| |
|
|
|
|
vorige
WET
SUBSIDIËRING POLITIEKE PARTIJEN
Tekst zoals deze geldt op
19 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Regeling subsidiëring politieke partijen
WET van 17 mei 1999, houdende regeling
van de subsidiëring van politieke partijen (Wet subsidiëring politieke
partijen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
wettelijke regels te stellen inzake de subsidiëring van politieke
partijen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. politieke partij: een vereniging waarvan de aanduiding op
grond van artikel G 1 van de Kieswet is geregistreerd in het
register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede
Kamer;
c. leden van een politieke partij: leden met vergader- en
stemrechten in de vereniging, die jaarlijks elk€ 12,– of meer
aan contributie betalen;
d. politiek-wetenschappelijk instituut: een
politiek-wetenschappelijk instituut als bedoeld in artikel 3;
e. politieke jongerenorganisatie: een politieke
jongerenorganisatie als bedoeld in artikel 3;
f. leden van een politieke jongerenorganisatie: leden die niet
jonger dan 14 jaar en niet ouder dan 27 jaar zijn en die jaarlijks€
5,– of meer aan contributie betalen;
g. kamerzetel: een zetel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
dan wel in de Eerste Kamer der Staten-Generaal, indien aan de lijst
van een politieke partij op grond van de Kieswet geen zetels in de
Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn toegewezen;
h. peildatum: de eerste dag van het kalenderjaar.
Artikel 2
1.Onze Minister verstrekt subsidie aan een politieke partij die aan
de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer
der Staten-Generaal heeft deelgenomen met haar aanduiding boven de
kandidatenlijst en aan de lijst waarvan daarbij een of meer zetels
zijn toegekend.
2.De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.
3.Geen subsidie wordt verstrekt aan een politieke partij die op de
peildatum niet beschikt over ten minste 1.000 leden.
Artikel 3
1.Een politieke partij kan voor de toepassing van deze wet één
politieke jongerenorganisatie aanduiden en met deze
jongerenorganisatie een schriftelijke overeenkomst tot
subsidieverlening sluiten. Een politieke jongerenorganisatie kan
slechts door één politieke partij worden aangeduid.
2.Om als politieke jongerenorganisatie aangeduid te kunnen worden,
is vereist dat:
a. de organisatie een vereniging is die uitsluitend of in
hoofdzaak activiteiten verricht ter bevordering van de politieke
participatie van jongeren, en
b. van het ledental ten minste tweederde deel, bestaande uit in
ieder geval honderd leden, niet jonger dan 14 jaar en niet ouder
dan 27 jaar is.
3.Een politieke partij kan voor de toepassing van deze wet één
politiek-wetenschappelijk instituut aanduiden en met dit instituut een
schriftelijke overeenkomst tot subsidieverlening sluiten. Een
politiek-wetenschappelijk instituut kan slechts door één politieke
partij worden aangeduid.
4.Om als politiek-wetenschappelijk instituut aangeduid te kunnen
worden, is vereist dat het instituut een rechtspersoon is die
uitsluitend of in hoofdzaak politiek-wetenschappelijke activiteiten
verricht.
5.Aan de schriftelijke overeenkomsten tot subsidieverlening of aan
het sluiten van deze overeenkomsten, kunnen door de politieke partij
geen andere voorwaarden worden verbonden, dan die welke voortvloeien
uit de toepassing van deze wet.
Artikel 4
1.Het lidmaatschap van een politieke partij en van een politieke
jongerenorganisatie dient te blijken uit een uitdrukkelijke
wilsverklaring van betrokkene.
2.Indien van een politieke partij een andere politieke groepering
lid is en die politieke groepering op grond van de Kieswet haar
aanduiding heeft laten registreren, kunnen de leden van deze politieke
groepering worden aangemerkt als leden van de politieke partij als
bedoeld in artikel 2, derde lid, tenzij de politieke groepering op
grond van deze wet voor subsidie in aanmerking komt. Op het
lidmaatschap van de leden van de politieke groepering is het eerste
lid van overeenkomstige toepassing en deze leden dienen ermee te
hebben ingestemd dat zij tevens als lid van de politieke partij worden
aangemerkt.
