| |
|
|
|
WET van 23 december 1992, houdende
bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen en de uitvoering van
de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15
december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de
werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van
Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG), en de uitvoering van de Richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het
toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (992/30/EEG)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
uitvoering te geven aan de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot
wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG) alsmede aan de Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het
toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (92/30/EEG), en
dat het naar aanleiding daarvan alsmede in verband met het aanbrengen
van enige andere aanpassingen van de Wet toezicht kredietwezen (Stb.
1978, 255) wenselijk is de bepalingen inzake het toezicht op het
kredietwezen opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde wordt verstaan onder:
a. kredietinstelling:
1°. een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het
ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare
gelden en van het voor eigen rekening verrichten van
kredietuitzettingen of beleggingen; dan wel
2°. een onderneming of instelling, anders dan bedoeld onder 1°,
die gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld
wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan
anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld
uitgeeft.
b. centrale kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in
onderdeel a, onder 1°, die met betrekking tot een groep
kredietinstellingen een mede beleidsbepalend karakter draagt;
c. financiële instelling: een onderneming of instelling, niet
zijnde een kredietinstelling, die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van
het verrichten van één of meer van de werkzaamheden genoemd onder 2
tot en met 12 in bijlage I van de Richtlijn dan wel van het verwerven
of het houden van deelnemingen;
d. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking
tot de uitvoering van deze wet door Onze minister, de Bank gehoord,
als representatieve organisatie voor een groep van ondernemingen en
instellingen is aangewezen;
e. Onze minister: Onze minister van Financiën;
f. Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
g. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige Staat
ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het kredietwezen is
opgedragen;
h. de Unie: de Europese Unie;
i. Lid-Staat: een staat die lid is van de Unie alsmede een staat,
niet zijnde een lid-staat van de Unie, die partij is bij de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992,
132);
j. de Richtlijn: Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen (PbEG L 126);
k. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder
rechtspersoonlijkheid van een kredietinstelling of een financiële
instelling die in een andere Staat is gevestigd dan die waarin de
kredietinstelling of de financiële instelling gevestigd is;
l. verrichten van diensten: het in een Staat, zonder gebruikmaking
van een bijkantoor in die Staat, verrichten dan wel aanbieden van
werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door een
kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere
Staat is gevestigd;
m. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk
belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal
van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk
kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een
onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen
uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een
onderneming of instelling; bij het bepalen van het aantal stemrechten,
dat iemand in een onderneming of instelling heeft, worden tot diens
stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of
geacht wordt te beschikken op grond van artikel 12 van de Wet melding
zeggenschap en kapitaalbelang in ter beurze genoteerde
vennootschappen;
n. dochtermaatschappij: een onderneming of instelling als
omschreven in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
o. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk
persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed
kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een
deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met
die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel
natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt
aangemerkt als groep;
p. elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een
elektronische drager of een geldswaarde die op afstand is opgeslagen
in een centrale rekeningadministratie;
q. Lid-Staat van herkomst: ingeval een kredietinstelling een
rechtspersoon is, de Lid-Staat waar een kredietinstelling haar zetel
heeft, dan wel, ingeval de kredietinstelling niet een rechtspersoon
is, de Lid-Staat waar zij haar hoofdbestuur heeft;
r. Lid-Staat van ontvangst: de Lid-Staat waar een kredietinstelling
een bijkantoor heeft of waarheen zij diensten verricht;
s. bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke
instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen;
t. saneringsmaatregel: de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X, of
een maatregel, genomen in een andere Lid-Staat dan Nederland, die
enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelst en
bestemd is om de financiële positie van een kredietinstelling in
stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat de maatregel
bestaande rechten van derden kunnen aantasten;
u. bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 71, zevende
lid, of een ander persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde
instanties in een andere Lid-Staat dan Nederland om de
saneringsmaatregelen uit te voeren;
v. financiële instrumenten: instrumenten als bedoeld in deel B van
de bijlage bij richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten
op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 147).
2. De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin
van deze wet.
Artikel 1a
Op een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6
is verleend, is het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 51 niet van
toepassing.
§ 2. Uitoefening van toezicht door de Bank
Artikel 2
1. De Bank oefent toezicht uit:
a. [vervallen;]
b. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland
gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van
in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde
kredietinstellingen;
c. in het belang van hun liquiditeit op de in Nederland gevestigde
kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van niet in
Nederland gevestigde kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1°; en
d. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland
gevestigde financiële instellingen die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 hebben verkregen.
2. De Bank werkt bij de uitoefening van toezicht op in één van
de Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen samen met de betrokken
toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten. De Bank pleegt
daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze toezichthoudende
autoriteiten van de andere Lid-Staten.
3. De Bank kan voor zover noodzakelijk ten behoeve van de
uitoefening van toezicht op een bijkantoor in Nederland van een in een
Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling de
betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.
Artikel 3
1. Onze minister onderscheidenlijk de Bank maakt van de in
artikel 81, onderscheidenlijk de artikelen 11 en 20 gegeven
bevoegdheden mede gebruik om uitvoering te geven aan richtlijnen van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het
toezicht op kredietinstellingen.
2. Onze minister kan aan de Bank voorschriften geven ter
implementatie van richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie betreffende het toezicht op kredietinstellingen.
Artikel 4
1. Bij koninklijk besluit kan, op advies van de Bank en nadat
daarover het advies van de betrokken instantie is ingewonnen, worden
bepaald, dat een bij een centrale kredietinstelling aangesloten groep
van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° van het toezicht door de Bank, voorzover dit
toezicht strekt in het belang van de solvabiliteit, liquiditeit en
administratieve organisatie van die instellingen, is vrijgesteld,
voorzover deze centrale kredietinstelling krachtens haar statuten en
de statuten van de bij haar aangesloten kredietinstellingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of krachtens
een overeenkomst met de bij haar aangesloten kredietinstellingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° dit toezicht
op voldoende wijze uitoefent op deze instellingen.
2. De centrale kredietinstelling richt zich bij het toezicht naar
de aanwijzingen van de Bank.
§ 3. Bijzondere bepalingen met betrekking tot bijkantoren
Artikel 5
1. De bepalingen van deze wet vinden ten aanzien van een buiten
Nederland gevestigde onderneming of instelling, die door middel van
een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling
uitoefent, slechts toepassing voor zover het haar in of vanuit
Nederland uitgeoefende bedrijf betreft.
