Nadere regelgeving:
- Besluit tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten
- Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
WET van 26 april 2001, houdende
intrekking van de Wet tegemoetkoming studiekosten en
vervanging door de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten (Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten)
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
Wet tegemoetkoming studiekosten te wijzigen als
uitvloeisel van het regeerakkoord 1998 en van de nota
"Meer
voor meer";
dat
het voorts wenselijk is de leesbaarheid van de Wet
tegemoetkoming studiekosten te vergroten en aan te sluiten
bij de terminologie van de Wet studiefinanciering 2000;
dat
het in verband met het grote aantal wijzigingen wenselijk
is de Wet tegemoetkoming studiekosten in te trekken en te
vervangen door een nieuwe wet;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepsonderwijs: beroepsopleiding
als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs,
bovenbouw:
a. voor havo: het vierde en
vijfde leerjaar, of
b. voor vwo: het vierde, vijfde
en zesde leerjaar,
deelnemer: degene die
beroepsonderwijs volgt,
deelnemer vavo: degene die vavo
volgt als bedoeld in de artikelen 2.6, tweede lid, en 2.10,
havo: hoger algemeen voortgezet
onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WVO,
leerling: scholier, deelnemer of
deelnemer vavo,
lening: rentedragende lening die
niet kan worden omgezet in een gift,
onderbouw:
a. het voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de
WVO, alle leerjaren,
b. het praktijkonderwijs,
bedoeld in artikel 10f van de WVO, alle leerjaren,
c. voor havo: het eerste,
tweede en derde leerjaar, of
d. voor vwo: het eerste, tweede
en derde leerjaar,
onderwijsbijdrage:
a. lesgeld als bedoeld in
artikel 5 van de Les- en cursusgeldwet,
b. voor een niet uit 's Rijks
kas bekostigde school de verschuldigde bijdrage aan de school,
c. voor de toepassing van
afdeling 5.1, voorzover het een uit 's Rijks kas bekostigde
school betreft: het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, of
d. voor de toepassing van
afdeling 5.2, voorzover het een uit 's Rijks kas bekostigde
school betreft: de bedragen, bedoeld in artikel 5.10,
onderwijsnummer: door Onze Minister
uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan
wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
partner: degene die in het
kalenderjaar waarin het school- of studiejaar aanvangt gedurende
meer dan 6 maanden partner als bedoeld in artikel 3 van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van de aanvrager is,
met dien verstande dat voor de toepassing van hoofdstuk 4 voor
«belanghebbende»gelezen wordt: TOS-ouder,
peiljaar: tweede jaar voorafgaand
aan het jaar waarin het schooljaar of studiejaar aanvangt,
scholier: degene die voortgezet
onderwijs volgt,
school: school of instelling in de
zin van:
a. Wet op het voortgezet
onderwijs, hierna aangeduid als WVO,
b. Experimentenwet onderwijs,
c. Wet op de expertisecentra,
hierna aangeduid als WEC,
d. Wet op de erkende
onderwijsinstellingen,
e. Wet educatie en
beroepsonderwijs, hierna aangeduid als WEB, of
f. Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek, hierna aangeduid als WHW,
schooljaar: tijdvak dat aanvangt op
1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli
daaropvolgend,
student: degene die hoger onderwijs
volgt als bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12,
studiejaar: tijdvak dat aanvangt op
1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus
daaropvolgend,
tegemoetkoming: door Onze Minister
verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding
in het onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet
aanspraak bestaat,
thuiswonende leerling: scholier of
deelnemer vavo die woont op het adres van de TOS-ouder of partner
van de TOS-ouder,
toetsingsinkomen: inkomen als
bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat voor
«berekeningsjaar» gelezen wordt: peiljaar,
TOS-ouder:
a. ouder die als wettelijke
vertegenwoordiger laatstelijk voordat de leerling meerderjarig
werd, voor hem een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3
ontving, of
b. indien geen wettelijke
vertegenwoordiger de in onderdeel a bedoelde tegemoetkoming
ontving: wettelijke vertegenwoordiger in het laatste kwartaal
waarin de leerling nog 17 jaar was,
uitwonende leerling: scholier of
deelnemer vavo die niet een thuiswonende leerling is,
vavo: opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid,
onderdeel a, van de WEB,
voortgezet onderwijs: onderwijs in
de zin van de WVO, en, tenzij anders is bepaald, speciaal
onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de WEC,
vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000,
vwo: voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs als bedoeld in artikel 7 van de WVO.
2. In onderdeel b van de
begripsbepaling «TOS-ouder» wordt, indien 2 natuurlijke personen
voldoen aan het begrip wettelijke vertegenwoordiger, daaronder
verstaan:
a. wettelijke vertegenwoordiger
die over het tweede kwartaal van het jaar waarin het
schooljaar aanvangt, ten behoeve van de leerling kinderbijslag
als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen,
b. indien onderdeel a niet van
toepassing is: wettelijke vertegenwoordiger bij wie de
leerling op 1 augustus blijkens de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens woont, of
c. indien de onderdelen a en b
niet van toepassing zijn: wettelijke vertegenwoordiger die de
wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk daartoe hebben
aangewezen.
Artikel 1.2. Peildatum
Voor de toepassing van het bepaalde
bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag
van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 1.3. Aanvraag
1. Een aanvraag kan worden gedaan:
a. in de zin van hoofdstuk 3
door een:
1°. natuurlijke persoon
die de wettelijke vertegenwoordiger is van de minderjarige
leerling,
2°. minderjarige leerling
zonder wettelijke vertegenwoordiger, of
3°. gehuwde leerling die
de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, en
b. in de zin van de overige
hoofdstukken door een leerling of student.
2. Artikel 1.1, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Aan welke voorwaarden een
aanvraag moet voldoen, kan bij ministeriële regeling worden
bepaald. In ieder geval wordt daarbij bepaald dat de aanvrager in
de zin van de hoofdstukken 3 en 5 en zijn partner alsmede de
TOS-ouder en zijn partner hun burgerservicenummer of
onderwijsnummer verstrekken.
Artikel 1.4 [Vervallen per
01-09-2005]
Artikel 1.5. Woonplaats
1. Indien bij controle door Onze
Minister blijkt dat het door de scholier verstrekte adres afwijkt
van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt Onze Minister dit aan
hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te
herstellen.
2. Indien een uitwonende scholier
de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt,
wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de
aan hem toegekende basistoelage omgezet in een basistoelage voor
een thuiswonende scholier, tenzij hem van de afwijking
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Indien een uitwonende scholier
de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met
ingang van de maand daaropvolgend de basistoelage voor een
thuiswonende scholier omgezet in een basistoelage voor een
uitwonende scholier.
Artikel 1.6 [Vervallen per
01-01-2009]
Artikel 1.7. Gebruik
burgerservicenummer of onderwijsnummer
1. Onze Minister gebruikt het
burgerservicenummer of onderwijsnummer van een leerling, student
of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
a. in contacten met die
leerling, student of debiteur,
b. in contacten met personen en
instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen
van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een
persoonsregistratie, en
c. teneinde de gegevens van die
leerling, student of debiteur te vergelijken met de gegevens
die over hem zijn opgenomen in het basisregister onderwijs,
bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht,
voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.
2. Het burgerservicenummer of
onderwijsnummer van de partner van een leerling, student of
debiteur of van de TOS-ouder of diens partner kan ter zake van de
uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met
die partner of TOS-ouder of met de desbetreffende leerling,
student of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op
de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties
voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het
burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
Artikel 1.8. AWIR van toepassing
Op deze wet, met uitzondering van
hoofdstuk 10, zijn van toepassing van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen:
a. artikel 6,
b. artikel 7, eerste lid, met
dien verstande dat voor de toepassing vanhoofdstuk 4 voor
«belanghebbende» gelezen wordt: TOS-ouder,
c. artikel 9, eerste en tweede
lid, met dien verstande dat het tweede lid niet van toepassing
is op hoofdstuk 3 van deze wet, en
d. artikel 10, eerste lid, met
dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op
hoofdstuk 3 van deze wet.
Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
Paragraaf 2.1. Algemeen
Artikel 2.1. Reikwijdte en
voorwaarden tegemoetkoming
Deze wet regelt de tegemoetkoming en
is van toepassing indien wordt voldaan aan de voorwaarden inzake:
a. nationaliteit als bedoeld in
artikel 2.2,
b. leeftijd als bedoeld in
artikel 2.3,
c. onderwijssoort als bedoeld in
de paragrafen 2.2 tot en met 2.4, en
d. inkomen als bedoeld in
paragraaf 2.7.
Artikel 2.2. Nationaliteit
1. Op tegemoetkoming kan aanspraak
bestaan indien de aanvrager:
a. de Nederlandse nationaliteit
bezit,
b. niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein
van de tegemoetkoming met een Nederlander wordt gelijkgesteld,
of
c. niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel behoort tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die op het
terrein van de tegemoetkoming met Nederlanders worden
gelijkgesteld.
2. Voor de toepassing van de
hoofdstukken 4 en 5 geldt in aanvulling op het eerste lid,
onderdeel c, dat de aanvrager in Nederland woont, tenzij deze
voorwaarde niet mag worden gesteld op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in
verband met een goede uitvoering van dit lid.
3. Onverminderd het eerste lid,
onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van
personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de
kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kan ten gunste van de student worden afgeweken van het
eerste lid.
Artikel 2.3. Leeftijd
1. Op tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 3 kan aanspraak bestaan tot de maand volgend op het
kwartaal waarin de leerling de leeftijd van 18 jaren heeft
bereikt.
