WET van 27 juni 1990, houdende bepalingen
inzake het toezicht op beleggingsinstellingen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
geven voor beleggingsinstellingen met het oog op een adequate werking
van de financiële markten en de positie van de beleggers op die
markten, en dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten
(icbe's) (85/611/EEG);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. beleggingsmaatschappij: de rechtspersoon die gelden of
andere goederen ter collectieve belegging vraagt of heeft verkregen
teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen
delen;
b. beleggingsfonds: een niet in een rechtspersoon als
bedoeld onder a ondergebracht vermogen waarin ter collectieve
belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of
worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de
beleggingen te doen delen;
c. beleggingsinstelling: beleggingsmaatschappij of
beleggingsfonds;
d. deelnemer: de aandeelhouder in een
beleggingsmaatschappij danwel de deelgerechtigde in een ter
collectieve belegging bijeengebracht vermogen;
e. beheerder: de rechtspersoon die het beheer voert over
één of meer beleggingsinstellingen;
f. bewaarder: degene die belast is met de bewaring van de
activa van de beleggingsinstelling;
g. effecten:
1. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen,
optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren;
2. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op
termijn van zaken, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters,
en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;
3. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld;
4. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld;
h. deposito's: tegoeden bij kredietinstellingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, die onmiddellijk kunnen worden
opgevraagd en waarvan de rentetermijn ten hoogste twaalf maanden
bedraagt;
i. Onze Minister: Onze minister van Financiën;
j. richtlijn: richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde
instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PbEG L
375) zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 2001/107/EG van de
Raad van de Europese Unie van 21 januari 2002 (PbEG L41/20) en bij
richtlijn nr. 2001/108/EG van de Raad van de Europese Unie van 21
januari 2002 (PbEG L41/35);
k. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
l. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een
natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen
een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die
natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die
andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen
wordt aangemerkt als groep;
m. lidstaat van herkomst: de lidstaat waar de statutaire
zetel van de beheerder, of van de beleggingsmaatschappij zonder
beheerder, is gevestigd;
n. lidstaat van ontvangst: de lidstaat, die niet de
lidstaat van herkomst is van een beleggingsinstelling of van een
beheerder, en waar de rechten van deelneming in die
beleggingsinstelling worden verhandeld;
o. bijkantoor: een of meer onderdelen zonder
rechtspersoonlijkheid van een beheerder of een
beleggingsmaatschappij die in een andere lidstaat is
onderscheidenlijk zijn gevestigd dan die waar de beheerder is
gevestigd;
p. effecteninstelling: een effecteninstelling als bedoeld
in artikel 7, tweede lid, onder i, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
q. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht
kredietwezen 1992;
r. verzekeraar: een verzekeraar met zetel in een andere
lidstaat dan Nederland, die in het bezit is van een vergunning die
overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 bedoelde vergunning;
s. reclame-uitingen: iedere vorm van
informatieverstrekking door, namens of mede namens een beheerder,
gericht op consumenten, die dient ter aanprijzing of een wervend
karakter kent ter zake van gelden of andere goederen ter deelneming
in een beleggingsinstelling dan wel ter zake van rechten van
deelneming in een dergelijke beleggingsinstelling.
Artikel 2
Geen effecten in de zin van deze wet zijn:
a. waarden welke uitsluitend het karakter van betaalmiddel
dragen;
b. appartementsrechten.
Artikel 3
1. De bepalingen van deze wet en de daarop berustende
bepalingen ten aanzien van een beleggingsinstelling die een
beleggingsfonds is, zijn gericht tot de beheerder.
2. De bepalingen van deze wet en de daarop berustende bepalingen
met betrekking tot de beheerder zijn van overeenkomstige toepassing op
de beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, met
uitzondering van de artikelen 6, tweede en vierde lid, 13b en 17b.
Hoofdstuk II. Vergunning
§ 1. Algemeen
Artikel 4
1. Het is verboden rechtstreeks of middellijk in of vanuit
Nederland gelden of andere goederen ter deelneming in een
beleggingsinstelling te vragen of te verkrijgen dan wel rechten van
deelneming in een dergelijke beleggingsinstelling aan te bieden,
indien die beleggingsinstelling niet wordt beheerd door een beheerder
waaraan een vergunning is verleend.
2. Het is verboden rechtstreeks of middellijk in of vanuit
Nederland gelden of andere goederen ter deelneming in een
beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 6 waaraan geen vergunning
is verleend, te vragen of te verkrijgen dan wel rechten van deelneming
in een dergelijke beleggingsmaatschappij aan te bieden.
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing:
a. op het vragen, verkrijgen of aanbieden van rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling waarvan die rechten ingevolge
artikel 17a, vierde lid, in Nederland mogen worden verhandeld;
b. op de aanbieding van eigen rechten van deelneming door
natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van hun beroep of
bedrijf.
§ 2. Vergunningvereisten
Artikel 5
1. Onze Minister verleent een beheerder, op verzoek en met
inachtneming van artikel 6, een vergunning indien de aanvrager
aantoont dat de beheerder een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid is en de beheerder, de beleggingsinstelling waarover
hij het beheer voert en, indien aan de beleggingsinstelling verbonden,
de bewaarder, voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen eisen met betrekking tot:
a. deskundigheid en betrouwbaarheid;
b. financiële waarborgen;
c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen
en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
d. aan Onze Minister, aan de deelnemers in de beleggingsinstelling
en aan het publiek te verstrekken informatie; en
e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij
of krachtens deze wet gestelde regels.
Tot de eisen, bedoeld in onderdeel c, behoren niet de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
2. Indien de beheerder een beleggingsfonds beheert, dient de
aanvrager bovendien aan te tonen dat:
a. het vermogen van het beleggingsfonds ten behoeve van de
deelnemers wordt verkregen door een van de beheerder onafhankelijke
bewaarder;
b. de bewaarder slechts met medewerking van de beheerder over de
vermogensbestanddelen van het beleggingsfonds kan beschikken.
3. Onze Minister kan op verzoek aan een aanvrager een vergunning
verlenen indien de aanvrager aantoont dat redelijkerwijs niet volledig
kan worden voldaan aan eisen gesteld bij of krachtens het eerste en
tweede lid, en hij tevens aantoont dat de doeleinden die deze wet beoogt
te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt.
Artikel 6
1. Indien de in artikel 5 bedoelde aanvrager een
beleggingsmaatschappij of een beheerder is die rechten van deelneming
in een beleggingsinstelling aanbiedt:
a. waarvan het statutaire of reglementaire doel uitsluitend is het
beleggen in effecten of deposito's met toepassing van het beginsel van
risicospreiding;
b. waarvan de rechten van deelneming zonder beperkingen in
Nederland kunnen worden aangeboden en op verzoek van de deelnemer ten
laste van het vermogen van de beleggingsinstelling rechtstreeks of
middellijk worden ingekocht of terugbetaald; en
c. waarvan de zetel en het hoofdkantoor, of wanneer het een
beleggingsfonds betreft, die van de beheerder, in Nederland is
gelegen;
moet de aanvrager in aanvulling op artikel 5, eerste lid onder a tot
en met e, aantonen dat de beheerder, de beleggingsinstelling en de
bewaarder voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen aanvullende eisen.
