekend.
Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen
deelnemer en Minister
1. De deelnemer zendt uiterlijk 3
maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt
bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen
van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag
in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs
vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg
is afgesloten.
2. De omzetting, bedoeld in artikel
4.10, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op
de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze
Minister de deelnemer daarvan in kennis.
Paragraaf 4.2.4.
Afwijkingsmogelijkheidafdeling 4.2
Artikel 4.23.
Afwijkingsmogelijkheidafdeling 4.2
Voorzover deze afdeling daarin niet
voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het
in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden
vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs;
prestatiebeurs
Paragraaf 5.1. Algemeen
Artikel 5.1. Reikwijdte hoger
onderwijs
Dit hoofdstuk is uitsluitend van
toepassing op studenten die na 31 augustus 1996 voor het volgen van
hoger onderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.
Artikel 5.2. Vorm en duur
studiefinanciering
1. Studiefinanciering, met
uitzondering van het collegegeldkrediet, de basislening en de
aanvullende lening, wordt gedurende 4 jaren of het aantal jaren
genoemd in artikel 5.6, dan wel bedoeld in artikel 2.14, derde
lid, verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien
verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor
aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm
van een gift.
2. Indien aan de voorwaarden,
bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs
omgezet in een gift.
3. Studiefinanciering, met
uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36
maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de
vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend,
bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3,
3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 [Red:
per 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 € 873,12] . Tevens kan een
reisvoorziening worden verstrekt.
4. De basislening en de aanvullende
lening kunnen gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid,
worden verstrekt. Het collegegeldkrediet kan gedurende de periode
bedoeld in het eerste en derde lid worden verstrekt.
5. Op aanvraag kan een student als
bedoeld in artikel 3.4, gedurende de in het derde lid bedoelde
periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van
het bedrag, bedoeld in artikel 3.4, derde lid.
6. Op aanvraag kan een student als
bedoeld in artikel 3.5, gedurende de in het derde lid bedoelde
periode tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van
het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 5.3. Vorm waarin
reisvoorziening wordt verstrekt
1. Studiefinanciering in de vorm
van een reisvoorziening wordt in de vorm van een prestatiebeurs
verstrekt gedurende de periode bedoeld in artikel 5.2, eerste lid,
vermeerderd met 1 jaar.
2. Het deel van de prestatiebeurs
dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk
aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende
door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt
gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding
voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die
de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande
kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet
uitbetaald of verrekend.
3. Indien de prestatiebeurs niet
kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de
reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het
reisproduct niet op een OV-chipkaart is geladen als bedoeld in
artikel 3.26 of is verwijderd als bedoeld in artikel 3.27. In
afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment
van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde
rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op
een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede
of derde lid, is toegekend.
Artikel 5.4 [Vervallen per
01-09-2007]
Artikel 5.5. Diplomatermijn hoger
onderwijs
De diplomatermijn hoger onderwijs is
een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag
van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend
voor het volgen van hoger onderwijs.
Artikel 5.6. Prestatiebeurs meer dan
4 jaren
1. De prestatiebeurs wordt
gedurende meer dan 4 jaren verstrekt voor het geheel van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid van de
WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde,
vierde, vijfde of zesde lid, van de WHW. De duur van de
prestatiebeurs van 48 maanden wordt met een maand verlengd voor
elke 5 studiepunten die de studielast van de masteropleiding boven
de 60 studiepunten telt. Indien het aantal studiepunten boven de
60 geen veelvoud van 5 betreft, wordt de prestatiebeurs voor het
geheel van studiepunten dat overblijft na toepassing van de vorige
volzin, met een maand verlengd.
2. De prestatiebeurs wordt
gedurende 6 jaar verstrekt indien het betreft het geheel van een
bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan
een universiteit of levensbeschouwelijke universiteit dat,
blijkens het onderwijsen examenprogramma, wordt gevolgd in
combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding
vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat
kerkgenootschap en waarvoor via de universiteit of
levensbeschouwelijke universiteit middelen ter beschikking worden
gesteld.
3. De prestatiebeurs wordt
gedurende 7 jaar verstrekt voor het geheel van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, eerste
volzin, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel
7.4a, zevende lid, van de WHW.
4. De duur van de prestatiebeurs
wordt ten hoogste met 1 jaar verlengd indien het een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, tweede
volzin, van de WHW betreft. Het eerste lid, tweede en derde
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5. De duur van de prestatiebeurs
wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het betreft:
a. een student die met goed
gevolg het afsluitende examen van een bacheloropleiding heeft
behaald, voorzover bij ministeriële regeling aangewezen, of
een daarmee gelijk gesteld diploma, en
b. deze student is ingeschreven
voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinnen te volgen
eenjarig programma, waarvan in bedoelde ministeriële regeling
is aangegeven dat die opleiding verwant is aan de onder a
bedoelde opleiding.
6. De duur van de prestatiebeurs
wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien het een
masteropleiding als bedoeld in artikel 7.30c van de WHW betreft.
De eerste volzin is niet van toepassing indien eerder op grond van
het zevende lid van dit artikel prestatiebeurs is toegekend.
7. De duur van de prestatiebeurs
wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien met goed gevolg het
afsluitende examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel
7.4a, met uitzondering van het derde lid, van de WHW is behaald en
daarna een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid,
van de WHW wordt gevolgd. De eerste volzin is niet van toepassing
indien eerder op grond van het vijfde of zesde lid van dit artikel
prestatiebeurs is toegekend. De eerste volzin is eveneens niet van
toepassing indien eerder op grond van het negende lid van dit
artikel prestatiebeurs is toegekend, voor zover dat betrekking had
op een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste
graad in algemene vakken.
8. De duur van de prestatiebeurs
wordt op aanvraag met 1 jaar verlengd indien reeds eerder
prestatiebeurs is toegekend op grond van het vijfde lid en een
masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW
wordt gevolgd.
9. De duur van de prestatiebeurs
wordt met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als
bedoeld in artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW
betreft.
10. Onze Minister verlengt op
aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met
1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van
een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is
ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte
niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te
ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Paragraaf 5.2. Omzetting bij
afsluitend examen
Artikel 5.7. Omzetting in gift bij
afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs
1. Indien een student binnen de
diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een hbo
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid,
onderdeel a, of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een
wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid,
onderdelen a en b, van de WHW met goed gevolg heeft afgesloten,
wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
2. Indien een student binnen de
diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een
opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgesloten,
wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in
de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van
deze wet of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel
7.3b van de WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel s, van de WHW aanvangt.
3. Met een afsluitend examen wordt
gelijkgesteld het examen van een deeltijdse opleiding of een
opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze examens door
de WHW daarmee gelijk worden gesteld.
4. Met een afsluitend examen wordt
eveneens gelijkgesteld het examen van een bacheloropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs en het examen van een programma als
bedoeld in artikel 7.8a van de WHW, voorzover de student daartoe
een aanvraag heeft ingediend.