2. Op tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 4 kan aanspraak bestaan met ingang van de eerste dag van
het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de leerling de
leeftijd van 18 jaren heeft bereikt tot en met de maand waarin hij
de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
3. Op tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.1 bestaat aanspraak ongeacht de leeftijd.
4. Op tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.2 kan aanspraak bestaan met ingang van de eerste dag
van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de leerling de
leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
Paragraaf 2.2. Onderwijssoorten in de
zin van hoofdstuk 3
Artikel 2.4 [Vervallen per
01-08-2009]
Artikel 2.5. Aangewezen voortgezet
onderwijs
Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 3 kan een aanvrager in aanmerking komen indien de scholier
is ingeschreven aan een op grond van artikel 56 van de WVO
aangewezen school.
Artikel 2.6. Erkende cursus
voortgezet onderwijs en vavo
1. Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 3 kan een aanvrager in aanmerking komen indien de
scholier is ingeschreven aan een school die is erkend op grond van
de Wet op de erkende onderwijsinstellingen voorzover de gevolgde
cursus onder de reikwijdte van die wet valt.
2. Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 3 kan een aanvrager in aanmerking komen indien de
deelnemer vavo is ingeschreven aan een school als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, en artikel 1.4a.1 van de WEB,
voorzover het betreft een opleiding vavo.
Artikel 2.7. Beroepsonderwijs
Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 3 kan een aanvrager in aanmerking komen indien de
deelnemer is ingeschreven aan:
a. een school als bedoeld in
artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB, voorzover het uit ’s
Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs betreft, of
b. een school die ten aanzien van
het beroepsonderwijs het in artikel 1.4.1 van de WEB bedoelde
recht heeft verkregen.
Artikel 2.8 [Vervallen per
01-08-2009]
Paragraaf 2.3. Onderwijssoorten in de
zin van hoofdstuk 4
Artikel 2.9. Voortgezet onderwijs
Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 4 kan een scholier in aanmerking komen die is
ingeschreven:
a. aan een school die op grond
van de WVO, de WEC of de Experimentenwet onderwijs volledig en
rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd, waaronder het
volgen van onderwijs in de vorm van contractactiviteiten niet is
mede begrepen;
b. aan een school als bedoeld in
artikel 2.5;
c. aan een school als bedoeld in
artikel 2.6, eerste lid; of
d. voor een cursus die wordt
bekostigd op grond van artikel 73 van de WVO.
Artikel 2.10. Vavo
Voor tegemoetkoming ingevolge
hoofdstuk 4 kan een deelnemer vavo in aanmerking komen die is
ingeschreven aan een school als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel
b, en artikel 1.4a.1 van de WEB, voorzover het betreft een opleiding
vavo.
Paragraaf 2.4. Onderwijssoorten in de
zin van hoofdstuk 5
Artikel 2.11. Bekostigd en aangewezen
hoger onderwijs lerarenopleidingen
1. Voor tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.1 kan een student in aanmerking komen die als student
is ingeschreven voor het volgen van een bacheloropleiding of
masteropleiding voor het beroep van leraar aan een bekostigde
universiteit of hogeschool, genoemd in de bijlage van de WHW:
a. voorzover die opleiding is
geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de
WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan,
of
b. gedurende de termijn,
bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde en vijfde lid,
5a.12a, eerste lid, 5a.15, of 6.5, tweede lid, van de WHW.
2. Voor tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.1 kan een student in aanmerking komen die als student
is ingeschreven voor het volgen van een bacheloropleiding of
masteropleiding voor het beroep van leraar aan een aangewezen
instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.14 van de WHW
zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), of
verzorgd door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW zoals dat
artikel luidt met ingang van de inwerkingtreding van de genoemde
wet van 4 februari 2010 (Stb. 119):
a. voorzover die opleiding is
geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de
WHW of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel t, van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan,
of
b. gedurende de termijn,
bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde en vijfde lid,
5a.12a, eerste lid, 5a.15, of 6.10, derde lid, van de WHW.
Artikel 2.12. Post-hoger onderwijs
lerarenopleidingen en didactische cursus educatie en
beroepsonderwijs
Voor tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.1 kan een student in aanmerking komen indien hij als
leraar is benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming vanwege het
bezit van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b
van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162e van de WEC,
artikel 118k van de WVO, of artikel 4.2.4, van de WEB.
Artikel 2.13. Voortgezet onderwijs en
vavo
Voor tegemoetkoming ingevolge
afdeling 5.2 kan een leerling in aanmerking komen indien hij is
ingeschreven voor een opleiding of een gedeelte daarvan aan een
school als bedoeld in de artikelen 2.5,2.6 en 2.9, onderdeel a, of
voor een cursus als bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, die leiden
tot het diploma:
a. voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs,
b. hoger algemeen voortgezet
onderwijs, of
c. voortgezet middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg.
Paragraaf 2.5. Aanspraak
Artikel 2.14. Geen aanspraak
Geen aanspraak op tegemoetkoming
bestaat indien de leerling of student is ingeschreven aan een
opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12
vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
Artikel 2.15. Geen aanspraak
tegemoetkoming hoofdstuk 4
De aanspraak op tegemoetkoming van
een leerling die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken
niet aan het onderwijs heeft deelgenomen, vervalt met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die waarin de school de
afwezigheid, bedoeld in artikel 4.12 aan Onze Minister heeft
medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken
waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
Artikel 2.16. Geen aanspraak
tegemoetkoming hoofdstuk 5
1. Een student heeft geen
aanspraak op tegemoetkoming indien hij gedurende 24 maanden een
tegemoetkoming in de zin van afdeling 5.1 heeft ontvangen of
indien 48 maanden zijn verlopen gerekend vanaf de maand waarover
de tegemoetkoming voor het eerst is toegekend. Een student heeft
tevens geen aanspraak indien hij een tegemoetkoming ontvangt in
de zin van hoofdstuk 10.
2. Een leerling heeft geen
aanspraak op tegemoetkoming in de zin van afdeling 5.2, indien
hij een tegemoetkoming ontvangt in de zin van hoofdstuk 10.
Artikel 2.17. Aanspraak
tegemoetkoming hoofdstukken 3 en 4
Een leerling die onderwijs volgt als
bedoeld in deartikelen 2.5, 2.6, 2.9, onderdelen b en c, en2.10
heeft slechts aanspraak op tegemoetkoming indien de opleiding een
studielast heeft van ten minste 850 klokuren per schooljaar die
worden besteed aan het volgen van lessen of stages.
Artikel 2.18 [Vervallen per
30-04-2008]
Artikel 2.19. Aanspraak bij einde
studie hoofdstuk 4
1. De aanspraak op tegemoetkoming
ingevolge hoofdstuk 4 vervalt met ingang van de maand die volgt
op de dag waarop de leerling het laatste schooljaar met goed
gevolg heeft afgesloten.
2. Indien de leerling aansluitend
aan het schooljaar dat als laatste schooljaar was aangemerkt,
opnieuw dat laatste schooljaar aanvangt, ontstaat aanspraak op
tegemoetkoming voor het resterende gedeelte van het
kalenderjaar.
3. Indien de leerling na zijn
uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw een
opleiding in de zin van deze wet of van de Wet
studiefinanciering 2000 aanvangt, blijft, in afwijking van het
eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op tegemoetkoming in
de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4
maanden bestaan. Indien dit de maanden augustus, september,
oktober of november betreft, heeft de leerling die op grond van
hoofdstuk 4 nog geen tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage is
toegekend en een opleiding als bedoeld in deartikelen 2.5, 2.6,
eerste lid, 2.9, onderdeel d, of 2.10, of een opleiding waarvoor
aanspraak op studiefinanciering bestaat, gaat volgen, over die
maanden naast een tegemoetkoming in de zin van hoofdstuk 4 ook
aanspraak op een bedrag aan tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage, ter grootte van eentwaalfde van het bedrag,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet,
per maand. Voor de vaststelling van de hoogte van de
tegemoetkoming in die maanden wordt uitgegaan van de
draagkracht, zoals die gold op 31 juli van het voorafgaande
schooljaar. In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, wordt die
aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.
Artikel 2.20 [Vervallen per
01-01-2006]
Paragraaf 2.6. Overige bepalingen
Artikel 2.21. Geen dubbele aanspraak
en geen aanspraak bij aanspraak WSF 2000
1. De scholier of deelnemer vavo,
bedoeld in hoofdstuk 3, die tevens deelnemer is in het
beroepsonderwijs, bedoeld in dat hoofdstuk, heeft slechts
aanspraak op tegemoetkoming voor het volgen van dat
beroepsonderwijs.
2. De scholier, bedoeld in
hoofdstuk 4, die tevens aanspraak heeft op studiefinanciering in
de zin van de Wet studiefinanciering 2000, heeft geen aanspraak op
tegemoetkoming.
3. De deelnemer die tevens
aanspraak heeft op studiefinanciering in de zin van de Wet
studiefinanciering 2000, heeft geen aanspraak op tegemoetkoming.
4. De deelnemer vavo, bedoeld in
hoofdstuk 4, voor wie onderwijsbijdrage is verschuldigd en die
tevens aanspraak heeft op studiefinanciering in de zin van de Wet
studiefinanciering 2000, heeft geen aanspraak op tegemoetkoming.
