Nadere regelgeving:
- Regeling vaststelling beleidsregels ex artikel 4 en 13 Wet
toelating zorginstellingen (vervallen)
- Uitvoeringsbesluit WTZi
WET van 20 oktober 2005 tot
vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod
van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het ter bevordering van de
overgang van een centraal aanbod gestuurd naar een decentraal
vraaggericht zorgstelsel wenselijk is de regels inzake de toelating van
zorginstellingen en die inzake de bouwprocedure te vereenvoudigen en
samen te voegen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
b. College bouw: het College bouw zorginstellingen, genoemd in
artikel 19;
c. College sanering: het College sanering zorginstellingen,
genoemd in artikel 32;
d. College zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet;
e. Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten: het fonds, genoemd
in artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
f. instelling: een organisatorisch verband dat een toelating
heeft als bedoeld in artikel 5, eerste lid;
g. exploitatie van een instelling: het in bedrijf hebben van
een instelling.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij
aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat delen
van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van
toepassing zijn.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij
aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat zij, al
dan niet onder voorwaarden of beperkingen, voor de toepassing van
artikel 5, eerste lid, worden aangemerkt als in het bezit van een
toelating.
Artikel 2
1.Met het oog op de totstandkoming van een beleidsregel van de
Nederlandse Zorgautoriteit op grond van artikel 57 van de Wet
marktordening gezondheidszorg, kan bij ministeriële regeling met
betrekking tot de instelling of instellingen waarvoor die beleidsregel
geldt, worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of
een deel daarvan niet van toepassing zijn voor de duur van het in die
beleidsregel bedoelde experiment.
2.Alvorens overeenkomstig het eerste lid een ministeriële regeling
wordt vastgesteld, wordt het ontwerp daarvan schriftelijk meegedeeld
aan de beide kamers der Staten-Generaal. De regeling wordt niet eerder
vastgesteld dan nadat tien dagen zijn verstreken na die mededeling.
3.De regeling vervalt op het tijdstip waarop ingevolge de
beleidsregel het experiment is geëindigd.
4.Onze Minister evalueert de toepassing van dit artikel tijdig en
tijdens de uitvoering van het experiment.
Hoofdstuk II. Visie en beleidsregels
Artikel 3
1.Onze Minister maakt, gelet op de ontwikkelingen in de
gezondheidszorg, ten minste eenmaal in de vier jaar zijn visie op een
kwalitatief goed, doelmatig, evenwichtig en voor eenieder toegankelijk
stelsel van gezondheidszorg bekend. In deze visie is tevens opgenomen
hoe de bereikbaarheid van de acute zorg, daaronder begrepen de daaraan
verbonden basiszorg, en van andere vormen van zorg ten aanzien waarvan
aan de bereikbaarheid een bijzonder belang wordt gehecht, is
gewaarborgd. Deze visie bevat tevens het financieel kader dat
beschikbaar is voor de kosten voortvloeiend uit toelatingen die Onze
Minister verleent met toepassing van artikel 7.
2.Onze Minister zendt een afschrift van zijn visie aan beide kamers
der Staten-Generaal en aan het College bouw.
Artikel 4
Onze Minister stelt, gezien zijn visie, bedoeld in artikel 3,
beleidsregels vast omtrent de beoordeling van aanvragen om toelating als
bedoeld inartikel 5, eerste lid. Deze beleidsregels bevatten in ieder
geval criteria omtrent de spreiding van de in artikel 3 bedoelde vormen
van zorg ten aanzien waarvan aan de bereikbaarheid een bijzonder belang
wordt gehecht. In de beleidsregels stelt Onze Minister voorts criteria
vast voor het bepalen van de prioriteit van aanvragen om een toelating
waarop Onze Minister beslist met toepassing van artikel 7; deze criteria
hebben in ieder geval betrekking op de bouwkundige en functionele staat
van de instellingen.