Artikel 5.8. Omzetting in gift bij
opleiding van minder dan 4 jaren
1. Indien een student met goed
gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding
waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4
jaren overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, wordt het aantal om
te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met dit verschil
verminderd.
2. Indien een student een aanvraag
als bedoeld inartikel 5.7, vierde lid, heeft ingediend, wordt het
aantal maanden, bedoeld in het eerste lid, van de aan hem
toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen
instelling, Minister en student
1. De omzetting, bedoeld in artikel
5.7, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de
verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW,
of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, derde lid. Zo spoedig
mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in
kennis.
2. Een student die het examen,
bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, met goed gevolg heeft afgelegd
aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van
toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de
diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling
van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen
verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag
in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de
instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is
afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het
kalenderjaar volgend op de aanvraag.
3. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs
ingevolge artikel 5.7, vierde lid.
Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure
bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
Artikel 5.10. Stoppen voor 1 februari
Indien een student in het studiejaar
waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs geniet,
ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij
niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het
volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van
het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar
toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Artikel 5.11. Stoppen voor 1
september
Indien een student in het studiejaar
waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst
prestatiebeurs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór
1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende
studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger
onderwijs krijgt toegekend, wordt per 1 januari van het kalenderjaar
volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar
toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Paragraaf 5.5 [Vervallen per
01-09-2004]
Artikel 5.12 [Vervallen per
01-09-2004]
Artikel 5.13 [Vervallen per
01-09-2004]
Paragraaf 5.6 [Vervallen per
01-09-2004]
Artikel 5.14 [Vervallen per
01-09-2004]
Paragraaf 5.7. Omzetting bij
bijzondere omstandigheden
Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid
Indien een student op enig moment
binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met
arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de
zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt
de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Artikel 5.16. Bijzondere
omstandigheden
1. Indien een student als direct
gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in
staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg
het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met
de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een student als direct
gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in
staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg
het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag,
verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van
structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan
functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien de student niet in staat
is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond
van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met
goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem
toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
4. Indien een student als direct
gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge
van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten
gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische
ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen,
ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe
aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag
van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden
in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen
uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van
een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de
rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven.
Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische
aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke
persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de
onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
Artikel 5.17. Tenietgaan rente
Bij omzetting van een prestatiebeurs
of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag
opgebouwde rente teniet.
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling
studieschuld
Paragraaf 6.1. Algemeen
Artikel 6.1. Lening
In dit hoofdstuk wordt onder lening
mede verstaan de prestatiebeurs.
Artikel 6.2. Verplichting debiteur
terugbetaling studieschuld
1. Ontvangst van een lening of
omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld inartikel 6.17,
verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot
terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit
hoofdstuk berekende rente.
2. De vanaf de zesde maand waarvoor
na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering
bestaat ingevolge hoofdstukken 4 en 5toegekende en niet in gift om
te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden
kwijtgescholden.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald:
a. tot welk toetsingsinkomen
van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk
kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, mogelijk is,
b. of daarbij onderscheid
gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur
zonder partner die al dan niet studerende is in de zin van
deze wet, en
c. tot welk tijdstip een
aanvraag kan worden ingediend.
4. De over het kwijt te schelden
bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding
als bedoeld in het tweede lid, teniet.
5. Bij kwijtschelding als bedoeld
in het tweede lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid,
van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van
toepassing.
6. Indien de debiteur tevens een
schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld
voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in
de zin van dit hoofdstuk.
7. Een krachtens het derde lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide
kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op
een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn
verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen
die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een
vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de
wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt
geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van
wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet
wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 6.3. Vaststelling
rentepercentage
Onze Minister stelt jaarlijks
uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het
gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van
de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en
toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van
Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren.
Artikel 6.4. Renteberekening
1. Over de aangegane leningen is,
voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in
artikel 6.8, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde
lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die
volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker
van die lening is afgeschreven.
2. De rente over de door de
studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening
wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien
de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is
ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente
bijgeschreven bij de hoofdsom.
3. In de periode die aan de
terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de
rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar
het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3
uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is
vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening
van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke
periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de
terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond
van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode
voorafgaande jaar is vastgesteld.
4. Voor de berekening van de rente
op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen
en een jaar gesteld op 360 dagen.
5. Indien op grond van artikel
10.7, derde lid, de over een studiejaar toegekende
studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1
januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm
van de aan een studerende toegekende studiefinanciering
onvoorwaardelijk is vastgesteld.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het
tweede tot en met het vijfde lid.
Artikel 6.5. Terugbetalingsperiode
1. De terugbetalingsperiode vangt
aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is
opgehouden studiefinanciering te genieten.
2. De terugbetalingsperiode bestaat
uit een aanloopfase en een aflosfase.
3. Indien de debiteur gedurende de
voor hem geldende diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel
diplomatermijn hoger onderwijs opnieuw studiefinanciering geniet,
of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde
termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor
studiefinanciering te genieten, wordt de terugbetalingsperiode
geschorst. Voor debiteuren die niet op grond van onderscheidenlijk
artikel 4.9 en artikel 5.5 onder een diplomatermijn vallen geldt,
in afwijking van de eerste volzin, dat de terugbetaling wordt
geschorst zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering geniet, of
op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde
termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor
studiefinanciering te genieten.
4. De schorsing, bedoeld in het
derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken
na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze
Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft
geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van
verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur
ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling
wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die
gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De
schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de
diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger
onderwijs.
Artikel 6.5a. Samenloop van
terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de
verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de Wet
studiefinanciering BES met dien verstande dat de verplichting tot
terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur
niet mag overschrijden.
Artikel 6.6. Aanloopfase
1. De aanloopfase beslaat de eerste
2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.
2. Gedurende de aanloopfase bestaat
geen verplichting tot terugbetaling.
Artikel 6.7. Aflosfase
1. De aflosfase beslaat behoudens
toepassing van artikel 6.9, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op
de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden
dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het
tweede lid.
2. Op aanvraag van de debiteur
wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren
opgeschort.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de
opschorting, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6.8. Achterstallige schuld
1. Onder achterstallige schuld
wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit
hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van artikel 7.4 dat 2 weken
na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
2. Over de achterstallige schuld is
rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van
de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag
op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt
gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
3. Indien de debiteur achterstallig
is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de
duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling
van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en6.15,
alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16,
geen rekening gehouden.
4. Artikel 6.4 is niet van
toepassing.
Artikel 6.9. Vaststelling en betaling
terugbetalingstermijnen
1. Rente en aflossing van de lening
vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse
termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase
onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de
aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
a. het eerste jaar van de
aflosfase,
b. het vierde jaar van de
aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het
vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderd toepassing van
artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan
maandelijkse termijnen ten minste€ 545,–. Bij ministeriële
regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden
herzien.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en
betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden
bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe
verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag
maandelijks te doen afschrijven van een bank- of postbankrekening.