Artikel 2.22. Geen aanspraak na hoger
onderwijs
De leerling heeft geen aanspraak op
tegemoetkoming in de zin van hoofdstuk 4, indien hij geen aanspraak
meer heeft op prestatiebeurs of tempobeurs in de zin van de
hoofdstukken 5 of 10 van de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 2.22a. Rechtens ontnomen
vrijheid
1. Een scholier of een deelnemer
vavo als bedoeld in hoofdstuk 4 die voor ten minste één maand
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft, behoudens in de
gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk VIa,
van de Wet op de jeugdzorg, met ingang van de eerste dag van de
maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming tenminste
één maand heeft geduurd slechts aanspraak op een basistoelage
voor een thuiswonende leerling.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld,
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn
niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
Paragraaf 2.7. Inkomen
Artikel 2.23. Grensbedrag draagkracht
1. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en in de schoolkosten is afhankelijk van de
hoogte van de op grond van artikel 7, eerste lid, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen berekende draagkracht.
2. Volledige tegemoetkoming
ingevolge de hoofdstukken 3, 4 en 5 bestaat tot en met het
grensbedrag van de draagkracht. Naar de maatstaf van het
schooljaar of studiejaar 2004–2005 bedraagt het grensbedrag €
29 882,93 [Red: Met ingang van het schooljaar 2013-2014: €
35.244,92] .
3. Indien het toe te kennen bedrag
per aanvrager minder bedraagt dan € 10,–,wordt de
tegemoetkoming op nihil gesteld.
Artikel 2.24 [Vervallen per
01-01-2008]
Artikel 2.25. Korting op
tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming wordt
verminderd met een ingevolge het derde lid en artikel 2.27
berekende korting wegens overschrijding van het grensbedrag,
bedoeld in artikel 2.23, tweede lid.
2. De korting wordt niet toegepast
op de basistoelage, bedoeld in artikel 4.2, onderdeel a.
3. De korting is 30% van het
verschil tussen de draagkracht in het peiljaar en het grensbedrag,
bedoeld in artikel 2.23, tweede lid.
4. Het kortingsbedrag voor een
kalendermaand is de korting, bedoeld in het derde lid, gedeeld
door 12.
Artikel 2.26. Verdeling bij korting
op tegemoetkoming
1. In geval van korting op de
tegemoetkoming is de verhouding tussen de gekorte tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage en die in de schoolkosten overeenkomstig
de verhouding tussen de normbedragen van deze tegemoetkomingen op
1 augustus van het betreffende schooljaar. Deze verhouding wordt
op 2 decimalen afgerond op het naastbij gelegen getal.
2. Indien de toegekende gekorte
tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, niet meer is dan de aan
Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage, vindt geen
uitbetaling plaats. Onze Minister verrekent deze tegemoetkoming
met die onderwijsbijdrage.
Artikel 2.27. Verdeling
kortingsbedrag wegens telkinderen
1. Het kortingsbedrag, bedoeld in
artikel 2.25, derde lid, wordt verdeeld over het aantal
telkinderen. Onder telkind wordt verstaan iedere leerling voor
wie, met inachtneming van het tweede en derde lid, voor het
desbetreffende schooljaar aanspraak op tegemoetkoming bestaat
ingevolge de hoofdstukken 3 of 4.
2. Voor een aanvrager in de zin van
hoofdstuk 3 is sprake van een telkind, indien de leerling het kind
is van de aanvrager of van diens partner, voor wie de aanvrager of
diens partner:
a. in de zin van hoofdstuk 3 de
wettelijke vertegenwoordiger is, of
b. TOS-ouder is voor het
telkind dat aanspraak heeft op tegemoetkoming in de zin van
hoofdstuk 4.
3. Voor een aanvrager in de zin van
hoofdstuk 4 is sprake van een telkind, indien deze aanvrager een
TOS-ouder heeft waarbij die TOS-ouder of diens partner:
a. tevens de TOS-ouder is van
een andere leerling die aanspraak heeft op tegemoetkoming in
de zin van hoofdstuk 4, of
b. aanvrager is in de zin van
hoofdstuk 3.
Artikel 2.28. Peiljaarverlegging bij
terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de aanvrager of
diens partner of TOS-ouder of diens partner wordt bij toepassing
van artikel 1.8, onderdeel b, indien sprake is van een terugval in
inkomen over het eerste of het tweede jaar na het
peiljaar,uitgegaan van dat jaar. Deze aanvraag wordt gelijktijdig
gedaan met de aanvraag ingevolge de artikelen 3.8, 5.5 of 5.11.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een
vermindering van de draagkracht met ten minste 15% ten opzichte
van het peiljaar, met dien verstande dat:
a. de vermindering niet kan
worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen
normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van
inkomensverwerving, en
b. aannemelijk wordt gemaakt
dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan
aan de vereisten genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
Artikel 2.29
Voor de toepassing van artikel 1.8,
onderdeel b, en artikel 2.25 wordt zolang het toetsingsinkomen over
het kalenderjaar waarover het toetsingsinkomen berekend wordt, het
eerste of het tweede jaar na dat kalenderjaar nog niet is bepaald,
door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het
desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Hoofdstuk 3. Leerlingen tot 18 jaar
in niet bekostigd voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs
Paragraaf 3.1. Reikwijdte
Artikel 3.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op
scholieren, deelnemers en deelnemers vavo die jonger zijn dan 18
jaren en die zijn ingeschreven aan een school als bedoeld in
paragraaf 2.2.
Paragraaf 3.2. Tegemoetkoming
Artikel 3.2. Samenstelling
tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming in de zin van
dit hoofdstuk bestaat uit een tegemoetkoming in de schoolkosten.
2. De tegemoetkoming kan tevens
bestaan uit een overbruggingstegemoetkoming.
3. Voor leerlingen als bedoeld in
de artikelen 2.5,2.6, eerste lid, 2.6, tweede lid, wat betreft de
inschrijving aan een school als bedoeld in artikel 1.4a.1 van de
WEB, en 2.7, onderdeel b, die voor de aanvang van het schooljaar
de leeftijd van 16 jaren hebben bereikt, bestaat de tegemoetkoming
eveneens uit een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage.
4. Voor deelnemers, die na 1 juli
en voor 2 augustus van een kalenderjaar de leeftijd van 18 jaren
bereiken, bestaat de tegemoetkoming eveneens uit een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage voor het schooljaar dat op
1 augustus van dat kalenderjaar aanvangt.
Artikel 3.3. Tegemoetkoming
onderwijsbijdrage niet bekostigd onderwijs en deelnemers die na 1
juli en voor 2 augustus 18 jaar worden
1. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage voor een schooljaar is voor een leerling als
bedoeld in artikel 3.2, derde lid, het bedrag, bedoeld in artikel
5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet.
2. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage voor een schooljaar is voor een deelnemer als
bedoeld in artikel 3.2, vierde lid, het bedrag, bedoeld in artikel
5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet.
Artikel 3.4. Tegemoetkoming
schoolkosten
1. De hoogte van de tegemoetkoming
in de schoolkosten voor een schooljaar is afhankelijk van:
a. soort onderwijs, en
b. bovenbouw of onderbouw.
2. De bedragen van de onderscheiden
tegemoetkomingen zijn opgenomen in artikel 3.5.
Artikel 3.5. Overzicht hoogte
tegemoetkoming schoolkosten
De bedragen in onderstaand overzicht
luiden per schooljaar en zijn uitgedrukt in euro’s naar de
maatstaf van 1 augustus 2008.
Overzicht bedragen tegemoetkoming
schoolkosten per schooljaar 2013–2014
| a.
beroepsonderwijs |
€ 674,41 |
|
b. onderbouw + bovenbouw niet
volledig en rechtstreeks bekostigd vo |
€ 332,03 |
|
c. voortgezet algemeen
volwassenen onderwijs (vavo) |
€ 332,03 |
Artikel 3.6. Aanspraak
overbruggingstegemoetkoming
In afwijking van paragraaf 2.2 en
artikel 3.4 heeft de aanvrager aanspraak op een
overbruggingstegemoetkoming voor de maanden augustus en september
ten behoeve van een leerling:
a. die op 1 juli van dat
kalenderjaar jonger is dan 18 jaren,
b. die op 1 oktober van dat
kalenderjaar als studerende in de zin van de Wet
studiefinanciering 2000 is ingeschreven voor het volgen van
hoger onderwijs waarop die wet van toepassing is, en
c. voor wie aan de aanvrager over
het schooljaar dat aan de overbruggingsperiode vooraf ging, een
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.4 is toegekend.
Artikel 3.7. Hoogte
overbruggingstegemoetkoming
1. De overbruggingstegemoetkoming
is voor een leerling tweetwaalfde deel van het bedrag van de
tegemoetkoming voor een geheel schooljaar waarvoor op 31 juli
daaraan voorafgaand aanspraak bestond.
2. Voor leerlingen, anders dan
bedoeld in artikel 3.2, derde lid, wordt de
overbruggingstegemoetkoming vermeerderd met tweetwaalfde van het
bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en
cursusgeldwet, zoals dat bedrag gold op 31 juli voorafgaand aan de
maanden waarover aanspraak op overbruggingstegemoetkoming bestaat.
3. Voor leerlingen die vallen onder
de categorie bovenbouw volledig op grond van de WVO bekostigd
onderwijs, genoemd in de tabel van artikel 3.5, wordt de
overbruggingstegemoetkoming vermeerderd met tweetwaalfde van het
verschil tussen het bedrag dat voor de categorie bovenbouw
volledig op grond van de WVO bekostigd onderwijs en het bedrag dat
voor de categorie bovenbouw overig onderwijs in de tabel van
artikel 3.5 is opgenomen.
Paragraaf 3.3. Toekenning
Artikel 3.8. Toekenning
tegemoetkoming
1. Onze Minister kent een
tegemoetkoming toe aan de aanvrager indien de aanvrager en de
leerling voldoen aan de voorschriften gegeven bij of krachtens
deze wet.