Paragraaf 2. De subsidie
Artikel 5
De subsidie wordt slechts verstrekt voor uitgaven die direct
samenhangen met de volgende activiteiten:
a. politieke vormings- en scholingsactiviteiten;
b. informatievoorziening;
c. het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten
Nederland;
d. het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten
behoeve van het kader van zusterpartijen buiten Nederland;
e. politiek-wetenschappelijke activiteiten;
f. activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van
jongeren;
g. het werven van leden;
h. het betrekken van niet-leden bij subsidiabele activiteiten van
de politieke partij;
i. werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers;
j. activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes.
Artikel 6
1. De subsidie bedraagt ten hoogste de som van de volgende
bedragen:
a. een basisbedrag van € 169.539[per 1 januari 2011: €
191.200] en per kamerzetel van de politieke partij, een bedrag van
€ 49.175[per 1 januari 2011: € 55.457] en per lid van de
politieke partij een bedrag dat gelijk is aan€ 1.856.360[per 1
januari 2011: € 2.093.533] gedeeld door het aantal leden van
alle politieke partijen gezamenlijk; en
b. indien de politieke partij op de peildatum een
politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangeduid, een
basisbedrag van € 119.076[per 1 januari 2011: € 134.288] en
per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van€
12.238[per 1 januari 2011: € 13.802] ; en
c. indien de politieke partij op de peildatum een
jongerenorganisatie heeft aangeduid, een bedrag per kamerzetel van
de politieke partij en een bedrag per lid van de politieke
jongerenorganisatie berekend overeenkomstig het tweede lid.
2. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder c,
wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, €
477.322[per 1 januari 2011: € 538.306] te delen door het aantal
kamerzetels van alle politieke partijen die een politieke
jongerenorganisatie hebben aangeduid. Het bedrag per lid van de
politieke jongerenorganisatie wordt berekend door € 477.322[per 1
januari 2011: € 538.306] te delen door het aantal leden van alle
aangeduide politieke jongerenorganisaties op 1 januari.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de vaststelling
van het aantal kamerzetels van een politieke partij, het aantal leden
van een politieke partij en het aantal leden van een politieke
jongerenorganisatie uitgegaan van de peildatum.
4. Indien politieke partijen bij de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde verkiezingen een samenvoeging van hun geregistreerde
aanduidingen of afkortingen daarvan boven de kandidatenlijst hebben
geplaatst, gelden in afwijking van het eerste lid, de in dat lid
genoemde basisbedragen voor deze partijen gezamenlijk en worden deze
bedragen verdeeld naar evenredigheid van hun kamerzetels. Voor de
vaststelling van het aantal kamerzetels van de betrokken politieke
partijen, wordt uitgegaan van een daartoe strekkende verklaring van de
voorzitter van de Tweede Kamer respectievelijk de Eerste Kamer.
5. De verdeling op grond van het vierde lid van het basisbedrag,
bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt slechts voor zover de
politieke partijen een politiek-wetenschappelijk instituut hebben
aangewezen.
6. Onze Minister past de bedragen, genoemd in het eerste en tweede
lid, per 1 januari van elk jaar aan volgens de voor de rijksbegroting
gehanteerde loon- en prijsbijstelling.
Artikel 7
1.Het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, wordt
slechts verstrekt voorzover de uitgaven van het aangeduide
politiek-wetenschappelijk instituut voor subsidie in aanmerking komen.
Aan de subsidie is de verplichting verbonden dat in de overeenkomst,
bedoeld in artikel 3, derde lid, is vastgelegd dat ten minste het ten
behoeve van het politiek-wetenschappelijk instituut verstrekte bedrag,
door de politieke partij aan het politiek-wetenschappelijke instituut
wordt betaald.
2.Het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt
slechts verstrekt voorzover de uitgaven van de aangeduide politieke
jongerenorganisatie voor subsidie in aanmerking komen. Aan de subsidie
is de verplichting verbonden dat in de overeenkomst, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, is vastgelegd dat ten minste het ten behoeve
van de politieke jongerenorganisatie verstrekte bedrag, door de
politieke partij aan de politieke jongerenorganisatie wordt betaald.
Paragraaf 3. De procedure
Artikel 8
1.De aanvraag van de subsidie voor een kalenderjaar wordt uiterlijk
1 november van het voorafgaande jaar ingediend.
2.De aanvraag van de subsidie gaat vergezeld van een
activiteitenplan, een begroting, een opgave van de ledentallen op de
peildatum van de politieke partij en, indien van toepassing, van de
aangeduide politieke jongerenorganisatie.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld aan de
inrichting van het activiteitenplan, de begroting en de opgave van de
ledentallen van de politieke partij en van de aangeduide politieke
jongerenorganisatie voorzover van belang voor de verlening van de
subsidie.