2. De Bank kan ten aanzien van een in een Staat, die niet een
Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling, die door middel van
een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent,
bepalen, dat tot haar in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van
kredietinstelling mede worden gerekend alle of bepaalde
rechtsverhoudingen van die kredietinstelling rechtstreeks of middellijk
met natuurlijke personen en rechtspersonen, welke in Nederland gevestigd
zijn of aldaar hun bedrijf uitoefenen.
3. De Bank kan voor de toepassing van de artikelen 16 en 17 en 31
tot en met 37 een kredietinstelling beschouwen als een bijkantoor,
indien naar het oordeel van de Bank met betrekking tot die
kredietinstelling voldaan wordt aan voorwaarden als omschreven in
artikel 12, onder a tot en met e.
Hoofdstuk II. Kredietinstellingen die in Nederland zijn gevestigd
Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling
§ 1. Algemeen
Artikel 6
1. Het is een in Nederland gevestigde onderneming of instelling
verboden het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, behoudens
voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.
2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren
tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien
het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat
rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de
belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de
vrijstelling voorschriften verbinden.
3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen
van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het
bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks
naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.
Artikel 7
Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6
heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende
toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van
de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders
is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze
werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.
Artikel 7a
1. Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in
artikel 6 heeft verkregen, niet toegestaan naast het ter beschikking
krijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven
andere dan de volgende werkzaamheden te verrichten:
a. het verrichten van met de uitgifte van elektronisch geld
samenhangende diensten;
b. het uitgeven en beheren van andere betaalmiddelen, met
uitsluiting van de werkzaamheden bedoeld onder punt 2 van bijlage I
van de Richtlijn;
c. het vastleggen van informatie op een elektronische drager ten
behoeve van andere ondernemingen of instellingen.
2. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, houdt uitsluitend een deelneming in een andere
onderneming of instelling, indien die onderneming of instelling
werkzaamheden verricht, die samenhangen met de bedrijfsvoering van de
kredietinstelling.
3. Onder een deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt
verstaan een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer
van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het
rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van
de stemrechten in een onderneming.
Artikel 7b
Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld
vertegenwoordigt een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van
de voor de uitgifte ontvangen gelden.
§ 2. Aanvragen van de vergunning
Artikel 8
1. Een in Nederland gevestigde onderneming of instelling, die
voornemens is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, vraagt
bij de Bank een vergunning aan.
2. De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het
verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 9, gegevens omtrent:
a. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de personen die
het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen;
b. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de leden van de
raad van commissarissen van de onderneming of instelling dan wel van
het orgaan van de onderneming of instelling dat een met die van een
raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft;
c. de identiteit en de antecedenten van de personen die het
dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of
instelling behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van
de onderneming of instelling mede bepalen;
d. de identiteit en de antecedenten van de personen die het beleid
bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of
instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de
onderneming of instelling mede bepalen;
e. de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming
houden in de onderneming of instelling, alsmede de omvang van de
desbetreffende gekwalificeerde deelneming;
f. een jaarrekening of openingsbalans, welke moet zijn voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek;
g. een programma van werkzaamheden welke de onderneming of
instelling voornemens is te verrichten;
h. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de
financiële administratie en de interne controle;
i. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en
handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de
maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
j. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep
waartoe de onderneming of instelling behoort; en
k. indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of
bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling
betreft: een verklaring van de toezichthoudende autoriteit van de
Staat waar die kredietinstelling gevestigd is waaruit blijkt dat deze
autoriteit de vestiging van een dochtermaatschappij of bijkantoor in
Nederland heeft goedgekeurd.
3. De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag.
§ 3. Vergunningvereisten
Artikel 9
1. De Bank verleent de vergunning, tenzij:
a. de onderneming of instelling niet voldoet aan het bij of
krachtens de artikelen 10 en 11 bepaalde;
b. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer
personen, die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling
bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf
van kredietinstelling;
c. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van
oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of
toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de
betrouwbaarheid van één of meer personen, die het beleid van de
onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, niet buiten twijfel
staat.
d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer
personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de
onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien
hoofde dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen,
onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van
kredietinstelling;
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van
oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of
toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de
betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of
mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling
behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of
instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel
is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of
instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is
of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;
g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder f,
een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening
of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de
samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of
h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8,
tweede lid, onder f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of
instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te
leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te
stellen eisen te voldoen.
2. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij
gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de
vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of
regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere
Lid-Staat.
3. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij van
oordeel is dat de groep waartoe de onderneming of instelling behoort een
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate
ondoorzichtig is, dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat
uitoefenen van toezicht op de onderneming of instelling.
4. De Bank kan tevens weigeren de vergunning te verlenen indien
de onderneming of instelling tot een groep behoort en het adequaat
uitoefenen van toezicht op die onderneming onderscheidenlijk instelling,
naar het oordeel van de Bank, wordt belemmerd door het recht van een
Staat, die niet een Lid-Staat is, dat van toepassing is op een
groepsmaatschappij of natuurlijke persoon die tot de groep behoort.
5. Indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of
bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is kan
de Bank weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is,
dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse
kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd
toezicht uitoefent.
Artikel 10
1. Het dagelijks beleid van een kredietinstelling dient door
ten minste twee personen te worden bepaald.
2. De personen die het dagelijks beleid van een kredietinstelling
bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit
Nederland.
3. Een kredietinstelling, die een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een ten
minste uit drie leden bestaande raad van commissarissen te hebben als
bedoeld in de artikelen 140 onderscheidenlijk 250 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
4. Een kredietinstelling, die niet een naamloze vennootschap of
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een
ten minste uit drie leden bestaand orgaan te hebben dat een met die van
een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.
5. De Bank kan aan een kredietinstelling, die niet is een
naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid waarop artikel 158 of artikel 268 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van toepassing is, geheel of gedeeltelijk ontheffing
van het in het derde of vierde lid bepaalde verlenen en aan deze
ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 11
1. Een kredietinstelling dient te beschikken over een minimum
bedrag aan eigen vermogen.
2. Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt door de Bank
bepaald.
3. Het bedrag bedoeld in het eerste lid kan voor onderscheiden
groepen kredietinstellingen verschillend worden bepaald.
4. Bij de vaststelling van het bedrag bedoeld in het eerste lid
wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden rechtsvormen onder eigen
vermogen wordt verstaan.
5. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere
omstandigheden aan een kredietinstelling, voor een door de Bank te
bepalen termijn, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van hetgeen
zij op basis van het tweede en derde lid heeft bepaald. De Bank kan aan
de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
Artikel 12
1. De Bank kan ten aanzien van een kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° besluiten dat
de artikelen 8, tweede lid, met uitzondering van onderdeel e, 9
eerste lid, met uitzondering van onderdeel f, of derde lid, 10,
11, 13, 14, 15, eerste lid, onderdeel c, onderdeel d -
behoudens voor zover dit onderdeel betrekking heeft op artikel 9,
eerste lid, onderdeel f - of onderdeel g, dan wel 30
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven, mits
a. de kredietinstelling is aangesloten bij een centrale
kredietinstelling;
b. de centrale kredietinstelling erop toeziet dat de aangesloten
kredietinstelling de regels als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en
22a naleeft;
c. de centrale kredietinstelling en de bij haar aangesloten
kredietinstellingen hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan
wel de verplichtingen van de aangesloten kredietinstelling door de
centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;
d. de centrale kredietinstelling naar het oordeel van de Bank
voldoende bevoegd is instructies te geven aan de aangesloten
kredietinstelling; en
e. het ingevolge artikel 20 uitgeoefende toezicht op de centrale
kredietinstelling en de aangesloten kredietinstelling op
geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
2. De Bank kan aan haar beslissing als bedoeld in het eerste lid
voorschriften verbinden.
§ 4. Bijzondere maatregelen
Artikel 13
1. Een wijziging van de gegevens bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onder a, b, c, of d, wordt, voor zover het aantal of de
identiteit van de daar genoemde personen betreft, vooraf aan de Bank
gemeld.
2. Een wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet
doorgevoerd, indien de Bank het voornemen daartoe afwijst binnen 6 weken
na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, of, indien de
Bank om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen 6 weken
na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen.
3. Indien zich een wijziging van de antecedenten bedoeld in
artikel 8, tweede lid, onder a, b, c, of d, voordoet, stelt de
kredietinstelling de Bank daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
Artikel 14
1. De Bank kan, indien:
a. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de
artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;
b. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e,
voordoet; onderscheidenlijk
c. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een
verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als
bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de
grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling
en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;.
de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om
ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te
volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen
termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11
of 30 bepaalde, zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e,
niet meer voordoet , onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel
30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te
bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen
van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende
boekjaar.
2. Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet
aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde
organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van
met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen,
teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen
termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b
bepaalde.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze
minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of
meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze
wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende
rechtspersoon of rechtspersonen.
4. Een overdracht als bedoeld in het derde lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het tweede lid bedoelde
bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid is
gewaarborgd.
5. Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
6. Indien een kredietinstelling tot een groep behoort en de
deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 8, tweede lid, onder
c en d, bedoelde personen naar het oordeel van de Bank niet langer
buiten twijfel staat, kan de Bank aan de personen of instellingen die
via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen
van de groep waartoe de kredietinstelling behoort, de aanwijzing geven
dat de eerstgenoemde personen het beleid of het dagelijks beleid van die
kredietinstelling niet meer kunnen mede bepalen.
7. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
volgen deze binnen de door de Bank gestelde termijn op.
8. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
informeren de Bank binnen de door de haar gestelde termijn over de
maatregelen die zijn getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.
9. De kredietinstelling geeft geen gevolg aan algemene of
bijzondere instructies van personen op wie een aanwijzing van de Bank
als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft.
Artikel 14a
Indien een accountant naar het oordeel van de Bank niet of niet meer
de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking
tot de kredietinstelling naar behoren zal vervullen, kan de Bank bepalen
dat hij niet bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen omtrent de
getrouwheid met betrekking tot die kredietinstelling af te leggen.
§ 5. Intrekken van de vergunning
Artikel 15
1. De Bank kan een vergunning intrekken, indien:
a. de kredietinstelling daarom verzoekt;
b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is
verleend, opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;
c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de
artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;
d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde
lid, voordoet;
e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een
verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als
bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de
grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling
en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
f. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de
artikelen 20, 21, 22 of 22a dan wel de artikelen 30b, 30c of 30ca
bepaalde;
g. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van
de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2,
tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek
om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen
als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden
volledig bekend waren geweest;
h. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, niet voldoet aan het bepaalde in de regeling
bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid, of aan het
bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 28a, tweede tot en met
vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
i. indien de kredietinstelling dan wel het orgaan, aan wie de
aanwijzing is gegeven of de aanzegging is gedaan, niet of niet
genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een
aanzegging op grond van deze wet gegeven onderscheidenlijk gedaan.
2. De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het
verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a.
3. Een beschikking tot intrekking van de vergunning op de gronden
bedoeld in het eerste lid treedt eerst in werking wanneer zij
onherroepelijk is geworden. Van de beschikking wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant, zodra zij onherroepelijk is geworden.
4. Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in
het eerste lid onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in
artikel 82, eerste lid, op de onderneming of instelling van toepassing.
5. De onderneming of instelling is vanaf de datum als bedoeld in
het vierde lid gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende
bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op
termijn opvorderbaar zijn, zo spoedig mogelijk op te zeggen en binnen
een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank is bevoegd
deze termijn te verlengen.
6. Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid wordt de
onderneming of instelling gedurende de afwikkelingstermijn voor de
toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling, die een
vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
Afdeling 2. Het door een kredietinstelling verrichten van één of
meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn
buiten Nederland
Paragraaf 1. Bijkantoor in een andere Lid-Staat
Artikel 16
1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6
heeft verkregen en die voornemens is één of meerdere van de
werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen
door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient,
alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk
kennis te geven. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar
voornemen gevolg te geven zolang de mededeling als bedoeld in het
derde lid niet is gedaan.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te
geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het
bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve
organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de
interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter
naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het
bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in
het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen
vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede
omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand
gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de
kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat
als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de
kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in
kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien
de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in
het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal
kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a,
doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de
toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede
lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen
dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste
lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het
tweede lid, onder b tot en met d, dan wel met betrekking
tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen
garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de
kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het
verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld
in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de
toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste
vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd,
schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge
het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de
kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het
bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet
langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21,
22 en 22a, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing
geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met
name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
7. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing
bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling
heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar
aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het
derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere
Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de
mededeling in kennis.