2. Een aanvraag om tegemoetkoming
wordt jaarlijks voor het einde van het desbetreffende schooljaar
gedaan. Toekenning voor een leerling vindt slechts eenmaal per
schooljaar plaats.
3. Onze Minister besluit op een
aanvraag om tegemoetkoming indien de aanvraag is ingediend:
a. voor de aanvang van het
desbetreffende schooljaar: binnen 8 weken na de aanvang van
dat schooljaar, en
b. gedurende het desbetreffende
schooljaar: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 3.9. Toekenning bij wisselen
van onderwijssoort
1. Ingeval de leerling op 1 oktober
niet langer het soort onderwijs volgt waarvoor hij bij de aanvang
van het schooljaar was ingeschreven, en een andere onderwijssoort
genoemd in paragraaf 2.2 volgt, omvat de toekenning van de
tegemoetkoming het bedrag voor de onderwijssoort die op die datum
wordt gevolgd. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing
bij overgang van onderbouw naar bovenbouw of omgekeerd.
2. Ingeval de tegemoetkoming voor
een onderwijssoort nihil is en een scholier tijdens het schooljaar
een andere onderwijssoort gaat volgen, omvat de toekenning van de
tegemoetkoming, in afwijking van het eerste lid, vanaf het
tijdstip dat hij die andere onderwijssoort gaat volgen, het bedrag
daarvoor.
3. Ingeval een leerling voor wie
nog geen tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage is toegekend,
tijdens het schooljaar een andere onderwijssoort, genoemd in
artikel 3.2, derde lid, gaat volgen, omvat de toekenning vanaf het
tijdstip dat hij die andere onderwijssoort gaat volgen, eveneens
de met betrekking tot die andere onderwijssoort bepaalde
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage.
Artikel 3.10. Toekenningsperiode
1. Tegemoetkoming wordt toegekend
per schooljaar.
2. In afwijking van het eerste lid
omvat de toekenning voor een leerling die:
a. in de loop van het
schooljaar 18 jaren wordt: wat betreft de tegemoetkoming in de
schoolkosten het aantal maanden van dat schooljaar tot de
eerste maand van het kwartaal volgend op de maand waarin de
leerling de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt en wat betreft
de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage, voor zover daar op
grond van artikel 3.2, derde of vierde lid, aanspraak op
bestaat, het gehele schooljaar,
b. is ingeschreven op een
school als bedoeld in de artikelen 2.6 of 2.7, en die geen
onderwijs meer volgt op 1 oktober, in afwijking vanartikel
3.5: voor het gehele jaar niets,
c. op enig ogenblik tussen 1
oktober en een bij ministeriële regeling te bepalen datum
geen onderwijs meer volgt, anders dan in geval van ernstige
ziekte van de leerling: de helft van de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, alsmede, voor zover
aanspraak bestaat op de tegemoetkoming bedoeld in artikel 3.2,
derde of vierde lid, vijftwaalfde deel van die tegemoetkoming,
en
d. in de loop van het
schooljaar na 31 december wordt ingeschreven: de helft van de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, alsmede,
voor zover aanspraak bestaat op de tegemoetkoming bedoeld in
artikel 3.2, derde of vierde lid, zeventwaalfde deel van die
tegemoetkoming.
Hoofdstuk 4. Leerlingen van 18 jaar
en ouder in voortgezet onderwijs en vavo
Paragraaf 4.1. Reikwijdte
Artikel 4.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op
scholieren en deelnemers vavo die 18 jaren zijn of ouder en zijn
ingeschreven aan een school als bedoeld in paragraaf 2.3.
Paragraaf 4.2. Tegemoetkoming
Artikel 4.2. Samenstelling
tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming in de zin van
dit hoofdstuk bestaat uit:
a. basistoelage, en
b. tegemoetkoming in de
schoolkosten.
2. Voor leerlingen als bedoeld in
artikel 2.9, onderdelen b, c en d, en voor deelnemers vavo als
bedoeld in artikel 2.10 bestaat de tegemoetkoming eveneens uit een
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage.
Artikel 4.3. Basistoelage
De basistoelage is naar de maatstaf
van 1 januari 2001 per kalendermaand voor een:
a. thuiswonende leerling: €
84,59 [Red: Van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014: € 106,20] ,
en
b. uitwonende leerling: €
197,21 [Red: Van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014: € 247,59]
.
Artikel 4.4. Tegemoetkoming
onderwijsbijdrage vavo en niet bekostigd onderwijs
1. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage voor een kalendermaand is eentwaalfde deel van
het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en
cursusgeldwet.
2. In het schooljaar waarin een
leerling de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt de tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage voor dat schooljaar niet toegekend.
Artikel 4.5. Tegemoetkoming
schoolkosten
1. De hoogte van de tegemoetkoming
in de schoolkosten voor een schooljaar is afhankelijk van:
a. soort onderwijs, en
b. bovenbouw of overige
leerjaren.
2. De bedragen van de onderscheiden
tegemoetkomingen zijn opgenomen in artikel 4.6.
Artikel 4.6. Overzicht hoogte
tegemoetkoming schoolkosten
De bedragen in onderstaand overzicht
luiden per maand en zijn uitgedrukt in euro’s naar de maatstaf van
1 augustus 2008.
Overzicht bedragen tegemoetkoming
schoolkosten per maand 2013–2014
| a.
onderbouw volledig op grond van de WVO bekostigd onderwijs en
onderbouw + bovenbouw volledig op grond van de WEB bekostigd
voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd in een agrarisch
opleidingscentrum |
€ 74,87 |
|
b. bovenbouw volledig op grond
van de WVO bekostigd onderwijs |
€ 81,98 |
|
c. onderbouw niet volledig en
rechtstreeks bekostigd vo |
€ 102,52 |
|
d. bovenbouw niet volledig en
rechtstreeks bekostigd vo |
€ 109,66 |
|
e. speciaal onderwijs en
voortgezet speciaal onderwijs |
€ 49,74 |
|
f. voortgezet algemeen
volwassenen onderwijs (vavo) |
€ 109,66 |
Artikel 4.7. Voorschot
onderwijsbijdrage vavo en niet bekostigd onderwijs
1. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage over de maand augustus van enig kalenderjaar
omvat in afwijking van artikel 4.4, eerste lid, tevens een
voorschot op die tegemoetkoming over het schooljaar dat met die
maand augustus aanvangt. Dit voorschot bedraagt ten hoogste de
verschuldigde onderwijsbijdrage en wordt niet uitbetaald.
2. Indien de tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage lager is dan de verschuldigde onderwijsbijdrage,
omvat het voorschot, bedoeld in het eerste lid, tevens een
voorschot op de tegemoetkoming in de schoolkosten. Het voorschot
bedraagt ten hoogste de verschuldigde onderwijsbijdrage.
Paragraaf 4.3. Toekenning
Artikel 4.8. Toekenning
tegemoetkoming
1. Onze Minister kent een
tegemoetkoming toe aan de leerling die daartoe een aanvraag heeft
ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of
krachtens deze wet.
2. Onze Minister besluit op een
aanvraag om tegemoetkoming indien de aanvraag is ingediend:
a. vóór 1 november van het
jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming
betrekking heeft: vóór 31 december van dat voorafgaande
jaar, en
b. na het onder a bedoelde
tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 4.9. Gedeeltelijke toekenning
Indien het op basis van de verstrekte
gegevens onmogelijk is de draagkracht vast te stellen, kent Onze
Minister de basistoelage toe.
Artikel 4.10. Toekenningsperiode
1. Tegemoetkoming wordt toegekend
per kalenderjaar of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat
deze periode ten minste 1 kalendermaand is.
2. Tegemoetkoming wordt niet
toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van
indiening van de aanvraag.
3. Aan de leerling die reeds een
tegemoetkoming ontvangt en een aanvraag heeft ingediend om in
aanmerking te komen voor een verhoging van de basistoelage wordt,
in afwijking van het tweede lid, de verhoging toegekend met ingang
van de maand waarin de aanvraag tot verhoging is ingediend. Aan de
leerling die reeds een tegemoetkoming ontvangt en een aanvraag
heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage of in de schoolkosten wordt, in afwijking
van het tweede lid, de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage of
in de schoolkosten toegekend met ingang van de maand waarvoor voor
het eerst een tegemoetkoming is toegekend.
Artikel 4.11. Weigerachtige ouders
Op aanvraag van een uitwonende
leerling wordt het niet toe te kennen deel van de maximale
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en in de schoolkosten
toegekend in de vorm van lening. Voorwaarde voor die toekenning is
dat de leerling gelijktijdig met de aanvraag aan Onze Minister een
door hemzelf ondertekende verklaring verstrekt dat zijn TOS-ouder en
diens partner beide weigeren bij te dragen in zijn schoolkosten. Die
verklaring wordt mede ondertekend door een schooldecaan ten blijke
dat zij naar zijn kennis juist is.
Paragraaf 4.4. Langdurige afwezigheid
Artikel 4.12. Langdurige afwezigheid
in het voortgezet onderwijs of vavo
1. De tegemoetkoming van de
leerling die is ingeschreven aan een school als bedoeld in de
artikelen 2.9, onderdelen a, b en c, of 2.10, of ingeschreven voor
een cursus als bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, en die zonder
geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende
een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat geheel
uit lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De
periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege
vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
2. In afwijking van het eerste lid
kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van
voortgezet onderwijs of voor soorten van vavo het eerste lid van
overeenkomstige toepassing is, indien een leerling in een of meer
vakken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft
deelgenomen.