2. Indien de beheerder bedoeld in het eerste lid:
a. een dochteronderneming is van een andere beheerder, van een
effecteninstelling, van een kredietinstelling of van een verzekeraar
waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend; of
b. een dochteronderneming is van de moederonderneming van een
andere beheerder, van een effecteninstelling, van een
kredietinstelling of een verzekeraar waaraan in een andere lidstaat
een vergunning is verleend; of
c. onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of
rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een andere beheerder,
over een effecteninstelling, over een kredietinstelling of over een
verzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend,
verleent Onze Minister geen vergunning alvorens het bevoegde gezag van
de andere betrokken lidstaat of lidstaten te hebben geraadpleegd.
3. De werkzaamheden van de beheerder, bedoeld in het eerste lid,
zijn beperkt tot het beheer van beleggingsinstellingen.
4. In afwijking van het derde lid is het een beheerder toegestaan
om als vermogensbeheerder als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995 diensten aan te bieden of te verrichten
indien de beheerder aantoont dat voldaan wordt aan de op grond van
artikel 7, vierde lid en artikel 11, eerste tot en met derde lid, van de
Wet toezicht effectenverkeer 1995 bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels. Het is een beheerder die een vergunning
heeft tevens toegestaan om diensten te verrichten als bedoeld onder 1 en
6 van deel C van de bijlage bij richtlijn 93/22/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van
diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), zoals
deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 2000/64/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2000
(PbEG L 290).
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van het aanbieden of verrichten van diensten
als bedoeld in het vierde lid.
6. De activa van de beleggingsinstelling worden bewaard door een
van haar onafhankelijke bewaarder. Volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels kan van dit vereiste worden
afgeweken.
7. De bewaarder van de beleggingsinstelling heeft zijn zetel in
een lidstaat en heeft een vestiging in Nederland.
8. Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Artikel 6 is niet van toepassing op een in dat artikel omschreven
beheerder die het beheer voert over een beleggingsinstelling die:
a. geen gelden of andere goederen van het publiek van de
lidstaten ter belegging vraagt of verkrijgt;
b. krachtens haar statuten of reglementen, haar rechten van
deelneming slechts bij het publiek in landen buiten de lidstaten mag
plaatsen;
c. behoort tot één van de door Onze Minister aangewezen soorten
beleggingsinstellingen waarvoor de bij of krachtens artikel 12,
tweede lid, gestelde regels met betrekking tot het beleggen, gelet
op hun beleid inzake beleggingen of het aangaan van leningen, niet
geschikt zijn; of
d. via dochtermaatschappijen voornamelijk belegt in andere
objecten dan effecten.
Artikel 8
Aan een vergunning kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden met het oog op een adequate werking van de financiële
markten en de positie van de beleggers op die markten, indien feiten en
omstandigheden die betrekking hebben op degene voor wie de vergunning
zal gelden dit vereisen. De beperkingen kunnen uitsluitend worden
gesteld ten aanzien van de reikwijdte en de tijdsduur van de vergunning.
Artikel 9
1. Als bewaarder mag slechts optreden een rechtspersoon met als
enig statutaire doel het bewaren van activa en het administreren van
beleggingsobjecten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
bewaarder, bedoeld in het eerste lid, slechts mag bewaren ten behoeve
van één beleggingsinstelling.
Artikel 10
Indien Onze Minister van oordeel is dat van de in Nederland gevoerde
of te voeren naam van de beheerder of de beleggingsinstelling gevaar
voor verwarring of misleiding is te duchten, kan Onze Minister verlangen
dat de beheerder of de beleggingsinstelling
a. de naam wijzigt, dan wel
b. een verklarende vermelding aan de naam toevoegt.
§ 3. Voorschriften voor beheerders, beleggingsinstellingen en
bewaarders
Artikel 11
1. Het is een beleggingsmaatschappij of een beheerder als
bedoeld in artikel 6 waaraan op grond van artikel 5 een vergunning is
verleend, verboden haar statuten of reglementen zodanig te wijzigen
dat zij niet meer onder de toepassing van artikel 6 valt.
2. Een wijziging van de statuten of reglementen, als bedoeld in
het eerste lid, is nietig. Op verzoek van het openbaar ministerie
benoemt de rechter een bewindvoerder met de macht om de gevolgen van de
nietige handeling ongedaan te maken.
3. Bij het ongedaan maken van de nietige handeling dient de
bewindvoerder mede te handelen in het belang van de deelnemers in de
beleggingsinstelling.
Artikel 12
1. De beheerder waaraan een vergunning is verleend, de
beleggingsinstelling waarover hij het beheer voert en de bewaarder,
indien aan de instelling verbonden, houden zich aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot:
a. deskundigheid en betrouwbaarheid;
b. financiële waarborgen;
c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen
en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
d. aan Onze Minister, aan de deelnemers in de beleggingsinstelling
en aan het publiek te verstrekken informatie; en
e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij
of krachtens deze wet gestelde regels.
Tot de eisen, bedoeld in onderdeel c, behoren niet de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
2. Degenen, die onmiddellijk bevoegd zijn bestuurders van de
beheerder, de beleggingsinstelling of van de bewaarder te benoemen of te
ontslaan, houden zich aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels ten aanzien van betrouwbaarheid. Onder
bestuurder wordt begrepen ieder die de beheerder, beleggingsinstelling
of bewaarder krachtens statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel
binnen de beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder het beleid
bepaalt.
3. De beheerder, de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel
6, en de bewaarder houden zich bovendien aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen aanvullende eisen met betrekking tot
deskundigheid en betrouwbaarheid, bedrijfsvoering, financiële
waarborgen, het beleggen en informatieverstrekking.
4. Onze Minister kan op verzoek van de beheerder bepalen dat de
beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder, niet behoeft te
voldoen aan alle in het eerste, tweede of derde lid bedoelde regels
indien zij aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden
voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins
voldoende bereikt zijn. Onze Minister kan een beschikking als hiervoor
bedoeld wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden
waaronder de beschikking is gegeven zodanig zijn gewijzigd dat de
doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.