Artikel 9
1.Aan de subsidie is de verplichting verbonden dat de politieke
partij een zodanig ingerichte administratie voert, dat daaruit te
allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde
rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen
worden nagegaan.
2.De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
gedurende tien jaren bewaard.
Artikel 10
1.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend
binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar.
2.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van
een financieel verslag en een activiteitenverslag.
3.Het financieel verslag omvat tevens volgens de normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en uitgaande
van het kasstelsel, een rekening van de uitgaven en ontvangsten met de
bijbehorende toelichting van belang zijnde voor de vaststelling van de
subsidie.
4.Het financieel verslag omvat tevens een opgave van de voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens omtrent het
ledental van de politieke partij, en indien van toepassing van de
aangeduide politieke jongerenorganisatie.
5.Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld aan de
inrichting van het financieel verslag, het activiteitenverslag en de
opgave van de ledentallen van de politieke partij en van de aangeduide
politieke jongerenorganisatie voorzover van belang voor de
vaststelling van de subsidie.
Artikel 11
1.De politieke partij geeft opdracht tot onderzoek van het
financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan
de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het
activiteitenverslag, voorzover hij dat verslag kan beoordelen, met het
financiële verslag verenigbaar is. De accountant onderzoekt tevens de
naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen en de
juistheid van opgegeven ledentallen van de politieke partij en, indien
van toepassing, van de aangeduide politieke jongerenorganisatie
voorzover van belang voor de vaststelling van de subsidie.
3.Bij regeling van Onze Minister kan een aanwijzing over de
reikwijdte en de intensiteit van het onderzoek worden vastgesteld.
4.De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een
schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële
verslag en de naleving van de aan de subsidie verbonden
verplichtingen. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat
vergezeld van de verklaring.
5.De politieke partij draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens de accountantsdienst van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken in te stellen onderzoeken naar de door de
accountant verrichte werkzaamheden.
Artikel 12
Onze Minister stelt de subsidie vast binnen vier maanden na ontvangst
van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 13
Onze Minister kan op de subsidie voorschotten verlenen. De
voorschotten bedragen ten hoogste 80% van de subsidie die naar redelijke
verwachting aan de politieke partij zal worden verstrekt.
Paragraaf 4. Wijzigingen van de zetelverdeling
Artikel 14
1.Indien een verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer of de
Eerste Kamer der Staten-Generaal leidt tot wijziging van het aantal
kamerzetels van een politieke partij, vindt aanpassing van het bedrag
aan subsidie, dat op grond van artikel 6 ten hoogste aan de politieke
partij kan worden verstrekt, plaats met ingang van de eerste dag van
de vijfde kalendermaand, volgend op die waarin de verkiezingen
plaatsvonden. Deze dag geldt tevens als de peildatum, bedoeld in
artikel 6, derde lid.
2.Indien een verkiezing er toe leidt dat in de Staten-Generaal aan
de lijst van een politieke partij op grond van de Kieswet zetels
worden toegewezen aan de lijst waarvan bij de voorgaande verkiezingen
geen zetels waren toegewezen, komt deze partij voor subsidie in
aanmerking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend
op die waarin de verkiezing plaatsvond. Voor de politieke partij geldt
deze dag als de eerste peildatum en de aanvraag van de subsidie,
bedoeld in artikel 8, wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 3
maanden na deze datum ingediend.
3.Indien na verkiezingen aan de lijst van een politieke partij aan
de lijst waarvan op grond van de Kieswet bij de voorgaande
verkiezingen een of meer zetels waren toegewezen, geen zetels worden
toegewezen, wordt de subsidie in afwijking van artikel 2, eerste lid,
nog verstrekt tot de eerste dag van de vijfde kalendermaand, volgend
op die waarin de verkiezing plaatsvond.