Hoofdstuk III. Toelating en bouwprocedure
Artikel 5
1.Een organisatorisch verband dat behoort tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie van instellingen die zorg
verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 6 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten of ingevolge een zorgverzekering als
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, moet
voor het verlenen van die zorg een toelating hebben van Onze Minister.
2.Een toelating kan aan instellingen met een winstoogmerk slechts
worden verleend indien die instelling behoort tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie.
Artikel 6
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld:
a. de wijze waarop een aanvraag om een toelating bij Onze
Minister wordt ingediend;
b. welke gegevens bij de aanvraag worden overgelegd;
c. met betrekking tot aanvragen waarop Onze Minister beslist met
toepassing van artikel 7: de termijn na de aanvang van een periode
van telkens twee jaar, waarbinnen aanvragen in behandeling worden
genomen met het oog op het toepassen van de beleidsregels, bedoeld
in artikel 4. De eerste periode van twee jaar vangt aan op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet dan wel, indien dat
tijdstip niet 1 januari van enig jaar is, op 1 januari van het jaar,
volgend op dat waarin deze wet in werking treedt.
Artikel 7
1.Indien een organisatorisch verband, behorende tot een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, een toelating
vraagt voor het verlenen van zorg ten behoeve waarvan een bij die
maatregel aangewezen vorm van bouw plaatsvindt, beslist Onze Minister
vóór het eind van de tweejaarlijkse periode, bedoeld in artikel 6,
onder c, waarin de aanvraag in behandeling is genomen. Onze Minister
stelt de zorgverzekeraars in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet gezamenlijk in de gelegenheid hun zienswijze
kenbaar te maken.
2.Onze Minister wint over een aanvraag om een toelating als bedoeld
in het eerste lid het advies in van het College bouw. Het College bouw
beziet de aanvraag onder meer in het licht van de eisen, bedoeld in
artikel 10.
3.Onze Minister verleent een toelating indien:
a. de exploitatie past in de beleidsregels, bedoeld in artikel
4;
b. na toepassing van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4,
het verlenen van een toelating niet zou leiden tot overschrijding
van het financieel kader dat blijkens artikel 3, eerste lid,
daarvoor beschikbaar is; en
c. het organisatorisch verband voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de
bestuursstructuur, alsmede omtrent waarborgen voor een ordelijke
en controleerbare bedrijfsvoering.
4.Van de verleende toelatingen doet Onze Minister mededeling in de
Staatscourant.
Artikel 8
Indien het verlenen van een toelating niet mogelijk is op grond van
artikel 7, derde lid, onderdeel b, houdt Onze Minister op verzoek van de
aanvrager van de toelating de beslissing op diens aanvraag aan tot de
eerstvolgende keer dat op grond van artikel 7 over aanvragen moet worden
beslist.
Artikel 9
1.Onze Minister verleent een toelating waarop hij niet beslist met
toepassing vanartikel 7, indien:
a. de exploitatie past in de beleidsregels, bedoeld in artikel
4;
b. het organisatorisch verband voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de
bestuursstructuur, alsmede omtrent waarborgen voor een ordelijke
en controleerbare bedrijfsvoering.
2.Van de verleende toelatingen doet Onze Minister mededeling in de
Staatscourant en aan de beheerder van het register van zorgaanbieders,
bedoeld in artikel 14 van de Wet gebruik burgerservicenummer in de
zorg.
Artikel 10
1.Het College bouw stelt op verzoek van Onze Minister
prestatie-eisen vast die bij bouw in acht moeten worden genomen. De
eisen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2.Onze Minister weigert goedkeuring indien de prestatie-eisen niet
passen in een doelmatig, voor eenieder toegankelijk en evenwichtig
stelsel van gezondheidszorg.
3.Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na
verzending bekendgemaakt. Het nemen van een besluit omtrent
goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4.Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn geen besluit
tot goedkeuring of verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het
besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is genomen,
wordt een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen.