5. De accountant, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, die op grond van de regels, bedoeld in het
eerste of tweede lid, de jaarrekening van de beheerder, of de
beleggingsinstelling van een verklaring moet voorzien, meldt Onze
Minister zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de
uitvoering van zijn desbetreffende werkzaamheden kennis heeft gekregen
en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de beheerder, of de beleggingsinstelling
bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
6. Op de accountant, bedoeld in het vijfde lid, die naast zijn
werkzaamheden voor de beheerder of de beleggingsinstelling ook
werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de
meldingsplicht, bedoeld in het vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing indien de beheerder of de beleggingsinstelling
dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel
indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de
beheerder of de beleggingsinstelling. Voor de toepassing van de eerste
volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij
als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met
dien verstande dat een beleggingsinstelling tevens dochtermaatschappij
kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
7. Onverminderd het bepaalde in het vijfde en het zesde lid
verstrekt de accountant, bedoeld in het vijfde lid, aan Onze Minister zo
spoedig mogelijk alle inlichtingen die redelijkerwijs nodig zijn ten
behoeve van het toezicht op de naleving van deze wet met betrekking tot
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwerpen.
8. De accountant die op grond van het vijfde of zesde lid tot een
melding of op grond van het zevende lid tot het geven van inlichtingen
aan Onze Minister is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die
een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat,
gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding
of tot het geven van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
9. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
een beheerder waaraan een vergunning is verleend en op een bewaarder.
10. Artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is van
overeenkomstige toepassing op het houden, verwerven of vergroten van een
gekwalificeerde deelneming, dan wel het uitoefenen van enige zeggenschap
verbonden aan een gekwalificeerde deelneming, in een beheerder als
bedoeld in artikel 6 waaraan een vergunning is verleend.
Artikel 12a
Aan een vergunning kunnen ten aanzien van de reikwijdte en de
tijdsduur beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden
met het oog op een adequate functionering van de financiële markten en
de positie van de beleggers op die markten.
Artikel 13
1. De beheerder waaraan een vergunning is verleend en die het
beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6
die voor de eerste maal, direct of indirect, zijn werkzaamheden op het
grondgebied van een andere lidstaat wil uitoefenen, stelt Onze
Minister hiervan schriftelijk in kennis. De beheerder doet de
kennisgeving vergezeld gaan van een opgave van de voorgenomen
activiteiten en diensten van de beheerder.
2. Binnen een maand na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde kennisgeving doet Onze Minister mededeling daarvan aan het
bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst.
3. Indien de voorgenomen activiteiten en diensten van de
beheerder wijzigen, stelt de beheerder Onze Minister en het bevoegde
gezag van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van deze wijzigingen in
kennis voordat de wijzigingen worden doorgevoerd.
Artikel 13a
Onze Minister verstrekt, op verzoek, aan de beheerder waaraan een
vergunning is verleend en die het beheer voert over een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6 en die voornemens is
rechten van deelneming in die beleggingsinstelling in een andere
lidstaat te verhandelen een verklaring dat de beheerder en de door hem
beheerde beleggingsinstelling aan de voorwaarden van de richtlijn
voldoen.
Artikel 13b
1. De beheerder waaraan een vergunning is verleend en die het
beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6,
stelt Onze Minister vooraf in kennis van zijn voornemen de rechten van
deelneming in die beleggingsinstelling door het vestigen van een
bijkantoor in een andere lidstaat aan te bieden. De kennisgeving gaat
vergezeld van:
a. een opgave van de voorgenomen activiteiten en diensten van de
beheerder en de organisatiestructuur van het bijkantoor;
b. het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen
worden opgevraagd;
c. de identiteit van de bestuurders van het bijkantoor.
2. Indien Onze Minister, gelet op het voornemen van de beheerder,
geen redenen heeft om te twijfelen aan de bedrijfsvoering en de
financiële waarborgen van de beheerder, doet Onze Minister binnen drie
maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving,
mededeling van de voornemens van de beheerder aan het bevoegde gezag van
de lidstaat van ontvangst.
3. Onze Minister stelt de beheerder in kennis van de mededeling
bedoeld in het tweede lid.
4. Indien Onze Minister op grond van het tweede lid weigert de in
het eerste lid bedoelde voornemens van de beheerder mede te delen aan
het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst, doet Onze Minister
hiervan binnen twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde kennisgeving mededeling aan de beheerder.
5. Indien de in het eerste lid bedoelde voornemens of de
gegevens, bedoeld in het eerste lid onder a tot en met c, wijzigen,
stelt de beheerder Onze Minister schriftelijk van de wijziging in
kennis, ten minste één maand voordat de wijziging van toepassing
wordt. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 14
1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het in artikel 4
vervatte verbod.
2. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog
op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de
beleggers op die markten. De beperkingen kunnen uitsluitend worden
gesteld ten aanzien van de reikwijdte van de vrijstelling.
Artikel 14a
1. Onze Minister kan, op verzoek, ontheffing verlenen van het
in artikel 4 vervatte verbod.
2. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate werking van
de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten.
§ 5. De intrekking van de vergunning en van de ontheffing
Artikel 15
1. Onze Minister kan een vergunning of een ontheffing slechts
intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste gegevens of
bescheiden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op
grond waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning of
ontheffing werd verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest,
de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd;
d. Indien de houder van de vergunning of de ontheffing:
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening
daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven daarvan geen of niet
langer gebruik te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop zij betrekking heeft
gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft beheerder te zijn;
e. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder
niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
f. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder
niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of
een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
2. Gedurende de ontbinding, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en
de vereffening, bedoeld in artikel 16, derde lid, wordt de beheerder
voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een beheerder die
beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 5.
Artikel 16
1. Onze Minister deelt de intrekking of wijziging van een
vergunning of ontheffing gelijktijdig mee aan:
a. de beheerder;
b. de bewaarder van iedere beleggingsinstelling waarover de
beheerder het beheer voert; en
c. het bevoegde gezag in de overige lidstaten, indien de beheerder
het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel
6.
2. Een beleggingsmaatschappij die beheerd wordt door een
beheerder waarvan de vergunning is ingetrokken wordt op verzoek van Onze
Minister door de rechtbank ontbonden.
3. Het vermogen van een beleggingsfonds dat beheerd wordt door
een beheerder waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 5 is
ingetrokken, wordt op verzoek van Onze Minister door een of meer door de
rechtbank aan te wijzen vereffenaars vereffend.
4. Een beleggingsmaatschappij of het vermogen van een
beleggingsfonds wordt tevens op verzoek van Onze Minister door de
rechtbank ontbonden respectievelijk door een of meer door de rechtbank
aan te wijzen vereffenaars binnen een door de rechtbank te bepalen
termijn vereffend, indien:
a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt over de
beleggingsinstelling zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, of
wanneer omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden, op grond
waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning werd
verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de
beleggingsinstelling niet zou zijn toegestaan haar activiteiten te
verrichten;
b. de beleggingsinstelling dan wel de beheerder:
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen
activiteiten heeft verricht;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de
beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;
3°. haar activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes
maanden heeft gestaakt, of
4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;
5°. niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een
aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
5. De ontbinding, bedoeld in het tweede en vierde lid, en de
vereffening, bedoeld in het derde of vierde lid, vindt niet eerder
plaats dan nadat het besluit tot intrekking of wijziging van de
vergunning onherroepelijk is geworden.