8. Zodra de mededeling als bedoeld in het derde lid is
ingetrokken, is het de kredietinstelling verboden nog langer
werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor als bedoeld
in het eerste lid.
Paragraaf 2. Bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat is
Artikel 16a
1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6
heeft verkregen en die voornemens is door middel van een bijkantoor in
een andere Lid-Staat gelden ter beschikking te krijgen in ruil
waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, geeft, alvorens daartoe
over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is
de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven
zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder
opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het
bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve
organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de
interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter
naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het
bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens bedoeld in het
tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen
vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling aan de
toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat bedoeld in het tweede lid,
onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen
van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien
de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het
eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen
voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, doet
zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de
toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid,
onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken
na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de
gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.
5. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in
het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om
het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor, bedoeld
in het eerste lid, te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de
toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste
vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd,
schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge
het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de
kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het
bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet
langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b,
30c en 30ca, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing
geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met
name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
7. Artikel 16, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 16b
1. Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in
artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één of meerdere van
de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen
door middel van een bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat
is, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen
schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar
voornemen gevolg te geven zolang de Bank niet van haar instemming
blijk heeft gegeven.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid geschiedt onder
opgave van:
a. de Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het
bijkantoor te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve
organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de
interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter
naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d. het adres van het bijkantoor; en
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het
bijkantoor zullen bepalen.
3. De kredietinstelling doet de in het tweede lid bedoelde
gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks
verlangt.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien
de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het
eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen
voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a,
onderscheidenlijk de artikelen 30b, 30c en 30ca, onthoudt de Bank haar
instemming met de opening van het bijkantoor.
5. De Bank beslist binnen 6 weken na ontvangst van de
kennisgeving bedoeld in het eerste lid op het verzoek tot instemming.
Artikel 16c
1. Een kredietinstelling meldt een wijziging van de gegevens,
bedoeld in artikel 16b, tweede lid, onderdelen b tot en met e, ten
minste een maand tevoren schriftelijk aan de Bank.
2. De kredietinstelling doet de in het eerste lid bedoelde
gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks
verlangt.
3. Indien de kredietinstelling voldoet aan het krachtens artikel
20 onderscheidenlijk 30b gestelde en de Bank geen bedenkingen heeft
tegen de wijziging maakt zij dit aan de kredietinstelling bekend.
4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de kredietinstelling de Bank daarvan ten
minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de
kredietinstelling haar voornemen uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan
de Bank.
§ 3. Verrichten van diensten
Artikel 17
1. Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in
artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één van de
werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door middel van
het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de eerste
maal in die Lid-Staat uit te oefenen, geeft, alvorens daartoe over te
gaan, de Bank steeds van haar voornemen schriftelijk kennis.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te
geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is de
werkzaamheden te verrichten;
b. de werkzaamheden welke de kredietinstelling voornemens is te
verrichten.
3. De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in
het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede
lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat
als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de
kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in
kennis.
Afdeling 3. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A,
onder 1°
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 18
De artikelen 20 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben
betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a, onder 1° die een vergunning als bedoeld in artikel 6
heeft verkregen.
§ 2. Monetair toezicht
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1999]
§ 3. Solvabiliteitstoezicht
Artikel 20
1. De Bank kan aan de
kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op
geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met
de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over
wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de
betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor
onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een
centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die
betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale
kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen
met de centrale kredietinstelling zelf.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen inzake het eigen vermogen, dat ten minste dient te
worden aangehouden in verhouding tot
(1). de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen
en overige activa;
(2). de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de
balanstelling;
(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
(5). de onder (1), (2), (3) of (4) vallende afzonderlijke posten,
voor zover zij een bepaald percentage van het eigen vermogen te
boven gaan;
b. het verbod, de beperking of het aan voorschriften binden van
(1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
(2). de verplichtingen buiten de balanstelling;
(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
c. bepalingen inzake de omvang, al dan niet in verhouding tot het
eigen vermogen, van
(1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;
(2). de verplichtingen buiten de balanstelling;
(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
d. bepalingen inzake de reikwijdte van consolidatie.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van de regels verlenen, mits de solvabiliteit van die
kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is
gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en
voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de
begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
§ 4. Liquiditeitstoezicht
Artikel 21
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen in het
belang van hun liquiditeit.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met
de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over
wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de
betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor
onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een
centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die
betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale
kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen
met de centrale kredietinstelling zelf.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de
minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding
tot
(1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van
die gelden;
(2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen
gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter
beschikking verkregen gelden te boven gaan.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van de regels verlenen, mits de liquiditeit van die
kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is
gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en
voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de
begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
§ 5. Toezicht op de administratieve organisatie
Artikel 22
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met
betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de
financiële administratie – en de interne controle.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met
de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over
wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de
betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor
onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een
centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die
betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale
kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen
met de centrale kredietinstelling zelf.
3. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere
omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing
beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
4. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de
begrippen, waaromtrent de aanbevelingen en regels worden gegeven.
§ 5a. Toezicht op de bedrijfsvoering met het oog op de integriteit
van die bedrijfsvoering
Artikel 22a
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld
ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en
van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de
kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen
schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en
van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het
maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het
vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in
het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond
van de cliënten van de kredietinstelling;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen
onderwerpen.
Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
§ 6. Structuurtoezicht
Artikel 23
1. Het is een kredietinstelling verboden, anders dan na
verkregen verklaring van geen bezwaar:
a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering
van reserves te verminderen dan wel een uitkering te doen uit de post
omvattende de dekking voor algemene bankrisico's als bedoeld in
artikel 424 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, een
financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995, een verzekeraar als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dan wel in een verzekeraar als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993, te verwerven of te vergroten, indien het
balanstotaal van die kredietinstelling, financiële instelling,
effecteninstelling of verzekeraar ten tijde van de verwerving
onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan één procent van
het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling;
c. een gekwalificeerde deelneming in een onderneming of instelling,
met uitzondering van de ondernemingen of instellingen, bedoeld in
onderdeel b, te verwerven dan wel te vergroten, indien het bedrag dat
wordt betaald voor de verwerving van die deelneming onderscheidenlijk
voor de vergroting van die deelneming tezamen met de bedragen die voor
de verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn
betaald, meer bedraagt dan één procent van het geconsolideerde
aanwezige eigen vermogen van de kredietinstelling;
d. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling
geheel of voor een belangrijk deel over te nemen;
e. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;
f. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke
reorganisatie;
g. een beherend vennoot tot de kredietinstelling te doen toetreden.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld
in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of
zou kunnen komen met de voor de kredietinstelling geldende regels als
bedoeld in artikel 20, derde lid, onder a, (4) en (5), onder b,
(4) en onder c, (4);
b. de Bank van oordeel is dat de handeling anderszins in strijd zou
zijn of zou kunnen komen met een gezond bankbeleid;
c. de Bank van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen
leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector;
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a
bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
e. Onze minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als
bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als
bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het
tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden
verbonden.
4. Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid is
verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar
is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde
kredietinstelling gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege
Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling
ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze
verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de
desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt
afgegeven dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden
ingetrokken.
5. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het
eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze
minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen
waarbinnen de in overtreding zijnde kredietinstelling de niet nagekomen
voorschriften alsnog moet vervullen.
6. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing
op een gekwalificeerde deelneming in een vennootschap wier activa op het
moment dat de kredietinstelling de gekwalificeerde deelneming verwerft
voor meer dan 90 procent uit liquide middelen bestaan. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot
liquide middelen.
Artikel 24
1. Het is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden,
anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een
gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te
verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld
in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in
strijd is met een gezond bankbeleid;
b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou
kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan
behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een
belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de
kredietinstelling;
c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector;
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a
bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
e. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als
bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als
bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het
tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden
verbonden.
4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een
gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het
eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van
geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar
gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde
natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze
minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn
de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog
in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en
voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van
geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen
worden ingetrokken.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het
eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het
vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen
van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in
een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid een verklaring van
geen bezwaar is verkregen dan wel de bij de verklaring van geen bezwaar
gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de
uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het
besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze minister dan wel
vanwege Onze minister van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door
de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd
is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende
zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet
zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een
verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht
genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover
nodig de gevolgen van de vernietiging.
6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het
eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze
minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen
waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel
rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.
Artikel 25
1. De Bank kan, ter uitvoering van bepalingen in richtlijnen
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende
het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, aan
houders van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24,
eerste lid, die financiële instelling zijn waarvan de
dochtermaatschappijen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of
financiële instellingen zijn en waarvan ten minste één
dochtermaatschappij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1° is die een vergunning als bedoeld
in artikel 6 heeft verkregen, algemene voorschriften geven om te
voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is
verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op
laatstbedoelde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° die in strijd is met een gezond bankbeleid.
2. De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden
bepalingen inzake:
a. de omvang van het eigen vermogen van de houder als bedoeld in
het eerste lid in verhouding tot de financiële risico’s van die
houder en op geconsolideerde basis van de groep waarvan die houder aan
het hoofd staat;
b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van
de financiële risico’s als bedoeld onder a;
c. de reikwijdte van consolidatie; en
d. de door de houder als bedoeld in het eerste lid te verstrekken
inlichtingen alsmede de vorm waarin deze inlichtingen dienen te worden
verstrekt.
3. In de algemene voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan
onder de begrippen, waaromtrent algemene voorschriften worden gegeven.
4. De Bank kan voor een houder als bedoeld in het eerste lid
ontheffing van de algemene voorschriften verlenen, mits die houder, in
overeenstemming met de Richtlijn, door een toezichthoudende autoriteit
van een andere Lid-Staat bij het toezicht op kredietinstellingen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt
betrokken.
5. Met betrekking tot de algemene voorschriften zijn de artikelen
24, zesde lid, en 26, zesde lid, aanhef en onder d, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn als
bedoeld in artikel 24, zesde lid, door de Bank wordt vastgesteld.
Artikel 25a
1. Voor het geval van een houder van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, die aan het hoofd staat
van een groep waartoe een of meer kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en een of meer
verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 1, onderdeel c,
van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf behoren en
waartoe ten minste één kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1° behoort die een vergunning als
bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, kan de Bank, in overeenstemming
met de autoriteit die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf belast is
met het toezicht op verzekeraars, op grond van de overwegingen als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdelen a en b,
voorschriften formuleren.
2. De voorschriften worden overeenkomstig artikel 24, derde lid,
door Onze minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
het eerste lid verbonden.
3. Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze minister,
de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege
Onze minister de Bank, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de
verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste
lid is verleend.
4. De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 26
1. Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 24,
eerste lid, wordt beslist door Onze minister, de Bank gehoord, dan wel
in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister door de
Bank.
2. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend:
a. kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het
vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens
20, 33, 50 of 100 procent kan gelden;
b. kan deze, voor zover het een verklaring van geen bezwaar als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, betreft, betrekking hebben op:
1°. door de aanvrager via een dochtermaatschappij verworven en
nog te verwerven middellijke deelnemingen;
2°. door de aanvrager verworven dan wel nog te verwerven
middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld onder
1°, voor zover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de
aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven;
c. voor een deelneming in een kredietinstelling, kan op verzoek van
de aanvrager worden bepaald dat de verleende verklaring van geen
bezwaar betrekking geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk,
onverminderd artikel 23.
3. De aanvraag wordt ingediend bij de Bank. De Bank zendt de
aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze minister behoudens in de
gevallen waarin zij vanwege Onze minister beslist.
4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
5. Van de verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de Bank aan de betrokken
kredietinstelling mededeling gedaan.
6. Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door
Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank mededeling
gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover Onze minister of
de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of zou kunnen leiden
tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden bij de
beschikking of derden.
7. Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze minister, de
Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege
Onze minister door de Bank worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien aan de houder een verklaring van geen bezwaar wordt
verleend die betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken
verklaring van geen bezwaar was verleend;
c. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
d. indien niet alsnog binnen de termijn als bedoeld in artikel 23,
vijfde lid, respectievelijk artikel 24, zesde lid, aan alle bij de
verklaring van geen bezwaar gestelde voorschriften wordt voldaan.
8. Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van
geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke
a. naar het oordeel van de Bank tot strijd met een gezond
bankbeleid respectievelijk tot een invloed op de betrokken
kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid leiden of
zouden kunnen leiden;
b. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen
leiden dat de betrokken kredietinstelling zou gaan behoren tot een
groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in
zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen
voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;
c. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen
leiden dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels
onvoldoende is gewaarborgd; of
d. naar het oordeel van de Bank of Onze minister tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector leiden of zouden kunnen leiden;
en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen
bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest,
een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring
van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften zou zijn verleend, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan
wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de
Bank aan de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen en
nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar
intrekken.
9. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de
Bank aan de betrokken kredietinstelling mededeling gedaan.
10. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring
van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de
afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.
11. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar wordt door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de
Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover
Onze minister of de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of
zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van
belanghebbenden bij de beschikking of derden.
Artikel 27
1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt de Bank
vooraf in kennis van een zodanige wijziging van diens gekwalificeerde
deelneming in een kredietinstelling waardoor de omvang van deze
deelneming:
a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan
wel waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt; of
b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel
waardoor de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
2. Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank
in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming
in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt de kredietinstelling,
zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving,
afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze
instelling waardoor de omvang van deze deelneming:
a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan
wel waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt; of
b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel
waardoor de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
3. De Bank stelt Onze minister eens per jaar in kennis van de
gegevens waarover zij ingevolge het eerste en het tweede lid beschikt.
4. De Bank stelt de Stichting Autoriteit Financiële Markten
onverwijld in kennis van een gekwalificeerde deelneming onder vermelding
van de omvang van die deelneming waarvoor een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 23 is verleend en waarop de vrijstelling,
bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995 van toepassing is.
§ 7. Bijzondere maatregelen
Artikel 28
1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de
regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a, niet naleeft, of
indien de Bank andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar
haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de
kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de
kredietinstelling dan wel de belangen van de crediteuren of
toekomstige crediteuren van de kredietinstelling anderszins in gevaar
brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die
kredietinstelling.
2. Zo nodig doet de Bank de mededeling, bedoeld in het eerste
lid, vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan
te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de
aanwijzing een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft
ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar
aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank
a. de kredietinstelling aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip
alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden
slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank
aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze
personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de kredietinstelling aanzeggen, dat de Bank zal overgaan tot
publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke
publicatie, wanneer de kredietinstelling zulks verlangt, tevens de
correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de
aanwijzing tussen de Bank en de kredietinstelling is gevoerd;
c. met de voorzitter van de representatieve organisatie van de
groep kredietinstellingen, waartoe de kredietinstelling behoort,
dienaangaande in overleg treden, wanneer de Bank zulks in het belang
van crediteuren acht. De voorzitter kan zich bij dit overleg doen
bijstaan door ten hoogste twee functionarissen van zijn organisatie,
tenzij de Bank zulks niet wenselijk acht. De Bank doet de
kredietinstelling mededeling van het overleg.
4. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van
een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk
maakt met het oog op de solvabiliteit of de liquiditeit van de
kredietinstelling, met het oog op de integere bedrijfsvoering van de
kredietinstelling, dan wel met het oog op andere belangen van de
crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling, kan zij
zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven
aan de onderdelen a en c van het derde lid.
5. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het derde
lid, onder a, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de
Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling
toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;
c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit
gedurende ten hoogste twee jaren na bekendmaking van de aanzegging,
bedoeld in het derde lid, onder a, behoudens de bevoegdheid van
de Bank om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;
d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door
andere vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in
strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder a,
zijn degenen, die deel uit maken van het orgaan van de
kredietinstelling dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk
aansprakelijk tegenover de kredietinstelling; de kredietinstelling kan
de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij
wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon
zijn;
f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit of de
liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van
de kredietinstelling of andere belangen van de crediteuren of
toekomstige crediteuren van de kredietinstelling niet langer gevaar
lopen, trekt zij de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid,
onderscheidenlijk de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder a,
in.
6. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in
het derde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het
onherroepelijk is geworden. Indien de kredietinstelling na de publicatie
alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien de Bank de aanwijzing
intrekt, zal de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande
publicatie kennis geven.
7. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan
de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door
de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 29
1. Indien de Bank door de toezichthoudende autoriteit van een
andere Lid-Staat ervan in kennis is gesteld dat een bijkantoor in die
Lid-Staat van een in Nederland gevestigde kredietinstelling de voor
die kredietinstelling in die andere Lid-Staat op het bijkantoor van
toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet
volledig naleeft, vestigt zij daarop de aandacht van die
kredietinstelling.
2. Zo nodig doet de Bank de mededeling als bedoeld in het eerste
lid, vergezeld gaan van een, zo nodig na overleg met de toezichthoudende
autoriteit als bedoeld in het eerste lid opgestelde, aanwijzing om
binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te
geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing
bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling
heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar
aanwijzing is gevolg gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in
artikel 16, derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit
van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het
intrekken van de mededeling in kennis.
§ 8. Jaarrekening
Artikel 30
1. Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar ten minste haar jaarrekening als
bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek bij de Bank in te dienen. De jaarrekening moet worden
ingediend in de vorm waarin zij overeenkomstig de statuten of de
vennootschapsakte is goedgekeurd of bij gebreke van goedkeuring is
vastgesteld, dan wel, bij gebreke van vaststelling, in de vorm waarin
zij is opgemaakt. Daarop wordt vermeld of zij al dan niet is
vastgesteld en goedgekeurd.
2. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent
de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De
kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de
accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een
daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de
accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die
redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste
uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt
de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het
verstrekken van inlichtingen door de accountant.
3. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van het in het eerste of tweede lid bepaalde verlenen en aan
deze ontheffing voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in
titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt de Bank zo
spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van
zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen
en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een
vergunning als bedoeld in artikel 6 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
5. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming
of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van
overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling
dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel
indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de
kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder
dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien
verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn
van een natuurlijk persoon of vennootschap.
6. De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot
een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade
die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt
dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot
melding had mogen worden overgegaan.
Afdeling 4. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A,
onder 2°
Artikel 30a
De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere
kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder
2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
Artikel 30b
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al
dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun
solvabiliteit en liquiditeit.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met
de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over
wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de
betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de
verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te
worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die
met uitgegeven elektronisch geld verband houden;
b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden
van:
1°. de beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of
onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen
gelden.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van de regels verlenen, indien de liquiditeit en de
solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank
anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing
beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de
begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
Artikel 30c
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met
betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de
financiële administratie – en de interne controle.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met
de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over
wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de
betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de
verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere
omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk
ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing
beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
4. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de
begrippen waaromtrent de regels worden gegeven.