5.De prestatie-eisen liggen voor een ieder bij het College bouw ter
inzage. Het College bouw doet van de goedkeuring en de
terinzagelegging mededeling in de Staatscourant en in één of meer
dag- of nieuwsbladen die landelijk worden verspreid.
Artikel 11
1.Voor bouw waarvoor Onze Minister met toepassing van artikel 7
toelating heeft verleend, is een vergunning vereist van het College
bouw.
2.Het College bouw verleent de vergunning voor zover de beoogde
bouw:
a. overeenkomt met hetgeen waarvoor de toelating, bedoeld in
artikel 7, is verleend; en
b. voldoet aan de prestatie-eisen.
3.Het College bouw bepaalt welke gegevens ten behoeve van zijn
beslissing moeten worden ingediend.
4.Het College bouw kan aan de vergunning voorschriften verbinden
met het oog op een goed verloop van de bouw.
Artikel 12
In de beslissing tot toelating met toepassing van artikel 7 of in de
vergunning op grond van artikel 11 kan Onze Minister onderscheidenlijk
het College bouw opnemen dat voor de eindverantwoording van bouw
goedkeuring is vereist van het College bouw. Het College bouw toetst
daarbij aan hetgeen waarvoor het vergunning heeft verleend dan wel,
indien een vergunning niet was vereist, aan hetgeen waarvoor Onze
Minister een toelating heeft verleend. Het College bouw zendt afschrift
van zijn beschikkingen aan Onze Minister en van zijn beschikkingen die
betrekking hebben op academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel
1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Hoofdstuk IV. Exploitatie
Artikel 13
1.Een instelling voldoet, voorzover van toepassing, aan de eisen,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, en inartikel 7, derde lid, onder c,
onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, onder b. Onze Minister kan
aan een toelating andere voorschriften verbinden. De voorschriften
kunnen worden gewijzigd of ingetrokken en nieuwe voorschriften kunnen
worden gesteld.
2.Onze Minister kan de toelating intrekken indien niet wordt
voldaan aan de voorschriften, gesteld bij of krachtens het eerste lid.
Artikel 14
1.Onze Minister kan op grond van de beleidsregels, bedoeld in
artikel 4:
a. een toelating onder beperkingen verlenen;
b. aan een verleende toelating alsnog beperkingen stellen;
c. beperkingen wijzigen of intrekken;
d. een toelating intrekken.
2.Alvorens over te gaan tot een maatregel als bedoeld in het eerste
lid, onder b of d, stelt Onze Minister de zorgverzekeraars in de zin
van artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet, waarmee de
instelling een overeenkomst heeft gesloten, het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de instelling zich
bevindt, en het bestuur en medewerkers van de betrokken instelling de
gelegenheid om binnen een door Onze Minister te bepalen termijn hun
opmerkingen omtrent dit voornemen aan hem kenbaar te maken.
3.Onze Minister doet van een beslissing tot beperking of intrekking
van een toelating op grond van het eerste lid, onder b of d,
mededeling in de Staatscourant en zendt een afschrift van deze
beschikking aan het College sanering en aan de beheerder van het
register van zorgaanbieders, bedoeld in artikel 14 van de Wet gebruik
burgerservicenummer in de zorg.
Artikel 15
Het bestuur van een instelling stelt overeenkomstig door Onze
Minister, voor zoveel nodig in overeenstemming met Onze Ministers die
het mede aangaat, te stellen regelen de begroting, de balans en de
resultatenrekening alsmede de daarbij behorende toelichting met
betrekking tot de instelling vast en legt volledige afschriften daarvan
ter inzage voor een ieder ter plaatse, door Onze Minister te bepalen.
Artikel 16
Het bestuur van een instelling, behorende tot een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie, verstrekt aan Onze Minister
of aan een bij die maatregel aangewezen bestuursorgaan de bij of
krachtens die maatregel omschreven gegevens betreffende de exploitatie
van de instelling.