Artikel 16a
1. Het vermogen van een beleggingsfonds dient uitsluitend tot
voldoening van de vorderingen die voortvloeien uit:
a. schulden die verband houden met het beheer en het bewaren van
het fonds; en
b. rechten van deelneming.
2. Indien het vermogen van het beleggingsfonds bij vereffening
ontoereikend is voor voldoening van de vorderingen, dient het vermogen
van het beleggingsfonds ter voldoening van de vorderingen in de volgorde
zoals aangegeven in het eerste lid.
3. Op het vermogen van een beleggingsfonds zijn geen andere
vorderingen verhaalbaar dan bedoeld in het eerste lid, tenzij vaststaat
dat de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde vorderingen zullen
kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet
meer zullen ontstaan.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde vorderingen niet volledig
uit het vermogen van het beleggingsfonds kunnen worden voldaan, dient
het vermogen van de bewaarder eerst ter voldoening van de vorderingen in
de volgorde als bedoeld in het eerste lid en vervolgens van de overige
vorderingen, behoudens de door de wet erkende andere redenen van
voorrang.
Hoofdstuk III. Beleggingsinstellingen uit andere lidstaten die onder
de toepassing van de richtlijn vallen
Artikel 17
1. Onze Minister doet aan de beheerder die zijn zetel in een
andere lidstaat heeft en die voor de eerste maal, direct of indirect,
zijn werkzaamheden in Nederland wil uitoefenen, zodra Onze Minister
hiervan in kennis is gesteld door het bevoegde gezag van de lidstaat
van herkomst en de opgave van de voorgenomen activiteiten en diensten
van de beheerder heeft ontvangen, mededeling van de voorwaarden
waaraan de beheerder met het oog op een adequate werking van de
financiële markten en de positie van de belegger op die markten moet
voldoen.
2. Indien Onze Minister door het bevoegde gezag van de lidstaat
van herkomst in kennis wordt gesteld van wijziging van het in het eerste
lid bedoelde voorgenomen activiteiten en diensten deelt hij, indien van
toepassing, wijzigingen of aanvullingen van de in het eerste lid
bedoelde voorwaarden mede aan de beheerder.
Artikel 17a
1. Een beheerder die zijn zetel in een andere lidstaat heeft en
overigens voldoet aan artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en
b, doet aan Onze Minister en het bevoegde gezag van de lidstaat van
herkomst mededeling van zijn voornemen zijn rechten van deelneming in
Nederland aan te bieden.
2. Bij de mededeling legt de beheerder over:
a. een verklaring van het bevoegde gezag van de lidstaat waar zijn
zetel is gevestigd dat de beheerder voldoet aan de voorwaarden van de
richtlijn;
b. zijn statuten of reglementen;
c. zijn prospectus;
d. zijn vereenvoudigde prospectus;
e. gegevens over de beoogde wijze van informatieverschaffing, van
verhandeling van, uitkeringen op alsmede inkoop van of terugbetaling
op rechten van deelneming in Nederland;
f. in voorkomend geval zijn laatste jaarrekening en
halfjaarcijfers.
3. De beheerder, bedoeld in het eerste lid, stelt in de
Nederlandse of een andere door Onze Minister goedgekeurde taal de
gegevens en bescheiden beschikbaar, die hij openbaar dient te maken
overeenkomstig de regels, gesteld door de lidstaat van herkomst.
4. Twee maanden na de mededeling bedoeld in het eerste lid, kan
de beheerder overgaan tot verhandeling van zijn rechten van deelneming,
tenzij Onze Minister voordien heeft bekendgemaakt:
a. dat de voornemens, bedoeld in onderdeel d van het tweede lid,
niet in overeenstemming zijn met toepasselijke Nederlandse wettelijke
bepalingen; of
b. dat de beoogde wijze van verhandeling in strijd is met
wettelijke voorschriften die betrekking hebben op het niet door de
richtlijn bestreken gebied.
5. Artikel 10, onder b, is van overeenkomstige toepassing op de
in het eerste lid bedoelde beheerder.
6. De beheerder, bedoeld in het eerste lid, dient, met
inachtneming van toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen, zorg
te dragen voor de uitkeringen op, de inkoop van of terugbetaling op de
rechten van deelneming in Nederland alsmede voor de verschaffing van de
informatie die de beheerder in Nederland moet verstrekken.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van reclame-uitingen.
8. Onze Minister kan een beleggingsmaatschappij die niet wordt
beheerd door een beheerder en die in strijd handelt met een voorschrift
als bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, verbieden in Nederland
zijn rechten van deelneming aan te bieden of regels stellen aan het
aanbieden van deze rechten.
9. Van een besluit op grond van het achtste lid doet Onze
Minister onverwijld mededeling aan het bevoegde gezag in de lidstaat van
herkomst alsmede aan het bevoegde gezag in de overige lidstaten waar,
zover hem bekend is, de rechten van deelneming worden verhandeld.
Artikel 17b
1. Onze Minister deelt de beheerder die voornemens is de
rechten van deelneming in een beleggingsinstelling door het vestigen
van een bijkantoor in Nederland aan te bieden, binnen twee maanden
nadat Onze Minister door het bevoegde gezag van de lidstaat van
herkomst in kennis is gesteld van de vestiging van het bijkantoor en
de voorgenomen activiteiten en diensten van de beheerder en de
organisatiestructuur van het bijkantoor, het adres waar documenten
kunnen worden opgevraagd en de namen van de bestuurders van het
bijkantoor zijn ontvangen, de voorwaarden mee waaronder de
werkzaamheden met het oog op een adequate werking van de financiële
markten en de positie van de beleggers op die markten kunnen worden
uitgeoefend.
2. De beheerder, bedoeld in het eerste lid, kan het bijkantoor in
Nederland vestigen zodra hij daartoe een mededeling van Onze Minister
heeft ontvangen of indien de in het eerste lid bedoelde termijn is
verstreken, tenzij Onze Minister voordien heeft bekend gemaakt:
a. dat het voornemen als bedoeld in het eerste lid niet in
overeenstemming is met de toepasselijke Nederlandse wettelijke
bepalingen; of
b. dat de beoogde wijze van verhandeling in strijd is met
wettelijke voorschriften die betrekking hebben op het niet door de
richtlijn bestreken gebied.
