In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Justitie;
b. het College van Toezicht: het College van Toezicht, bedoeld in
artikel 2;
c. collectieve beheersorganisatie: de door Onze Minister
aangewezen rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is
met de inning en de verdeling van vergoedingen, verschuldigd op
grond van de Auteurswet, of op grond van de Wet op de naburige
rechten, of de rechtspersoon die met toestemming van Onze Minister
als bedrijf bemiddeling verleent inzake muziekauteursrecht op grond
van artikel 30a van de Auteurswet.
Artikel 2
1. Er is een College van Toezicht dat tot taak heeft toezicht
uit te oefenen op de inning en de verdeling van de vergoedingen door
de collectieve beheersorganisaties.
2. Het College van Toezicht ziet er op toe dat een collectieve
beheersorganisatie:
a. aan rechthebbenden en betalingsplichtigen voldoende inzicht
verschaft in haar algemene en financiële beleid;
b. voldoende is toegerust om haar taken naar behoren te kunnen
uitoefenen;
c. de door haar geďnde vergoedingen op rechtmatige wijze verdeelt
over de rechthebbenden overeenkomstig het repartitiereglement;
d. bij de uitoefening van haar werkzaamheden voldoende rekening
houdt met de belangen van de betalingsplichtigen;
e. een deugdelijke geschillenregeling voor rechthebbenden kent;
f. gelijke gevallen op gelijke wijze behandelt.
Artikel 3
1. De volgende besluiten van een collectieve
beheersorganisatie, niet zijnde een vereniging, worden slechts genomen
na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het College van
Toezicht:
a. een besluit tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van
de collectieve beheersorganisatie;
b. een besluit tot benoeming van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. een besluit tot vaststelling of wijziging van
modelovereenkomsten met rechthebbenden betreffende de uitoefening en
handhaving van auteursrechten of naburige rechten;
d. een besluit tot vaststelling of wijziging van andere
modelovereenkomsten en reglementen die de uitoefening van de aan de
collectieve beheersorganisatie opgedragen taak betreffen.
2. Het College van Toezicht kan over besluiten als bedoeld in het
eerste lid een collectieve beheersorganisatie van advies dienen.
3. Het College van Toezicht kan slechts zijn goedkeuring aan een
besluit onthouden indien de collectieve beheersorganisatie binnen een
door het college te bepalen periode na ontvangst van een voorafgaand
advies van het college het advies niet opvolgt.
Artikel 4
Het College van Toezicht houdt geen toezicht op collectieve
beheersorganisaties voor zover toezicht op grond van de Mededingingswet
wordt uitgeoefend door de Nederlandse Mededingingsautoriteit.
Artikel 5
1. Een collectieve beheersorganisatie is gehouden het College
van Toezicht vooraf schriftelijk te informeren over te nemen besluiten
die van wezenlijke invloed zijn op de uitoefening door de collectieve
beheersorganisatie van haar wettelijke taken of het verlenen van
bemiddeling als bedoeld in artikel 30a van de Auteurswet, waaronder:
a. investeringen die een door het College van Toezicht bij
reglement vast te stellen bedrag te boven gaan;
b. het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke
rechtspersoon of het deelnemen in een vennootschap.
2. De leden van het College van Toezicht hebben toegang tot de
kantoren van een collectieve beheersorganisatie en kunnen de algemene
ledenvergadering, de vergadering van aangeslotenen en de vergaderingen
van het bestuur van de collectieve beheersorganisatie bijwonen. De leden
van het College hebben inzage in boeken en bescheiden en andere
informatiedragers van een collectieve beheersorganisatie een en ander
voor zover kennisneming daarvan noodzakelijk is voor de uitoefening van
het toezicht.
3. Indien een collectieve beheersorganisatie samenwerkt met of
werkzaamheden laat verrichten door een derde, verband houdende met de
inning en de verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet en de
Wet op de naburige rechten, blijft zij verantwoordelijk voor de
uitoefening van deze taken. Zij draagt in dat geval zorg voor de
beschikbaarheid voor het College van Toezicht van de financiële
gegevens die relevant kunnen zijn voor de taakuitoefening van het
College.
4. Het College van Toezicht kan, indien het daartoe gronden
aanwezig acht, de boekhouding van een collectieve beheersorganisatie
laten onderzoeken door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kosten van dit onderzoek
komen voor rekening van de collectieve beheersorganisatie.
Artikel 6
1. Het College van Toezicht kan een collectieve
beheersorganisatie van advies dienen.
2. Het College van Toezicht kan een collectieve
beheersorganisatie aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening
van haar wettelijke taken of het verlenen van bemiddeling als bedoeld in
artikel 30a van de Auteurswet. De collectieve beheersorganisatie is
gehouden overeenkomstig de aanwijzingen te handelen.
3. Het College van Toezicht kan slechts een aanwijzing geven
indien de collectieve beheersorganisatie binnen een door het college te
bepalen periode na ontvangst van een voorafgaand advies van het college
het advies niet opvolgt.
Artikel 7
1. Het College van Toezicht bestaat uit drie of meer personen.
Het aantal leden van het College, de voorzitter daaronder begrepen, is
steeds oneven.
2. De leden van het College van Toezicht kunnen de taken
onderling verdelen. Het College blijft verantwoordelijk voor de
uitoefening van deze taken.
3. De leden van het College van Toezicht worden, in
overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
benoemd door Onze Minister, die tevens de voorzitter aanwijst.
4. De leden van het College van Toezicht worden benoemd voor een
periode van ten hoogste vier jaren. Zij kunnen na afloop van deze
periode aansluitend eenmaal opnieuw worden benoemd voor een termijn van
ten hoogste vier jaren.
5. Het College van Toezicht blijft ook in geval van een of meer
vacatures bevoegd tot hetgeen hem is opgedragen.
6. Een lid dat een vacature vervult, wordt benoemd voor de
resterende duur van de periode waarvoor het door hem vervangen
afgetreden lid was benoemd.
Artikel 8
Een lid van het College van Toezicht vervult geen nevenfuncties die
ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of
de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
Artikel 9
1. Het lidmaatschap van het College van Toezicht eindigt:
a. door het verstrijken van de periode waarvoor het lid is benoemd;
b. door ontslag door Onze Minister, in overeenstemming met de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, al dan niet op eigen
verzoek van het lid;
c. door ondercuratelestelling of overlijden van het lid;
d. indien het faillissement of de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van het lid
wordt uitgesproken;
e. door een veroordeling wegens een misdrijf.
2. De leden van het College van Toezicht kunnen door Onze
Minister, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, worden geschorst. Het schorsingsbesluit regelt de
gevolgen van de schorsing.
3. Schorsing en ontslag vindt slechts plaats wegens
ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens
andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen.
Artikel 10
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister, het College van
Toezicht zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister, in
overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd,
niet eerder getroffen dan nadat het zelfstandig bestuursorgaan in de
gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister, in
overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
te stellen termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te oefenen.
3. Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 11
1. Het College van Toezicht heeft een secretaris. De secretaris
is geen lid van het College van Toezicht.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de secretaris, na
overleg met de voorzitter van het College van Toezicht.
3. De secretaris is voor zijn werkzaamheden uitsluitend
verantwoording schuldig aan het College.
Artikel 12
1. Onze Minister stelt de hoogte vast van de bezoldiging van de
leden van het College van Toezicht, gehoord de collectieve
beheersorganisaties.
2. De leden van het College van Toezicht en de secretaris
ontvangen voor de uitoefening van hun werkzaamheden vergoeding van reis-
en verblijfkosten overeenkomstig regels door Onze Minister te stellen.
3. De algemene kosten gemaakt door het College van Toezicht ten
behoeve van de uitoefening van het toezicht, waaronder die genoemd in
het eerste en tweede lid, komen voor rekening van de collectieve
beheersorganisaties gezamenlijk, naar rato van de door hen
geďncasseerde vergoedingen.
Artikel 13
1. Het College van Toezicht vergadert ten minste vier maal per
jaar en voorts zo vaak als door de voorzitter of ten minste twee
andere leden van het College wenselijk wordt geoordeeld.
2. Het College van Toezicht besluit met volstrekte meerderheid
van uitgebrachte stemmen. Elk lid heeft één stem. Indien de stemmen
staken beslist de voorzitter.
3. Het College van Toezicht kan bij reglement nadere regels
vaststellen omtrent zijn vergadering en besluitvorming. Vaststelling en
wijziging van het reglement is onderworpen aan de goedkeuring van Onze
Minister.
Artikel 14
1. Het College van Toezicht stelt ten minste een maal per jaar
vertegenwoordigers van betalingsplichtigen in de gelegenheid te worden
gehoord. Het College is bevoegd ook andere belanghebbenden te horen.
2. Belanghebbenden kunnen zich tot het College van Toezicht
wenden, indien de betreffende geschillenregeling is doorlopen. Het
College kan een niet bindend advies aan partijen geven ter beslechting
van het geschil.
Artikel 15
1. Het College van Toezicht stelt een jaarrekening en een
begroting op, welke de goedkeuring behoeven van Onze Minister, gehoord
de collectieve beheersorganisaties.
2. Het College van Toezicht brengt jaarlijks voor 1 april verslag
uit aan Onze Minister van de verrichte werkzaamheden in het voorafgaande
kalenderjaar. De Minister zendt het verslag door aan beide Kamers der
Staten-Generaal en aan de collectieve beheersorganisaties.
3. Het College van Toezicht verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Artikel 16
[Wijzigt de Auteurswet 1912]
Artikel 17
[Wijzigt de Wet op de naburige rechten]
Artikel 18
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht collectieve
beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te
stellen tijdstip.