Artikel 6.10. Draagkracht debiteur
uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling
van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van
zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
2. Op het draagkrachtinkomen wordt
in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is
gelijk aan:
a. 120% van het belastbaar
minimumloon voor een debiteur met partner,
b. 120% van het belastbaar
minimumloon voor een debiteur op wie de
alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of
c. 84% van het belastbaar
minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
3. De draagkracht van de debiteur
uit inkomen is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
4. Indien het bedrag van de
draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn,
berekend op grond van artikel 6.9, betaalt de debiteur, in
afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
5. Voor de toepassing van dit
artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de
plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen
benadert.
6. Het vierde lid is niet van
toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond
van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.
Artikel 6.11. Draagkracht niet
binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag
1. Voor een debiteur die in het
peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de
Wet inkomstenbelasting 2001 en die niet op grond van artikel 2.5,
eerste lid, van die wet als zodanig is aangemerkt, kanartikel 6.10
slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze
Minister een aanvraag indient.
2. Indien de debiteur zich voor het
einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt
hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur
die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in
het eerste lid bedoelde aanvraag.
Artikel 6.12. Terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de debiteur
wordt bij de toepassing van artikel 6.10uitgegaan van het inkomen
van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, indien:
a. sprake is van een terugval
in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan
van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld, of
b. sprake is van een terugval
in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een
vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten
minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het
jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande
dat:
a. de vermindering niet kan
worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen
normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van
inkomensverwerving, en
b. aannemelijk wordt gemaakt
dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan
aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel
a.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede
jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de
plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister
het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
Artikel 6.13. Alleenstaande
ouder-korting
Indien voor de debiteur voor de
inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld de
alleenstaande-ouderkorting van toepassing wordt, wordt op aanvraag
van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig
aangepast.
Artikel 6.14. Partner van debiteur
ook debiteur
1. Indien de partner van de
debiteur ook een debiteur op wie dit hoofdstuk van toepassing is
is, wordt:
a. artikel 6.10, eerste en
derde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het
toetsingsinkomen voor beide partners samen;
b. de draagkracht per debiteur
vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van
het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
c. de draagkracht van de
debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn
op grond van artikel 6.9. Het bedrag aan resterende
draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de
draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze
toevoeging lager is dan de voor hem op grond van artikel 6.9
vastgestelde termijn.
2. Indien de debiteur een partner
heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond
van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de
debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn
partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond
vanartikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de
uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil
vastgesteld.
Artikel 6.15. Wijziging maandelijkse
termijn
Indien een debiteur gedurende een
kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan
de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt zijn termijn
opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De
gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende
aantal maanden van de aflosfase.
Artikel 6.16. Garantiebepalingen
1. De schuld die resteert bij het
einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
2. De schuld die resteert bij het
overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.
Artikel 6.17. Omzetting van niet meer
verrekenbare schulden in lening
1. Op het ogenblik van beëindiging
van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn
schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van
rechtswege omgezet in een lening.
2. Indien na beëindiging van het
recht op studiefinanciering van een studerende door een
beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van
Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de
eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de
rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat
geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin
de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de
omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende
ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd
dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel
6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan
door de toepassing van artikel 3.27, tweede lid, niet omgezet.
4. De in het eerste of tweede lid
bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van
de daar bedoelde omzetting.
Hoofdstuk 7. Herziening
Artikel 7.1. Herziening door Minister
1. Onze Minister kan een
beschikking herzien waarbij:
a. studiefinanciering is
toegekend,
b. de vorm van de
studiefinanciering is vastgelegd,
c. de termijn wordt vastgesteld
of gewijzigd,
d. de draagkracht van de
debiteur wordt vastgesteld,
e. de hoogte van de lening
wordt vastgesteld of gewijzigd,
f. de hoogte van de
veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of
gewijzigd,
g. de hoogte van het bedrag van
de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt
vastgesteld of gewijzigd,
h. de hoogte van het
collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
i. een herziening van de keuze
in een soort reisvoorziening is geweigerd,
j. een bedrag is vastgesteld
dat de studerende verschuldigd is omdat hij het
reisvoorziening niet tijdig heeft beëindigd, of
k. de aanvraag van een
studerende, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, om als
reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of
geweigerd.
2. Herziening vindt plaats op grond
van het feit dat:
a. een beschikking genomen is
waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn
ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist
was,
b. de situatie van langdurige
afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft
voorgedaan,
c. te veel of te weinig
studiefinanciering is toegekend, de vorm van de
studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in
onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van
artikel 10.6, zevende lid, opnieuw wordt vastgesteld, de
termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van
de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van
het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2,
tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van
de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is
vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot het
reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist
verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
d. betrokkene heeft gehandeld
in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
e. geen gevolg is gegeven aan
de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende
op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op
grond van artikel 6.12, omdat niet kon worden voldaan aan de
voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b,
en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de
voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef
alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede
lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b,
f. gevolg is gegeven aan de
aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op
grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond
van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3
kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel
3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a,
onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de
onderdelen a en b, of
g. andere, nader gebleken
feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend
geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
3. Een herziening als bedoeld in
het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de
vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval
van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het
desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar
waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de
draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van
bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c,
voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke
bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het
desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van
bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en
tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde
van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het
kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het
kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is
vastgesteld.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op een beschikking waarbij de vorm van de
studiefinanciering op grond van artikel 10.7, zevende lid,
onvoorwaardelijk is vastgesteld.
Artikel 7.2 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 7.3. Bezwaarschriftprocedure
De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
Artikel 7.4. Verrekening teveel
toegekende en uitbetaalde studiefinanciering
1. Indien een
herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en
tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft,
wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel
is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem
verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen,
bedoeld in de artikelen 3.27, tweede lid, en3.29, eerste lid.
2. Indien een
herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en
tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft,
wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te
sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en
uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
3. Indien een
herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of een
beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag
aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene
terugbetaald of met hem verrekend.
4. Indien na een voorlopige
voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet
bestuursrecht, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding
geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening
teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem
verrekend.
5. De in het eerste tot en met
vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.17 niet
van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij
ministeriële regeling vast te stellen redelijke
terugbetalingsregels.
7. Artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening
en invordering
Artikel 8.1. Uitbetaling en
verrekening
1. Met betrekking tot de
uitbetaling van de studiefinanciering en de verrekening van het
toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister
verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij algemene maatregel van
bestuur regelen gesteld.
2. Indien een toegekend bedrag aan
studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar
waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden
uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die
beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende
bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
3. De studerende kan bij Onze
Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening
aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem
is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in
de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op
een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de
aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn
recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te
lenen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt
toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning
betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
Artikel 8.2. Onderwijsbijdrage
In het studiejaar waarin een
deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage, bedoeld in artikel 3.2, derde lid,
onderdeel a, voor dat studiejaar niet toegekend. De eerste volzin is
tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode na 1 juli
voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van 18 jaren
bereikt.