Hoofdstuk IIIa. Beleggingsinstellingen met zetel buiten Nederland die
niet onder de werking van de richtlijn vallen
Artikel 17c
1. Artikel 4, eerste lid, is onder bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels niet van toepassing op het rechtstreeks of
middellijk in of vanuit Nederland vragen of verkrijgen van gelden of
goederen ter deelneming dan wel het aanbieden van rechten van
deelneming in een beleggingsinstelling, niet zijnde een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, met zetel in een, onder
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op
beleggingsinstellingen wordt uitgeoefend dat in voldoende mate
waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te
beschermen en waar de desbetreffende beleggingsinstelling ook
daadwerkelijk onder toezicht staat. Een besluit tot aanwijzing van een
staat, alsmede de intrekking daarvan, wordt bekend gemaakt in de
Staatscourant.
2. De beleggingsinstelling doet aan Onze Minister mededeling van
haar voornemen rechten van deelneming in Nederland aan te bieden en legt
daarbij een verklaring van ondertoezichtstelling van de staat, bedoeld
in het eerste lid, over. De beleggingsinstelling houdt zich aan de
bepalingen, gesteld bij of krachtens artikel 5, eerste lid, onder d, en
artikel 12, eerste lid, onder d. Twee maanden na de mededeling kan de
beleggingsinstelling overgaan tot de verhandeling van haar rechten van
deelneming tenzij Onze Minister voordien bekend heeft gemaakt dat de
voornemens of de beoogde wijze van verhandeling in strijd zijn met
toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen.
3. Indien een beleggingsinstelling in strijd handelt met een bij
of krachtens deze wet gesteld voorschrift, kan Onze Minister deze
beleggingsinstelling verbieden in Nederland rechten van deelneming aan
te bieden of voorschriften geven met betrekking tot het aanbieden van
deze rechten.
4. Van een besluit als bedoeld in het derde lid doet Onze
Minister onverwijld mededeling aan het bevoegde gezag in de staat waar
de zetel van de beleggingsinstelling is gevestigd.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van reclame-uitingen van de
beleggingsinstelling.
Hoofdstuk IV. Het register
Artikel 18
1. Onze Minister houdt een register, waarin worden
ingeschreven:
a. beheerders waaraan een vergunning is verleend, met inbegrip van
de aan de vergunning gestelde beperkingen of verbonden voorschriften;
b. beleggingsinstellingen, beheerd door beheerders waaraan een
vergunning is verleend. Deze beleggingsinstellingen worden in het
register opgenomen bij de beheerder die over hen het beheer voert;
c. beheerders die op grond van artikel 17a tot de verhandeling van
rechten van deelneming mogen overgaan;
d. bijkantoren die op grond van artikel 17b tot de verhandeling van
rechten van deelneming mogen overgaan;
e. beleggingsinstellingen die op grond van artikel 17c tot de
verhandeling van rechten van deelneming in Nederland mogen overgaan;
f. beheerders en beleggingsinstellingen waaraan een ontheffing op
grond van artikel 14a is verleend, met inbegrip van de aan de
ontheffing gestelde beperkingen of verbonden voorschriften;
g. beleggingsinstellingen die zich hebben gemeld als
beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal.
2. De inschrijving wordt doorgehaald van:
a. beheerders waarvan de vergunning is ingetrokken of verlopen;
b. beheerders en beleggingsinstellingen waarvan de ontheffing is
ingetrokken of verlopen;
c. beleggingsinstellingen die kennelijk zijn opgehouden te bestaan;
d. beheerders als bedoeld in artikel 17a, die niet langer in
Nederland rechten van deelneming aanbieden of waaraan het ingevolge
artikel 17a, achtste lid, is verboden in Nederland rechten van
deelneming aan te bieden;
e. bijkantoren als bedoeld in artikel 17b, die niet langer rechten
van deelneming aanbieden;
f. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 17c, eerste lid,
die niet langer rechten van deelneming in Nederland aanbieden of mogen
aanbieden of waaraan het ingevolge artikel 17c, derde lid, is verboden
in Nederland rechten van deelneming aan te bieden.
3. Van de inschrijving dan wel de doorhaling van een inschrijving
van een beheerder of beleggingsinstelling in het register wordt binnen
twee weken na de dag, waarop zij heeft plaatsgehad, mededeling gedaan in
de Staatscourant.
4. Onze Minister kan bepalen dat de in het derde lid bedoelde
mededeling van een doorhaling tot een ander door hem te bepalen tijdstip
wordt aangehouden indien openbaarmaking ernstige schade aan de belangen
van de deelnemers zou kunnen toebrengen.
5. Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een
ieder kosteloos ter inzage.
Hoofdstuk V. Controle en uitvoering
Artikel 19
1. Onze Minister kan bij:
a. een aanvrager van een vergunning;
b. een aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 14a;
c. een beheerder;
d. een beleggingsinstelling;
e. een bewaarder;
f. degene op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van
toepassing is;
g. degene die deel uitmaakt van een groep waartoe een
beleggingsinstelling behoort;
h. een onderneming of instelling waarvan redelijkerwijs kan worden
vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet
gestelde regels,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig
zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die Onze Minister
op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of
krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen
termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast
met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken
en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16,
5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in
artikel 27b, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek
wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat,
slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
Artikel 20
1. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de beleggingsinstelling bedoeld in artikel 17a of 17c, voor zover het
betreft het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel
17a of 17c bepaalde.
2. De artikelen 19 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 17a of 17c,
voor zover het betreft het toezicht op de naleving van het bij of
krachtens artikel 17a of 17c bepaalde.
Artikel 21
1. Indien Onze Minister vaststelt dat een beheerder, een
beleggingsinstelling of een beheerder als bedoeld in artikel 17a in
strijd handelt met deze wet, deelt hij dat mee aan de beheerder, de
beleggingsinstelling en, indien van toepassing, het bevoegde gezag van
de lidstaat van herkomst van de beheerder bedoeld in artikel 17a.
2. Zo nodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om ten
aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te
volgen.
3. De beheerder en de beleggingsinstelling volgen de in het
tweede lid bedoelde aanwijzing op binnen een door Onze Minister te
bepalen termijn.
4. Indien Onze Minister niet binnen de in het derde lid bepaalde
termijn een bevredigend antwoord van de beheerder of de
beleggingsinstelling heeft ontvangen, of indien naar zijn oordeel niet
of onvoldoende aan zijn aanwijzing gevolg is gegeven, kan Onze Minister,
indien hij dit met het oog op een adequate functionering van de
financiële markten of de positie van de beleggers op die markten
noodzakelijk acht:
a. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen
dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de
beheerder of de beleggingsinstelling hun bevoegdheden slechts mogen
uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze Minister
aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze
personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen,
dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de aanwijzing,
bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de beheerder
of de beleggingsinstelling dit verlangt, tevens de correspondentie
openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen
Onze Minister en de beheerder of de beleggingsinstelling is gevoerd;
c. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen,
dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de uitvoering
van onderdeel a.