Artikel 15
1.Indien een fractie van een politieke partij in de Tweede Kamer
der Staten-Generaal wordt gesplitst duidt elke nieuwe fractie die als
gevolg hiervan is ontstaan een politieke partij aan die, in afwijking
van artikel 2, met ingang van het volgende kalenderjaar voor subsidie
in aanmerking komt, met dien verstande dat met ingang van dat
kalenderjaar het basisbedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
partij op de lijst waarvan de leden van de nieuwe fractie in de Tweede
Kamer zijn verkozen, verdeeld wordt naar evenredigheid van de
kamerzetels van de betrokken politieke partijen. Voor de vaststelling
van het aantal kamerzetels van de betrokken politieke partijen, wordt
uitgegaan van een daartoe strekkende verklaring van de voorzitter van
de Tweede Kamer.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van een
splitsing van de fractie van een politieke partij in de Eerste Kamer
der Staten-Generaal indien aan deze politieke partij subsidie wordt
verstrekt op basis van kamerzetels in de Eerste Kamer.
3.Indien twee of meer politieke partijen die op grond van deze wet
subsidie ontvangen worden samengevoegd tot een nieuwe politieke
partij, komt deze nieuwe politieke partij, in afwijking van artikel 2,
met ingang van het volgende kalenderjaar voor subsidie in aanmerking.
Paragraaf 5. Vervallen van de subsidie bij discriminatie
Artikel 16
1.Indien een politieke partij op grond van de artikelen 137c, d, e,
f, of g, of artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht, is
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, vervalt van
rechtswege de aanspraak op subsidie gedurende een periode die ingaat
op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze
periode is:
a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar
minder dan € 2 250;
c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar
minder dan € 3 375; en
d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.
2.Indien aan de lijst van een politieke partij aan de lijst waarvan
op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk wordt, op grond van de
Kieswet geen zetels zijn toegewezen, op grond van een verkiezing die
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na die dag één of meer
zetels worden toegewezen, gaat de periode gedurende welke geen
aanspraak op subsidie bestaat, in op de dag waarop de verkiezing heeft
plaatsgevonden.
Paragraaf 6. Openbaarmaking
Artikel 17
Onze Minister zendt ieder jaar aan de Staten-Generaal een overzicht
van de subsidies die aan de politieke partijen zijn verstrekt. Een
verslag als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht
kan achterwege blijven.
Artikel 18
1.Een gift aan een politieke partij van € 4 537,80 of meer,
afkomstig anders dan van een natuurlijke persoon, wordt door de partij
openbaar gemaakt. De openbaarmaking van de gift geschiedt in ieder
geval door vermelding in het financieel verslag van de politieke
partij. Giften van een gever met een gezamenlijk bedrag van € 4
537,80 of meer per jaar worden voor de toepassing van dit lid
beschouwd als één gift.
2.Bij de openbaarmaking wordt de hoogte van het bedrag, de datum
waarop de gift is gedaan en de naam van de gever vermeld. Indien de
gever bezwaar heeft gemaakt tegen vermelding van zijn naam, kan deze
achterwege blijven, met dien verstande dat in dat geval een
omschrijving wordt gegeven van de categorie van instellingen of
organisaties waartoe de gever behoort.
3.Het financieel verslag van een politieke partij vermeldt het
totaal aan giften anders dan de contributies van de leden van de
partij.
Paragraaf 7. Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
[Wijzigt de Mediawet.]
Artikel 20
[Wijzigt de Mediawet.]
Artikel 21
1.Dit artikel is van toepassing op het jaar waarin deze wet in
werking treedt.
2.De aanvraag van de subsidie, bedoeld in artikel 8, wordt zo
spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na de aanvang van
het kalenderjaar ingediend. Aanvragen voor subsidie op grond van de
Subsidieregeling voor politiekwetenschappelijke instituten 1995, de
subsidieregeling voor politieke vormings- en scholingsactiviteiten
1995 en de Tijdelijke subsidieregeling politieke jongerenorganisaties
kunnen door Onze Minister worden aangemerkt als een aanvraag tot
subsidie op grond van deze wet.
3.Indien deze wet in werking treedt op een andere datum dan 1
januari, dan vangt voor de toepassing van de wet het kalenderjaar aan
op de datum van inwerkingtreding. In dat geval geschiedt de
verstrekking van subsidie naar evenredigheid met dien verstande dat
een politieke partij voor dat kalenderjaar niet minder subsidie
ontvangt dan deze partij ontvangen zou hebben op grond van de
regelingen, genoemd in het tweede lid.
Artikel 22
Artikel 16 en afdeling 6.1.1 van de Mediawet 2008 zijn niet van
toepassing ten aanzien van de veroordeling voor een strafbaar feit dat
voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gepleegd.
Artikel 23
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 24
Deze wet wordt aangehaald als: Wet subsidiëring politieke partijen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 17 mei 1999
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de negenentwintigste juni 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|