Artikel 8.3. Invordering en
dwangbevel
Onze Minister vaardigt een dwangbevel
uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet
verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan.
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Paragraaf 9.1. Toezicht
Artikel 9.1. Toezicht door
onderwijsinspectie
Het toezicht door de inspectie,
bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heeft mede betrekking op
de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van
toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.5, eerste
lid, 2.13, onderdeel c, en 4.5.
Artikel 9.1a. Toezicht in verband met
artikel 1.5
1. Met het toezicht op de
naleving van artikel 1.5 zijn belast:
a. de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren of andere personen,
b. de bij besluit van het
college van burgemeester en wethouders aangewezen
ambtenaren.
2. Indien de ambtenaren of andere
personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden
aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het
besluit samen met die minister genomen.
3. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing
in de Staatscourant.
4. De toezichthouder beschikt
niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19
van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling
1. De toezichthouders, bedoeld in
artikel 9.1a, en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en
inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het
toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de studerende op wie de
persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van
verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het
eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de
persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid
worden verwerkt.
Paragraaf 9.2. Verstrekken van
inlichtingen
Artikel 9.2. Verstrekken van
inlichtingen door personen
1. Een ieder is verplicht aan Onze
Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister
aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de
uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te
geven.
2. De inlichtingen worden verstrekt
binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid
bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.
3. Inlichtingen over zichzelf, voor
zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder
studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de
terugbetalingstermijn worden steeds ongevraagd en schriftelijk
verstrekt door de studerende onderscheidenlijk door de debiteur,
onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De
inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het
doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
4. Onze Minister kan bepalen dat de
inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid,
worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen
wijze.
Artikel 9.3. Verschoningsrecht
studentendecaan
Een studentendecaan aan een op grond
van de WHW uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger
onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een studerende aan
hem heeft toevertrouwd:
a. in afwijking van artikel 5:17
van de Algemene wet bestuursrecht bij de verplichting tot inzage
van gegevens en bescheiden en het verstrekken van inlichtingen,
en
b. in afwijking van artikel 8:33,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling
van een beroep of hoger beroep tegen een besluit, genomen op
grond van deze wet.
Artikel 9.4 [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 9.5. Verstrekken van
inlichtingen door instellingen
1. De natuurlijke persoon van wie
of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling als
bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.9, 2.10 en 2.11, uitgaat, is
verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze
kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering
van deze wet.
2. De natuurlijke persoon van wie
of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat
als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen
2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande
opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een
godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het
einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste
en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student
vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar
waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze
voortgang in kennis.
3. Voorts stelt de natuurlijke
persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, na het einde
van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister
in kennis welke studenten de norm van 30 of 20 studiepunten niet
hebben behaald.
4. De natuurlijke persoon of het
bestuur, bedoeld in het tweede lid, stuurt gelijktijdig een
afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de
betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan
wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van
de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang
voor betrokkene open staat.
5. Onze Minister kan voor
instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van
de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon
van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling
uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin
een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger
onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet
aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in
kennis stelt.
Artikel 9.6. Verstrekken van
inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak
Organen met een publiekrechtelijke
taak zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te
geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de
uitvoering van deze wet.
Artikel 9.6a [Vervallen per
01-01-2009]
Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling
met landen binnen de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan de gegevens
die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar
wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een
tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor
levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte.
2. De in het eerste lid bedoelde
verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van
gegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een
tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of
voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
3. Onze Minister kan, voor de
uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die
studiefinanciering aanvraagt danwel reeds ontvangt, opvragen bij
het bevoegd gezag van een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte waar de studerende een
opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond
vanartikel 2.14, eerste lid.
Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling
met landen buiten de Europese Economische Ruimte
1. Onze Minister kan,
overeenkomstig artikel 9.6b, gegevens, die bij haar bekend zijn
als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken,
uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een
passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet
bescherming persoonsgegevens waarborgt.
2. Voor gegevensuitwisseling als
bedoeld in artikel 9.6b met een staat die geen passend
beschermingsniveau kan waarborgen, kan Onze Minister een
vergunning als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens aanvragen bij Onze Minister van
Justitie.
Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke
geldschulden en bestuurlijke boete
Artikel 9.7. Niet verstrekken
inlichtingen door instelling over studievoortgang
Indien een instelling als bedoeld in
de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11, niet uiterlijk 1 november volgend op
het einde van het studiejaar aan Onze Minister de gegevens, bedoeld
in artikel 7.9a van de WHW, of in de artikelen 9.5, derde lid, of
10.6, vierde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van
Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag
aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering,
bedoeld in de artikelen 10a.3, vijfde lid, of 10.7, dat aan de
studenten aan die instelling is toegekend.
Artikel 9.8. Niet verstrekken
inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid deelnemers
Indien een instelling als bedoeld in
artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in een studiejaar niet een
administratie als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, voert of niet
na afloop van de in de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 bedoelde periodes
van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister
de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze
Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als
gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die
instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is
toegekend.
Artikel 9.9. Niet voldoen aan
verplichtingen artikel 1.5 door studerende
1. Indien een studerende het
normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen
maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel
1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten
hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband
daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
2. De herziening vindt plaats met
ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging
heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens. Indien de ouders van de studerende of een van
hen zich na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige
volzin, heeft doen inschrijven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde woonadres als de
studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag
van deze inschrijving.
3. Degene aan wie een bestuurlijke
boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
bestuurlijke boete van belang zijn.
Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij
tweede maal niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5
1. Indien Onze Minister de
studerende een bestuurlijke boete als bedoeld inartikel 9.9,
eerste lid, heeft opgelegd en de studerende heeft, nadat
voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor
een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete
opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de
studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een
herziening.
2. De herziening vindt plaats met
ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de
herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of, indien
dit een latere datum betreft, de dag waarop de studerende zijn
laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Indien de
ouders van de studerende of een van hen zich na de laatste dag
van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9,
eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de
vorige volzin, heeft doen inschrijven in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde woonadres als
de studerende, dan vindt de herziening plaats met ingang van de
dag van deze inschrijving.
3. Indien Onze Minister de
studerende een boete als bedoeld in het eerste lid heeft
opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op
studiefinanciering vervalt.
4. Degene aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze
Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
Artikel 9.10. Niet verstrekken van
inlichtingen
Hij die niet voldoet aan een van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 9.5, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 9.11. Overtreding van een
bepaling krachtens deze wet
Overtreding van bepalingen van een
krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur,
voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit
artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 1
maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 9.12. Overtreding
De in de artikelen 9.10 en 9.11
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs;
tempobeurs
Artikel 10.1. Tempobeurs
In dit hoofdstuk wordt onder
tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die onder voorwaarden
kan worden omgezet in een lening. De tempobeurs omvat niet de
reisvoorziening.
Artikel 10.2. Reikwijdte; hoofdstuk
uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996
1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van
toepassing op studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september
1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs
studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de
studiefinanciering.