Onze Minister treft de maatregelen, bedoeld onder a tot en met c,
niet voordat het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst, indien van
toepassing, hiervan in kennis is gesteld.
5. Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van de
beheerder of de beleggingsinstelling onverwijld maatregelen noodzakelijk
zijn, kan hij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk
uitvoering geven aan onderdeel a van het vierde lid, nadat hij de
beheerder of de beleggingsinstelling in de gelegenheid heeft gesteld hun
zienswijze over de onmiddellijke uitvoering te geven.
6. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het vierde
lid, onder a, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de beheerder of de beleggingsinstelling verlenen
de door Onze Minister aangewezen personen alle medewerking;
b. Onze Minister kan de organen toestaan bepaalde handelingen
zonder toestemming te verrichten;
c. Onze Minister kan de aangewezen personen te allen tijde door
anderen vervangen;
d. voor schade ten gevolge van handelingen welke zijn verricht in
strijd met een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, zijn
degenen, die deze handelingen als orgaan van de beheerder of de
beleggingsinstelling hebben verricht persoonlijk aansprakelijk
tegenover de beheerder of de beleggingsinstelling, en kunnen de
beheerder of de beleggingsinstelling de ongeldigheid van deze
handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste
goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
e. de aanzegging blijft van kracht totdat de in het eerste lid
bedoelde omstandigheden niet langer aanwezig zijn, doch voor ten
hoogste één jaar.
7. Onze Minister stelt het bevoegde gezag van de lidstaat van
herkomst van de beheerder en de Europese Commissie zo spoedig mogelijk
in kennis van de genomen maatregelen, bedoeld in het vierde en zesde
lid.
8. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in
het vierde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het
onherroepelijk is geworden. Indien de beheerder of de
beleggingsinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing
dan wel indien Onze Minister de aanwijzing intrekt, zal Onze Minister
hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis
geven.
9. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
een bewaarder.
Artikel 21a
Indien een accountant naar het oordeel van Onze Minister niet of niet
meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met
betrekking tot de beleggingsinstelling naar behoren zal vervullen, kan
Onze Minister bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet en daaruit
voortvloeiende besluiten bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid
met betrekking tot die beleggingsinstelling af te leggen.
Artikel 22
Indien het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst van een
beheerder als bedoeld in artikel 6 Onze Minister ervan in kennis stelt
dat de aldaar gestelde wettelijke voorschriften niet worden nageleefd,
en dat de beheerder, na daarop te zijn gewezen, hieraan geen einde
maakt, treft Onze Minister de noodzakelijke maatregelen om de
niet-naleving te beëindigen. Van deze maatregelen wordt het bevoegde
gezag van de lidstaat van ontvangst in kennis gesteld.
Artikel 22a
1. Indien tot de personen, die middellijk of onmiddellijk
bevoegd zijn bestuurders van een beheerder, beleggingsinstelling of de
bewaarder, indien aan de instelling verbonden, te benoemen of te
ontslaan, iemand behoort, die niet voldoet aan de op grond van artikel
12, tweede lid, gestelde regels met betrekking tot zijn
betrouwbaarheid, kan Onze Minister die personen de aanwijzing geven
dat degene, wiens betrouwbaarheid niet aan deze regels voldoet, deze
bevoegdheid niet meer mag uitoefenen.
2. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze
binnen een door Onze Minister te stellen termijn op.
3. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren Onze
Minister binnen de gestelde termijn over de maatregelen die zijn
getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.
4. De beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder geeft
geen gevolg aan algemene of bijzondere instructies van degene, op wie
een aanwijzing van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid
betrekking heeft.
Artikel 23
Indien een beheerder de inkoop van rechten van deelneming in een door
hem beheerde beleggingsinstelling opschort, stelt hij Onze Minister en,
indien het een beheerder betreft als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
tevens het bevoegde gezag van elke lidstaat waar de rechten van
deelneming van de beleggingsinstelling worden verhandeld, onverwijld
daarvan op de hoogte.
Artikel 24
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen, instellingen en
bewaarders zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en
inlichtingen die van een instantie als bedoeld in de artikelen 26a,
eerste lid, of 27, eerste lid, zijn ontvangen, worden niet
gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in artikelen 26a, eerste lid, of 27,
eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het
onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene
op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid
van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van
artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge
deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of
inlichtingen omtrent een beleggingsinstelling die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is
ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op gegevens of
inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende
beleggingsinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan Onze Minister
met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen
doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
ondernemingen of instellingen.
Artikel 25 [Vervallen per 01-12-2003]
Artikel 26
Onze Minister kan, voor zover nodig in afwijking van artikel 24,
periodiek in de Staatscourant mededeling doen van de voornaamste
gegevens, voortkomende uit de informatieverschaffing als bedoeld in
artikel 12. Zonder schriftelijke toestemming van de beheerder die het
aangaat, worden gegevens met betrekking tot de beheerder en de door hem
beheerde beleggingsinstellingen niet openbaar gemaakt.
Artikel 26a
1. Onze Minister is, in afwijking van artikel 24, eerste en
tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, te
verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die belast is met
het toezicht uit hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de
curator die betrokken is bij het beheer en de vereffening van de
failliete boedel van een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder.
2. Onze Minister verstrekt geen gegevens of inlichtingen als
bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die
deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de
gegevens of inlichtingen.
3. Artikel 24, eerste tot en met vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste
lid verstrekte gegevens.
Artikel 27
1. Onze Minister is, in afwijking van artikel 24, eerste en
tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, te
verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of
op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister
deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in
het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of
inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de
verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid
heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat
verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de
aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
Artikel 27a
1. Onze Minister werkt samen met de autoriteiten die ingevolge
de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen
1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast
zijn met het toezicht op effecteninstellingen, kredietinstellingen,
natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk verzekeraars, met het
oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid
ter zake van bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwerpen die
zowel het toezicht ingevolge deze wet als het toezicht ingevolge een
van de eerdergenoemde wetten betreffen.
2. Onze Minister voert het toezicht ingevolge deze wet, voor
zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid,
uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid
bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten
bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en
beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. Indien
ingevolge artikel 29 taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond
van deze wet heeft zijn overgedragen aan een rechtspersoon, draagt deze
rechtspersoon er zorg voor dat hij of een van de overige in het eerste
lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten
zendt aan Onze Minister.
3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt Onze
Minister in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt
gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering
is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 27b
1. Onze minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge
artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt, voor zover
noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op
beleggingsinstellingen die deel uitmaken van een groep, samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stb.
1992, 722), de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op
kredietinstellingen, verzekeraars onderscheidenlijk
effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep
behoren.
2. Onze minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge
artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen pleegt, in de
gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid.
3. [Vervallen.]