3. Onder afwezigheid met geldige
reden wordt uitsluitend verstaan afwezigheid wegens ziekte van de
leerling, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door
middel van een gedagtekende verklaring van een arts, of
afwezigheid wegens bijzondere familieomstandigheden.
Artikel 4.13. Weer aanwezig binnen 8
weken
Artikel 4.12 is niet van toepassing
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
de leerling weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voorzover de
tegemoetkoming niet reeds mede op grond van artikel 4.11 de vorm van
lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is
dat de leerling aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken
na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8
weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen
onderwijs werd verzorgd.
Artikel 4.14. Langdurige afwezigheid
in het niet bekostigd voortgezet onderwijs
1. Het bestuur van de rechtspersoon
waarvan de school, bedoeld in de artikelen 2.9, onderdelen b, c en
d, of 2.10 voor zover het betreft een school als bedoeld in
artikel 1.4a.1 van de WEB, uitgaat of de natuurlijke persoon die
deze school in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na
afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de leerling in
kennis dat daarvan in de administratie van de school een
aantekening is gemaakt en verzoekt de leerling om opgaaf van de
reden van de afwezigheid.
2. Uiterlijk op de vijfde werkdag
na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon vast:
a. of de reden die de leerling
binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf
voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de leerling binnen 8
weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden
heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
3. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde
werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de leerling
voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan
deelnemen.
4. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na
afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de
leerling die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5
weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft
deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die leerling voor het einde
van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan
deelnemen, de datum daarvan.
5. De periodes van 5 en 8 weken
worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen
onderwijs werd verzorgd.
6. Het bestuur van de rechtspersoon
of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen,
bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over
de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze
betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld
in artikel 4.12, gevolgen heeft voor de tegemoetkoming van
betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat
tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk 5. Leraren alsmede
leerlingen in deeltijd vo 18+ en vavo
Afdeling 5.1. Leraren
Paragraaf 5.1.1. Reikwijdte
Artikel 5.1. Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op
studenten die als student zijn ingeschreven aan een school als
bedoeld in artikel 2.11 of op degenen die onder de reikwijdte van
artikel 2.12 vallen en die geen aanspraak hebben op
studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000.
Paragraaf 5.1.2. Tegemoetkoming
Artikel 5.2. Samenstelling
tegemoetkoming
De tegemoetkoming in de zin van deze
afdeling bestaat uit:
a. tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage, en
b. tegemoetkoming in de
schoolkosten.
Artikel 5.3. Tegemoetkoming
onderwijsbijdrage
De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage bedraagt € 567,23.
Artikel 5.4. Tegemoetkoming
schoolkosten
De tegemoetkoming in de schoolkosten
bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2008€ 647,16 [Red: voor
het schooljaar 2013–2014: € 689,76] .
Paragraaf 5.1.3. Toekenning
Artikel 5.5. Toekenning
tegemoetkoming
1. Onze Minister kent een
tegemoetkoming toe aan de student die daartoe een aanvraag heeft
ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of
krachtens deze wet.
2. Een aanvraag om tegemoetkoming
wordt jaarlijks voor het einde van het desbetreffende studiejaar
gedaan.
3. Onze Minister besluit op een
aanvraag om tegemoetkoming indien de aanvraag is ingediend:
a. voor de aanvang van het
desbetreffende studiejaar: binnen 8 weken na de aanvang van
dat studiejaar, en
b. gedurende het desbetreffende
studiejaar: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 5.6. Toekenningsperiode
1. Tegemoetkoming wordt toegekend
per studiejaar en eenmaal per studiejaar uitbetaald op een bij
ministeriële regeling te bepalen tijdstip.
2. Tegemoetkoming wordt niet
toegekend over de maanden waarin de student niet is ingeschreven.
Afdeling 5.2. Leerlingen in deeltijd
vo 18+ en vavo
Paragraaf 5.2.1. Reikwijdte
Artikel 5.7. Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op
leerlingen die zijn ingeschreven aan een opleiding als bedoeld in
artikel 2.13 en die geen aanspraak hebben op tegemoetkoming
ingevolge de hoofdstukken 3, 4 of 10 of op studiefinanciering
ingevolge de Wet studiefinanciering 2000.
Paragraaf 5.2.2. Tegemoetkoming
Artikel 5.8. Samenstelling
tegemoetkoming
De tegemoetkoming in de zin van deze
afdeling bestaat uit:
a. tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage, en
b. tegemoetkoming in de
schoolkosten.
Artikel 5.9. Tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten
1. De hoogte van de tegemoetkoming
is afhankelijk van de periode waarin en van het aantal minuten per
week dat de leerling onderwijs volgt. De hoogte van de
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en in de schoolkosten is
opgenomen in artikel 5.10.
2. Indien de leerling zijn studie
na 30 september wegens ziekte staakt, wordt de tegemoetkoming in
de schoolkosten in afwijking van de overzichten 1 en 2, bedoeld in
artikel 5.10 niet verminderd.
Artikel 5.10. Overzicht hoogte
tegemoetkoming
De bedragen in onderstaande
overzichten luiden per schooljaar en zijn uitgedrukt in euro's naar
de maatstaf van 1 augustus 2000.
Overzicht 1. Onderwijs gedurende
gehele schooljaar of geen onderwijs meer vanaf 1 januari
|
aantal minuten
per week |
onderwijsbijdrage |
schoolkosten |
|
540 of meer |
onderwijsbijdrage voor een uit
's Rijks kas bekostigde school voor 540 minuten onderwijs (=
o1) |
€ 295,12 |
|
540 of meer en voor 1 januari
270 tot 540 |
0,5 x [o1 + (o1 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd)] |
€ 147,56 + € 147,56 naar
rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
|
270 tot 540 |
onderwijsbijdrage voor een uit
's Rijks kas bekostigde school voor 360 minuten onderwijs (=
o2) |
€ 198,83 |
|
270 tot 540 en voor 1 januari
minder dan 270 |
0,5 x [o2 + (o2 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd)] |
€ 99,41 + € 99,42 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
|
minder dan 270 |
nihil |
nihil |
Overzicht 2. Geen onderwijs meer
volgen na 30 september en voor 1 januari
|
aantal minuten
per week |
onderwijsbijdrage |
schoolkosten |
|
540 of meer |
de helft van de
onderwijsbijdrage voor een uit 's Rijks kas bekostigde school
voor 540 minuten onderwijs (= o1) |
€ 147,56 |
|
540 of meer en voor 1 januari
270 tot 540 |
0,25 x [o1 + (o1 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd)] |
€ 73,78 + € 73,78 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
|
270 tot 540 |
de helft van de
onderwijsbijdrage voor een uit 's Rijks kas bekostigde school
voor 360 minuten onderwijs (= o2) |
€ 99,41 |
|
270 tot 540 en voor 1 januari
minder dan 270 |
0,25 x [o2 + (o2 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd)] |
€ 49,71 + € 49,70 naar rato
aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd |
|
minder dan 270 |
nihil |
nihil |
Overzicht 3. Geen onderwijs meer
volgen voor 1 oktober
|
aantal minuten
per week |
onderwijsbijdrage |
schoolkosten |
|
540 of meer |
nihil |
nihil |
|
540 of meer en voor 1 januari
270 tot 540 |
nihil |
nihil |
|
270 tot 540 |
nihil |
nihil |
|
270 tot 540 en voor 1 januari
minder dan 270 |
nihil |
nihil |
|
minder dan 270 |
nihil |
nihil |
Paragraaf 5.2.3. Toekenning
Artikel 5.11. Toekenning
tegemoetkoming
1. Onze Minister kent een
tegemoetkoming toe aan de leerling die daartoe een aanvraag heeft
ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of
krachtens deze wet.
2. Een aanvraag om tegemoetkoming
wordt jaarlijks voor het einde van het desbetreffende schooljaar
gedaan.
3. Onze Minister besluit op een
aanvraag om tegemoetkoming indien de aanvraag is ingediend:
a. voor de aanvang van het
desbetreffende schooljaar: binnen 8 weken na de aanvang van
dat schooljaar, en
b. gedurende het desbetreffende
schooljaar: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 5.12. Toekenningsperiode
Tegemoetkoming wordt toegekend per
schooljaar.
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling
studieschuld
Artikel 6.1. Verplichting debiteur
terugbetaling lening uit hoofdstuk 4
1. Ontvangst van een lening of
omzetting in een lening als bedoeld in de artikelen 4.11, 4.12 en
4.13, of omzetting als bedoeld in artikel 6.2, verplicht degene
die tegemoetkoming in de zin van hoofdstuk 4 heeft ontvangen tot
terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit
hoofdstuk berekende rente.
Artikel 6.2. Omzetting niet meer
verrekenbare schulden uit hoofdstuk 4 in hetzij lening, hetzij
verrekenbare schuld op grond van de WSF 2000
1. De schuld van een leerling in de
zin van hoofdstuk 4 van wie het recht op tegemoetkoming eindigt
zonder dat over de maand volgend op de beëindiging
studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
wordt verstrekt, wordt van rechtswege omgezet in lening. De in de
vorige volzin bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van
het tijdstip van die omzetting.
2. De schuld, niet zijnde een
schuld waarop artikel 6.3 van toepassing is, van een leerling in
de zin van hoofdstuk 4 van wie het recht op tegemoetkoming eindigt
en aan wie over de maand volgend op de beëindiging
studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
wordt verstrekt, wordt aangemerkt als een schuld waarop artikel
7.4 van die wet van toepassing is.