Hoofdstuk V. Sanering
Artikel 17
1.Het bestuur van een instelling wendt zich tot het College
sanering binnen zes weken na bekendmaking van een beslissing tot:
a. beperking of intrekking van een toelating op grond van
artikel 14, eerste lid, onder b of d;
b. beëindiging van de uitvoering van bijzondere medische
verrichtingen of beëindiging van het gebruik van apparatuur op
grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wet op bijzondere medische
verrichtingen.
2.Het College sanering stelt de financiële gevolgen van sanering
vast ter zake van een beslissing als bedoeld in het eerste lid,
alsmede ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 18.
3.De in het tweede lid bedoelde vaststelling kan inhouden dat het
College sanering subsidie verstrekt ter voorziening in de financiële
gevolgen van de sanering.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot:
a. hetgeen onder financiële gevolgen van sanering moet worden
verstaan;
b. de hoogte, de opbouw en wijze van berekening van de
subsidie;
c. de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
f. de vaststelling van de subsidie;
g. de betaling en terugvordering van de subsidie en het
verlenen van voorschotten.
5.In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid,
kan worden bepaald dat het College sanering nadere regels stelt over
daarbij aangewezen onderwerpen. De door het College sanering gestelde
regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
6.Een beschikking tot subsidievaststelling wordt niet genomen dan
nadat het College zorgverzekeringen hieromtrent is gehoord.
7.De betaling van de subsidie of het voorschot geschiedt door het
College zorgverzekeringen ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten. Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.
8.Indien het College sanering vaststelt dat de financiële gevolgen
van de sanering een positief saldo voor de betrokken instelling
inhouden, kan het College sanering bepalen dat het saldo wordt gestort
in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen
hieromtrent regels worden gesteld.
9.Van besluiten als bedoeld in het tweede lid doet het College
sanering mededeling aan Onze Minister.
10.Onze Minister doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal
omtrent de door het College sanering ingevolge het tweede lid genomen
besluiten.
11.Het College sanering is tevens belast met het toezicht op de
sanering. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde
lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.
Artikel 18
1.Het bestuur van een instelling, met uitzondering van een
academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat voornemens is om
gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de
instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het
College sanering.
2.Het College sanering beslist binnen acht weken na ontvangst van
de mededeling of het bestuur van de instelling de gebouwen of
terreinen kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht kan
onderwerpen zonder zijn goedkeuring. Bij de goedkeuring kan het
College sanering bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten
opzichte van de boekwaarde wordt gestort in het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten.
3.Een rechtshandeling die is verricht in strijd met dit artikel, is
vernietigbaar. De vernietigbaarheid kan worden ingeroepen door het
College sanering.
Hoofdstuk VI. Zelfstandige bestuursorganen
Paragraaf 1. College bouw zorginstellingen
Artikel 19
1.Er is een College bouw zorginstellingen, dat
rechtspersoonlijkheid bezit. Het College bouw is gevestigd in een door
Onze Minister te bepalen plaats.
2.Het College bouw is belast met de taken die hem bij of krachtens
de wet zijn opgedragen.
3.Het College bouw wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door
de voorzitter.
Artikel 20
1.Het College bouw bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de
voorzitter.
2.Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de
overige leden. Benoeming vindt op persoonlijke titel plaats op grond
van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van
het College bouw alsmede op grond van maatschappelijke kennis en
ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden
worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van
het College bouw.
4.De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming
kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
5.Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op
eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.
6.Onze Minister stelt de bezoldiging en de regels ten aanzien van
de rechtspositie van de leden van het College bouw vast.
Artikel 21
1.Het College bouw stelt een bestuursreglement vast.
2.Vergaderingen van het College bouw zijn niet openbaar, behoudens
voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.
3.In het bestuursreglement legt het College bouw in ieder geval
vast hoe hij voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht.