2. Dit hoofdstuk is niet van
toepassing op studenten die onderwijs volgen aan een opleiding als
bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.14. De studiefinanciering aan
deze studenten wordt op grond van artikel VI van de wet van 28
maart 1996 (Stb. 226) gedurende 6 jaren verstrekt in de vorm van
een gift. Indien Onze Minister heeft bepaald dat het een langere
opleiding betreft, wordt het aantal van 6 jaren verhoogd met het
meerdere.
Artikel 10.3. Vorm waarin
studiefinanciering wordt verstrekt
1. In afwijking van artikel 3.1,
tweede lid, onderdeel b, kan studiefinanciering worden toegekend
in de vorm van tempobeurs.
2. Studiefinanciering met
uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het
aantal jaren genoemd in artikel 10.5, verstrekt in de vorm van een
tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een
gift.
3. Studiefinanciering met
uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de
periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een
lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een
gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden
geleend, bedraagt, in afwijking van de artikelen 3.2 en 3.3, naar
de maatstaf van 1 januari 2007€ 809,93 [Red: per 1 januari 2013
tot 1 januari 2014 € 873,12] . De artikelen 3.13 en 3.18 zijn
niet van toepassing.
Artikel 10.4. Afwijking van de
artikelen 2.13 (voorheen artikel 9, zevende lid) en 2.16 (voorheen
artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer
In afwijking van de artikelen 2.13 en
2.16 geldt dat:
a. een student geen aanspraak op
studiefinanciering heeft:
1°. indien hij na het
verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs gedurende 24
maanden een lening heeft genoten,
2°. indien hij na het
verstrijken van zijn aanspraak op de tempobeurs ingevolge
artikel 10.8, tweede lid, gedurende 36 maanden een lening
heeft genoten, of
3°. indien hij is
ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder
begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar,
en
b. de studerende geen aanspraak
op studiefinanciering heeft voor het volgen van een opleiding in
het beroepsonderwijs, indien hij reeds 5 jaren
studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een
opleiding in het hoger onderwijs.
Artikel 10.5. Duur van de tempobeurs
(voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid)
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een
onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
2. De tempobeurs wordt gedurende 6
jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding, genoemd in
artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat
artikel op 31 augustus 2002 luidde, of
b. het geheel van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van
de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a,
derde lid, eerste volzin, van de WHW.
3. De tempobeurs wordt gedurende 7
jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding, genoemd in
artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de WHW, zoals dat
artikel op 31 augustus 2002 luidde,
b. het geheel van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van
de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a,
zesde lid, van de WHW, of
c. het geheel van een
bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van
de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a,
derde lid, tweede volzin.
4. De tempobeurs wordt gedurende
7,5 jaren verstrekt, indien het betreft:
a. een opleiding als bedoeld in
artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari
2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een openbare
universiteit die dan wel het geheel van een bacheloropleiding
en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare
of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en
examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs
in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot
leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap,
b. het geheel van een
bacheloropleiding en masteropleiding met een gezamenlijke
studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of
levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor
wetenschappelijk onderwijs,
c. een opleiding als bedoeld in
artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari
2010 (Stb. 119) met een studielast van 360 studiepunten
gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan
een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs,
d. het geheel van een
bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen
het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling
als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW zoals dat artikel luidde
op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4
februari 2010 (Stb. 119), of
e. een opleiding in de zin van
artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari
2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een aangewezen
instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW zoals dat
artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
5. De periode van 5 jaren, genoemd
in artikel 10.3, tweede lid, wordt met 1 jaar verlengd, indien de
student een opleiding volgt als bedoeld in:
a. artikel 7.4b, tweede lid,
van de WHW,
b. artikel 18.16 van de WHW, of
c. artikel 18.20 van de WHW.
6. Onze Minister verlengt op
aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in
dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens
gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de
onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een
lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat
is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat
aantal jaren tempobeurs.
7. Indien een student gelijktijdig
staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie
als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode
van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, slechts verlengd
nadat hij aan Onze Minister een verklaring van het
instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 240
studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot
verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient
eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving
voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is
verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de
inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is
verleend niet wordt gestaakt.
Artikel 10.6. Toelage na korting
wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen
artikel 17b)
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een
onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
2. De tempobeurs bestaat geheel uit
lening in het studiejaar waarin de student niet ten minste 30
studiepunten heeft behaald. De vorige volzin is niet van
toepassing op opleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid,
eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus
2002, en in artikel 7.4a, derde lid, van de WHW en artikel 7.4b,
achtste lid, van de WHW. Voor een student die zich als student in
het onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, inschrijft na 31
januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste
volzin een norm van 20 studiepunten.
3. In afwijking van het tweede lid
kan Onze Minister naar aanleiding van een door een instelling als
bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8
en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande
opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een
godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, in te dienen
aanvraag, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm
voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze
andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in
studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat
een student in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin
bedoelde norm.
4. De natuurlijke persoon van wie
of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat
als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen
2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande
opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een
godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het
einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste
en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student
vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar
waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze
voortgang in kennis.
5. Voorts stelt de natuurlijke
persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde
van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister
in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld
in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de
verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 9.5,
eerste lid, vastgestelde regels van toepassing.
6. De natuurlijke persoon of het
bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een
afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de
betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan
wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van
de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang
voor betrokkene open staat.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand
studiejaar mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of
aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met
betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig
jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking,
inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student
toegekende studiefinanciering op grond van artikel 10.7.
Artikel 10.7. Voorwaardelijke
toekenning studiefinanciering en latere vaststelling
onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a)
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die een opleiding volgen aan een
onderwijsinstelling als bedoeld in de artikelen 2.8, 2.9 en 2.10.
2. Ten aanzien van een student
wordt de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student
over een studiejaar het in artikel 10.6, tweede lid, of het
krachtens artikel 10.6, derde lid, vastgestelde resultaat behaalt.
3. Over het studiejaar waarin de
student blijkens de mededeling aan Onze Minister, bedoeld in
artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin, of de mededeling, bedoeld
in artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW, de norm van de
studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31
december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar
is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening.
Onze Minister maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de
student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie Onze
Minister niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin,
heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin
het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege
onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
4. Bij de beoordeling van de
studievoortgang tellen de studiepunten mee die zijn behaald in
opleidingen waarop artikel 10.6 van toepassing is. Bij de
beoordeling van de studievoortgang tellen niet mee de studiepunten
die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in
artikel 7.13, tweede lid, onderdeel r, van de WHW.
5. Indien een student als bedoeld
in het tweede lid, in het eerste studiejaar van inschrijving in
het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering
geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari,
en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering
in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs
krijgt toegekend, wordt aan het einde van dat studiejaar de
tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift
vastgesteld.
6. In het studiejaar waarin de
student, bedoeld in het tweede lid, een opleiding waarvoor de
student staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt, wordt de
tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift
vastgesteld.