4. Onze Minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge
artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, verstrekt aan een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast
is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of de
Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die hij verkregen
heeft bij de vervulling van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen
taak en die betrekking hebben op de deskundigheid en betrouwbaarheid van
personen als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur tot uitvoering
van artikel 5, eerste lid, onder a , voor zover Onze Minister dan
wel de rechtspersoon als bovenbedoeld, van oordeel is dat deze gegevens
of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht
dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in
het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
Artikel 27c
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die
op die markten werkzaam zijn, is Onze Minister bevoegd ten behoeve van
een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is
bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat
belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het
toezicht op beleggingsinstellingen, inlichtingen te vragen aan of een
onderzoek in te stellen of te doen instellen bij een ieder die
ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 27b,
eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid
wordt ingesteld, verleent aan de persoon die het onderzoek verricht alle
medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek,
met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld
slechts kan worden verplicht tot het verlenen van inzage in zakelijke
gegevens en bescheiden voor zover deze op de uitoefening van zijn beroep
of bedrijf betrekking hebben.
Artikel 27d
1. Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 27b, eerste lid,
deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
2. De verplichting, omschreven in het derde lid van artikel 27b
, geldt eveneens jegens de in het eerste lid bedoelde functionaris.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
Artikel 27e
Onze Minister werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de
uitoefening van het toezicht op beheerders die in meerdere lidstaten
bijkantoren hebben gevestigd of hun diensten aanbieden, samen met het
bevoegde gezag van de betrokken lidstaten.
Artikel 28
Onze Minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29,
eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen, is bevoegd de
kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van die taken en de
uitoefening van die bevoegdheden aan beheerders in rekening te brengen
volgens door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 29
1. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze
wet heeft, kunnen, met uitzondering van de taken en bevoegdheden
bedoeld in de artikelen 7, onder c,14, 17c, eerste lid, 28, voor zover
het daarbij de door Onze Minister te stellen regels betreft, 30, 32,
33b, derde lid, 33c, derde lid, en 33m, tweede lid en 33a, bij
algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer
rechtspersonen die deze als eigen taken uitvoeren en als eigen
bevoegdheden uitoefenen. De verplichtingen jegens Onze Minister op
grond van deze wet gelden alsdan als verplichtingen jegens de
desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
2. Een overdracht als bedoeld in het eerste lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de betrokken rechtspersoon dat een
onafhankelijke vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken en
bevoegdheden zoveel mogelijk is gewaarborgd.
3. Aan de overdracht als bedoeld in het eerste lid kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4. Indien bij algemene maatregel van bestuur taken en
bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid zijn overgedragen aan De
Nederlandsche Bank N.V., is de Bank bevoegd deze taken uit te voeren en
deze bevoegdheden uit te oefenen.
5. Voor de totstandkoming, wijziging of intrekking van algemene
maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, artikel 6,
vijfde lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, een aanwijzing als
bedoeld in artikel 7, onder c, een vrijstelling als bedoeld in artikel
14, eerste lid, de door Onze Minister te stellen regels als bedoeld in
artikel 28 en een maatregel als bedoeld in artikel 30, kan het advies
van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon of rechtspersonen worden
ingewonnen. De rechtspersoon aan wie advies wordt gevraagd is verplicht
dit advies uit te brengen.
6. Een in het eerste lid bedoelde rechtspersoon brengt eenmaal
per jaar, uiterlijk op 1 mei, aan Onze Minister verslag uit over de
uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden op grond van deze
wet. Dit verslag wordt door de zorg van Onze Minister gepubliceerd,
behoudens het gedeelte handelende over de uitvoering van artikel 5,
derde lid, artikel 6, zevende lid, artikel 12, derde lid, artikel 21 en
artikel 22, met dien verstande dat, zonder schriftelijke toestemming van
de bij het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen, gegevens
met betrekking tot afzonderlijke beheerders, beleggingsinstellingen en
bewaarders niet gepubliceerd worden.
Hoofdstuk VI. Bepalingen van bijzondere aard
Artikel 30
Onze Minister kan bepalen dat een vergunning op grond van deze wet
wordt geweigerd of ingetrokken, of dat aan de vergunning beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden, dan wel dat de eerder
gestelde beperkingen en gegeven voorschriften worden gewijzigd, indien:
a. de beheerder zijn zetel heeft in een staat, niet zijnde een
lidstaat, waar Nederlandse financiële instellingen niet worden
toegelaten of aan onredelijke beperkingen worden onderworpen; of
b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon met de nationaliteit
van een onder a bedoelde Staat rechtstreeks of middellijk
overwegende zeggenschap kan uitoefenen in de beheerder.
Artikel 31
Onze Minister kan ten aanzien van een beheerder die een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a
of b beheert en die niet in een lidstaat is gevestigd dan wel in een
lidstaat is gevestigd die nog geen uitvoering aan de richtlijn heeft
gegeven, het bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde tot en met
zevende lid, alsmede artikel 12, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing verklaren.
Artikel 32
Onze Minister kan een organisatie van beleggingsinstellingen,
bewaarders of beheerders, de rechtspersoon of rechtspersonen als bedoeld
in artikel 29, eerste lid, gehoord, aanwijzen als representatieve
organisatie met betrekking tot de uitvoering van deze wet.
Hoofdstuk VII. Beroep
Artikel 33
1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet
bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet
de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld
in artikel 33a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met
gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar
uitgesproken.
Hoofdstuk VIIA. Onderzoek door Onze Minister
Artikel 33a
1. Onze Minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan
ingevolge artikel 29, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn
overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn
oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft
uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan
Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te
verstrekken. Indien Onze Minister de rechtspersoon vraagt bepaalde
gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 24 vallen, is
de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te
verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke beleggingsinstelling waaraan
een vergunning als bedoeld in artikel 4 is verleend of waarvan die
vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van
betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of
op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een beleggingsinstelling
in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 27,
eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die
instantie.