4.Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
De goedkeuring kan worden onthouden indien het doelmatig en
doeltreffend functioneren van het College bouw onvoldoende wordt
gewaarborgd.
Artikel 22
1.Het College bouw benoemt, schorst en ontslaat het personeel.
2.Op de rechtspositie van het personeel van het College bouw zijn
de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij
ministeries van toepassing, met dien verstande dat waar in deze regels
een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt
uitgeoefend door het College bouw.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in
het tweede lid bedoelde regels.
Artikel 23
1.Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister
een jaarplan voor het volgende kalenderjaar.
2.Het jaarplan omvat:
a. een werkprogramma met een beschrijving van de activiteiten
die het College bouw voornemens is ter uitvoering van zijn taken
te verrichten,
b. een begroting van de beheerskosten voor de uitvoering van de
voorgenomen activiteiten, en
c. een meerjarenraming voor de vier kalenderjaren volgend op
het begrotingsjaar.
Artikel 24
1.Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december het budget voor de
beheerskosten van het College bouw voor het volgende kalenderjaar
vast.
2.Onze Minister kan besluiten het budget voor de beheerskosten van
het College bouw te wijzigen.
3.Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en
lasten, doet het College bouw daarvan onverwijld mededeling aan Onze
Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
4.Het College bouw gaat met betrekking tot de beheerskosten geen
verplichtingen aan en doet geen uitgaven die leiden tot overschrijding
van het vastgestelde budget voor de beheerskosten.
5.Indien het budget voor de beheerskosten niet is vastgesteld voor
1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft,
is het College bouw bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te
houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.
6.Onze Minister kan besluiten dat het College bouw in een geval als
bedoeld in het vijfde lid, kan beschikken over meer dan een derde
gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar
is vastgesteld.
7.Het door Onze Minister vastgestelde budget voor de beheerskosten
van het College bouw wordt gedekt uit 's Rijks kas.
Artikel 25
1.Het College bouw zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze Minister
een jaarverantwoording over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het
verslag van bevindingen, bedoeld in het zesde lid.
2.De jaarverantwoording omvat:
a. een jaarrekening, en
b. een jaarverslag omtrent het door het College bouw gevoerde
beleid, de doeltreffendheid van dat beleid, de bedrijfsvoering en
de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar.
3.Het College bouw legt in zijn jaarrekening, die zoveel mogelijk
met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek wordt ingericht, rekening en verantwoording af over
zijn beheerskosten en over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het
beheer in het afgelopen kalenderjaar.
4.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister
desgevraagd inzicht te geven in zijn controlewerkzaamheden.
5.De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging
en besteding van de middelen door het College bouw.
6.De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie voldoen aan
eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en
doelmatigheid.
Artikel 26
1.De onderdelen «werkprogramma»en «begroting» van het jaarplan,
bedoeld in artikel 23, en het onderdeel «jaarrekening» van de
jaarverantwoording, bedoeld in artikel 25, behoeven de goedkeuring van
Onze Minister.
2.Het eerste lid geldt niet voor wijzigingen in een goedgekeurde
begroting, mits:
a. de totale omvang van de begroting geen wijziging ondergaat,
en
b. de wijziging per groep van kostensoorten en baten, gerekend
over het desbetreffende begrotingsjaar, een bedrag van 5 procent
van het in artikel 24 bedoelde budget niet te boven gaat.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
inhoud en de inrichting van:
a. het jaarplan, bedoeld in artikel 23;
b. de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 25;
c. de verklaring, bedoeld inartikel 25, vierde lid, en het
verslag van bevindingen, bedoeld inartikel 25, zesde lid, alsmede
het aan die verklaring en dat verslag ten grondslag liggende
onderzoek.
4.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze
waarop en de voorwaarden waaronder het budget, bedoeld in artikel 24,
wordt vastgesteld.
Artikel 27
1.Na de goedkeuring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, stelt het
College bouw het jaarplan en de jaarverantwoording algemeen
verkrijgbaar.