Artikel 6.3. WSF 2000 van
overeenkomstige toepassing
De artikelen 6.3 tot en met 6.16 van
de Wet studiefinanciering 2000 zijn van overeenkomstige toepassing
op de bedragen aan lening die op grond van deze wet zijn opgebouwd.
Hoofdstuk 7. Herziening
Artikel 7.1. Herziening door Minister
1. Onze Minister kan een
beschikking herzien waarbij:
a. tegemoetkoming is toegekend,
of
b. de hoogte van het
toetsingsinkomen van de aanvrager of diens partner of van de
TOS-ouder of diens partner wordt vastgesteld of gewijzigd.
2. Herziening vindt plaats op grond
van het feit dat:
a. een beschikking genomen is
waarvan de aanvrager of de TOS-ouder wist of redelijkerwijs
had kunnen weten dat deze onjuist was,
b. de situatie, bedoeld in de
artikelen 3.9, 3.10, tweede lid, onderdeel c, 5.9, 5.10 en
10.9, tweede tot en met vierde en zesde tot en met achtste
lid, zich voordoet,
c. te veel of te weinig
tegemoetkoming is toegekend op basis van onjuiste of onjuist
verwerkte gegevens,
d. de hoogte van het inkomen
van de aanvrager of diens partner of van de TOS-ouder of diens
partner te hoog of te laag is vastgesteld op basis van
onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld
onder a,
e. aanvrager of TOS-ouder heeft
gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze
wet,
f. geen gevolg is gegeven aan
de aanvraag op grond van artikel 2.28 omdat niet kon worden
voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 2.28, tweede lid,
onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is
voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.28, tweede
lid, aanhef alsmede onderdeel a,
g. gevolg is gegeven aan de
aanvraag op grond van artikel 2.28, en is gebleken dat niet
gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden
genoemd in artikel 2.28, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel
a,
h. de situatie van langdurige
afwezigheid, bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, zich niet
heeft voorgedaan, of
i. andere, nader gebleken
feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend
geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
3. Behoudens in geval van bedrog,
kan een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c, e,
h en i, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het
desbetreffende tijdvak waar de toekenning van de tegemoetkoming
betrekking op heeft.
4. Behoudens in geval van bedrog,
kan een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d,
slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het
desbetreffende tijdvak waar de toekenning van de tegemoetkoming
betrekking op heeft.
5. Behoudens in geval van bedrog,
kan een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b,
f en g, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het
desbetreffende tijdvak waar de toekenning van de tegemoetkoming
betrekking op heeft.
Artikel 7.2. Bezwaarschriftprocedure
De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
Artikel 7.3. Verrekening teveel
toegekende en uitbetaalde tegemoetkoming
1. Indien een
herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en
tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft,
wordt het bedrag van de tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald,
door de aanvrager terugbetaald of met hem verrekend.
2. Indien een
herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en
tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft,
wordt voorzover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te
sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en
uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
3. Indien na een voorlopige
voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet
bestuursrecht, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding
geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening
teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem
verrekend.
4. De in het eerste tot en met
derde lid bedoelde terugbetaling en verrekening geschieden
overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen
redelijke terugbetalingsregels.
5. Artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening
en invordering
Artikel 8.1. Uitbetaling en
verrekening
1. Met betrekking tot de
uitbetaling van de tegemoetkoming en de verrekening van het
toegekende bedrag aan tegemoetkoming met de aan Onze Minister
verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij ministeriële regeling
regels gesteld.
2. Indien een toegekend bedrag aan
tegemoetkoming 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin
de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden
uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die
beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende
bedrag aan tegemoetkoming met het niet uitbetaalde bedrag.
3. Indien een leerling in de loop
van een schooljaar ophoudt leerling te zijn in de zin van
hoofdstuk 4 en hij niet in de loop van datzelfde schooljaar
leerling wordt aan een school waarvoor lesgeld verschuldigd is,
wordt het restant van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage niet teruggevorderd of verrekend.
Artikel 8.2. Invordering en
dwangbevel
Onze Minister vaardigt een dwangbevel
uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet
verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan.
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Paragraaf 9.1. Toezicht
Artikel 9.1. Toezicht door
onderwijsinspectie
Het toezicht door de inspectie,
bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heeft mede betrekking op
de vraag of de school of de opleiding voldoet aan de van toepassing
zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.18 en 4.14,
derde tot en met zesde lid.
Paragraaf 9.2. Verstrekken van
inlichtingen
Artikel 9.2. Verstrekken van
inlichtingen door personen
1. Een ieder is verplicht aan Onze
Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister
aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de
uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te
geven.
2. De inlichtingen worden verstrekt
binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid
bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.
3. Inlichtingen over zichzelf,
voorzover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder
tegemoetkoming worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt
door de aanvrager, onmiddellijk na het bekend worden van die
gegevens.
4. Onze Minister kan bepalen dat de
inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid,
worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen
wijze.
Artikel 9.3. Verschoningsrecht
studentendecaan
Een studentendecaan aan een op grond
van de WHW uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger
onderwijs kan zich, in afwijking van artikel 5:17 van de Algemene
wet bestuursrecht bij de verplichting tot inzage van gegevens en
bescheiden en het verstrekken van inlichtingen, verschonen
betreffende hetgeen een leerling of student aan hem heeft
toevertrouwd.
Artikel 9.4. Verstrekken van
inlichtingen door scholen
1. De natuurlijke persoon van wie
of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een school als bedoeld
in de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 uitgaat, is verplicht op een bij
ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen
te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.
2. De natuurlijke persoon van wie
of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een school als bedoeld
in de artikelen 2.9, onderdelen a tot en met d, en2.10 uitgaat, is
verplicht voor 1 mei aan Onze Minister te melden indien onderwijs
dat in dat schooljaar voldeed aan de voorwaarden, genoemd in
artikel 2.18, in het daaropvolgende schooljaar niet aan deze
voorwaarde zal voldoen.
Artikel 9.5. Verstrekken van
inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak
Organen met een publiekrechtelijke
taak zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te
geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de
uitvoering van deze wet.
Artikel 9.6 [Vervallen per
01-01-2009]
Paragraaf 9.3. Administratieve
sanctie
Artikel 9.7. Niet verstrekken van
inlichtingen over langdurige afwezigheid van leerlingen als bedoeld
in hoofdstuk 4
Indien een niet volledig en
rechtstreeks uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de
artikel 2.9, onderdelen b, c en d, op enig moment in een schooljaar
niet een administratie als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid,
voert of niet na afloop van de in artikel 4.14 bedoelde periodes van
onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden van een leerling als
bedoeld in hoofdstuk 4 aan Onze Minister de vereiste gegevens
verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de school
ter grootte van 15% van het bedrag van de tegemoetkomingen, bedoeld
in artikel 4.2, voorzover die als gift zijn toegekend aan de
leerlingen aan die school in het schooljaar waarin deze school in
gebreke was, is toegekend.
Artikel 9.8. Niet verstrekken van
inlichtingen over studielast
Indien een school als bedoeld in de
artikelen 2.9, onderdelen a tot en met c, en2.10, niet uiterlijk 1
mei de gegevens, bedoeld in artikel 9.4, tweede lid, heeft
verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de school
ter grootte van de tegemoetkomingen op grond van de hoofdstukken 3
en 4 die ten behoeve van leerlingen aan die opleiding in het
schooljaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
Artikel 9.9. Niet verstrekken van
inlichtingen
Hij die niet voldoet aan een van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 9.4, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 9.10. Overtreding van een
bepaling krachtens deze wet
Overtreding van bepalingen van een
krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur,
voorzover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 1 maand of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 9.11. Overtreding
De in de artikelen 9.9 en 9.10
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Hoofdstuk 10. Onderwijs bedoeld in
voorheen Hoofdstuk IV WTS
Paragraaf 10.1. Algemene bepaling
Artikel 10.1. Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van
toepassing op leerlingen en studenten die op 31 juli 2001
tegemoetkoming ontvingen op grond van hoofdstuk IV van de Wet
tegemoetkoming studiekosten.
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
leerling: degene die onderwijs
volgt als bedoeld in artikel 10.2,
student: degene die hoger onderwijs
volgt als bedoeld in artikel 10.3, en
tegemoetkoming: tegemoetkoming in
de onderwijsbijdrage en in de schoolkosten.
3. De artikelen 2.1, 2.2, eerste,
derde en vierde lid, en 2.3, derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 10.2. Onderwijssoorten
Artikel 10.2. Voortgezet onderwijs en
vavo
Voor tegemoetkoming kan een leerling
in aanmerking komen die is ingeschreven voor een opleiding of een
gedeelte daarvan aan een school als bedoeld in de artikelen 2.5, 2.6
en 2.9, onderdeel a, of voor een cursus als bedoeld in artikel 2.9,
onderdeel d, die leiden tot het diploma:
a. voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs,
b. hoger algemeen voortgezet
onderwijs, of
c. middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs.
Artikel 10.3. Lerarenopleiding in
tekortvakken
Voor tegemoetkoming kan een student
in aanmerking komen die als student is ingeschreven aan een
instelling als bedoeld in artikel 2.11 voor een lerarenopleiding in
vakken waarin een tekort aan leraren bestaat. Het betreft de vakken
die bij ministeriële regeling op grond van hoofdstuk IV van de Wet
tegemoetkoming studiekosten op 31 juli 2001 zijn aangewezen.