3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken
voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of
de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet
uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 24 is van
toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en
titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Hoofdstuk VII B. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 33b
1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 4, eerste en tweede lid, 5, eerste lid, 6, derde, vijfde en
zesde lid, eerste volzin, 8, 10, 11, eerste lid, 12, eerste tot en met
derde en zevende lid, 12a, 14, tweede lid, 14a, tweede lid, 16, derde
tot en met vijfde lid, 17a, eerste tot en met vierde en zesde tot en
met achtste lid, 17b, tweede lid, 17c, tweede en derde lid, 19, tweede
en derde lid, voor zo ver het betreft het voorschrift van artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te
verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 20, eerste en tweede
lid, 21, derde en zesde lid, onder a, 22, 22a, tweede tot en met
vierde lid, 27c, tweede en derde lid.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 33c
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 4, eerste en tweede lid, 5, eerste lid6, derde, vijfde en
zesde lid, eerste volzin, 8, 10, 11, eerste lid, 12, eerste tot en met
derde en vijfde tot en met zevende lid, 12a, 13, eerste en derde lid,
13b, eerste en vijfde lid, 14, tweede lid, 4a, tweede lid, 16, derde
tot en met vijfde lid, 17a, eerste tot en met vierde en zesde tot en
met achtste lid, 17b, tweede lid, 17c, tweede en derde lid, 19, tweede
en derde lid, voor zo ver het betreft het voorschrift van artikel 5:20
van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te
verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 20, eerste en tweede
lid, 21, derde en zesde lid, onder a, 22, 22a, tweede tot en met
vierde lid, 23, 27c, tweede en derde lid.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze
Minister met toepassing van artikel 29, eerste lid, de bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete overdraagt aan een
rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 33d
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt. Voor
overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens een algemene
maatregel van bestuur op grond van de artikelen 5, eerste lid, 6,
vijfde en zesde lid, tweede volzin, of 12, eerste, tweede, derde en
zevende lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage behorend bij die algemene maatregel van
bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in
de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald
geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
Artikel 33e
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem
wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht
ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 33f
1. Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen,
geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 33d, is aangewezen.
Artikel 33g
1. Onze Minister legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 33i, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 33h
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 33f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 33i
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 33f, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister
schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met
de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de
aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij
dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de
boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 33j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 33c vervalt, indien Onze Minister ter
zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 33k
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 33l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 33m
1. Met het oog op een adequate werking van de financiële
markten en de positie van de beleggers op die markten, kan Onze
Minister, onverminderd artikel 19, vijfde lid, en artikel 24, het feit
ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is
opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de
woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk VIIC. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 33n
Onze Minister kan, in afwijking van artikel 24, teneinde de naleving
van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
a. het feit dat aan een beleggingsinstelling waarop naar zijn
oordeel het verbod, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van toepassing
is, een aangevraagde vergunning of ontheffing is geweigerd, wanneer
deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de
aanvrager handelt als was hem een vergunning of ontheffing verleend;
b. het feit dat een beleggingsinstelling waarop naar zijn oordeel
het verbod, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van toepassing is,
niet over een vergunning beschikt dan wel geen mededeling heeft
gedaan als bedoeld in artikel 17, eerste lid;
c. het feit dat degene op wie een vrijstelling als bedoeld in
artikel 14 van toepassing is, zich niet houdt aan de voorschriften
die aan die vrijstelling zijn verbonden;
d. zijn bekendmaking, bedoeld in artikel 17, vierde lid, wanneer
deze bekendmaking niet meer in beroep kan worden getroffen en de
beleggingsinstelling haar rechten van deelneming in Nederland
ondanks deze bekendmaking in stijd met het verbod van artikel 4
heeft aangeboden.
Artikel 33o
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze
Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 33n ter openbare
kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring
af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling
om informatie wordt gevraagd.
Artikel 33p
1. Onze Minister geeft, indien hij voornemens is op grond van
artikel 33n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene
daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht
is Onze Minister niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te
stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke
inspanning kan worden verkregen.
Artikel 33q
De beschikking om op grond van artikel 33n een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 33r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 33n
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 33s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 33t
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 33n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 33n vervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter
openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 33u
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 33n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 33v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 33n ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk VIII. Wijziging van andere wetten
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 40 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 41 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 42
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 43
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht
beleggingsinstellingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 juni 1990
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de negentiende juli 1990
De Minister van Justitie
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage, bedoeld in artikel 33d, eerste
lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen
Artikel 1
Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het
tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk VII B van deze wet, zijn de
boetebedragen vastgesteld als volgt:
|
Tariefnummer: |
Bedrag (vast tarief): |
|
1. |
€ 453 |
|
2. |
€ 907 |
|
3. |
€ 5 445 |
|
4. |
€ 21 781 |
|
5. |
€ 87 125 |
Artikel 2
1. Indien een boete wordt opgelegd voor overtreding van een bepaling
als genoemd in tabel 1, is bij de vaststelling van de hoogte van de
boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen
onderscheidenlijk beheerd vermogen van toepassing, met de daarbij
behorende factor:
Categorie-indeling normgeadresseerden
Categorie I: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met
een eigen vermogen onderscheidenlijk beheerd vermogen van minder dan
€ 455.000; Factor 1;
Categorie II: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders
met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten
minste € 455.000 maar minder dan € 4.500.000; Factor 2;
Categorie III: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders
met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten
minste € 4.500.000 maar minder dan € 45.000.000; Factor 3;
Categorie IV: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders
met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten
minste € 45.000.000 maar minder dan € 450.000.000; Factor 4;
Categorie V: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met
een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten minste
€ 450.000.000; Factor 5.
2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1,
te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar eigen
vermogen onderscheidenlijk beheerd vermogen, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de gegevens omtrent het vermogen niet aan de toezichthouder
beschikbaar zijn gesteld, kan hij aan degene aan wie de boete wordt
opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn
te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn
voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de
boete categorie V van toepassing.
Artikel 3
Op grond van artikel 33f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in
de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd,
indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is
vastgesteld.
Tabel 1
|
Overtredingen van voorschriften, gesteld bij artikel: |
Tariefnummer |
|
8 |
3 |
|
10 |
4 |
|
11, eerste lid |
4 |
|
12a |
3 |
|
13, eerste lid |
1 |
|
13, derde lid |
1 |
|
13b, eerste lid |
1 |
|
13b, vijfde lid |
1 |
|
14, tweede lid |
3 |
|
14a, tweede lid |
3 |
|
16, derde lid |
4 |
|
16, vierde lid |
4 |
|
17a, eerste lid |
1 |
|
17a, tweede lid |
1 |
|
17a, derde lid |
3 |
|
17a, vierde lid |
3 |
|
17a, zesde lid |
3 |
|
17a, zevende lid |
3 |
|
17a, achtste lid |
4 |
|
17b, tweede lid |
3 |
|
17c, tweede lid |
3 |
|
17c, derde lid |
4 |
|
21, derde lid |
4 |
|
21, zesde lid, onder a |
4 |
|
22 |
5 |
|
23 |
2 |
Tabel 2
|
Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel: |
Tariefnummer |
|
4, eerste lid |
5 |
|
4, tweede lid |
5 |
|
12, vijfde lid |
3 |
|
12, zesde lid |
3 |
|
19, tweede lid |
3 |
|
19, derde lid, voor zo ver het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden |
3 |
|
20, eerste lid |
3 |
|
20, tweede lid |
4 |
|
22a, tweede lid |
3 |
|
22a, derde lid |
3 |
|
22a, vierde lid |
3 |
|
27b, tweede lid |
3 |
|
27c, tweede lid |
3 |
|