WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de
werkloosheidsbestrijding wenselijk is een tijdelijke voorziening te
treffen met betrekking tot de aanspraken op het wettelijk minimumloon
van werknemers die gelijktijdig arbeid verrichten en onderricht
ontvangen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Indien in een collectieve arbeidsovereenkomst of een
publiekrechtelijke regeling een bijzondere beloningsregeling is
getroffen met betrekking tot werknemers, die tijdens de overeengekomen
arbeidstijd, of een gedeelte daarvan, gelijktijdig arbeid verrichten en
onderricht ontvangen, overeenkomstig een schriftelijk vastgelegd en in
de collectieve arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke regeling
vermeld plan, is het bepaalde in hoofdstuk II van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) ten aanzien van de
werknemers voor wie de beloningsregeling geldt, niet van toepassing.
Artikel 2
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze wet geldt tot en met 31 december 1992, met dien verstande
dat zij van kracht blijft ten aanzien van werknemers van wie het
onderricht voor die datum is aangevangen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 28 oktober 1991
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
Uitgegeven de negentiende november 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin