WET van 16 november 1995, houdende het
opnieuw vaststellen van de Wet toezicht effectenverkeer in verband met
de uitvoering van de richtlijn betreffende het verrichten van diensten
op het gebied van beleggingen in effecten en van de richtlijn
betreffende de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet
toezicht effectenverkeer te wijzigen ter uitvoering van Richtlijn nr.
93/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993
inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen (PbEG L 141) alsmede van Richtlijn nr.
93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993
betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in
effecten (PbEG L 141), en dat het wenselijk is in verband hiermee
alsmede in verband met enige noodzakelijke andere aanpassingen van die
wet, de Wet toezicht effectenverkeer opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover
niet anders is bepaald - verstaan onder:
a. effecten:
1°. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en
oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke
waardepapieren;
2°. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht
op termijn van goederen, inschrijvingen in aandelen- en
schuldregisters, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke,
rechten;
3°. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld;
4°. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld;
b. effectenbemiddelaar:
1°. degene die als tussenpersoon, anders dan op grond van een
overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of bedrijfsmatig
werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten;
2°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig de mogelijkheid
aanbiedt, door het openen van een rekening, vorderingen te
verkrijgen luidende in effecten, waarbij door middel van deze
rekening transacties in effecten kunnen worden bewerkstelligd;
3°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig, anders dan bij
uitgifte van effecten, voor eigen rekening effectentransacties
verricht teneinde een markt in effecten te onderhouden of een
voordeel te behalen uit een verschil tussen vraag- en
aanbodprijzen van effecten;
4°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig effecten, bij
uitgifte ervan, overneemt of plaatst;
5°. degene die, al dan niet als tussenpersoon en anders dan op
grond van een overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of
bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van rente-,
valuta- of aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;
c. vermogensbeheerder:
1°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig op grond van een
overeenkomst het beheer voert over effecten die toebehoren aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel over aan deze persoon
toebehorende middelen ter belegging in effecten, daaronder
begrepen het verrichten of doen verrichten van effectentransacties
voor rekening van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten;
2°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig op grond van een
overeenkomst het beheer voert over rente-, valuta- of
aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;
d. effecteninstelling: een effectenbemiddelaar of een
vermogensbeheerder;
e. effectenbeurs: een markt die aan regels is onderworpen en die
bestemd is voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van effecten;
f. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk
belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal
van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk
kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in
een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk
kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een
onderneming of instelling; bij het bepalen van het aantal
stemrechten, dat iemand in een onderneming of instelling heeft,
worden tot diens stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover
hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 12
van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in ter beurze
genoteerde vennootschappen;
g. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk
persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen
een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen
met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen
wordt aangemerkt als groep;
h. dochtermaatschappij: een rechtspersoon of vennootschap als
bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
i. richtlijn kapitaaltoereikendheid: richtlijn nr. 93/6/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de
kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen (PbEG L 141);
j. richtlijn beleggingsdiensten: richtlijn nr. 93/22/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het
verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG
L 141);
k. lid-staat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede
een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
l. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige
staat ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het
effectenverkeer is opgedragen;
m. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder
rechtspersoonlijkheid van een effecteninstelling die in een andere
staat zijn gevestigd dan die waar de effecteninstelling is
gevestigd;
n. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
o. openbaar bod: een door middel van een openbare mededeling
gedaan aanbod als bedoeld in artikel 217, eerste lid, van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek buiten een besloten kring, op effecten, dan
wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod, buiten een besloten
kring, op effecten, waarbij de bieder het oogmerk heeft deze
effecten te verwerven;
p. bieder: een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap,
dan wel enig naar buitenlands recht daarmee vergelijkbaar lichaam of
samenwerkingsverband, door wie of namens wie al dan niet tezamen met
een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen,
vennootschappen of daarmee vergelijkbare lichamen of
samenwerkingsverbanden een openbaar bod wordt voorbereid of
uitgebracht, dan wel is uitgebracht;
q. prospectusverordening: verordening nr. 809/2004 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot
uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken
informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van
informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het
prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149).
Artikel 2
Geen effecten in de zin van deze wet zijn:
a. waarden die uitsluitend het karakter van betaalmiddel dragen;
b. appartementsrechten.
Artikel 2a [Vervallen per 20-01-2006]
Hoofdstuk II. Uitgifte van effecten
Artikel 3
1. Het is verboden in
Nederland bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen effecten aan
te bieden, tenzij ter zake van de aanbieding een prospectus algemeen
verkrijgbaar is dat is goedgekeurd door Onze Minister of door een
toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot
de aanbieding.
2. Onze Minister keurt een prospectus goed indien het voldoet aan
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
3. Onze Minister kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen gevallen het prospectus ter zake van een aanbieding van effecten
in een andere lidstaat goedkeuren. Het eerste lid, tweede volzin, en het
tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het is verboden in of vanuit Nederland andere dan de in het
eerste lid bedoelde effecten aan te bieden dan wel een zodanig
aanbieding door middel van advertenties of documenten in het
vooruitzicht te stellen, tenzij:
a. ter zake van de aanbieding een prospectus verkrijgbaar is dat
voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regels; of
b. ter zake van de aanbieding dan wel de in het vooruitzicht
gestelde aanbieding wordt voldaan aan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels.
5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing
indien de aan te bieden effecten rechten van deelneming betreffen in een
beleggingsinstelling, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wet
toezicht belegginginstellingen, die op verzoek van de houder ten laste
van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.
Artikel 3a
1. Onze Minister maakt na ontvangst van een aanvraag van
goedkeuring zijn besluit omtrent de goedkeuring binnen een termijn van
tien werkdagen bekend aan de aanvrager.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste
twintig werkdagen indien sprake is van een aanbieding van effecten van
een instelling waarvan nog geen effecten zijn aangeboden.
3. Indien de door de aanvrager ingediende documenten onvolledig
zijn of onder toepassing van artikel 3, derde alinea, 22, eerste lid,
derde alinea, 23, eerste lid of derde lid, tweede alinea, van de
prospectusverordening aanvullende informatie nodig is voor de
beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat of
de vooruitzichten van de instelling of de aan de effecten verbonden
rechten en plichten, stelt Onze Minister de aanvrager hiervan binnen de
termijn, bedoeld in het eerste of, indien van toepassing, het tweede lid
op de hoogte en stelt hij hem in de gelegenheid om de aanvraag aan te
vullen. Indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn de aanvraag
heeft aangevuld, kan Onze Minister besluiten de aanvraag niet verder te
behandelen.
4. Ingeval het derde lid, eerste volzin, wordt toegepast gaan de
termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, opnieuw in, te rekenen
vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de aanvullende informatie heeft
verstrekt.
5. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten
toepassing.
Artikel 3b
1. Het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op een aanbieding van effecten ter zake
waarvan het prospectus overeenkomstig artikel 3 is goedgekeurd, indien
zich voorafgaand aan de afsluiting van de aanbieding van effecten een
belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onjuistheid
voordoet of door de aanvrager geconstateerd wordt die verband houdt
met de informatie in het prospectus en van invloed kan zijn op de
beoordeling van de aangeboden effecten, tenzij een document ter
aanvulling van het prospectus door Onze Minister is goedgekeurd en
algemeen verkrijgbaar is.
2. Onze Minister keurt het in het eerste lid bedoelde aanvullende
document goed indien wordt voldaan aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels en maakt zijn besluit omtrent goedkeuring van
dit document binnen een termijn van zeven werkdagen bekend aan de
aanvrager. Het vijfde lid van artikel 3a is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4
1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing
verlenen van artikel 3, eerste of vierde lid.
2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
3. Indien een op grond van het eerste lid verleende vrijstelling
betrekking heeft op het aanbieden van effecten aan bepaalde door Onze
Minister aan te wijzen personen, houdt Onze Minister een register bij
waarin de namen van die personen worden opgenomen.
Artikel 5
1. Instellingen waarvan in of vanuit Nederland effecten zijn
aangeboden, stellen periodiek informatie omtrent hun bedrijf algemeen
verkrijgbaar. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot:
a. de soort en inhoud van de informatie;
b. de termijnen waarbinnen deze informatie algemeen verkrijgbaar
wordt gesteld; en
c. de wijze waarop de informatie algemeen verkrijgbaar wordt
gesteld.
2. Onze Minister kan van de op grond van het eerste lid gestelde
regels vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen.
3. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een
beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in
artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen en het rechten van
deelneming betreft die op verzoek van de houder ten laste van de activa
direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.
Artikel 6
1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling waarvan
effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten, of waarvan aannemelijk
is dat deze spoedig zullen worden toegelaten, tot de handel op een op
grond van artikel 22 erkende effectenbeurs, of degene die deze
effecten aanbiedt, zich niet houdt of heeft gehouden aan het bij of
krachtens artikel 3 bepaalde of aan de regels van de effectenbeurs
waaraan die instelling in verband met de toelating is onderworpen,
vestigt hij daarop de aandacht van de houder van die effectenbeurs.
Zonodig doet Onze Minister deze mededeling vergezeld gaan van dan wel
volgen door een aanwijzing met betrekking tot een door de houder van
de effectenbeurs jegens de instelling te volgen gedragslijn met het
oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie
van de beleggers op die markten.
2. De houder van de effectenbeurs volgt de in het eerste lid
bedoelde aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
Hoofdstuk II A. Openbaar bod op effecten
Artikel 6a
1. Het is verboden een openbaar bod te doen op effecten die
zijn toegelaten tot de notering aan een op grond van artikel 22
erkende effectenbeurs of geregeld worden verhandeld in Nederland.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien terzake van het
openbaar bod een biedingsbericht algemeen verkrijgbaar is dat voldoet
aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
mits daarnaar in elke bekendmaking van het openbaar bod wordt verwezen.
3. De bieder, de instelling te wier laste de effecten, bedoeld in
het eerste lid, zijn uitgegeven en de bestuurders, commissarissen en
andere functionarissen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet
conflictenrecht corporaties van deze bieder en deze instelling, houden
zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met het oog op
een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten te stellen regels terzake van de voorbereiding,
het uitbrengen en de gestanddoening van een openbaar bod.
4. Een krachtens het tweede of derde lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de
plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der
Staten-Generaal.
5. Onze Minister, kan, op verzoek, bepalen dat de bieder, de
instelling te wier laste de effecten, bedoeld in het eerste lid, zijn
uitgegeven of de bestuurders, commissarissen of andere functionarissen
als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet conflictenrecht
corporaties van deze bieder en deze instelling, niet behoeven te voldoen
aan alle in het tweede of derde lid bedoelde regels, indien de aanvrager
aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en
dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende
zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in de vorige zin
wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden
waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat het besluit
in strijd is met het belang van een adequate functionering van de
effectenmarkten of de positie van de belegger op de markten.
Artikel 6b
Indien de bieder zijn openbaar bod gestand heeft gedaan, is het hem
gedurende een periode van drie jaar na de verkrijgbaarstelling van het
biedingsbericht niet toegestaan effecten van de soort waarop het
openbaar bod betrekking had, direct of indirect, te verwerven tegen voor
de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het
openbaar bod.
Artikel 6c
1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing
verlenen van artikel 6a, eerste en derde lid, en artikel 6b.
2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
Hoofdstuk III. Effecteninstellingen
§ 1. Vereisten voor een vergunning
Artikel 7
1. Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of
vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te
verrichten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h,
van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, behoudens voor zover
artikel 13 van die wet van toepassing is, en verzekeraars als bedoeld
in artikel 1, onder c, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;
b. degenen die de in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend
verrichten voor de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn,
voor hun dochtermaatschappijen of voor een andere dochtermaatschappij
van de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn;
c. degenen wier in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend
bestaan uit het op grond van een overeenkomst met een werkgever
beheren van een werknemersparticipatieplan met betrekking tot effecten
die zijn uitgegeven ten laste van die werkgever;
d. degenen wier in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend
bestaan uit het verlenen van zowel de diensten, bedoeld onder b,
als die, bedoeld onder c;
e. de ECB bedoeld in artikel 4a van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschappen, en de centrale banken van de lid-staten,
nationale instellingen van de lid-staten met een soortgelijke functie
en overheidsinstellingen van de lid-staten die zijn belast met of
betrokken bij het beheer van de overheidsschuld;
f. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onder c,
van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, alsmede beheerders als
bedoeld in artikel 1, onder e, van die wet, voor zover het
betreft de inkoop of verkoop van rechten van deelneming in de
betrokken beleggingsinstellingen door de beleggingsinstellingen zelf
onderscheidenlijk door de aan die beleggingsinstellingen verbonden
beheerders;
g. degenen wier hoofdbedrijf bestaat uit het verhandelen van zaken
met producenten, met beroeps- of bedrijfsmatige gebruikers of met
anderen met eenzelfde hoofdbedrijf en die de in het eerste lid
bedoelde diensten verrichten voor alleen deze wederpartijen en in de
mate dat hun hoofdbedrijf zulks vereist;
h. kredietinstellingen of financiële instellingen die zijn
ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, voor zover het aan die instellingen
ingevolge de artikelen 6, 31, 32 of 38 onderscheidenlijk 45, 50 of 51
van die wet is toegestaan om diensten ter zake van effectenbemiddeling
of vermogensbeheer aan te bieden of te verrichten;
i. effecteninstellingen die zijn gevestigd in een andere lid-staat,
niet zijnde instellingen als bedoeld onder h, die door middel
van een bijkantoor in Nederland als effectenbemiddelaar of
vermogensbeheerder diensten aanbieden of verrichten, indien:
1°. zij van de toezichthoudende autoriteit van die andere
lid-staat een voor de uitoefening van het beroep of bedrijf van
effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder benodigde vergunning
hebben verkregen;
2°. Onze Minister van de toezichthoudende autoriteit van die
andere lid-staat een kennisgeving heeft ontvangen, die bevat:
- een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn
vermeld;
- het adres van het bijkantoor;
- de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van
het bijkantoor bepalen; en
- gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling
op de verplichtingen van het bijkantoor;
en
3°. Onze Minister de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld
onder 2°, en de inhoud daarvan aan de effecteninstelling heeft
bekendgemaakt dan wel er twee maanden zijn verstreken vanaf het
tijdstip waarop Onze Minister die kennisgeving heeft ontvangen;
j. effecteninstellingen die zijn gevestigd in een andere lid-staat,
niet zijnde instellingen als bedoeld onder h, die, anders dan
door middel van een bijkantoor in Nederland, als effectenbemiddelaar
of vermogensbeheerder diensten aanbieden of verrichten, indien:
1°. zij van de toezichthoudende autoriteit van die andere
lid-staat een voor de uitoefening van het beroep of bedrijf van
effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder benodigde vergunning
hebben verkregen; en
2°. zij aan de toezichthoudende autoriteit van die andere
lid-staat een kennisgeving hebben gezonden, die een opgave van de
voorgenomen werkzaamheden bevat.
k. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
ondernemingsspaarfondsen en beroepspensioenfondsen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel b, c, d van de Pensioen- en
spaarfondsenwet onderscheidenlijk artikel 1, eerste lid, onderdeel j,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, die krachtens die wet
aan het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn
onderworpen en die als vermogensbeheerder uitsluitend diensten
aanbieden aan of verrichten voor de desbetreffende bedrijfstak,
onderneming, dan wel beroepsgroep waarmee zij zijn verbonden, alsmede
het pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op
het notarisambt;
l. natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover zij als
vermogensbeheerder uitsluitend diensten aanbieden aan of verrichten
voor een fonds als bedoeld onder k of een daaraan gelieerd fonds, mits
de natuurlijke persoon of de rechtspersoon is verbonden aan het fonds
waaraan de diensten worden aangeboden of waarvoor de diensten worden
verricht.
3. Het is effecteninstellingen als bedoeld in het tweede lid,
onder i, of j, niet toegestaan de werkzaamheden, genoemd
in deel A van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten, aan te
bieden of te verrichten indien het aanbieden of verrichten van die
werkzaamheden door de vergunning, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i
onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 1°, wordt
uitgesloten of de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i,
onder 2°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 2°, het
aanbieden of verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
4. Onze Minister verleent, op verzoek, een vergunning als bedoeld
in het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten
aanzien van:
a. deskundigheid en betrouwbaarheid;
b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde
basis;
c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen
en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en vestiging van het
hoofdkantoor;
d. aan Onze Minister en aan het publiek te verstrekken informatie;
en
e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij
of krachtens deze wet gestelde regels.
Is de aanvrager een bijkantoor in Nederland van een
effecteninstelling die niet in een lid-staat is gevestigd, dan toont hij
tevens aan dat de instelling in de staat waar zij is gevestigd bevoegd
is tot het als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aanbieden of
verrichten van diensten en bevoegd is een bijkantoor in Nederland te
openen.
5. De regels, bedoeld in het vierde lid, kunnen voor
onderscheiden groepen effecteninstellingen verschillend zijn.
6. Indien de aanvrager redelijkerwijs niet kan voldoen aan de op
grond van het vierde lid gestelde regels kan Onze Minister op verzoek
een vergunning als bedoeld in het eerste lid verlenen indien de
aanvrager aantoont dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken
anderszins voldoende zijn bereikt.
7. Aan een vergunning kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering
van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.
Artikel 8
1. Indien een andere lid-staat de richtlijn beleggingsdiensten
of de richtlijn kapitaaltoereikendheid niet of onvolledig heeft
uitgevoerd, kan Onze Minister bepalen dat artikel 7, tweede lid,
aanhef en onder i en j, niet van toepassing is op effecteninstellingen
die in die andere lid-staat zijn gevestigd.
2. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, ten aanzien van een lid-staat wordt ingetrokken, wordt
ten aanzien van een in die lid-staat gevestigde effecteninstelling die
op dat moment het beroep of bedrijf van effecteninstelling door middel
van een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten in
Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, heeft verkregen, geacht te zijn voldaan aan
artikel 7, tweede lid, onderdeel i, onder 2° en 3°, onderscheidenlijk
onderdeel j, onder 2°. De aan de effecteninstelling verleende
vergunning vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
Artikel 9 [Vervallen per 01-02-1999]
Artikel 10
1. Onze Minister kan
vrijstelling verlenen van artikel 7, eerste lid.
2. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering
van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.
§ 2. Regels voor vergunninghouders
Artikel 11
1. Een effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, is verleend, houdt zich aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van:
a. deskundigheid en betrouwbaarheid;
b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde
basis;
c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen
en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en vestiging van het
hoofdkantoor;
d. aan Onze Minister en aan het publiek te verstrekken informatie;
en
e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij
of krachtens deze wet gestelde regels;
f. de bemiddeling terzake van een openbaar bod.
2. Degenen, die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de
personen te benoemen of te ontslaan die een effecteninstelling krachtens
wet, statuten of reglementen vertegenwoordigen dan wel het dagelijks
beleid van een effecteninstelling bepalen, houden zich aan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien
van betrouwbaarheid.
3. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor
onderscheiden groepen effecteninstellingen verschillend zijn.
4. Onze Minister kan, op verzoek, bepalen dat een
effecteninstelling niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid
bedoelde regels indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs
niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet
beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan
een besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken indien
naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen
zodanig zijn gewijzigd dat het besluit in strijd is met het belang van
een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
5. het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
h, i of j.
Artikel 11a
1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een
vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, legt
binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als
bedoeld in artikel 361, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek over aan Onze Minister.
2. De effecteninstelling doet de jaarrekening, bedoeld in het
eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze accountant staat niet in
dienstbetrekking tot de betrokken effecteninstelling.
3. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt Onze Minister
zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van
zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen
en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de effecteninstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
4. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
effecteninstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere
onderneming of instelling is de meldingsplicht, bedoeld in het derde
lid, van overeenkomstige toepassing indien de effecteninstelling
dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel
indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de
effecteninstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder
dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien
verstande dat een effecteninstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn
van een natuurlijk persoon of vennootschap.
5. Onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid verstrekt
de accountant, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister zo spoedig
mogelijk alle inlichtingen die redelijkerwijs nodig zijn ten behoeve van
het toezicht op de naleving van deze wet met betrekking tot bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen onderwerpen.
6. De accountant die op grond van het derde of vierde lid tot een
melding of op grond van het vijfde lid tot het geven van inlichtingen
aan Onze Minister is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die
een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat,
gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding
had mogen worden overgegaan.
7. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een niet in Nederland gevestigde effecteninstelling die op
grond van de regels, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een jaarrekening
overlegt die is onderzocht door een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 12
1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling als
bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, i of j, de in Nederland op
de instelling van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht
niet of niet volledig naleeft, vestigt hij daarop de aandacht van die
instelling.
2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om
binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te
geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing
bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de instelling heeft
ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de door
hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, maakt hij dit aan de
instelling bekend.
4. Zodra de bekendmaking, bedoeld in het derde lid, door de
instelling is ontvangen, is het haar verboden nog langer als
effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te
verrichten en wikkelt zij binnen een door Onze Minister te bepalen
termijn alle lopende overeenkomsten af die door haar zijn aangegaan
voordat de bekendmaking door haar werd ontvangen.
5. Indien een instelling in een andere lid-staat is gevestigd,
stelt Onze Minister de toezichthoudende autoriteit van die andere
lid-staat in kennis van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, en van
de bekendmaking, bedoeld in het derde lid.
Artikel 13
1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een
vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend en die
voornemens is met betrekking tot een of meer van de in deel B van de
bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten het
beroep of bedrijf van effecteninstelling uit te oefenen door middel
van een bijkantoor in een andere lid-staat, dient daartoe bij Onze
Minister een aanvraag in. Het is de effecteninstelling verboden om aan
haar voornemen gevolg te geven voordat zij van de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a,
een mededeling heeft ontvangen die ertoe strekt dat met de
werkzaamheden kan worden aangevangen dan wel, indien die mededeling
uitblijft, er twee maanden zijn verstreken nadat de bekendmaking,
bedoeld in het derde lid, door de effecteninstelling werd ontvangen.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave
van:
a. de lid-staat waar de effecteninstelling voornemens is het
bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn
vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het
bijkantoor bepalen.
3. Onze Minister doet binnen drie maanden na ontvangst van de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit
van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, mededeling
van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d,
alsmede van gegevens omtrent de toepasselijkheid van een
garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor. Onze Minister
maakt deze mededeling aan de effecteninstelling bekend.
4. Indien Onze Minister van oordeel is dat de effecteninstelling,
gelet op de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor
voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan
de regels, bedoeld in artikel 11, eerste lid, of indien de
effecteninstelling is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de
richtlijn beleggingsdiensten, laat hij de in het derde lid bedoelde
mededeling achterwege. Onze Minister maakt dit besluit binnen drie
maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de
effecteninstelling bekend.
5. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in
het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het
voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van
het bijkantoor te staken, stelt de effecteninstelling Onze Minister en
de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede
lid, onder a, daarvan ten minste een maand voor de wijziging
ingaat onderscheidenlijk het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in
kennis.
6. Indien zich een wijziging voordoet van de in het derde lid
bedoelde gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling,
stelt de effecteninstelling Onze Minister daarvan, ten minste een maand
voor de wijziging ingaat, schriftelijk in kennis. Onze Minister stelt de
toezichthoudende autoriteiten van de lid-staat waar het bijkantoor is
gevestigd in kennis van de voorgenomen wijziging.
7. Indien Onze Minister van oordeel is dat de effecteninstelling,
gelet op de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor
verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan hij de effecteninstelling een
aanwijzing geven om binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien
van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
8. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing
bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de effecteninstelling
heeft ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de
door hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, trekt hij de mededeling,
bedoeld in het derde lid, in. Onze Minister maakt deze intrekking aan de
effecteninstelling bekend.
9. Zodra de mededeling, bedoeld in het derde lid, is ingetrokken,
is het de effecteninstelling verboden nog langer werkzaamheden te
verrichten door middel van het bijkantoor en wikkelt zij binnen een door
Onze Minister te stellen termijn alle lopende overeenkomsten af die door
het bijkantoor zijn aangegaan voordat de intrekking aan de
effecteninstelling werd bekendgemaakt.
Artikel 14
1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een
vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend en die
voornemens is met betrekking tot een of meer van de in deel B van de
bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten het
beroep of bedrijf van effecteninstelling uit te oefenen, anders dan
door middel van een bijkantoor, in een andere lid-staat, dient daartoe
bij Onze Minister een aanvraag in. Het is de effecteninstelling
verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de bekendmaking,
bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave
van:
a. de lid-staat waarin de effecteninstelling voornemens is de
werkzaamheden te verrichten; en
b. de werkzaamheden die de effecteninstelling voornemens is te
verrichten.
3. Onze Minister doet binnen een maand na ontvangst van de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit
van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, mededeling
van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b, tenzij de
effecteninstelling is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de
richtlijn beleggingsdiensten. Onze Minister maakt deze mededeling aan de
effecteninstelling bekend.
4. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in
het tweede lid, onder b, of indien het voornemen bestaat om het
verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, te staken,
stelt de effecteninstelling Onze Minister en de toezichthoudende
autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a,
daarvan ten minste een maand voor de wijziging ingaat onderscheidenlijk
het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
Artikel 15
1. Indien Onze Minister door de toezichthoudende autoriteit van
een andere lid-staat ervan in kennis is gesteld dat een in Nederland
gevestigde effecteninstelling de in die andere lid-staat op de
effecteninstelling van toepassing zijnde regels betreffende het
toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt hij daarop de aandacht
van die effecteninstelling.
2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om
binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te
geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing
bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de effecteninstelling
heeft ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de
door hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, trekt Onze Minister de
mededeling, bedoeld in artikel 13, derde lid, of artikel 14, derde lid,
in. Onze Minister maakt deze intrekking aan de effecteninstelling
bekend.
Artikel 15a
1. Een effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in
artikel 7 is verleend en die voornemens is als effectenbemiddelaar of
vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten door middel
van een bijkantoor in een staat, die niet een lid-staat is, geeft,
alvorens daartoe over te gaan, Onze Minister van haar voornemen
schriftelijk kennis. Het is de effecteninstelling verboden om aan haar
voornemen gevolg te geven zolang Onze Minister daarmee niet
uitdrukkelijk heeft ingestemd.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder
opgave van:
a. de staat waarin de effecteninstelling voornemens is het
bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve
organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de
interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het
bijkantoor zullen bepalen.
3. De effecteninstelling doet de in het tweede lid bedoelde
gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover Onze Minister zulks
verlangt.
4. Indien er naar het oordeel van Onze Minister aanwijzingen
bestaan dat de effecteninstelling, gezien de werkzaamheden die zij
vanuit het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet zal kunnen
voldoen aan de bij of krachtens de artikel 11 gestelde regels, geeft
Onze Minister geen toestemming voor de opening van het bijkantoor.
5. Onze Minister beslist binnen 6 weken na ontvangst van de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, op het verzoek tot instemming.
Artikel 15b
1. Een effecteninstelling meldt een wijziging van de gegevens,
bedoeld in artikel 15a, tweede lid, onderdelen b tot en met e, ten
minste een maand tevoren schriftelijk aan Onze Minister.
2. De effecteninstelling doet de in het eerste lid bedoelde
gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover Onze Minister zulks
verlangt.
3. Indien de effecteninstelling voldoet aan de bij of krachtens
artikel 11 gestelde regels en Onze Minister geen bedenkingen heeft tegen
de wijziging maakt hij dit aan de effecteninstelling bekend.
4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de effecteninstelling Onze Minister
daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de
effecteninstelling haar voornemen uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan
Onze Minister.
§ 3. Gekwalificeerde deelnemingen in effecteninstellingen
Artikel 16
1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen
bezwaar, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te
vergroten in een effecteninstelling waaraan een vergunning is verleend
op grond van artikel 7, vierde of zesde lid, dan wel enige zeggenschap
verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een
instelling als hiervoor bedoeld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een handeling als
bedoeld in het eerste lid waarvoor ingevolge de Wet toezicht
kredietwezen 1992 een verklaring van geen bezwaar is verleend en op een
handeling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b of c, van
die wet waarvoor op grond van die onderdelen geen verklaring van geen
bezwaar is vereist.
3. Onze Minister verleent, op verzoek, een verklaring van geen
bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij hij van
oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een
invloed op de betrokken effecteninstelling die in strijd is met een
gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.
4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
5. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend, kan de
aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van de
gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100
procent kan gelden. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt
verleend voor een deelneming in een effecteninstelling, kan op verzoek
van de aanvrager, worden bepaald dat de verleende verklaring van geen
bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.
6. Van het verlenen van een verklaring van geen bezwaar als
bedoeld in het eerste lid wordt door Onze Minister aan de betrokken
effecteninstelling mededeling gedaan.
7. Aan een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond
van het derde lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring
van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een
invloed op de betrokken effecteninstelling die in strijd is met een
gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.
8. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een
gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het
eerste lid is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van
geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen
in acht zijn genomen dan wel dat met betrekking tot die handeling de
vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, van toepassing is, maakt de in
overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen een door
Onze Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan
onderscheidenlijk neemt hij de beperkingen alsnog in acht. Deze
verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de
desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt
verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
9. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het
eerste lid is geschied zonder dat voor die handeling een verklaring van
geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen
in acht zijn genomen dan wel dat met betrekking tot die handeling de
vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, van toepassing is, is een mede
door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit
vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze
Minister. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen
welker rechtsgebied de effecteninstelling is gevestigd, vernietigd
indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn
uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen,
tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen
bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen
worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van
de vernietiging.
10. Ingeval voorschriften die zijn verbonden aan de verklaring
van geen bezwaar die is verleend op grond van het derde lid, niet worden
nagekomen, kan Onze Minister een termijn vaststellen waarbinnen de in
overtreding zijnde houder de niet nagekomen voorschriften alsnog moet
vervullen.
11. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt Onze
Minister vooraf in kennis van een zodanige wijziging van diens
gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling waardoor de omvang
van deze deelneming:
a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan
wel waardoor de effecteninstelling een dochtermaatschappij wordt; of
b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt, dan wel
waardoor de effecteninstelling ophoudt een dochtermaatschappij te
zijn.
12. Een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid stelt,
voor zover haar bekend, Onze Minister in de maand juli van elk jaar in
kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon
die een gekwalificeerde deelneming in deze instelling houdt. Tevens
stelt de effecteninstelling, zodra zulks haar bekend wordt, Onze
Minister in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een
gekwalificeerde deelneming in deze instelling waardoor de omvang van
deze deelneming:
a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan
wel waardoor de effecteninstelling een dochtermaatschappij wordt; of
b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel
waardoor de effecteninstelling ophoudt een dochtermaatschappij te
zijn.
13. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring
van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de
afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.
Artikel 17
1. De houder van een verklaring van geen bezwaar die is
verleend op grond van artikel 16, derde lid, waarvan tenminste één
dochtermaatschappij een effecteninstelling is waaraan een vergunning
is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, houdt zich aan bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels om te
voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is
verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de
betrokken effecteninstelling die in strijd is met een gezonde,
prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.
2. De regels, die voor onderscheiden groepen houders verschillend
kunnen zijn, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële
waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op de
vorm waarin die gegevens en inlichtingen dienen te worden verstrekt.
Artikel 16, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister verleent, op verzoek, ontheffing van de regels
indien de houder van de verklaring van geen bezwaar aantoont dat daaraan
redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die
deze regels beogen te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt.
Artikel 18
1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 16,
eerste lid.
2. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden met het oog op een gezonde, prudente of
integere bedrijfsvoering van de betrokken effecteninstelling.
Hoofdstuk III A. Financiële instellingen, niet zijnde
vergunningplichtige effecteninstellingen
Artikel 18a
1. Een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
a, f, k of l, of een kredietinstelling of financiële instelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,
onderscheidenlijk onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
h, houdt zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen effectentypische gedragsregels. Deze regels hebben in elk
geval betrekking op het omgaan met koersgevoelige informatie, privé
beleggingstransacties van bestuurders en personeelsleden, het
tegengaan van marktmanipulatie, het voorkomen van
belangenverstrengeling, voor zover dit te maken heeft met
effectentransacties, en het vastleggen van relevante gedragscodes en
andere voorzieningen die met het oog op het bovenstaande zijn
getroffen, in de administratieve organisatie en interne controle.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor de
onderscheiden groepen instellingen verschillend zijn.
Artikel 18b
1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing
verlenen van artikel 18a, eerste lid.
2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
Hoofdstuk IV. Intrekkingsbepalingen
Artikel 19
1. Onze Minister kan een op grond van de artikelen 4 en 5
verleende ontheffing en een vergunning als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, slechts intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de ontheffing of vergunning zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op
grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de ontheffing of
vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren
geweest, de ontheffing of de vergunning zou zijn geweigerd;
d. indien de houder:
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening van de
vergunning daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de
vergunning te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop de vergunning
betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden
heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft effecteninstelling te zijn;
e. indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet
gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften;
f. indien de houder niet of niet genoegzaam uitvoering heeft
gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging door Onze Minister op
grond van deze wet gegeven.
2. Indien Onze Minister vaststelt dat een kredietinstelling of
financiële instelling als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, niet
voldoet aan de in het tweede en derde lid van dat artikel bedoelde
verplichting, kan Onze Minister bepalen dat artikel 7, tweede lid, onder
h, niet van toepassing is ten aanzien van die instelling.
3. Degene wiens ontheffing of vergunning is ingetrokken, wikkelt
binnen een door Onze Minister te stellen termijn alle lopende
overeenkomsten af die door deze zijn aangegaan voordat de intrekking aan
hem werd bekendgemaakt. Onze Minister kan deze termijn verlengen. Hij
kan een ander met de afwikkeling belasten, die aan hem verantwoording
schuldig is.
Artikel 20
Onze Minister kan een op grond van artikel 16 verleende verklaring
van geen bezwaar slechts wijzigen of intrekken dan wel daaraan nadere
beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op
grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van
geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren
geweest, de verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd;
d. indien de houder niet meer als een houder van de
gekwalificeerde deelneming kan worden aangemerkt;
e. indien de houder niet alsnog binnen de termijn, bedoeld in
artikel 16, achtste lid, eerste volzin, alle bij de verklaring van
geen bezwaar gestelde beperkingen in acht neemt;
f. indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze
wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften.
Hoofdstuk V. Register
Artikel 20a
1. Onze Minister houdt een register bij waarin zijn opgenomen
de prospectussen die zijn goedgekeurd op grond van artikel 3, eerste
of derde lid.
2. Onze Minister houdt de gegevens in het register voor een ieder
kosteloos ter inzage.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten
aanzien van de inrichting en de werking van het register en de wijze
waarop wijzigingen in het register worden aangebracht.
Artikel 21
1. Onze Minister houdt een register waarin zijn opgenomen de
effecteninstellingen die ingevolge een vergunning of ingevolge artikel
7, tweede lid, aanhef en onder h, i of j, als effectenbemiddelaar of
vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten alsmede
de aan de desbetreffende vergunning of vrijstelling gestelde
beperkingen of verbonden voorschriften. In het register zijn tevens
opgenomen de effecteninstellingen die ingevolge een vrijstelling als
effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden
of verrichten alsmede de aan de desbetreffende vrijstelling gestelde
beperkingen of verbonden voorschriften, indien zij ingevolge een
voorschrift dat aan die vrijstelling is verbonden Onze Minister in
kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende
effectendiensten aan te bieden of te verrichten (2e nota van
wijziging).
2. De inschrijving van een effecteninstelling waarvan de
vergunning is ingetrokken dan wel waarop niet langer een vrijstelling
van toepassing is, wordt doorgehaald.
3. In de maand januari van elk jaar wordt door de zorg van Onze
Minister een lijst van de ingeschreven effecteninstellingen naar de
stand van 31 december van het voorgaande jaar in de Staatscourant
geplaatst.
4. Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een
ieder kosteloos ter inzage.
5. De registerinschrijving van een effecteninstelling als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, wordt geweigerd dan wel doorgehaald
indien de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen
die het beleid van de effecteninstelling bepalen of mede bepalen, dan
wel van de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn deze
personen te benoemen of te ontslaan, Onze Minister aanleiding geven tot
het oordeel dat, met het oog op de belangen van de beleggers, de
betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat.
6. Het is een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid,
tweede volzin, die niet in het register is ingeschreven, verboden om als
effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te
verrichten.
Hoofdstuk VI. Effectenbeurzen
Artikel 22
1. Het houden van een effectenbeurs is niet toegestaan dan na
verkregen erkenning van Onze Minister.
2. De erkenning wordt verleend indien de houder van de
effectenbeurs aantoont dat hij in Nederland is gevestigd en het houden
van de effectenbeurs, de voor die effectenbeurs te hanteren regels, hun
toepassing en de controle op de naleving van die regels zullen voldoen
aan hetgeen nodig is met het oog op een adequate functionering van de
effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten. Met het
oog op de verlening van de erkenning toetst Onze Minister ten minste de
deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid van de houder
bepalen, de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de houder
bepalen of mede bepalen, de financiële waarborgen, het
afwikkelingssysteem, en de toepassing van de voor de effectenbeurs
geldende regels op de instellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, op
effecteninstellingen die zullen worden toegelaten tot deze beurs en op
dochterondernemingen.
3. Aan een erkenning kunnen beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering
van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een gereglementeerde
markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn
beleggingsdiensten waarvan de houder in een andere lid-staat is
gevestigd.
5. Aan de vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is het
voorschrift verbonden dat degene voor wie de vrijstelling geldt zich
houdt aan door Onze Minister te stellen regels met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
Artikel 23
Van iedere wijziging in de regels, bedoeld in artikel 22, tweede lid,
of in de controle op de naleving daarvan stelt de houder van de op grond
van artikel 22 erkende effectenbeurs Onze Minister vooraf in kennis.
Artikel 24
1. De houder van een op grond van artikel 22 erkende
effectenbeurs draagt er zorg voor dat de voor de effectenbeurs
geldende regels kunnen worden toegepast op de instellingen, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, en op de effecteninstellingen die zijn
toegelaten tot deze beurs.
2. Onze Minister kan met het oog op een adequate functionering
van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten aan
de houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs:
a. voorschriften geven met betrekking tot de voor die effectenbeurs
te hanteren regels, hun toepassing of de controle op de naleving van
die regels;
b. een aanwijzing geven met betrekking tot een door deze jegens een
effecteninstelling die zich naar het oordeel van Onze Minister niet
houdt aan de regels bedoeld in artikel 22, tweede lid, te volgen
gedragslijn.
3. De houder van de effectenbeurs volgt de in het tweede lid
bedoelde voorschriften en aanwijzing op binnen een door Onze Minister te
bepalen termijn.
Artikel 25
1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing
verlenen van artikel 22, eerste lid.
2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een
adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de
beleggers op die markten.
Artikel 26
Onze Minister kan een erkenning als bedoeld in artikel 22 of een
ontheffing als bedoeld in artikel 25 intrekken indien voor het houden
van de desbetreffende effectenbeurs onvoldoende waarborgen worden
geboden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten
of de positie van de beleggers op die markten of indien de effectenbeurs
niet of niet genoegzaam de bij of krachtens deze wet gestelde regels of
gegeven voorschriften naleeft, gestelde beperkingen in acht neemt of
gegeven aanwijzingen opvolgt.
Artikel 26A
1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen
bezwaar, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te
vergroten in een houder van een effectenbeurs aan wie op grond van
artikel 22 een erkenning is verleend, waarbij in afwijking van artikel
1, onder f, een percentage geldt van meer dan 10 procent, dan wel
enige zeggenschap verbonden aan deze gekwalificeerde deelneming uit te
oefenen in een houder van een effectenbeurs als hiervoor bedoeld.
2. Onze Minister verleent, op verzoek, een verklaring van geen
bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij
a. hij van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen
leiden tot een invloed op de betrokken houder van een effectenbeurs
die in strijd is met hetgeen nodig is met het oog op een adequate
functionering van die effectenbeurs of de positie van de beleggers op
die effectenbeurs;
b. hij van oordeel is dat de handeling ertoe zou leiden of zou
kunnen leiden dat de betrokken houder behoort of zou gaan behoren tot
een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in
zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen
voor het adequaat uitoefenen van de controle op de naleving van de
voor de effectenbeurs geldende regels.
3. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
4. Van het verlenen van een verklaring van geen bezwaar wordt
door Onze Minister aan de betrokken houder van de effectenbeurs
mededeling gedaan.
5. Aan een verklaring van geen bezwaar kunnen, op grond van de in
het tweede lid genoemde overwegingen, beperkingen worden gesteld en
voorschriften worden verbonden.
6. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een
gekwalificeerde deelneming is verricht zonder dat voor die handeling een
verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring
gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde
natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze
Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan
wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op
het tijdstip waarop en voorzover voor de desbetreffende handeling alsnog
een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht
genomen beperkingen worden ingetrokken.
7. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming is geschied zonder dat voor die handeling een
verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring
gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de
uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het
besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze Minister. Het
besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied
de effectenbeurs is gevestigd, vernietigd indien het besluit zonder dat
de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben
geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de
uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel
de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank
regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.
8. Ingeval voorschriften die zijn verbonden aan de verklaring van
geen bezwaar niet worden nagekomen, kan Onze Minister een termijn
vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde houder van de verklaring
van geen bezwaar de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.
9. Onze Minister kan een op grond van het tweede lid verleende
verklaring van geen bezwaar slechts wijzigen of intrekken dan wel
daaraan nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden:
a. op verzoek van de houder van de verklaring van geen bezwaar;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op
grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen
bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest,
de verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel daaraan
nadere beperkingen zouden zijn gesteld of nadere voorschriften zouden
zijn verbonden;
d. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet meer
als een houder van de gekwalificeerde deelneming kan worden
aangemerkt;
e. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet alsnog
binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, alle bij
de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht neemt;
f. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet meer
voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen
of gegeven voorschriften.
Hoofdstuk VII. Bijzondere bepalingen
Artikel 27
1. De houder van een op grond van artikel 22 erkende
effectenbeurs houdt de voor die effectenbeurs geldende regels in
overeenstemming met richtlijnen inzake het effectenverkeer van de Raad
van de Europese Unie dan wel van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie gezamenlijk.
2. Onze Minister kan aan de houder van een op grond van artikel
22 erkende effectenbeurs voorschriften geven ter uitvoering van de in
het eerste lid bedoelde richtlijnen.
3. De houder van de effectenbeurs, bedoeld in het tweede lid,
volgt de in het tweede lid bedoelde voorschriften op binnen een door
Onze Minister te bepalen termijn.
4. Iedere wijziging in de regels, bedoeld in het eerste lid,
wordt vooraf aan Onze Minister voorgelegd teneinde na te gaan of aan de
in het eerste lid bedoelde richtlijnen wordt voldaan onderscheidenlijk
of door die wijziging strijd met die richtlijnen zou ontstaan.
Artikel 28
1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling waarvan
effecten zijn aangeboden of zullen worden aangeboden, degene die deze
effecten aanbiedt, een bieder, bestuurder, commissaris of functionaris
als bedoeld in artikel 6a, derde lid, een effecteninstelling, niet
zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, i
of j, of een instelling als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, de bij
of krachtens de artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, 5 eerste lid,
tweede volzin, aanhef en onderdelen b en c, en derde lid, 6a, tweede
en derde lid, 6b, 11, eerste lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid,
onderscheidenlijk de in hoofdstuk XII gestelde regels niet naleeft,
vestigt hij daarop de aandacht van de betrokkene.
2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om ten
aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te
volgen met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten
of de positie van de beleggers op die markten.
3. Degene tot wie de in het tweede lid bedoelde aanwijzing is
gericht volgt deze aanwijzing op binnen een door Onze Minister te
bepalen termijn.
4. Indien de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, is gegeven
aan een effecteninstelling niet zijnde een instelling als bedoeld in
artikel 18a, eerste lid, en Onze Minister niet binnen de termijn,
bedoeld in het derde lid, een bevredigend antwoord van die instelling
heeft ontvangen, of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan
zijn aanwijzing gevolg is gegeven, kan Onze Minister, indien hij dit met
het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de
positie van de beleggers op die markten noodzakelijk acht:
a. de instelling schriftelijk aanzeggen, dat vanaf een bepaald
tijdstip alle of bepaalde organen van de instelling hun bevoegdheden
slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze
Minister aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van
deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de instelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal
overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid,
bij welke publicatie, wanneer de instelling dit verlangt, tevens de
correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de
aanwijzing tussen Onze Minister en de instelling is gevoerd.
5. Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van de
instelling, bedoeld in het vierde lid, onverwijld maatregelen
noodzakelijk zijn, kan hij zonder toepassing van de eerste twee leden
onmiddellijk uitvoering geven aan onderdeel a van het vierde lid, nadat
hij de instelling in de gelegenheid heeft gesteld haar mening over de
onmiddellijke uitvoering te geven.
6. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het vierde
lid, onder a, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de instelling zijn verplicht de door Onze
Minister aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
b. Onze Minister kan de betrokken organen van de instelling
toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;
c. de door Onze Minister aangewezen personen oefenen hun
bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging,
bedoeld in het vierde lid, onder a, behoudens de bevoegdheid van Onze
Minister om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;
d. Onze Minister kan te allen tijde de door hem aangewezen personen
door andere vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in
strijd met een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, zijn
degenen, die deel uit maken van het orgaan van de instelling dat deze
handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de
instelling; de instelling kan de ongeldigheid van deze handelingen
inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring
ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet onkundig kon zijn;
f. zodra Onze Minister van oordeel is dat de naleving van de
regels, bedoeld in het eerste lid, voldoende is gewaarborgd, beslist
hij dat de betrokken organen van de instelling hun bevoegdheden weer
onbeperkt kunnen uitoefenen.
7. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in
het vierde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het
onherroepelijk is geworden. Indien de instelling na de publicatie alsnog
voldoet aan de aanwijzing dan wel indien Onze Minister de aanwijzing
intrekt, zal Onze Minister hiervan op dezelfde wijze als bij de
voorafgaande publicatie kennis geven.
Artikel 28a
1. Onze Minister pleegt overleg met representatieve
organisaties van in Nederland gevestigde effecteninstellingen over de
invoering van één of meer regelingen omtrent een garantie voor nader
te bepalen vorderingen van beleggers in verband met
beleggingsverrichtingen, tot een nader te bepalen maximum, op in
Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, alsmede op
kredietinstellingen en financiële instellingen waaraan het ingevolge
artikel 6 onderscheidenlijk artikel 45 van de Wet toezicht
kredietwezen 1992 is toegestaan diensten ter zake van
effectenbemiddeling of vermogensbeheer aan te bieden of te verrichten,
tegen het risico dat een zodanige instelling haar verplichtingen met
betrekking tot die vorderingen niet nakomt.
2. Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
overeenstemming tussen Onze Minister en de betrokken representatieve
organisaties, kan bij koninklijk besluit worden bepaald dat de
instellingen, bedoeld in het eerste lid, verplicht zijn aan de
uitvoering van een samenstel van regelingen mee te werken.
3. Onze Minister kan besluiten dat een effecteninstelling die
niet in een Lid-Staat is gevestigd en waaraan een vergunning als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, is verleend onderscheidenlijk een
kredietinstelling of een financiële instelling, waaraan het ingevolge
artikel 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan in
Nederland diensten ter zake van effectenbemiddeling of vermogensbeheer
aan te bieden of te verrichten, verplicht is aan de uitvoering van een
van de op hem toepasselijke regelingen, bedoeld in het eerste lid, mee
te werken indien Onze Minister van oordeel is dat op vorderingen in
verband met beleggingsverrichtingen op die onderneming of instelling
geen beleggerscompensatieregeling van toepassing is waarvan de dekking
gelijkwaardig is aan de dekking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van
richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG
L 84).
4. Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, niet binnen een
door Onze Minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming dan wel
indien de regeling of het samenstel van regelingen waaromtrent
overeenstemming is bereikt, niet de instemming heeft van Onze Minister,
kan bij koninklijk besluit een regeling als bedoeld in het eerste lid
worden ingevoerd, nadat de in het eerste lid bedoelde organisaties van
effecteninstellingen alsmede, indien van toepassing, de rechtspersoon,
waaraan ingevolge artikel 40 de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid
is overgedragen, in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de
inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.
5. Na inwerkingtreding van een koninklijk besluit als bedoeld in
het vierde lid wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht
weken, een voorstel van wet tot goedkeuring van het koninklijk besluit
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel
wordt ingetrokken of indien één van de Kamers der Staten-Generaal tot
het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt zo spoedig mogelijk
bij koninklijk besluit een nieuwe regeling als bedoeld in het eerste lid
ingevoerd. Het vierde lid en de eerste twee volzinnen van dit lid zijn
op het in de vorige volzin bedoelde koninklijk besluit van
overeenkomstige toepassing.
6. Het eerste, tweede, vierde en vijfde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op wijziging of intrekking van een met
inachtneming van die leden tot stand gekomen regeling.
Artikel 28b
Indien een accountant naar het oordeel van Onze Minister niet of niet
meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met
betrekking tot de effecteninstelling naar behoren zal vervullen, kan
Onze Minister bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet en daaruit
voortvloeiende besluiten bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid
met betrekking tot die effecteninstelling af te leggen.
Artikel 28c
1. Indien tot de personen, die rechtstreeks of middellijk
bevoegd zijn de personen te benoemen of te ontslaan die het beleid van
de effecteninstelling bepalen of medebepalen, iemand behoort, die niet
voldoet aan de op grond van artikel 11, tweede lid, gestelde regels
met betrekking tot zijn betrouwbaarheid, kan Onze Minister die
personen, voor zover zij niet behoren tot de instelling, de aanwijzing
geven dat degene, wiens betrouwbaarheid niet aan deze regels voldoet,
deze bevoegdheid niet meer mag uitoefenen.
2. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze
binnen een door Onze Minister te stellen termijn op.
3. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren Onze
Minister binnen de gestelde termijn over de maatregelen die zijn
getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.
4. De effecteninstelling geeft geen gevolg aan algemene of
bijzondere instructies van degene, op wie een aanwijzing als bedoeld in
het eerste lid betrekking heeft.
Hoofdstuk VIII. Controle, uitvoering en samenwerking
Artikel 29
1. Onze Minister kan bij:
a. instellingen waarvan effecten zijn aangeboden of zullen worden
aangeboden en bij degene die deze effecten aanbiedt;
b. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, eerste
lid;
c. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 5, tweede
lid;
d. effecteninstellingen;
e. aanvragers van een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste
lid;
f. de bewaarder van zakelijke gegevens en bescheiden van een
organisatie waarvan de leden toegang hadden tot een effectenbeurs
waarvan de houder een erkenning had als bedoeld in artikel 22;
g. degenen die deel uitmaken van een groep waartoe een
effecteninstelling behoort;
h. houders van een gekwalificeerde deelneming;
i. aanvragers van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 16, eerste lid;
j. degenen op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 18 van
toepassing is;
k. instellingen als bedoeld in artikel 18a, eerste lid;
l. houders van een effectenbeurs;
m. aanvragers van een erkenning als bedoeld in artikel 22;
n. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste
lid;
o. bieders;
p. iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan
redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de
bij of krachtens deze wet gestelde regels,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig
zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die hij op grond
van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze
wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen
termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast
met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken
en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16,
5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in
artikel 36, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek
wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat,
slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
Artikel 29a
Onze Minister is bevoegd de personen die het dagelijks beleid van de
effecteninstelling bepalen of medebepalen en de personen, bedoeld in
artikel 11, tweede lid, op te roepen. Deze personen zijn verplicht op
die oproeping te verschijnen. De oproeping geschiedt op een door Onze
Minister te bepalen wijze. De personen zijn verplicht alle gevraagde
inlichtingen te verschaffen.
Artikel 30
Indien een effecteninstelling die is toegelaten tot een op grond van
artikel 22 erkende effectenbeurs, ingevolge de op grond van dat artikel
te hanteren regels verplicht is ter medewerking aan de controle op de
nakoming van die regels persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens te verstrekken, behoeft de
effecteninstelling voor deze verstrekking niet de toestemming van degene
op wie de persoonsgegevens betrekking hebben.
Artikel 31
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen
zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van
een instantie als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, of 33a,
eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, of 33a,
eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het
onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene
op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid
van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van
artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge
deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of
inlichtingen omtrent een effecteninstelling die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is
ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing in geval van gegevens
of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen
die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende
effecteninstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan Onze Minister
met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen
doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
ondernemingen of instellingen.
6. In afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid kan Onze
Minister gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem
ingevolge deze wet opgedragen taak verstrekken aan de houder van een op
grond van artikel 22 erkende effectenbeurs met het oog op de controle op
de naleving van de voor die effectenbeurs te hanteren regels. Op de
aldus verstrekte gegevens of inlichtingen zijn het eerste en tweede lid
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32 [Vervallen per 01-12-2003]
Artikel 33
1. Onze Minister kan, in
afwijking van artikel 31, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen
verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen
taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn,
tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister
deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in
het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of
inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de
verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval
heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de
gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid
heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat
verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de
aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het verstrekken van gegevens aan buitenlandse
overheidsinstanties of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties in het kader van het aanbieden van effecten en het algemeen
verkrijgbaarstellen van een prospectus.
Artikel 33a
1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 31, eerste en
tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een
rechter-commissaris voor zover die belast is met het toezicht uit
hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de curator die
betrokken is bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel
van een effecteninstelling.
2. Onze Minister verstrekt geen gegevens of inlichtingen als
bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die
deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de
gegevens of inlichtingen.
3. Artikel 31, eerste tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste
lid verstrekte gegevens.
Artikel 33b
1. Onze Minister werkt samen met de autoriteiten die ingevolge
de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht kredietwezen
1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,
belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen,
kredietinstellingen, natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk
verzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte
regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriële regeling aan te
wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge deze wet als het
toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten betreffen.
2. Onze Minister voert het toezicht ingevolge deze wet, voor
zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid,
uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid
bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten
bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en
beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. Indien
ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond
van deze wet heeft zijn overgedragen aan een rechtspersoon, draagt deze
rechtspersoon er zorg voor dat hij of een van de overige in het eerste
lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten
zendt aan Onze Minister.
3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt Onze
Minister in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt
gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering
is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 33c
1. Onze Minister werkt samen met de autoriteiten die ingevolge
de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht kredietwezen
1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Pensioen-
en spaarfondsenwet onderscheidenlijk de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993, belast zijn met het toezicht op
beleggingsinstellingen, kredietinstellingen,
natura-uitvaartverzekeraars, pensioen- en spaarfondsen
onderscheidenlijk verzekeraars, met het oog op coördinatie en
afstemming van regelgeving en beleid ter uitvoering van de artikelen
18a en 18b.
2. Onze Minister voert het toezicht ingevolge de artikelen 18a en
18b uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid
bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten
bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving,
beleid en de uitvoering van toezicht.
Artikel 34
1. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge
artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt, voor zover
noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op
effecteninstellingen die deel uitmaken van een groep, samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht
beleggingsinstellingen belast zijn met het toezicht op
kredietinstellingen, verzekeraars onderscheidenlijk
beleggingsinstellingen die tot diezelfde groep behoren.
2. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge
artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen pleegt in de
gevallen, bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge
artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt in de gevallen,
bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer
daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te
komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over
het stellen van gemeenschappelijke regels, het coördineren van
werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het
uitwisselen van gegevens en inlichtingen.
4. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge
artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, verstrekt aan een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid dan wel een autoriteit die is
belast met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of
de Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die hij
verkregen heeft bij de vervulling van de hem bij of krachtens deze wet
opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid en
betrouwbaarheid van personen als bedoeld in de algemene maatregel van
bestuur ter uitvoering van artikel 7, vierde lid, onder a, voor zover
Onze Minister dan wel de rechtspersoon van oordeel is dat deze gegevens
of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht
dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt niet in het
geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse
instantie als bedoeld in artikel 33, eerste lid.
Artikel 35
Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40
taken en bevoegdheden zijn overgedragen, werkt bij de uitoefening van
het toezicht samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de
andere lid-staten. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan
ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, pleegt
daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze autoriteiten.
Artikel 36
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die
op die markten werkzaam zijn, kan Onze Minister ten behoeve van een
instantie die werkzaam is in een staat die met Nederland partij is bij
een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die staat belast is
met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het
effectenverkeer, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of
doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn
toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang
kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als
hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen
binnen een door Onze Minister te stellen termijn.
Artikel 37
1. Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
deelneemt aan de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 36, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het onderzoek
is belast.
Artikel 38
1. Ingeval een onderneming, instelling of bieder als bedoeld in
artikel 29, eerste lid, in een andere lid-staat is gevestigd, kan Onze
Minister ten behoeve van het toezicht:
a. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat verzoeken
zich ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte
inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daartoe van de toezichthoudende autoriteit van de
andere lid-staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de
juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen overtuigen
of doen overtuigen.
2. Ingeval een in Nederland gevestigde effecteninstelling een
bijkantoor in een andere lid-staat heeft gevestigd, kan Onze Minister
ten behoeve van het toezicht:
a. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat verzoeken
zich ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte
inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de
andere lid-staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de
juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen overtuigen
of doen overtuigen.
Artikel 39
1. Ingeval in overeenstemming met de richtlijn
kapitaaltoereikendheid ten behoeve van het toezicht op
effecteninstellingen in een andere lid-staat door dan wel omtrent een
in Nederland gevestigde onderneming of instelling inlichtingen aan de
toezichthoudende autoriteit van die lid-staat zijn verstrekt, zal Onze
Minister, na daartoe door de toezichthoudende autoriteit van de
desbetreffende lid-staat te zijn verzocht:
a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende
autoriteit van de andere lid-staat verstrekte inlichtingen overtuigen;
dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat toestaan
zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte
inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.
2. In geval van een bijkantoor in Nederland van een in een andere
lid-staat gevestigde effecteninstelling zal ten behoeve van het toezicht
in de andere lid-staat:
a. Onze Minister zich, op verzoek van de toezichthoudende
autoriteit van de andere lid-staat, ter plaatse van de juistheid van
de aan die toezichthouder verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat zich, na
daaromtrent Onze Minister in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van
de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen kunnen overtuigen
of doen overtuigen.
3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt
geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de
in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en
diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede
uitvoering van die verificatie. Onze Minister kan aan die verificatie
deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere
machtiging aangewezen, doen deelnemen.
Hoofdstuk IX. Overdracht van toezicht
Artikel 40
1. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze
wet heeft, kunnen, met uitzondering van de taken en bevoegdheden,
bedoeld in de artikelen 8, 10, 18, 22, 25, 26, 26a, 27, 28a, vierde
lid, 41, 42, 45, 46b, derde lid, onder c, en vijfde lid, 46d, 48a,
48b, derde lid, 48c, derde lid, en 48m, tweede lid, en met
uitzondering van het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in de
artikelen 4, 5 , 6c en 18b, bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze Minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of
rechtspersonen.
2. Een overdracht als bedoeld in het eerste lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden
zoveel mogelijk is gewaarborgd;
c. de statuten van de rechtspersoon dienen te bepalen dat de
benoeming, de schorsing en het ontslag van de bestuurders van de
rechtspersoon geschiedt door Onze Minister.
3. Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in het
eerste lid voorschriften geven ter uitvoering van richtlijnen inzake het
effectenverkeer van de Raad van de Europese Unie dan wel van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.
5. De rechtspersoon of rechtspersonen brengt onderscheidenlijk
brengen eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei, verslag uit aan Onze
Minister over de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden
in het voorgaande kalenderjaar. Dit verslag wordt door de zorg van Onze
Minister openbaar gemaakt, met dien verstande dat gegevens met
betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet openbaar
worden gemaakt zonder hun schriftelijke toestemming.
6. Indien ingevolge het eerste lid taken en bevoegdheden zijn
overgedragen aan een of meer rechtspersonen, kan of kunnen deze worden
gehoord alvorens:
a. een erkenning als bedoeld in artikel 22 wordt verleend of
ingetrokken;
b. voorschriften als bedoeld in de artikelen 24, tweede lid, en 27,
tweede lid, worden gegeven;
c. een ontheffing als bedoeld in artikel 25 wordt verleend of
ingetrokken;
d. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 26a wordt
verleend, gewijzigd of ingetrokken;
e. een termijn als bedoeld in artikel 45, vierde lid, wordt
bepaald.
7. De rechtspersoon aan wie een advies als bedoeld in het zesde
lid wordt gevraagd, is verplicht dit advies uit te brengen.
8. De rechtspersoon of rechtspersonen verstrekt onderscheidenlijk
verstrekken Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn
voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke
voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking
hebben op het effectenverkeer.
Artikel 41
1. Het is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 40, eerste
lid, verboden zijn statuten te wijzigen zonder voorafgaande
toestemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van
de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister kan een toestemming als bedoeld in het eerste
lid weigeren indien de statuten na de wijziging onvoldoende zouden zijn
afgestemd op het bepaalde in artikel 40.
Artikel 42
Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40
taken en bevoegdheden zijn overgedragen, kan de kosten die worden
gemaakt voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die
bevoegdheden volgens door Onze Minister te stellen regels in rekening
brengen bij houders van effectenbeurzen, bij aanbieders van effecten,
bij de personen waarvan de namen zijn opgenomen in het register, bedoeld
in artikel 4, derde lid, bij instellingen als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, bij bieders, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld
in artikel 6a, vijfde lid, of artikel 6c, eerste lid, bij
effecteninstellingen, bij aanvragers van een vergunning als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, bij aanvragers van een erkenning als bedoeld in
artikel 22, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25,
eerste lid, bij aanvragers van een verklaring van geen bezwaar als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, bij houders van een verklaring van
geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 16, derde lid, alsmede
bij instellingen als bedoeld in artikel 18a, eerste lid.
Hoofdstuk X. Beroep
Artikel 43
Tegen een besluit van een houder van een op grond van artikel 22
erkende effectenbeurs omtrent de toelating van effecten tot, of het doen
vervallen van effecten uit de notering aan die effectenbeurs, staat voor
belanghebbenden administratief beroep open bij Onze Minister, tenzij dit
besluit strekt tot uitvoering van een aanwijzing als bedoeld in artikel
6.
Artikel 44
1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet
bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet
de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2. Op een besluit op grond van deze wet terzake van de regels,
gesteld bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 4 of hoofdstuk II A,
met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in artikel 48c, is artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen
besluiten terzake van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 3
tot en met 4 of Hoofdstuk IIA, met uitzondering van besluiten tot het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 48c, het
College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd.
Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen
Artikel 45
1. Onze Minister kan, mede ter uitvoering van besluiten die
zijn genomen ingevolge de bepalingen betreffende de betrekkingen met
derde landen in de richtlijn beleggingsdiensten, bepalen dat:
a. in afwijking van artikel 7, de behandeling van aanvragen voor
een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, die zijn
ingediend door dochtermaatschappijen van ondernemingen of instellingen
die niet in een lid-staat zijn gevestigd, voor een bepaalde termijn
wordt opgeschort, dan wel dat dergelijke aanvragen slechts tot een
door Onze Minister te bepalen aantal worden gehonoreerd;
b. in afwijking van artikel 16, de behandeling van aanvragen voor
een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16, derde lid,
die zijn ingediend door ondernemingen of instellingen die niet in een
lid-staat zijn gevestigd, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort,
met overeenkomstige opschorting van de termijn, bedoeld in artikel 16,
vierde lid, dan wel dat dergelijk aanvragen slechts tot een door Onze
Minister te bepalen aantal worden gehonoreerd; en
c. in afwijking van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i of j,
artikel 7, vierde lid, van toepassing is op effecteninstellingen die
zijn gevestigd in een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese
Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, die dochtermaatschappij zijn van ondernemingen of
instellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde
dochtermaatschappijen of gekwalificeerde deelnemingen tevens
dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen
zijn van een onderneming of instelling die in een lid-staat is gevestigd
en die een voor het als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder
aanbieden of verrichten van diensten benodigde vergunning heeft
verkregen.
3. Onze Minister kan bepalen dat, in afwijking van artikel 7,
vierde lid, vergunningen voor bijkantoren in Nederland van
effecteninstellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd niet dan
wel slechts onder het stellen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften worden verleend.
4. Indien een bijkantoor in Nederland van een effecteninstelling
die niet in een lid-staat is gevestigd en die een vergunning als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, heeft verkregen onder het stellen van
beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften als bedoeld in het
derde lid, een handeling verricht zonder dat alle bij de vergunning
gestelde beperkingen onderscheidenlijk alle aan de vergunning verbonden
voorschriften zijn nagekomen, maakt de effecteninstelling binnen een
door Onze Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan of
voldoet zij alsnog aan de niet nagekomen beperkingen onderscheidenlijk
vervult zij alsnog de niet nagekomen voorschriften.
Hoofdstuk XII. Marktmisbruik
§ 1. Algemeen
Artikel 45a
Voor de toepassing van dit hoofdstuk:
1°. wordt onder effecten mede verstaan: rente-, valuta- of
aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;
2°. wordt onder gereglementeerde markt verstaan: een markt als
bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten
of een effectenbeurs, niet zijnde een markt als hiervoor bedoeld,
waarvan de houder ingevolge artikel 22 een erkenning heeft
verkregen.
Artikel 45b
Indien een overheidsinstantie in een andere lid-staat dan wel een
instantie die in een andere lid-staat van overheidswege is aangewezen
als bevoegde autoriteit in de zin van richtlijn nr. 2003/6/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari
2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L
96) Onze Minister met het oog op het toezicht op de naleving van ter
uitvoering van die richtlijn gestelde regels verzoekt om gegevens of
inlichtingen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef, verstrekt
Onze Minister die gegevens of inlichtingen onverwijld, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past
in het kader van het in de aanhef bedoelde toezicht;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet, de nationale veiligheid of de
openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
worden verstrekt.
Artikel 45c
Overtreding van artikel 46, eerste, derde of negende lid, 46a, eerste
of tweede lid, of 46b, eerste lid, is een misdrijf.
Artikel 45d
Ten aanzien van strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 46,
eerste, derde en negende lid, 46a, eerste en tweede lid, 46b, eerste
lid, 47, eerste en vijfde lid en 47c, eerste lid, is de rechtbank van
Amsterdam in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd.
§ 2. Verbodsbepalingen
Artikel 46
1. Het is een ieder die behoort tot een in het tweede lid
genoemde categorie natuurlijke personen of rechtspersonen verboden om
gebruik te maken van voorwetenschap door een transactie te verrichten
of te bewerkstelligen:
a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in
effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde
markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of waarvoor toelating
tot die handel is aangevraagd;
b. in of vanuit Nederland in effecten die zijn toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in
een andere lid-staat of die zijn toegelaten tot de handel op een
effectenbeurs die is gevestigd en van overheidswege toegelaten in een
staat die geen lid-staat is, of in effecten waarvoor toelating tot die
handel is aangevraagd; of
c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in
effecten, niet zijnde effecten als bedoeld onder a of b, waarvan de
waarde mede wordt bepaald door de onder a of b bedoelde effecten.
2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap
beschikken vanwege het feit dat zij het dagelijks beleid bepalen of
mede bepalen, dan wel toezicht houden op het beleid en de algemene
gang van zaken van de rechtspersoon, vennootschap of instelling die
effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste lid, waarop de
voorwetenschap betrekking heeft;
b. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap
beschikken vanwege het feit dat zij beschikken over een
gekwalificeerde deelneming in de rechtspersoon, vennootschap of
instelling, die effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste
lid, waarop de voorwetenschap betrekking heeft;
c. natuurlijke personen of rechtspersonen die toegang hebben tot
informatie als bedoeld in het vierde of vijfde lid uit hoofde van de
uitoefening van werk, beroep of functie;
d. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap
beschikken uit hoofde van betrokkenheid bij strafbare feiten.
3. Het is een ieder die niet behoort tot een in het tweede lid
genoemde categorie en die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij
over voorwetenschap beschikt, verboden om gebruik te maken van die
voorwetenschap door:
a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een
transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld
in artikel 46, eerste lid, onder a;
b. in of vanuit Nederland een transactie te verrichten of te
bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder b; of
c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een
transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld
in artikel 46, eerste lid, onder c.
4. Voorwetenschap is bekendheid met informatie die concreet is en
die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op de rechtspersoon,
vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de
handel in deze effecten, welke informatie niet openbaar is gemaakt en
waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de
koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten.
5. Met betrekking tot effecten waarvan de waarde mede wordt
bepaald door de waarde van grondstoffen is voorwetenschap bekendheid met
niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of
middellijk betrekking heeft op een of meer van die effecten, van welke
informatie beleggers in die effecten bekendmaking mogen verwachten op
grond van marktpraktijken die gebruikelijk zijn op de gereglementeerde
markt waarop die effecten worden verhandeld. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen marktpraktijken als bedoeld in de vorige
volzin worden aangewezen.
6. Van informatie waarvan beleggers bekendmaking mogen verwachten
als bedoeld in het vijfde lid is sprake indien deze van dien aard is dat
deze:
a. routinematig beschikbaar wordt gesteld aan de beleggers in die
effecten;
b. openbaar moet worden gemaakt overeenkomstig de met betrekking
tot de desbetreffende gereglementeerde markt geldende wettelijke
voorschriften of volgens de op die gereglementeerde markt gehanteerde
marktregels, overeenkomsten of gangbare gewoonten.
7. De verboden, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn niet van
toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties in
effecten:
a. ter nakoming van een opeisbare verbintenis die reeds bestond op
het tijdstip waarop degene die de transactie verrichtte of
bewerkstelligde kennis kreeg van de informatie, bedoeld in het vierde
lid, met betrekking tot de rechtspersoon, vennootschap of instelling
waarop die effecten betrekking hebben;
b. in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het
beheer van de overheidsschuld;
c. in het kader van een terugkoopprogramma zoals omschreven in
hoofdstuk II van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van
Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s
en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L
336); en
d. in het kader van stabilisatie zoals omschreven in hoofdstuk III
van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de
stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336).
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën
transacties worden aangewezen waarop de in het eerste en derde lid
bedoelde verboden niet van toepassing zijn. Daarbij kan binnen een aan
te wijzen categorie onderscheid worden gemaakt naar de personen door wie
en de omstandigheden waaronder de transacties worden verricht of
bewerkstelligd.
9. Het is verboden om gebruik te maken van voorwetenschap door te
trachten een transactie te verrichten of te bewerkstelligen als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 46a
1. Het is een ieder die behoort tot een in het tweede lid van
artikel 46, onder a, b of d, bedoelde categorie alsmede een ieder die
beschikt over voorwetenschap en behoort tot de in het tweede lid,
onder c, bedoelde categorie verboden om in of vanuit een in artikel
46, eerste lid, onder a, b, of c bedoelde staat, voor zover het
effecten betreft als bedoeld in het desbetreffende onderdeel:
a. de informatie waarop zijn voorwetenschap betrekking heeft aan
een derde mee te delen, anders dan in de normale uitoefening van zijn
werk, beroep of functie; of
b. een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten transacties te
verrichten of te bewerkstelligen in die effecten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige
toepassing op ieder ander die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat
hij over voorwetenschap beschikt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de gevallen waarin en de omstandigheden waaronder sprake
is van meedelen in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep
of functie, als bedoeld in het eerste lid, onder a.
Artikel 46b
1. Het is verboden om in of vanuit een in artikel 46, eerste
lid, onder a of b, bedoelde staat, telkens voor zover het effecten
betreft als bedoeld in het desbetreffende onderdeel:
a. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te
bewerkstelligen waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of
te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de
koers van die effecten;
b. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te
bewerkstelligen teneinde de koers van die effecten op een kunstmatig
niveau te houden;
c. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te
bewerkstelligen waarbij gebruik wordt gemaakt van bedrog of
misleiding; of
d. informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend
signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de
vraag naar of de koers van effecten, terwijl de verspreider van die
informatie weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die informatie
onjuist of misleidend is.
2. De verboden, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van
toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties of
handelsorders in effecten of het verspreiden van informatie in het kader
van:
a. het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de
overheidsschuld;
b. een terugkoopprogramma zoals omschreven in hoofdstuk II van
verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn
2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de
stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336); en
c. stabilisatie zoals omschreven in hoofdstuk III van verordening
nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van
22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de
uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de
stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336).
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën
transacties of handelsorders worden aangewezen waarop de in het eerste
lid, aanhef en onder a en b, bedoelde verboden niet van toepassing zijn
en kan de wijze waarop tot deze aanwijzing wordt gekomen verder worden
uitgewerkt.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, is
niet van toepassing voor zover het betreft het verspreiden van
informatie door een journalist die in zijn normale beroepshoedanigheid
handelt, rekening houdend met de regels die gelden binnen zijn
beroepsgroep, tenzij deze journalist voordeel of winst behaalt uit de
verspreiding van de informatie.
§ 3. Openbaarmakings- en meldingsverplichtingen
Artikel 47
1. Een rechtspersoon, vennootschap of instelling die effecten
heeft uitgegeven die met diens instemming zijn toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in
Nederland of waarvoor verzocht is om toelating van die effecten tot de
handel op een dergelijke markt, maakt informatie als bedoeld in
artikel 46, vierde of vijfde lid, die rechtstreeks op de
rechtspersoon, vennootschap of instelling betrekking heeft, onverwijld
openbaar. De openbaarmaking vindt plaats door middel van een
persbericht dat gelijktijdig wordt uitgebracht in Nederland en in
iedere andere lid-staat waar de door de rechtspersoon, vennootschap of
instelling uitgegeven effecten zijn toegelaten tot de handel op een
gereglementeerde markt of waar de rechtspersoon, vennootschap of
instelling heeft verzocht om of ingestemd met toelating tot de handel
van die effecten op een dergelijke markt. De rechtspersoon,
vennootschap of instelling stelt Onze Minister dan wel, indien van
toepassing, de rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en
bevoegdheden zijn overgedragen, gelijktijdig met de openbaarmaking op
de hoogte van deze informatie.
2. De rechtspersoon, vennootschap of instelling beschikt over een
website en plaatst de informatie onverwijld op deze website. De
rechtspersoon, vennootschap of instelling houdt de informatie gedurende
tenminste een jaar op de website toegankelijk.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een
rechtspersoon, vennootschap of instelling de openbaarmaking van de
informatie uitstellen indien:
a. het uitstel een rechtmatig belang van de rechtspersoon,
vennootschap of instelling dient;
b. van het uitstel geen misleiding van het publiek te duchten is;
en
c. zij de vertrouwelijkheid van deze informatie kan waarborgen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het derde lid. Daarbij wordt bepaald wat onder een
rechtmatig belang van de rechtspersoon, vennootschap of instelling wordt
verstaan en aan welke vereisten een rechtspersoon, vennootschap of
instelling dient te voldoen om de vertrouwelijkheid van de informatie te
waarborgen.
5. Indien de rechtspersoon, vennootschap of instelling of een
persoon die de rechtspersoon, vennootschap of instelling
vertegenwoordigt, doelbewust informatie als bedoeld in artikel 46,
vierde of vijfde lid, in het kader van de normale uitoefening van werk,
beroep of functie meedeelt aan een derde, maakt de rechtspersoon,
vennootschap of instelling die informatie gelijktijdig openbaar. Indien
de informatie niet doelbewust aan een derde is meegedeeld maakt de
rechtspersoon, vennootschap of instelling haar onverwijld openbaar. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien de persoon aan
wie de informatie wordt meegedeeld terzake daarvan gehouden is tot
geheimhouding.
7. Een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire
zetel in Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder a of b, heeft uitgegeven, een rechtspersoon, vennootschap of
instelling met statutaire zetel in een staat die niet een lid-staat is
die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, heeft
uitgegeven of zal uitgeven, alsmede een ieder die namens of voor
rekening van de hiervoor genoemde rechtspersoon, vennootschap of
instelling optreedt, houdt een lijst bij van de bij hem of haar werkzame
personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben
van informatie als bedoeld in artikel 46, vierde of vijfde lid, en stelt
deze personen op de hoogte van de in dit hoofdstuk gestelde verboden en
de hoogte van de sancties die op overtreding daarvan zijn gesteld.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste, tweede en
vijfde lid bedoelde openbaarmaking dient plaats te vinden, alsmede met
betrekking tot de inhoud, het bijwerken en bewaren van de lijst, bedoeld
in het zevende lid.
9. Onze Minister verwerkt de in een melding als bedoeld in het
eerste of vijfde lid opgenomen informatie en het tijdstip waarop deze
door de rechtspersoon, vennootschap of instelling openbaar is gemaakt,
na openbaarmaking onverwijld in een register.
10. Onze Minister houdt de in het negende lid bedoelde gegevens
gedurende tenminste vijf jaar voor een ieder kosteloos ter inzage in het
register. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de werking van het
register.
Artikel 47a
1. Een ieder die:
a. het dagelijks beleid bepaalt of mede bepaalt van een
rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in
Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a
of b, heeft uitgegeven of zal uitgeven of van een rechtspersoon,
vennootschap of instelling met statutaire zetel in een staat die niet
een lid-staat is die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven;
b. toezicht houdt op het beleid van het bestuur en de algemene gang
van zaken in een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld
onder a, en de daarmee verbonden onderneming;
c. een leidinggevende functie heeft en uit dien hoofde de
bevoegdheid heeft om besluiten te nemen die gevolgen hebben voor de
toekomstige ontwikkelingen en bedrijfsvooruitzichten van een
rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld onder a en die
regelmatig kennis kan hebben van informatie als bedoeld in artikel 46,
vierde of vijfde lid; of
d. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorie van personen die nauw gelieerd zijn met een onder a, b of c
bedoelde persoon,
doet uiterlijk op de vijfde werkdag na de transactiedatum melding van
voor eigen rekening verrichte of bewerkstelligde transacties in aandelen
die betrekking hebben op de onder a, b, onderscheidenlijk c bedoelde
rechtspersoon, vennootschap of instelling, of in effecten waarvan de
waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen. De melding
wordt, indien het een rechtspersoon, vennootschap of instelling met
statutaire zetel in Nederland betreft, gedaan aan Onze Minister of,
indien van toepassing, aan de rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40
taken en bevoegdheden zijn overgedragen, of, indien het een
rechtspersoon, vennootschap of instelling betreft waarvan de statutaire
zetel zich niet in een lid-staat bevindt, aan de toezichthouder van de
lid-staat waarin de rechtspersoon, vennootschap of instelling gehouden
is de jaarlijkse informatie in verband met aandelen te verstrekken
overeenkomstig artikel 10 van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003
betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten
van het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en
tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEU L 345).
2. De melding kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de
voor eigen rekening verrichte transacties door personen als bedoeld in
het eerste lid, onder a, b of c, per persoon in het desbetreffende
kalenderjaar een bedrag van € 5 000 of meer bedragen of waarop de voor
eigen rekening verrichte transacties door een persoon als bedoeld onder
a, b of c, opgeteld bij de voor eigen rekening verrichte transacties van
de met hem gelieerde personen als bedoeld onder d, in het desbetreffende
kalenderjaar een bedrag van € 5 000 of meer bedragen.
3. De melding voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels.
4. De melding kan worden gedaan door tussenkomst van een door de
rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking
hebben aan te wijzen persoon.
5. Ten aanzien van de melding kan bij algemene maatregel van
bestuur worden bepaald dat indien op grond van daarbij aan te wijzen
andere wettelijke bepalingen reeds bepaalde gegevens aan Onze Minister
dan wel, indien van toepassing, aan de rechtspersoon aan wie ingevolge
artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, zijn gemeld,
daardoor aan de verplichting tot melding op grond van het eerste lid is
voldaan.
6. Dit artikel is niet van toepassing op transacties die zijn
verricht of bewerkstelligd in het kader van het monetaire beleid, het
valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen andere categorieën transacties worden
aangewezen waarop dit artikel niet van toepassing is.
Artikel 47b
1. Onze Minister verwerkt de in een melding op grond van
artikel 47a, eerste lid, opgenomen gegevens, met uitzondering van de
adresgegevens van de meldingsplichtige, onverwijld in het in artikel
47, negende lid, bedoelde register. Onze Minister houdt de gegevens,
met uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtige, voor
een ieder gedurende tenminste vijf jaren kosteloos ter inzage in het
register.
2. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist
is en de melding na verzoek daartoe van Onze Minister niet is hersteld,
neemt hij in plaats van de gemelde gegevens de juiste gegevens in het
register op.
3. Onze Minister kan met het oog op een onderzoek naar de
juistheid van een melding, opneming van de melding in het register voor
de duur van het onderzoek opschorten. Hij stelt degene die de melding
heeft gedaan van de opschorting in kennis.
Artikel 47c
1. Een effecteninstelling die een redelijk vermoeden heeft dat
een transactie of een opdracht tot een transactie terzake waarvan zij
in of vanuit Nederland bemiddelt in strijd is met artikel 46, eerste
of derde lid, of artikel 46b, eerste lid, meldt dit vermoeden
onverwijld aan Onze Minister dan wel, indien van toepassing, aan de
rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn
overgedragen.
2. Onze Minister meldt een overeenkomstig het eerste lid gemeld
vermoeden onverwijld aan iedere overheidsinstantie of van overheidswege
aangewezen instantie die belast is met het toezicht op een
gereglementeerde markt waar de effecten waarop de melding betrekking
heeft tot de handel zijn toegelaten of waarvoor toelating van die
effecten tot de handel is aangevraagd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald wanneer sprake is van een redelijk vermoeden als bedoeld in het
eerste lid en kunnen regels worden gesteld waaraan de melding dient te
voldoen en op welke wijze deze dient plaats te vinden.
Artikel 47d
1. Een effecteninstelling die ingevolge artikel 47c, eerste
lid, te goeder trouw een melding heeft gedaan is niet aansprakelijk
voor schade die een derde dientengevolge lijdt.
2. Gegevens of inlichtingen die op grond van artikel 47c, eerste
lid, zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten
behoeve van een opsporingsonderzoek of vervolging wegens verdenking van,
of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens overtreding van de
artikelen 46 of 46b ten aanzien van een effecteninstelling die ingevolge
artikel 47c, eerste lid, gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
3. Een effecteninstelling die ingevolge artikel 47c, eerste lid,
een melding heeft gedaan is verplicht tot geheimhouding daarvan.
Artikel 47e
1. Een effecteninstelling of persoon als bedoeld in het tweede
lid, die voor het publiek bestemde informatie als bedoeld in dat lid
openbaar maakt, houdt zich aan bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels met betrekking tot:
a. het openbaar maken van de identiteit van degene die de in de
aanhef bedoelde informatie heeft opgesteld of naar buiten brengt;
b. het waarborgen dat de in de aanhef bedoelde informatie een
juiste voorstelling van zaken biedt; en
c. het openbaar maken van informatie waarvan redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat deze informatie afbreuk kan doen aan de
objectiviteit van de in de aanhef bedoelde informatie.
2. Het eerste lid is van toepassing op:
a. effecteninstellingen die:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin
rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan
met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of
instelling die effecten als bedoeld in dat onderdeel heeft
uitgegeven of zal uitgeven;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een
beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten die
zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die
gelegen is of werkzaam is in een andere lid-staat, of met betrekking
tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling die deze effecten
heeft uitgegeven of zal uitgeven;
b. met een effecteninstelling, of met een persoon als bedoeld onder
c, gelieerde rechtspersonen die:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken waarin
rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking
tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt
gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder
2°;
c. personen, niet zijnde effecteninstellingen, wier hoofdactiviteit
bestaat uit het:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
openbaar maken van voor het publiek bestemde informatie waarin
rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan
met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of
instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°;
2°. in of vanuit Nederland openbaar maken van voor het publiek
bestemde informatie waarin rechtstreeks of middellijk een
beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als
bedoeld in onderdeel a, onder 2°, of met betrekking tot een
rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel
a, onder 2°;
d. andere personen dan genoemd onder a tot en met c die in het
kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin
rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking
tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt
gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder
2°;
e. personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst of
anderszins, voor een persoon als bedoeld onder a of c, werkzaam zijn
en als hoofdactiviteit:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin
rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan
met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid,
onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of
instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een
beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als
bedoeld in onderdeel a, onder 2°, of met betrekking tot een
rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel
a, onder 2° en die bij het opstellen van de informatie betrokken
waren;
f. personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst of
anderszins, voor een persoon als bedoeld onder a of c, werkzaam zijn
en niet als hoofdactiviteit:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin
rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking
tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, en die
bij het opstellen van de aanbeveling betrokken waren;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt
gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder
2°, en die bij het opstellen van de aanbeveling betrokken waren;
g. andere personen dan genoemd in de overige onderdelen van dit
lid, die:
1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is
voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin
rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking
tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;
2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie
openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt
gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder
2°.
3. Een effecteninstelling als bedoeld in het tweede lid, onder a,
of een persoon als bedoeld in het tweede lid, onder e of f, vermeldt in
de in het tweede lid bedoelde informatie wie de bevoegde
toezichthoudende autoriteit is. Een ieder die niet een
effecteninstelling is en op wie ingevolge zelfregulering normen of
gedragsregels met betrekking tot de in het eerste lid, onder a tot en
met c, bedoelde onderwerpen van toepassing zijn, vermeldt deze in de in
het tweede lid bedoelde informatie.
4. Een effecteninstelling als bedoeld in het tweede lid, die
transacties in effecten verricht, maakt de door haar getroffen
organisatorische en administratieve maatregelen om belangenconflicten
ten aanzien van aanbevelingen te voorkomen in algemene bewoordingen
openbaar.
5. Een persoon die in het kader van zijn beroeps- of
bedrijfsuitoefening door een derde uitgebrachte, voor het publiek
bestemde informatie als bedoeld in het tweede lid voor eigen
verantwoordelijkheid openbaar maakt, vermeldt duidelijk en opvallend
wijzigingen die hij in de informatie heeft aangebracht of vermeldt dat
deze informatie ongewijzigd is overgenomen en voldoet aan de ingevolge
het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het
derde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
6. Een ieder die in of vanuit Nederland een samenvatting van door
een derde opgestelde, voor het publiek bestemde informatie als bedoeld
in het tweede lid openbaar maakt, draagt ervoor zorg dat deze
samenvatting duidelijk, niet misleidend en direct en gemakkelijk
toegankelijk is. Tevens maakt hij daarbij melding van de plaats waar de
informatie die in de samenvatting wordt weergegeven toegankelijk is,
indien deze informatie openbaar is.
7. Met betrekking tot het openbaarmaken van informatie als
bedoeld in het tweede lid door journalisten of andere beroepsbeoefenaren
kunnen bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 47f
Een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in
Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a of
b, heeft uitgegeven of zal uitgeven, met uitzondering van effecten die
zijn uitgegeven of zullen worden uitgegeven in het kader van het
monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld,
alsmede een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire
zetel in een staat die niet een lid-staat is die effecten als bedoeld in
artikel 46, eerste lid, onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven, met
uitzondering van effecten die zijn uitgegeven of zullen worden
uitgegeven in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of
het beheer van de overheidsschuld, stelt een reglement vast waarin
regels worden gesteld ten aanzien van het bezit van en transacties in op
haar betrekking hebbende aandelen of in effecten waarvan de waarde mede
wordt bepaald door de waarde van deze aandelen door haar werknemers en
de personen, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, onder a en b. Het
reglement voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels.
§ 4. Aanvullende toezichtsbevoegdheden
Artikel 48
1. Onze Minister kan, onverminderd artikel 29, met het oog op
het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit hoofdstuk
bepaalde, inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij een ieder die,
naar in redelijkheid mag worden aangenomen, beschikt over informatie
die relevant is voor dat toezicht.
2. Onze Minister kan met het oog op een adequate functionering
van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten aan
de houder van een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is
in Nederland een aanwijzing geven om de handel in bepaalde effecten op
te schorten, te onderbreken of door te halen, indien het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens artikel 47, eerste of derde lid,
bepaalde daartoe aanleiding geeft. De houder van de effectenbeurs volgt
de aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
3. Onze Minister kan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid
openbaar maken.
Hoofdstuk XIIA. Onderzoek door onze minister
Artikel 48a
1. Onze Minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan
ingevolge artikel 40, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn
overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn
oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft
uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht
nodig blijkt.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan
Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te
verstrekken. Indien Onze Minister de rechtspersoon vraagt bepaalde
gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 31, eerste en
tweede lid, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of
inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke effecteninstelling waaraan een
vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend of
waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan
surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement
is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een effecteninstelling
in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij
een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland
gevestigde effecteninstelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is
verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende
autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken
voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of
de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet
uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 31, eerste en tweede
lid, is van toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en
titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Hoofdstuk XII B. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 48b
1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, tweede lid, 5, derde lid, 6,
tweede lid, 6a, eerste en derde lid, 6b, 6c, tweede lid, 7, eerste,
derde, vierde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en tweede
lid, 11a, eerste en tweede lid, 12, tweede en vierde lid, 13, eerste
lid, tweede volzin, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 15, tweede
lid, 16, eerste, zevende, achtste en tiende lid, 17, eerste lid, 18,
tweede lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, 19, derde lid, 21, zesde
lid, 22, eerste en derde lid, 23, 24, eerste en derde lid, 26a,
eerste, vijfde, zesde en negende lid, 28, derde en zesde lid, onder a,
28c, tweede, derde en vierde lid, 28a, tweede en vierde lid, 29,
tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29a, tweede en
vierde volzin, 36, tweede lid, 37, tweede lid, 39, derde lid, voor
zover het betreft het voorschrift op grond van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht inzage te verlenen in zakelijke gegevens en
bescheiden, 46, negende lid, 46b, eerste lid, onder d, 47, eerste tot
en met vijfde, zevende en achtste lid, 47a, eerste tot en met derde
lid, 47c, eerste en derde lid, 47e, 47f en 48, eerste en tweede lid.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 48c
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, tweede lid, 5, eerste lid,
tweede volzin, aanhef en onderdelen a, b en c, en derde lid, 6, tweede
lid, 6a, eerste en derde lid, 6b, 6c, tweede lid, 7, eerste, derde,
vierde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en tweede lid, 11a,
eerste tot en met vijfde lid, 12, tweede en vierde lid, 13, eerste
lid, tweede volzin, vijfde lid, zesde lid, eerste volzin, zevende en
negende lid, 14, eerste en vierde lid, 15, tweede lid, 15a, eerste,
tweede en derde lid, 15b, eerste en tweede lid, 16, eerste, zevende,
achtste en tiende tot en met twaalfde lid, 17, eerste lid, 18, tweede
lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, 19, derde lid, 21, zesde lid,
22, eerste, derde en vijfde lid, 23, 24, eerste en derde lid, 26a,
eerste, vijfde, zesde en negende lid, 28, derde en zesde lid, onder a,
28c, tweede, derde en vierde lid, 28a, tweede en vierde lid, 29,
tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29a, tweede en
vierde volzin, 36, tweede lid, 37, tweede lid, 39, derde lid, voor
zover het betreft het voorschrift op grond van artikel 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht inzage te verlenen in zakelijke gegevens en
bescheiden, 46, eerste, derde en negende lid, 46a, eerste en tweede
lid, 46b, eerste lid, 47, eerste, tweede, vijfde, zevende en achtste
lid, 47a, eerste tot en met derde lid, 47c, eerste en derde lid, 47d,
derde lid, 47e, 47f en 48, eerste en tweede lid en de artikelen 26,
vijfde lid, 30 en 34 van de prospectusverordening.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze
Minister met toepassing van artikel 40, eerste lid, de bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete heeft overgedragen aan een
rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 48d
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze, voorzien
in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in
de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald
geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
5. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens
een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 3, eerste
en vierde lid, 5, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdelen a, b
en c, 6a, derde lid, 7, vierde lid, 11, eerste lid en tweede lid, 11a,
vijfde lid, 17, eerste lid, of 18a, eerste lid, wordt het bedrag van de
boete bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van
bestuur. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 48e
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem
wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht
ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 48f
1. Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen,
geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 48d, is aangewezen.
Artikel 48g
1. Onze Minister legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 48i, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 48h
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 48f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 48i
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 48f, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister
schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met
de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de
aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, overeenkomstig het derde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij
dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de
boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 48j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 48c vervalt, indien Onze Minister ter
zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 48k
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 48l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 48m
1. Met het oog op een adequate functionering van de
effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten, kan
Onze Minister, onverminderd artikel 31, eerste en tweede lid, het feit
ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is
opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de
woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk XIIC. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 48n
1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 31, teneinde de
naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
a. zijn weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of
verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet
meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was
hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;
b. het feit dat degene die effecten aanbiedt en op wie naar zijn
oordeel het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste of vierde lid, van
toepassing is, in strijd handelt met dat verbod;
c. het feit dat een effecteninstelling waarop naar zijn oordeel het
verbod, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van toepassing is, niet over
een vergunning beschikt;
d. het feit dat degene waarop een vrijstelling als bedoeld in
artikel 10 van toepassing is, zich niet houdt aan de voorschriften die
aan die vrijstelling zijn verbonden;
e. het feit dat de houder van een effectenbeurs waarop naar zijn
oordeel het verbod, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van toepassing
is, niet over een erkenning of ontheffing beschikt; of
f. het feit dat de houder van een effectenbeurs waarop een
vrijstelling als bedoeld in artikel 25 van toepassing is, zich niet
houdt aan de voorschriften die aan die vrijstelling zijn verbonden;
g. zijn aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, ter zake
van het niet naleven van de regels gesteld bij of krachtens de
artikelen 6a, tweede of derde lid, 6b, 18a, eerste lid, 18b, tweede
lid of artikel 47, eerste lid, eerste volzin, en vijfde lid.
Artikel 48o
Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze
Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 48n ter openbare
kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring
af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling
om informatie wordt gevraagd.
Artikel 48p
1. Onze Minister geeft, indien hij voornemens is op grond van
artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene
daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht, is Onze Minister niet gehouden de betrokkene in de
gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien
van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een
redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 48q
De beschikking om op grond van artikel 48n een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 48r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 48n
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 48s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 48t
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 48n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 48m vervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter
openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 48u
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 48n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 48v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 48n ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk XIII. Wijziging van andere wetten
Artikel 49
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 50
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 52
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 54
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 55
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 56
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 57
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 58
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk XIV. Slotbepalingen
Artikel 59
Van de verlening of intrekking van een vrijstelling, vergunning,
erkenning of ontheffing en van het van kracht worden van het verbod,
bedoeld in artikel 12, vierde lid, wordt door de zorg van Onze Minister
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 60
1. Effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders waarop op het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid, van deze wet
artikel 8 onderscheidenlijk artikel 12 van de Wet toezicht
effectenverkeer van toepassing is, worden geacht op dat tijdstip een
vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, te hebben verkregen.
2. Effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders die op het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid, van deze wet
een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer bezitten,
worden geacht op dat tijdstip een vergunning als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van deze wet te hebben verkregen.
Artikel 61
Ten aanzien van effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders die zijn
gevestigd in een andere lid-staat, niet zijnde een lid-staat ten aanzien
waarvan Onze Minister een maatregel als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, heeft genomen, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 7, tweede lid, van deze wet een vergunning als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, van de
Wet toezicht effectenverkeer bezitten, wordt geacht te zijn voldaan aan
artikel 7, tweede lid, onderdeel i, onder 2° en 3°,
onderscheidenlijk onderdeel j, onder 2°.
Artikel 62
1. Artikel 16, eerste lid, blijft buiten toepassing tot de
eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van inwerkingtreding
van dat artikellid.
2. Met ingang van de in het eerste lid bedoelde dag geldt artikel
16, eerste lid, niet ten aanzien van degene die in de aan die dag
voorafgaande periode bij Onze Minister een aanvraag heeft ingediend voor
een verklaring van geen bezwaar en tot de tweede dag nadat Onze Minister
zijn besluit inzake die aanvraag heeft verzonden.
Artikel 63
Houders van een effectenbeurs die op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 22, eerste lid, van deze wet een erkenning
als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet toezicht
effectenverkeer bezitten, worden geacht op dat tijdstip een erkenning
als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van deze wet te hebben verkregen.
Artikel 64
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is
ingesteld tegen een op grond van de Wet toezicht effectenverkeer genomen
besluit wordt op het beroep beslist met toepassing van het voor dat
tijdstip geldende recht.
Artikel 65
De Wet toezicht effectenverkeer wordt ingetrokken.
Artikel 66
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 67
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 16 november 1995
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de vijfde december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage, bedoeld in
artikel 48d, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995
Artikel 1
Voor de
overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het
tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XII B van deze
wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:
|
Tariefnummer:
|
Bedrag
(vast tarief):
|
|
1.
|
€ 453
|
|
2.
|
€ 907
|
|
2a.
|
€ 1 815
|
|
3.
|
€ 5 445
|
|
4.
|
€ 21 781
|
|
5.
|
€ 87 125
|
Artikel 2
1. Indien een
boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling
als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de
hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar
eigen vermogen van toepassing met de daarbij behorende
factor 2:
Categorie-indeling
normgeadresseerden
Categorie
I: natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen met een eigen vermogen van minder dan € 136 100;
Factor: 1;
Categorie
II: natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste € 136 100
maar minder dan € 272 300; Factor: 2;
Categorie
III: natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste €
272 300 maar minder dan € 453 800; Factor: 3;
Categorie
IV: natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste € 453 800
maar minder dan € 4 538 000; Factor: 4;
Categorie
V: natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschapppen met een eigen vermogen van ten minste € 4 538 000;
Factor: 5.
2. De boete wordt
vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie
naar eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de
gegevens omtrent het eigen vermogen niet aan Onze Minister
beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan
wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen
een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de
betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit
verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete
categorie V van toepassing.
4. Indien een
boete wordt opgelegd voor het overtreden van artikel 18b,
tweede lid, is in afwijking van het eerste lid de volgende
categorie-indeling met de daarbij behorende factoren van
toepassing:
-
voor
instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
a: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage,
bedoeld in artikel
188d, eerste lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de
categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld
in artikel 93d, eerste
lid, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;
-
voor
instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
f: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage,
bedoeld in artikel
33d, eerste lid, van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen;
-
voor
instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
k: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage,
bedoeld in artikel
23c, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet
onderscheidenlijk de categorie-indeling van artikel 2
van de bijlage, bedoeld in artikel
21c, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte
deelneming in een beroepspensioenregeling;
-
voor
kredietinstellingen of financiële instellingen als
bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk
onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7,
tweede lid, onder h: de categorie-indeling van artikel 2
van de bijlage, bedoeld in artikel
90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.
5. Voor de
toepassing van het tweede en derde lid wordt voor
instellingen als bedoeld in het vierde lid, onder a, c en d,
onder «eigen vermogen» verstaan «balanstotaal».
Artikel 3
Op grond van
artikel 48f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de
gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de
boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft
waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.
Tabel
1
|
Tabel 1
|
|
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
|
|
|
6, tweede
lid
|
3
|
|
7, derde
lid
|
4
|
|
7, zevende
lid
|
3
|
|
11a,
eerste lid
|
1
|
|
11a,
tweede lid
|
1
|
|
12, tweede
lid
|
4
|
|
12, vierde
lid
|
4
|
|
13, eerste
lid, tweede volzin
|
1
|
|
13, vijfde
lid
|
1
|
|
13, zesde
lid, eerste volzin
|
1
|
|
13,
zevende lid
|
4
|
|
13,
negende lid
|
1
|
|
14, eerste
lid
|
1
|
|
14, vierde
lid
|
4
|
|
15, tweede
lid
|
2
|
|
15a,
eerste lid
|
1
|
|
15a,
tweede lid
|
1
|
|
15b,
eerste lid
|
1
|
|
15b,
tweede lid
|
1
|
|
15b,
vierde lid
|
1
|
|
16,
twaalfde lid
|
2
|
|
18b,
tweede lid
|
3
|
|
19, derde
lid
|
3
|
|
21, zesde
lid
|
1
|
|
22, derde
lid
|
3
|
|
23
|
3
|
|
24, eerste
lid
|
3
|
|
24, derde
lid
|
3
|
|
28, derde
lid
|
4
|
|
28a,
tweede lid
|
4
|
|
28a,
vierde lid
|
4
|
|
28c,
vierde lid
|
3
|
|
29, tweede
lid
|
3
|
|
29, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
|
3
|
|
36, tweede
lid
|
3
|
|
37, tweede
lid
|
3
|
|
39, derde
lid
|
3
|
|
46a,
eerste lid
|
5
|
|
47,
eerste lid, eerste volzin
|
5
|
|
47,
eerste lid, tweede volzin
|
3
|
|
47,
tweede lid
|
3
|
|
47,
vijfde lid
|
5
|
|
47,
zevende lid
|
2a
|
|
47a,
eerste lid
|
4
|
|
47c,
eerste lid
|
4
|
|
47d,
derde lid
|
3
|
|
47e,
eerste lid
|
4
|
|
47e,
derde lid
|
3
|
|
47e,
vierde lid
|
3
|
|
47e,
vijfde lid
|
4
|
|
47f
|
2a
|
|
48,
eerste lid
|
3
|
|
48,
tweede lid, tweede volzin
|
3
|
Tabel
2
|
Tabel 2
|
|
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
|
|
|
3, eerste
lid
|
5
|
|
3, vierde
lid
|
5
|
|
4, tweede
lid
|
3
|
|
5, eerste
lid, eerste volzin
|
4
|
|
5, derde
lid
|
3
|
|
6a, eerste
lid
|
5
|
|
6b
|
5
|
|
6c, tweede
lid
|
4
|
|
7, eerste
lid
|
5
|
|
10, tweede
lid
|
3
|
|
11a, derde
lid
|
3
|
|
11a,
vierde lid
|
3
|
|
11a,
vijfde lid
|
3
|
|
16, eerste
lid
|
3
|
|
16,
zevende lid
|
3
|
|
16,
achtste lid
|
3
|
|
16, tiende
lid
|
3
|
|
16, elfde
lid
|
3
|
|
18, tweede
lid
|
3
|
|
22, eerste
lid
|
4
|
|
22, vijfde
lid
|
3
|
|
26a,
eerste lid
|
3
|
|
26a,
vijfde lid
|
3
|
|
26a, zesde
lid
|
3
|
|
26a,
negende lid
|
3
|
|
28, zesde
lid, onder a
|
3
|
|
28c,
tweede lid
|
3
|
|
28c, derde
lid
|
3
|
|
29, tweede
lid
|
3
|
|
29, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens
en bescheiden
|
3
|
|
29a,
tweede en vierde volzin
|
3
|
|
36, tweede
lid
|
3
|
|
37, tweede
lid
|
3
|
|
46,
eerste lid
|
5
|
|
46,
derde lid
|
5
|
|
46,
negende lid
|
4
|
|
46a,
tweede lid
|
5
|
|
46b,
eerste lid
|
5
|
|
47e,
zesde lid
|
4
|
|
26, vijfde
lid, prospectusverordening
|
4
|
|
30
prospectusverordening
|
4
|
|
34
prospectusverordening
|
4
|
Voetnoten:
|