2.Onze Minister brengt zijn oordeel over het functioneren van het
College bouw ter kennis van beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 29
Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
werkwijze en de uitoefening van de taken van het College bouw.
Artikel 30
1.Een besluit van het College bouw kan bij koninklijk besluit
worden vernietigd.
2.Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 31
1.Het College bouw:
a. rapporteert desgevraagd aan Onze Minister omtrent de
uitvoerbaarheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid met
betrekking tot instellingen;
b. geeft aan Onze Minister inlichtingen met betrekking tot de
bouwkundige en functionele staat van de instellingen;
c. geeft aan Onze Minister desgevraagd advies over beslissingen
op aanvragen om toelating als bedoeld in artikel 7;
d. geeft voorlichting omtrent het beleid op het terrein van de
bouw van instellingen.
2.Het College bouw signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze
Minister feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de
infrastructuur van de gezondheidszorg.
Paragraaf 2. College sanering zorginstellingen
Artikel 32
1.Er is een College sanering zorginstellingen, dat
rechtspersoonlijkheid bezit. Het College sanering is gevestigd in een
door Onze Minister te bepalen plaats.
2.Het College sanering is belast met de taken die hem bij of
krachtens de wet zijn opgedragen.
3.De artikelen 19, derde lid, en 20 tot en met 30zijn ten aanzien
van het College sanering van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3. Inlichtingen
Artikel 33
Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan
elkaar, aan de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg, de voor de uitoefening van hun taak
benodigde inlichtingen. De genoemde colleges kunnen inzage vorderen van
zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de invulling van
hun taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 34
Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan
Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde
inlichtingen en gegevens. Zij verlenen aan door Onze Minister aangewezen
personen toegang tot en inzage in alle gegevens die Onze Minister nodig
acht voor de uitoefening van zijn taak.
Hoofdstuk VII. Toezicht
Artikel 35
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen
personen.
Artikel 36
De inartikel 35 bedoelde personen beschikken niet over de
bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Hoofdstuk VIII. Sancties
Artikel 37
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving vanartikel 5, eerste lid, van de bij of
krachtens artikel 13 aan een toelating verbonden voorschriften, alsmede
van de artikelen 15 en 16. Het College bouw is bevoegd tot oplegging van
een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 11 en 12. Het College sanering is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, eerste en achtste lid, en 18,
eerste en tweede lid.
Hoofdstuk IX. Rechtsbescherming
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk X. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 39
[Wijzigt de Ziekenfondswet]
Artikel 40
[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten]
Artikel 41
1. Een toelating, verleend krachtens artikel 8a van de
Ziekenfondswet of artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, zoals die artikelen luidden tot het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een toelating
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor zover het betreft
instellingen die op het grondgebied van het Europese deel van
Nederland werkzaam zijn.
2. Een aanvraag om een toelating, waarop op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt gelijkgesteld
met een aanvraag om een toelating als bedoeld in artikel 5, eerste
lid.
Artikel 42
De Wet ziekenhuisvoorzieningen wordt ingetrokken.
Artikel 43
Een vergunning, verleend op grond van artikel 6 van de Wet
ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een toelating als
bedoeld in artikel 5. De aan de vergunning verbonden voorschriften en
beperkingen gelden als voorschriften en beperkingen op grond van
deartikelen 13 onderscheidenlijk 14.
Artikel 44
Het voorschrift, opgenomen in artikel 13, eerste lid, eerste volzin,
geldt ten aanzien van instellingen die worden geëxploiteerd op het
tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, eerst een jaar na dat
tijdstip.