7. Indien een onderwijsinstelling
als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, niet na het einde van elk
studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan Onze Minister de
gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of artikel 10.6,
vierde lid, heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk
als gift vastgesteld.
Artikel 10.8. Omzetting van integrale
lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b)
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die:
a. na 31 augustus 1995 en voor
1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger
onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op
de studiefinanciering, en
b. een voltijdse opleiding
volgen als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW ,
zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, of het geheel
van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste
lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel
7.4a, vijfde lid, van de WHW.
2. Indien aan een student na de
periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, op grond
van artikel 10.3, derde lid, studiefinanciering in de vorm van
lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met
1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie
van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van
het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan Onze Minister
overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode
opnieuw vastgesteld alsof artikel 10.3, derde lid, eerste volzin,
over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die
leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de
vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die
leenperiode.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op maanden die deel uitmaken van een studiejaar waarin
de student niet het in artikel 10.6, tweede lid, genoemde aantal
studiepunten heeft behaald. De eerste volzin is niet van
toepassing op maanden van het studiejaar waarin de student de
opleiding waarvoor hij staat ingeschreven, met goed gevolg
afrondt.
4. Het tweede lid is niet van
toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het
getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode
waarop het tweede lid, laatste volzin, betrekking heeft, of
wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat
getuigschrift, aan Onze Minister is overgelegd.
5. Bij het in het tweede lid
bedoelde opnieuw vaststellen van de studiefinanciering wordt de
per maand in aanmerking te nemen aanvullende beurs vastgesteld op
het gemiddelde van de maandbedragen aan aanvullende beurs die aan
de aanvrager voorwaardelijk zijn toegekend over de laatste 12
maanden van de in het tweede lid bedoelde periode van 5 jaren. De
toekenning van gift op grond van het tweede lid is een
onvoorwaardelijke.
Hoofdstuk 10a. Opbouw en
terugbetaling studieschuld; «oude»debiteuren
Artikel 10a.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is uitsluitend van
toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor
het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag
hebben ingediend als bedoeld in artikel 10a.2.
Artikel 10a.2. Overstappen
1. Een debiteur die voor het
studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en
voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen,
kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van hoofdstuk 6.
Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin
uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede
uitvoering van het eerste lid.
Artikel 10a.3. Toepassing
artikelenhoofdstuk 6
De artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8,
6.12, en 6.14 tot en met 6.17 zijn van overeenkomstige toepassing op
debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen.
Artikel 10a.4. Aflosfase
De aflosfase beslaat behoudens
toepassing vanartikel 10a.6, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op
de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien artikel 10a.11,
tweede lid, van toepassing is.
Artikel 10a.5. Opschorten
terugbetaling
1. In afwijking van artikel 10a.4
kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de
terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
2. De aflosfase wordt verlengd met
het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije
periode op grond van het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de
opschorting, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10a.6. Vaststelling en
betaling terugbetalingstermijnen
1. Rente en aflossing van de lening
vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse
termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase
onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de
aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
a. het eerste jaar van de
aflosfase,
b. het vierde jaar van de
aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het
vierde jaar van de aflosfase.
3. Onverminderdartikel 10a.7,
eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan
maandelijkse termijnen ten minste€ 545,–. Bij ministeriële
regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden
herzien.
4. Rente en aflossing van de lening
van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in
afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse
termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een
jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het
einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het
buitenland woont. De artikelen 6.4 en 6.6 zijn in dat geval van
overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste
volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en
aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen
maar in maandelijkse termijnen.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en
betaling van de terugbetalingstermijnen.
Artikel 10a.7. Vaststelling
draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat
is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de
aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn
draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur
is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in
het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de
draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn,
betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.
Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur
uit inkomen op jaarbasis
1. Maatstaf voor de vaststelling
van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn
toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Op het toetsingsinkomen wordt in
mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk
aan het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan
het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien voor de
debiteur voor de inkomstenbelasting – naast de algemene
heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn
partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld
in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing
is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde
heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting maar niet
de alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, is de
draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die
van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de
algemene heffingskorting– voor zijn partner de verhoging van de
gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
3. Het resterende inkomen wordt
verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het
tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf
ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede
jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste
en de tweede schijf.
4. Indien de debiteur of zijn
partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van
de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3
volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de
draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is
benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte
deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van
de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de
draagkrachtvrije voet van de ander.
5. Indien de debiteur en zijn
partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van
de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3
volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid
toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het
laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de
draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld
naar de ander.
6. De draagkracht van de debiteur
uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede
schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
7. In afwijking van het tweede tot
en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een
debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële
regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt
jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende
groepen debiteuren verschillend luiden.
8. Voor de toepassing van dit
artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon
in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze
Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te
stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
Artikel 10a.9. Andere aanpassing van
draagkracht debiteur
Indien voor de debiteur voor de
inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld – naast de algemene
heffingskorting – de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn
partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld
in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing
wordt, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn
draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
Artikel 10a.10. Draagkracht partner
van debiteur
1. Indien de debiteur op grond van
zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te
betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend
overeenkomstig de artikelen 10a.7, 10a.8, 6.12 en 6.13.
2. Indien de draagkracht van de
debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn,
bedoeld in artikel 10a.6, tweede lid, wordt de draagkracht van de
partner aangewend voor het resterende gedeelte.
Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht
partner niet meetellen
1. Bij de bepaling van de
draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het
inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag
indient.
2. Voor ieder jaar dat op grond van
de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met
het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase
verlengd met een jaar.
Artikel 10a.12. Beide partners
debiteur hoofdstuk 10a
Indien de partner van de debiteur ook
een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing
is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Op
het bedrag dat aan draagkracht resteert isartikel 10a.10, tweede
lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10a.13. Partner
debiteurhoofdstuk 6
1. Indien de partner van de
debiteur een debiteur is op wie hoofdstuk 6 van toepassing is,
blijft artikel 10a.10, eerste lid, buiten toepassing.
2. Bij de toepassing van artikel
10a.10, tweede lid, wordt de draagkracht van de debiteur op wie
hoofdstuk 6 van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag
van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijn,
bedoeld in artikel 6.9, tweede lid.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikel 11.1. Aanpassing van bedragen
1. Per 1 januari van ieder
kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de
artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, 3.17, eerste lid, 3.18,
met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2
en 10.3, aan op een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of
prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande
kalenderjaar.
2. De bedragen maximale aanvullende
beurs/lening in de kolom hoger onderwijs, genoemd in overzicht 2
van artikel 3.18, worden voor de studiejaren 2009–2010 tot en
met 2018–2019 jaarlijks op 1 september verhoogd met een bedrag
van € 1,84. Het bedrag basislening in de kolom hoger onderwijs,
genoemd in overzicht 2 van artikel 3.18, wordt gelijktijdig met
hetzelfde bedrag verlaagd.
3. De aangepaste bedragen treden in
de plaats van de in het eerste en tweede lid bedoelde, aan te
passen bedragen.