Artikel 30ca
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld
ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en
van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de
kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen
schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en
van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het
maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het
vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in
het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond
van de cliënten van de kredietinstelling;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen
onderwerpen.
Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 30d
1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens
is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een
kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat
daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent
overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt,
dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming
in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over
te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de
natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen
gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is
gedaan.
2. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens
gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de
deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de
kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank
daarvan in kennis.
3. Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het
eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de
betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid,
dan wel indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het
eerste lid niet ertoe leidt of zou kunnen leiden dat de naleving van de
in artikel 30ca bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd, deelt zij de
natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van
de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar
bestaat tegen het voornemen.
4. Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank
in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming
in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling,
zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving,
afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze
kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven
onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt
onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een
dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het
eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het
vergroten van de gekwalificeerde deelneming de mededeling, bedoeld in
het derde lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap
tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden
vernietigd op vordering van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door
de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd
is, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende
zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet
zou zijn genomen. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van
de vernietiging.
Artikel 30e
1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de
regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, niet naleeft, of
andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de
liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar
brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die
kredietinstelling.
2. Artikel 28, tweede lid, derde lid, onder a en b, en vierde tot
en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30f
De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot kredietinstellingen, bedoeld in deze afdeling.
Hoofdstuk III. Kredietinstellingen die in een andere Lid-Staat zijn
gevestigd
Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling in Nederland
§ 1. Bijkantoor
Artikel 31
1. Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of
instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling door middel van
een bijkantoor in Nederland uit te oefenen, tenzij
a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat
een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling
benodigde vergunning heeft verkregen;
b. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende
autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:
(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn
vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van
het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio
van de kredietinstelling; en
(5). gegevens omtrent de toepasselijkheid van een
garantieregeling in de andere Lid-Staat op de verplichtingen van het
bijkantoor; en
c. de Bank de ontvangst van de kennisgeving als bedoeld onder b
aan de onderneming of instelling heeft medegedeeld dan wel er acht
weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de
kennisgeving als bedoeld onder b heeft ontvangen.
2. Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling
die krachtens het eerste lid het bedrijf van kredietinstelling door
middel van een bijkantoor in Nederland mag uitoefenen, echter niet
toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te
verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden door de
vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt uitgesloten
dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder b,
het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
3. De in de andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als
bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende
autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren
in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in
het eerste lid, onder b, sub (1), (2), (3) of (5) of, in
voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden
door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.
4. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren
tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien
het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat
rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de
belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de
vrijstelling voorschriften verbinden.
5. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen
van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het
bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks
naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.
§ 2. Verrichten van diensten
Artikel 32
1. Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of
instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, verboden al
dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek ter
beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten
in Nederland, tenzij
a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat
een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling
benodigde vergunning heeft verkregen; en
b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende
autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de
voorgenomen werkzaamheden.
2. Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling
die krachtens het eerste lid opvorderbare gelden van het publiek ter
beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten in
Nederland, echter niet toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van
de Richtlijn te verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden
door de vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt
uitgesloten dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder
b, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.
3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren
tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien
het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat
rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de
belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de
vrijstelling voorschriften verbinden.
4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen
van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het
bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks
naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.
Artikel 32a
Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of
instelling die het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, onder 2°, uitoefent, verboden door middel van het
verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen
in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, tenzij;
a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat
een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, benodigde
vergunning heeft verkregen; en
b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende
autoriteit van de andere Lid-Staat, welke een opgave van de
voorgenomen werkzaamheden bevat.
§ 3. Bijzondere bepalingen
Artikel 33
1. Indien een Lid-Staat de Richtlijn niet of onvolledig heeft
uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in
die Lid-Staat gevestigde ondernemingen en instellingen het tweede en
derde lid gelden.
2. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste
lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van
artikel 31, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.
3. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste
lid, is, met betrekking tot het ter beschikking verkrijgen van, al dan
niet op termijn, opvorderbare gelden door middel van het verrichten van
diensten in Nederland, in plaats van artikel 32, artikel 82 van
toepassing.
4. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel als bedoeld in
het eerste lid ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de
in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat
tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1° door middel van een bijkantoor in
Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in
artikel 38, eerste lid heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan
artikel 31, eerste lid, onder b en c; de aan deze
onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel
38, eerste lid vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling in Nederland
§ 1. Toezicht
Artikel 34
Artikel 21 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in
Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat
overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.
§ 2. Bijzondere maatregelen
Artikel 35
1. Indien de Bank constateert, dat een bijkantoor in Nederland
van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat
overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, de
regels als bedoeld in artikel 21 niet naleeft, of andere tekenen
ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit
van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen, is artikel
28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.
2. Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de
aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, een haar bevredigend
antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende
aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank de toezichthoudende
autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is, daarvan in
kennis stellen en die toezichthoudende autoriteit verzoeken te
bewerkstelligen dat alsnog binnen een door de Bank te stellen termijn
aan de aanwijzing gevolg wordt gegeven.
3. Indien de Bank niet binnen de laatstbedoelde door haar
gestelde termijn een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien
naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is
gegeven, is, nadat de Bank de toezichthoudende autoriteit van die andere
Lid-Staat daarvan in kennis heeft gesteld, artikel 28, derde, vijfde en
zesde lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
liquiditeit van het bijkantoor.
4. Indien de Bank bij een bijkantoor in Nederland van een in een
andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het
bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° uitoefent, tekenen ontwaart van een ontwikkeling
die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt
en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Bank,
niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, met
overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid,
met betrekking tot het bijkantoor maatregelen treffen die zij
onontbeerlijk acht voor de bescherming van de belangen van de
crediteuren van het bijkantoor.
5. De Bank kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 28,
derde tot en met zevende lid, met betrekking tot het bijkantoor tevens
maatregelen treffen, ingeval zij daartoe een verzoek heeft gekregen van
de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° gevestigd is.
6. De Bank doet van de maatregelen als bedoeld in het vierde en
vijfde lid onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van
de andere Lid-Staat en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
§ 3. Boekhouding en verslaglegging
Artikel 36
Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat
gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van
kredietinstelling uitoefent, dient voor zijn bedrijf hier te lande ten
minste een zodanige boekhouding te voeren, dat de Bank de haar bij deze
wet opgelegde taak kan uitoefenen.