Artikel 45
1.Bouw waarvoor vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 7 van de Wet
ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot bedoeld tijdstip,
bij welke verklaring op grond van artikel 10, vijfde lid, van die wet
is bepaald dat een aanvraag om goedkeuring van stukken als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onder b of c, van die wet of om een vergunning
als bedoeld in artikel 6 van die wet, binnen een daarbij aangegeven
termijn niet in behandeling wordt genomen, welke termijn op
bovenbedoeld tijdstip nog niet is verstreken, wordt gelijkgesteld met
bouw waarvoor een aanvraag om een toelating als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van deze wet is ingediend. Het bepaalde krachtens artikel
7, derde lid, onder a, is op die aanvraag niet van toepassing.
2.Een verklaring ter zake van bouw als bedoeld in artikel 7 van de
Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, waarbij niet een bepaling is opgenomen
als bedoeld in het eerste lid of waarbij de daarbedoelde termijn reeds
is verstreken, en die nog niet is gevolgd door een vergunning als
bedoeld in artikel 6 van die wet, wordt gelijkgesteld met een
toelating als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van deze wet. De
artikelen 11 en12 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Een aanvraag om een verklaring, waarop op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt gelijkgesteld
met een aanvraag om een toelating als bedoeld in artikel 5, eerste
lid.
Artikel 46
Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de regels, vastgesteld
krachtens de artikelen 2a, zevende lid, 18b, vierde lid, 22 en 23 van de
Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet tot die inwerkingtreding
luidde, achtereenvolgens op de artikelen 20, zevende lid, 17, vierde
lid, 16 en15 van deze wet.
Artikel 47
Afwikkeling van de maatregelen, bedoeld in artikel 18a, eerste lid,
van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals dat lid luidde tot het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met inbegrip van daartegen
ingesteld beroep, vindt plaats met inachtneming van de daarop betrekking
hebbende bepalingen van die wet zoals die luidden tot bedoeld tijdstip.
Artikel 48
Het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2 van de
Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is
het College bouw zorginstellingen.
Artikel 49
Het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2m
van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon
gehandhaafd en is het College sanering zorginstellingen.
Artikel 50
De Overgangswet verzorgingshuizen wordt ingetrokken, met dien
verstande dat:
a. in wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die
op grond van die wet zijn genomen, dan wel op tegen die besluiten in
te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in
verdere instantie, de regels van toepassing blijven die golden voor
1 januari 2001;
b. die wet van toepassing blijft op de financiële
verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van die wet
verleende subsidies en uitkeringen.
Artikel 51
[Wijzigt de Wet ambulancevervoer]
Artikel 52
[Wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen]
Artikel 53
De Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening
wordt ingetrokken
Artikel 54
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 55
[Wijzigt de Ambtenarenwet]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 57
[Wijzigt de Wet tarieven gezondheidszorg]
Artikel 58
[Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek]
Artikel 59
[Wijzigt de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen]
Artikel 60
[Wijzigt de Wijzigingswet Ziekenfondswet en de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen (invoeren van de aanspraak op
medisch-specialistische zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis)]
Artikel 61
[Wijzigt de Provinciewet]
Artikel 62
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 63
De vaststelling van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld
inartikel 1, tweede en derde lid, de visie en het daarin opgenomen
financieel kader, bedoeld in artikel 3, eerste lid, het geven van
beschikkingen door Onze Minister als bedoeld in de artikelen 7, 13 en14,
alsmede de goedkeuring van de prestatie-eisen, bedoeld in artikel 10,
een en ander voor zover zij betrekking hebben op academische
ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, vinden plaats in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen.
Artikel 64
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van
deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het
College bouw of het College sanering zijn uit de wet voortvloeiende
verplichtingen niet naar behoren nakomt.
Artikel 65
Een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur
wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in
werking op een tijdstip dat nadat dertig dagen na de overlegging zijn
verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die
termijn door of namens een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven
dat het in de algemene maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt
geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel ingetrokken.
Artikel 66
1. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van deze wet in de praktijk.
2. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren
van het College bouw en het College sanering.
Artikel 67
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 68
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toelating zorginstellingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 oktober 2005
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de tweeëntwintigste november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|