Artikel 11.2. Titel 4.2 Awb niet van
toepassing
Titel 4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
Artikel 11.3. Vervreemding,
verpanding, belening en beslag
1. Studiefinanciering is niet
vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening en beslag,
waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
2. Elk beding, strijdig met dit
artikel, is nietig.
Artikel 11.4 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 11.5. Hardheidsclausule
1. Onze Minister kan voor bepaalde
gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor
zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te
beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. het begrip partner,
b. het begrip toetsingsinkomen,
c. het begrip vreemdeling,
d. artikel 1.8, en
e. artikel 3.4, vierde lid.
Artikel 11.6 [Vervallen per
19-04-2001]
Artikel 11.7 [Vervallen per
19-04-2001]
Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
Artikel 12.1. Afwijking van artikel
1.1
1. [Vervallen.]
2. [Vervallen.]
3. [Vervallen.]
4. [Vervallen.]
5. [Vervallen.]
6. Onder de begripsbepaling van
«bacheloropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede
verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid,
onderdeel a, van de WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18
van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van
toepassing is.
7. Onder de begripsbepaling van
«masteropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede
verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid,
onderdeel b, van de WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18
van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van
toepassing is.
Artikel 12.1a. Afwijking van artikel
1.5
Voor deelnemers die voor 1 augustus
onderscheidenlijk voor studenten die voor 1 september volgend op het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel XII van de wet van 13
december 2000 tot wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak
jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en
uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het
adres van een ingezetene, Stb. 2001, 67, studiefinanciering op grond
van de Wet op de studiefinanciering of van deze wet ontvingen, geldt
in afwijking vanartikel 1.5, zoals dat artikel luidde op 31 december
2011, dat waar de studerende woont naar de omstandigheden wordt
beoordeeld.
Artikel 12.1a0. Afwijking van artikel
2.1
1. In afwijking van artikel 2.1
regelt dit artikel het langstudeerderskrediet.
2. Het langstudeerderskrediet is
een lening die op aanvraag kan worden toegekend voor het
studiejaar 2011–2012, 2012–2013 of 2013–2014. Het
langstudeerderskrediet kan worden toegekend aan een iemand die:
a. voor 1 september 2011
aanspraak op studiefinanciering had;
b. op het moment van aanvraag
geen aanspraak op studiefinanciering heeft; en
c. het verhoogde wettelijke
collegegeld verschuldigd is op grond van artikel 7.45b van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
3. Het langstudeerderskrediet
voor het desbetreffende studiejaar wordt in een keer uitgekeerd
en bedraagt maximaal de hoogte van de opslag, bedoeld in artikel
7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag,
toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het
langstudeerderskrediet.
5. Hoofdstuk 6 en 10a en de
artikelen 7.1 en 7.3 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12.1aa. Afwijking van artikel
2.3
Op de deelnemer die voor 1 augustus
2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering
ontving, blijft artikel 2.3, vierde lid, zoals dat luidde op 31 juli
2005 van toepassing zolang hij zonder onderbreking
studiefinanciering geniet.
Artikel 12.1b. Afwijking van de
artikelen 2.8 en 2.9
1. In afwijking van de artikelen
2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student
die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding
als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 van de WHW zoals die
artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of 18.16 van de WHW,
voorzover die opleiding is geaccrediteerd als bedoeld in artikel
1.1, onderdeel s, van de WHW of de toets nieuwe opleiding,
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van de WHW, met positief
gevolg heeft ondergaan.
2. In afwijking van de artikelen
2.8 en 2.9 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een student
die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding
als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende
wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van
in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde
maatregelen (Stb. 1998, 216), voorzover die opleiding is
geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 van de WHW.
3. In afwijking van artikel 2.8,
tweede lid, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip in plaats van ‘6.5, tweede lid’: 6.5, derde lid.
4. In aanvulling op artikel 2.9
kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een
student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is
ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding
of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling
als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 van de WHW, zoals die
artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond
van de artikelen 2.12 en 5.4 en afwijking van artikel 2.14
Op een student die voor 1 september
2007 voor het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland
studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 2.12, 2.14 en 5.4,
zoals die luidden op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij
zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
Artikel 12.1c. Afwijking van artikel
2.14
1. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op studenten die voor 1 september 2007 zonder
aanspraak op prestatiebeurs of visiebeurs buiten Nederland
ingeschreven stonden voor het volgen van een hoger
onderwijsopleiding en om deze reden niet kunnen voldoen aan de
verblijfsvoorwaarde, genoemd in artikel 2.14, tweede lid.
2. In afwijking van artikel 2.14,
eerste en tweede lid, kan de student, bedoeld in het eerste lid,
voor studiefinanciering voor het volgen van een opleiding die
voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, in
aanmerking komen als hij ten minste 3 jaren van de 6 jaren
voorafgaand aan de inschrijving aan de opleiding, bedoeld in het
eerste lid, in Nederland heeft gewoond.
3. Voor de toepassing van het
tweede lid wordt onder hoger onderwijsopleiding tevens verstaan
een opleiding als bedoeld inartikel 2.12, zoals dat luidde op 31
augustus 2007.
Artikel 12.1ca. Afwijking van artikel
2.17
Voor een studerende die reeds voor de
inwerkingtreding van artikel 2.17 studiefinanciering ontving en
wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van
artikel 2.17 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van dat
artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt,
aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 2.17 en eindigt
de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van
artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming
zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag
van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als
bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
Artikel 12.1d [Vervallen per
01-09-2012]
Artikel 12.2. Afwijking van artikel
3.18 voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel
1. In afwijking van artikel 3.18
wordt het normbedrag maximale aanvullende beurs/lening (of
veronderstelde ouderlijke bijdrage) voor zowel thuiswonend als
uitwonend en voor zowel hoger onderwijs als beroepsonderwijs voor
het kalenderjaar 2006 eenmalig verhoogd met€ 5,84.
2. In afwijking van artikel 3.18
wordt het normbedrag basislening voor zowel hoger onderwijs als
beroepsonderwijs voor het kalenderjaar 2006 eenmalig verlaagd met€
5,84.
Artikel 12.3. Afwijking van artikel
3.21 in het studiejaar 2007–2008
In afwijking van artikel 3.21, tweede
lid, kan een student die voor 1 september 2007, zonder aanspraak op
studiefinanciering of visiebeurs, reeds ingeschreven stond voor het
volgen van hoger onderwijs buiten Nederland, met terugwerkende
kracht tot uiterlijk 1 september 2007 aanspraak maken op
studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs buiten
Nederland, indien hij uiterlijk 31 augustus 2008 hiertoe een
aanvraag indient.
Artikel 12.4 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.5 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.6 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.7 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.8 [Vervallen per
22-10-2008]
Artikel 12.9. Afwijking van de
artikelen 5.2 en 6.2
Op de student die vóór 1 september
2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving,
blijven de artikelen 5.2, eerste lid, en 6.2, tweede lid, van
toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
Artikel 12.9a. Reeds toegekende
reisvoorziening
Op een student die een
reisvoorziening als bedoeld in artikel 5.3, zoals dat artikel luidde
voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Y,
van deze Wijzigingswet van 12 juli 2012 toegekend heeft gekregen,
blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening artikel 5.3
zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel I, onderdeel Y, van deze Wijzigingswet van 12 juli 2012 van
toepassing.