Artikel 10.4. Geen aanspraak
1. Een aanvrager heeft geen
aanspraak op tegemoetkoming indien hij aanspraak heeft op
tegemoetkoming ingevolge de hoofdstukken 3 of 4 van deze wet of op
studiefinanciering ingevolge hoofdstuk 2 van de Wet
studiefinanciering 2000.
2. Een aanvrager heeft geen
aanspraak op tegemoetkoming indien hij tegemoetkoming ontvangt
ingevolge hoofdstuk 5.
Paragraaf 10.3. Inkomen
Artikel 10.5. Grensbedrag
toetsingsinkomen
1. Voor tegemoetkoming kan
aanspraak bestaan afhankelijk van de hoogte van het
toetsingsinkomen en van de onderwijssoort.
2. Geen aanspraak op een
tegemoetkoming bestaat bij een toetsingsinkomen naar de maatstaf
van 1 januari 2001 van meer dan € 2 858,-[Red: Van 1 januari
2013 tot 1 januari 2014: € 3.658,94] .
Artikel 10.6. Toetsingsinkomen
1. Onder toetsingsinkomen wordt
verstaan het totaal van de volgende inkomsten:
a. het door de leerling of
student gedurende de maanden mei, juni en juli voorafgaande
aan de aanvang van het schooljaar of studiejaar genoten loon
in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 verminderd met
het vakantiegeld, de ingehouden loonbelasting, de ingehouden
premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, en
b. een vierde deel van de winst
uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de
Wet inkomstenbelasting 2001, door de leerling of student
genoten in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin
het schooljaar of studiejaar aanvangt.
2. Voorzover de leerling of student
niet binnenlandse belastingplichtige is in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001, geldt als maatstaf het toetsingsinkomen
voor het geval hij voor al zijn inkomensbestanddelen binnenlandse
belastingplichtige was geweest.
3. Indien een gedeelte van het
inkomen van Nederlandse inkomstenbelasting is vrijgesteld
ingevolge bepalingen van internationaal recht geldt als maatstaf
het toetsingsinkomen voor het geval hij geen vrijstelling had
verkregen.
Paragraaf 10.4. Tegemoetkoming
Artikel 10.7. Samenstelling
tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming bestaat uit:
a. tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage, en
b. tegemoetkoming in de
schoolkosten.
2. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage is voor een leerling of student in het:
1°. hoger onderwijs: het
desbetreffende in artikel 7.44 van de WHW zoals dat artikel
luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de
wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), genoemde collegegeld,
2°. voortgezet onderwijs die
per week 540 minuten of meer onderwijs volgt: het bij of
krachtens de Les- en cursusgeldwet verschuldigde cursusgeld
voor een schooljaar voor 540 minuten onderwijs, afgerond op
het naastbij gelegen, gehele getal,
3°. voortgezet onderwijs die
per week ten minste 270 minuten en minder dan 540 minuten
onderwijs volgt: het bij of krachtens de Les- en cursusgeldwet
verschuldigde cursusgeld voor een schooljaar voor 360 minuten
onderwijs, afgerond op het naastbij gelegen, gehele getal, of
4°. voortgezet onderwijs die
per week minder dan 270 minuten onderwijs volgt: nihil.
3. De tegemoetkoming in de
schoolkosten voor een schooljaar of studiejaar bedraagt naar de
maatstaf van 1 augustus 2008 onderscheidenlijk 1 september 2008
voor een leerling of student in het:
a. hoger onderwijs:€ 647,–
[Red: voor het schooljaar 2013–2014: € 690,00] ,
b. voortgezet onderwijs die per
week 540 minuten of meer onderwijs volgt:€ 276,90 [Red: voor
het schooljaar 2013–2014: € 295,12] ,
c. voortgezet onderwijs die per
week ten minste 270 minuten en minder dan 540 minuten
onderwijs volgt:€ 186,54 [Red: voor het schooljaar 2013–2014:
€ 198,83] ,
d. voortgezet onderwijs die per
week minder dan 270 minuten onderwijs volgt: nihil.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen de maatstaf genoemd in de aanhef van het derde lid,
alsmede de bedragen genoemd in het derde lid, de onderdelen a tot
en met c, worden gewijzigd.
5. De voordracht voor een krachtens
het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 10.8. Toekenning
tegemoetkoming
1. Onze Minister kent een
tegemoetkoming toe aan de leerling of student die daartoe een
aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften
gegeven bij of krachtens dit hoofdstuk.
2. Een aanvraag om tegemoetkoming
wordt jaarlijks voor 1 september na het einde van het
desbetreffende schooljaar of studiejaar gedaan.
3. Onze Minister besluit op een
aanvraag om tegemoetkoming indien de aanvraag is ingediend:
a. voor de aanvang van het
desbetreffende schooljaar of studiejaar: binnen 8 weken na de
aanvang van dat school- of studiejaar, en
b. gedurende het desbetreffende
schooljaar of studiejaar: binnen 8 weken na de indiening van
de aanvraag.
Artikel 10.9. Toekenningsperiode,
studieperiode
1. Behoudens het tweede tot en met
vijfde lid, wordt tegemoetkoming toegekend per schooljaar of
studiejaar.
2. Indien de leerling of student is
ingeschreven aan een school of voor een cursus als bedoeld in
artikel 10.2, voorzover het betreft artikel 2.9, onderdelen a en
d, en artikel 10.3, en hij geen onderwijs meer volgt op een
tijdstip waarop de gehele onderwijsbijdrage nog kan worden
teruggevorderd, wordt de toekenning op de tegemoetkoming voor het
gehele schooljaar of studiejaar op nihil gesteld.
3. Indien de student is
ingeschreven aan een school als bedoeld in artikel 10.3, en hij op
enig ogenblik in de periode gelegen tussen het tijdstip, bedoeld
in het tweede lid, en een bij ministeriële regeling te bepalen
datum geen onderwijs meer volgt, omvat de toekenning van de
tegemoetkoming het bedrag, bedoeld in artikel 10.7, eerste lid,
onderdeel a, alsmede de helft van de tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 10.7, eerste lid, onderdeel b, afgerond op het naastbij
gelegen, gehele getal.
4. Indien de leerling is
ingeschreven aan een school of voor een cursus als bedoeld in
artikel 10.2, voorzover het betreft artikel 2.9, onderdelen a en
d, en hij op enig ogenblik in de periode gelegen tussen het
tijdstip, bedoeld in het tweede lid, en een bij ministeriële
regeling te bepalen datum geen onderwijs meer volgt, omvat de
toekenning van de tegemoetkoming de helft van het bedrag bedoeld
in artikel 10.7, eerste lid, onderdeel a, afgerond op het naastbij
gelegen, gehele getal, alsmede de helft van de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 10.7, eerste lid, onderdeel b, afgerond op het
naastbij gelegen, gehele getal.
5. Het derde en vierde lid zijn
niet van toepassing indien de leerling of student wegens ziekte
zijn studie staakt.
6. Het tweede tot en met het vijfde
lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de leerling of
student het onderwijs, bedoeld in artikel 10.2, voorzover het
betreft de artikelen 2.5 en 2.6, en artikel 10.3, volgt, met dien
verstande dat als onderwijsbijdrage geldt de onderwijsbijdrage die
verschuldigd zou zijn wanneer voltijds uit de openbare kas
bekostigd onderwijs zou worden gevolgd, en dat als tijdstip tot
waarop de onderwijsbijdrage niet kan worden teruggevorderd geldt
het tijdstip tot waarop de onderwijsbijdrage in het uit de
openbare kas bekostigd onderwijs niet geheel kan worden
teruggevorderd.
7. Indien de leerling in het
voortgezet onderwijs per week 540 minuten of meer onderwijs volgt
en hij op enig ogenblik voor een bij ministeriële regeling te
bepalen tijdstip ten minste 270 minuten en minder dan 540 minuten
onderwijs per week volgt omvat de toekenning van de tegemoetkoming
de helft van het bedrag bedoeld in artikel 10.7, eerste lid,
onderdeel a, afgerond op het naastbij gelegen, gehele getal, en de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10.7, eerste lid, onderdeel b,
alsmede de helft van het bedrag bedoeld in artikel 10.7, eerste
lid, onderdeel a, afgerond op het naastbij gelegen, gehele getal,
en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10.7, eerste lid,
onderdeel b, naar rato van het aantal minuten dat onderwijs wordt
gevolgd.
8. Indien de leerling in het
voortgezet onderwijs per week ten minste 270 minuten en minder dan
540 minuten onderwijs volgt en hij op enig ogenblik voor een bij
ministeriële regeling te bepalen tijdstip minder dan 270 minuten
onderwijs per week volgt, omvat de toekenning van de
tegemoetkoming de helft van het bedrag bedoeld in artikel 10.7,
eerste lid, onderdeel a, afgerond op het naastbij gelegen, gehele
getal, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10.7, eerste lid,
onderdeel b, alsmede de helft van het bedrag bedoeld in artikel
10.7, eerste lid, onderdeel a, afgerond op het naastbij gelegen,
gehele getal, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10.7,
eerste lid, onderdeel b, naar rato van het aantal minuten dat
onderwijs wordt gevolgd.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikel 11.1. Aanpassing van bedragen
1. Per 1 januari van ieder
kalenderjaar past Onze Minister de bedragen, genoemd in de
artikelen 2.23, tweede lid, 3.5, 4.3, 4.6, 5.4, 5.10, 10.5, tweede
lid, en 10.7, derde lid, aan op een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon-
of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande
kalenderjaar. De aangepaste bedragen treden in de plaats van de in
de eerste volzin bedoelde bedragen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen de maatstaven, genoemd in de artikelen 3.5, 4.3,
4.6 en 5.10, alsmede de bedragen, genoemd in die artikelen, worden
gewijzigd.