Artikel 12.10. Afwijking van artikel
5.6
1. In afwijking van artikel 5.6
wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de
prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het
betreft een opleiding:
a. genoemd in artikel 7.4,
derde lid, eerste volzin, van de WHW, zoals dat artikel op
31 augustus 2002 luidde,
b. genoemd in artikel 7.4,
zesde lid, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002
luidde, of
c. genoemd in artikel 18.20
van de WHW.
2. In afwijking van artikel 5.6
wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de
prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het
betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede
volzin, van de WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002
luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het
verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is
gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een student:
a. met goed gevolg een examen
heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en
b. dat deel ten minste 240
studiepunten bedraagt.
3. In afwijking van artikel 5.6
wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de
prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het
betreft:
a. een opleiding als bedoeld
in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4
februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een
openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en
examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het
onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een
kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat
kerkgenootschap, en
b. een opleiding als bedoeld
in artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4
februari 2010 (Stb. 119) met een studielast van 360
studiepunten gericht op een godsdienstig of
levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor
wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van
artikel 18.15 van de WHW zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4
februari 2010 (Stb. 119) in de godgeleerdheid aan een op
grond van artikel 6.9 van de WHW zoals dat artikel luidde op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4
februari 2010 (Stb. 119) aangewezen instelling.
4. In afwijking van artikel 6.5
wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een
student die voor inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010
(Stb. 119) studiefinanciering ontving voor:
a. het geheel van een
bacheloropleiding en een masteropleiding in de
godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit
dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt
gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een
opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of
ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of
b. een opleiding met een
studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig
of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling
voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een
bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid
binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen
instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de WHW, zoals dat
artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).
Artikel 12.10a. Afwijking van artikel
6.3
Het rentepercentage voor leningen
aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking vanartikel 6.3, 1,65
procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage.
Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking
van artikel 11.1
1. Artikel 11.1, eerste lid, is
niet van toepassing in het kalenderjaar 2011, met uitzondering
van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de
artikelen 3.4, tweede lid. en 3.9, derde lid.
2. Artikel 11.1, eerste lid, is
niet van toepassing in het kalenderjaar 2012, met uitzondering
van hetgeen in dat artikellid is bepaald ten aanzien van de
artikelen 3.4, tweede lid, 3.9, derde lid, en artikel 3.17,
eerste lid.
Artikel 12.11. Afwijking in verband
met de Aanpassingswet AWIR
1. Op besluiten met betrekking tot
studiefinanciering voor het kalenderjaar 2006 zijn de bepalingen,
opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel I, van de
Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van
toepassing.
2. Op besluiten met betrekking tot
studiefinanciering voor het kalenderjaar 2007 zijn de bepalingen,
opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel II, van de
Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van
toepassing.
3. Op besluiten met betrekking tot
studiefinanciering voor de kalenderjaren 2008 en volgende zijn de
bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel III, van
de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van
toepassing.
Artikel 12.12. Afwijking in verband
met de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel III van de
Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is de Algemene wet
bestuursrecht zoals die geldt na inwerkingtreding van de Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht van toepassing op alle betalingen
op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 12.13. Aanspraken en
verplichtingen op grond van de Wet op de studiefinanciering
1. Aanvragen op grond van de Wet op
de studiefinanciering worden van rechtswege omgezet in een
aanvraag op grond van deze wet.
2. Studiefinanciering die op grond
van de Wet op de studiefinanciering is toegekend, wordt van
rechtswege omgezet in studiefinanciering op grond van deze wet.
3. Verplichtingen die op grond van
de Wet op de studiefinanciering bestaan, worden van rechtswege
omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.
Artikel 12.14 [Vervallen per
22-10-2008]
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere
wetten
Artikel 13.1. Algemene bijstandswet
[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]
Artikel 13.2. Algemene
Kinderbijslagwet
[Wijzigt de Algemene
Kinderbijslagwet.]
Artikel 13.3. Derde tranche Algemene
wet bestuursrecht
[Wijzigt de wet van 20 juni 1996 tot
aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 13.4. Experimentenwet
onderwijs
[Wijzigt de Experimentenwet
onderwijs.]
Artikel 13.5. Faillissementswet
[Wijzigt de Faillissementswet.]
Artikel 13.6. Les- en cursusgeldwet
[Wijzigt de Les- en cursusgeldwet.]
Artikel 13.7. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
[Wijzigt de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.]
Artikel 13.8. Wet educatie en
beroepsonderwijs
[Wijzigt de WEB.]
Artikel 13.9. Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.]
Artikel 13.10. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.]
Artikel 13.11. Wet inschakeling
werkzoekenden
[Wijzigt de Wet inschakeling
werkzoekenden.]
Artikel 13.12. Wet op de
inkomstenbelasting 1964
[Wijzigt de Wet op de
inkomstenbelasting 1964.]
Artikel 13.13. Wet op de
studiefinanciering
[Wijzigt de Wet op de
studiefinanciering.]
Artikel 13.14. Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
[Wijzigt de WHW.]
Artikel 13.15. Wet op het voortgezet
onderwijs
[Wijzigt de Wet op het voortgezet
onderwijs.]
Artikel 13.16. Wet tegemoetkoming
studiekosten
[Wijzigt de Wet tegemoetkoming
studiekosten.]
Artikel 13.17. Wet van 28 maart 1996,
Stb. 227
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de
studiefinanciering, enz. (invoering prestatiebeurs en aanspraak
studiefinanciering).]
Artikel 13.18. Wet van 2 april 1998,
Stb. 216
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en Wet op de
studiefinanciering (uitvoering van in het hoger onderwijs- en
onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen).]
Artikel 13.19. Wet verzelfstandiging
Informatiseringsbank
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging
Informatiseringsbank.]
Artikel 13.20. Ziekenfondswet
[Wijzigt de Ziekenfondswet.]
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Artikel 14.1. Intrekking Wet op de
studiefinanciering
1. De Wet op de studiefinanciering
wordt ingetrokken.
2. In afwijking van het eerste lid
blijft hoofdstuk VII van de Wet op de studiefinanciering met
uitzondering van artikel 119b van kracht tot een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
3. In afwijking van het eerste lid
blijven de artikelen 141 tot en met 150 van de Wet op de
studiefinanciering van kracht.
Artikel 14.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1
september 2000, met uitzondering van:
a. artikel 13.6 dat voor wat
betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000,
b. artikel 13.13 dat voor wat
betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en
c. artikel 13.13 dat voor wat
betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
Artikel 14.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
studiefinanciering 2000.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
29 juni 2000
BEATRIX
De
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
Uitgegeven de dertiende
juli 2000
De
Minister van Justitie,
A.H.
Korthals
|