3. De voordracht voor een krachtens
het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 11.2. Titel 4.2 Awb niet van
toepassing
Titel 4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
Artikel 11.3. Vervreemding,
verpanding, belening en beslag
1. Tegemoetkoming is niet vatbaar
voor vervreemding, verpanding, belening en beslag, waaronder
begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
2. Elk beding, strijdig met dit
artikel, is nietig.
Artikel 11.4. Hardheidsclausule
1. Onze Minister kan voor bepaalde
gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken
voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te
beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. het begrip partner,
b. het begrip toetsingsinkomen,
c. het begrip vreemdeling, en
d. artikel 1.8.
Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
Artikel 12.1 [Vervallen per
01-09-2005]
Artikel 12.2. Artikelen 1.1, 2.6,
2.21 en 3.1
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 12.3. Afwijking van artikel
1.5
Artikel 1.5 is niet van toepassing op
scholieren die voor 1 augustus volgend op het tijdstip van
inwerkingtreding van dat artikel, een basistoelage als bedoeld in
artikel 4.3 of als bedoeld in artikel 26 van de Wet tegemoetkoming
studiekosten ontvingen.
Artikel 12.3a. Afwijking van artikel
2.11
In afwijking van artikel 2.11 komt
tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor
tegemoetkoming ingevolge afdeling 5.1 mede in aanmerking een student
die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als
bedoeld in artikel 18.64 van de WHW, voorzover die opleiding is
geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de WHW
of de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t,
van de WHW, met positief gevolg heeft ondergaan.
Artikel 12.4. Afwijking van artikel
2.22a
Voor een scholier of deelnemer vavo
als bedoeld in hoofdstuk 4 die reeds voor de inwerkingtreding van
artikel 2.22a tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
ontving en wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van artikel 2.22a rechtens was ontnomen wordt voor
de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de
vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van
inwerkingtreding van artikel 2.22aen eindigt de aanspraak op
basistoelage voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.22a, eerste
lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft
geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand
volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de
eerste zin zes maanden heeft geduurd.
Artikel 12.4a [Vervallen per
01-09-2010]
Artikel 12.5. Afwijking van de
artikelen 2.24, 2.29 en 10.6 in verband met de Wet
inkomstenbelasting 2001
Voorzover het peiljaar een aan het
kalenderjaar 2001 voorafgaand kalenderjaar is, wordt voor de
toepassing van de artikelen 2.24, 2.29 en 10.6 onder:
a. «de gecorrigeerde
verzamelinkomens» in artikel 2.24 verstaan: de belastbare
inkomens,
b. «artikel 9.4» in artikel
2.24 verstaan: artikel 64,
c. «het gecorrigeerde
verzamelinkomen» in de artikelen 2.24 en 2.29 verstaan: het
belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting
1964,
e. «het gecorrigeerde belastbare
loon» in de artikelen 2.24 en 2.29 verstaan: het zuivere loon,
bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964,
f. «de Wet inkomstenbelasting
2001» in de artikelen 2.24 en 10.6, tweede lid, verstaan: de
Wet op de inkomstenbelasting 1964, en
g. «de winst uit een of meer
ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001» in artikel 10.6 verstaan: de winst uit
onderneming, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk II van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
Artikel 12.6 [Vervallen per
01-08-2009]
Artikel 12.7 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.8 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.9 [Vervallen per
13-02-2004]
Artikel 12.10. Tijdelijke afwijking
van artikel 11.1
Artikel 11.1, eerste lid, is niet van
toepassing in de kalenderjaren 2011 en 2012, met uitzondering van
hetgeen in dat artikel is bepaald ten aanzien van artikel 2.23,
tweede lid.
Artikel 12.11. Afwijking in verband
met de Aanpassingswet AWIR
1. Op besluiten met betrekking tot
tegemoetkomingen voor het school- of studiejaar 2005–2006 zijn
de bepalingen die golden voor de inwerkingtreding van de
Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van
toepassing.
2. Op besluiten met betrekking tot
tegemoetkomingen voor het school- of studiejaar 2006–2007 zijn
de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel IV,
van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
van toepassing.
3. Op besluiten met betrekking tot
tegemoetkomingen voor het school- of studiejaar 2007–2008 zijn
de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C, artikel V,
van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
van toepassing.
4. Op besluiten met betrekking tot
tegemoetkomingen voor het school- of studiejaar 2008–2009 en
volgende zijn de bepalingen, opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling C,
artikel VI, van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen van toepassing.
Artikel 12.12. Afwijking in verband
met de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel III van de
Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is de Algemene wet
bestuursrecht zoals die geldt na inwerkingtreding van de Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht van toepassing op alle betalingen
op grond van de Wet tegemoetkomingen onderwijsbijdrage en
schoolkosten.
Artikel 12.12*. Overgangsbepaling in
verband met Wet op het kindgebonden budget
Een aanvrager die per 1 januari 2010
aanspraak heeft op een verhoging van het kindgebonden budget als
bedoeld in de Wet van 18 juni 2009 tot wijziging van de Wet op het
kindgebonden budget, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de
integratie van hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten in de Wet op het kindgebonden
budget (Stb. 331), kan voor het tijdvak tot 1 januari 2010 voor
tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten zoals deze luidde voor de datum
van inwerkingtreding van voormelde wet van 18 juni 2009, in
aanmerking komen indien de scholier, deelnemer of deelnemer vavo op
wie de aanvraag betrekking heeft, jonger is dan 18 jaren en is
ingeschreven aan een school als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zoals deze luidde
voor de inwerkingtreding van voormelde wet van 18 juni 2009.
Artikel 12.13. Aanspraken en
verplichtingen op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten
1. Aanvragen op grond van de Wet
tegemoetkoming studiekosten worden van rechtswege omgezet in een
aanvraag op grond van deze wet.
2. Tegemoetkoming die op grond van
de Wet tegemoetkoming studiekosten is toegekend, wordt van
rechtswege omgezet in tegemoetkoming op grond van deze wet.
3. Verplichtingen die op grond van
de Wet tegemoetkoming studiekosten bestaan, worden van rechtswege
omgezet in verplichtingen op grond van deze wet.
Artikel 12.14. Overgangsbepaling
bezwaar en beroep
1. Op bezwaar en beroep ingevolge
de Wet tegemoetkoming studiekosten, ingesteld voor 1 augustus
2001, of tegen een besluit van voor deze datum ingesteld op of na
deze datum, blijven de op 31 juli 2001 geldende voorschriften van
toepassing.
2. Op bezwaar en beroep tegen een
besluit ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten, dat is genomen voor 1 januari 2010, blijven de op 31
december 2009 geldende voorschriften van toepassing.
Artikel 12.15. Vervallen van
hoofdstuk 10
[Wijzigt deze wet]
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere
wetten
Artikel 13.1. Algemene bijstandswet
[Wijzigt de Algemene bijstandswet]
Artikel 13.2. Algemene
Kinderbijslagwet
[Wijzigt de Algemene
Kinderbijslagwet]
Artikel 13.3. Derde tranche algemene
wet bestuursrecht
[Wijzigt de Derde tranche algemene
wet bestuursrecht]
Artikel 13.4. Les- en cursusgeldwet
[Wijzigt de Les- en cursusgeldwet]
Artikel 13.5. Les- en cursusgeldwet
[Wijzigt de Les- en cursusgeldwet]
Artikel 13.6. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
[Wijzigt de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten]
Artikel 13.7. Wet educatie en
beroepsonderwijs
[Wijzigt de Wet educatie en
beroepsonderwijs]
Artikel 13.8. Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen]
Artikel 13.9. Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers]
Artikel 13.10. Wet inkomstenbelasting
2001
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting
2001]
Artikel 13.11. Wet inschakeling
werkzoekenden
[Wijzigt de Wet inschakeling
werkzoekenden]
Artikel 13.12. Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
[Wijzigt de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek]
Artikel 13.13. Wet op het voortgezet
onderwijs
[Wijzigt de Wet op het voortgezet
onderwijs]
Artikel 13.14. Wet studiefinanciering
2000
[Wijzigt de Wet studiefinanciering
2000]
Artikel 13.15. Wet van 13 december
2000, Stb. 2001, 67
[Wijzigt de Wet van 13 december 2000
tot wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens
bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen
afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een
ingezetene, Stb. 2001, 67]
Artikel 13.16. Wet van 29 mei 1991,
Stb. 283
[Wijzigt de Wet van 29 mei 1991
houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering onder meer in
verband met verlaging van het maximum van de rentedragende lening in
het eerste jaar van studie in het HO, het direct berekenen van
marktconforme rente bij opname van studieleningen en wijziging van
de bijverdienregeling (heroriëntering studiefinanciering III), Stb.
283]
Artikel 13.17. Wet verzelfstandiging
Informatiseringsbank
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging
Informatiseringsbank]
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Artikel 14.1. Intrekking wet
tegemoetkoming studiekosten
De Wet tegemoetkoming studiekosten
wordt ingetrokken.
Artikel 14.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1
augustus 2001, met uitzondering van:
a. artikel 1.5 dat in werking
treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
b. artikel 13.5 dat in werking
treedt met ingang van 1 januari 2002, en
c. de artikelen 13.12 en 13.14,
onderdelen A, G en I, die in werking treden met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet
wordt geplaatst, en terugwerken tot en met 1 september 2000.
Artikel 14.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
26 april 2001
BEATRIX
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
Uitgegeven de tweeëntwintigste
mei 2001
De Minister van Justitie,
A.H.
Korthals
|