Artikel 37
Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat
gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° uitoefent, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop
van het boekjaar van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 1° waarvan het onderdeel uitmaakt, de
boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996 bij
de Bank in te dienen.
Hoofdstuk IV. Kredietinstellingen die in een Staat, die niet een
Lid-Staat is, zijn gevestigd
Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling in Nederland
§ 1. Algemeen
Artikel 38
1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is,
gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van
kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland uit te
oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning
heeft verkregen.
2. Het is een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld
in het eerste lid heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet
uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in
bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning
uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van
andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke
voorschriften.
3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren
tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien
het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat
rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de
belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de
vrijstelling voorschriften verbinden.
4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen
van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het
bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks
naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.
Artikel 38a
1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is,
gevestigde onderneming of instelling verboden door middel van het
verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen
in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, waarmee
betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming
of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.
2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren
tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen
vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien
het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat
rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de
belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de
vrijstelling voorschriften verbinden.
3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen
van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het
bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks
naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.
§ 2. Vergunning
Artikel 39
De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h, i en
k, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid,
vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige
toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet
een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel
38, eerste lid.
Artikel 40
Niettegenstaande het bepaalde in artikel 9 en onverminderd het
bepaalde in artikel 15 weigert de Bank een door een onderneming of
instelling gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid of
trekt zij een verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid
in, indien de onderneming of instelling in de Staat waar zij is
gevestigd niet een voor de uitoefening van het bedrijf van
kredietinstelling benodigde vergunning bezit, dan wel uit de overgelegde
informatie blijkt dat deze onderneming of instelling, gelet op haar
solvabiliteit, liquiditeit of haar organisatie en structuur,
redelijkerwijs niet in staat is het bedrijf van kredietinstelling uit te
oefenen of te controleren.
Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling in Nederland
§ 1. Toezicht
Artikel 41
1. De artikelen 20 tot en met 23 en 26 zijn van overeenkomstige
toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die
niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als
bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.
2. De artikelen 30b tot en met 30ca zijn van overeenkomstige
toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet
een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in
artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.
§ 2. Bijzondere maatregelen
Artikel 42
1. Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op een
bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat
is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in
artikel 38, eerste lid heeft verkregen.
2. Artikel 30e is van overeenkomstige toepassing op een
bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is,
gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38,
eerste lid, heeft verkregen.
§ 3. Boekhouding en verslaglegging
Artikel 43
Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een
Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als
bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, voert voor zijn
bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding, die zodanig is dat
de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.
Artikel 44
Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een
Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als
bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, is verplicht
jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de
kredietinstelling waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden,
aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996, bij de Bank in te
dienen.
Hoofdstuk V. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële
instelling in een andere Lid-Staat door financiële instellingen die in
Nederland zijn gevestigd
§ 1. Ondertoezichtstelling
Artikel 45
1. Op aanvraag van een financiële instelling die
dochtermaatschappij is van één of meer kredietinstellingen die een
vergunning bedoeld in artikel 6 heeft of hebben verkregen, en die haar
bedrijf door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van
diensten in een andere Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit
te oefenen, kan de Bank aan die financiële instelling een verklaring
van ondertoezichtstelling verlenen en daarbij het bij of krachtens de
artikelen 11, 20, 22, 22a, 24, 26 en 27 bepaalde van overeenkomstige
toepassing verklaren op die financiële instelling.
2. De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het
verlenen van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in
artikel 46, gegevens omtrent:
a. de identiteit van de kredietinstelling of kredietinstellingen
waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is;
b. een programma van werkzaamheden welke de financiële instelling
verricht dan wel voornemens is te verrichten;
c. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de
financiële administratie en de interne controle en
d. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en
handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de
maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
3. De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag.
Artikel 46
De Bank verleent de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld
in artikel 45, eerste lid, slechts indien:
a. de financiële instelling aantoont, dat het haar, voor zover
op haar werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing
zijn, is toegestaan deze werkzaamheden te verrichten;
b. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, ten minste 90 procent van de stemrechten in
de financiële instelling bezit of bezitten;
c. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, met instemming van de Bank de verplichtingen
van de financiële instelling garandeert of garanderen; en
d. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, naar het oordeel van de Bank mede zorgdraagt
of zorgdragen voor een gezonde bedrijfsvoering bij de financiële
instelling.
Artikel 47
De Bank kan een verklaring van ondertoezichtstelling intrekken,
indien:
a. de financiële instelling daarom verzoekt;
b. de onderneming of instelling, aan welke de verklaring van
ondertoezichtstelling is verleend, opgehouden heeft een financiële
instelling te zijn;
c. de financiële instelling niet meer voldoet aan het bepaalde
in artikel 46, onder a;
d. met betrekking tot de financiële instelling niet meer wordt
voldaan aan het in artikel 46, onder b, c of d
bepaalde of het in de artikelen 24, 26 of 27, eerste lid, bepaalde
niet wordt nageleefd;
e. de financiële instelling het bij of krachtens de artikelen
11, 20, 22, 22a en 27, tweede lid, bepaalde niet naleeft; of
f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging
van de verklaring van ondertoezichtstelling zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest.
§ 2. Bijkantoor
Artikel 48
1. Een financiële instelling, die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft
verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent,
uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen door middel van een
bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient de Bank daarvan schriftelijk
kennis te geven.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te
geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling het bijkantoor
heeft gevestigd dan wel voornemens is te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve
organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de
interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het
bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in
het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent
de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling en de
solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of
kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de
toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede
lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling
schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling,
gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld
in het eerste lid, verricht dan wel voornemens is te verrichten,
redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de
artikelen 20, 22 en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen
mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld
in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling
hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld
in het eerste lid en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het
tweede lid, onder b, c of d, voordoet of indien het
voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van
het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de
financiële instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de
andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat
of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge
het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële
instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het
bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet
langer zal kunnen voldoen aan de regels als bedoeld in de artikelen 20,
22 en 22a, trekt zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. De
Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de
financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling
in kennis.
§ 3. Verrichten van diensten
Artikel 49
1. Een financiële instelling, die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft
verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, door
middel van het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de
eerste maal na de verkrijging van de verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, in die
Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, dient de
Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te
geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling de werkzaamheden
voornemens is te verrichten;
b. de werkzaamheden welke de financiële instelling voornemens is
te verrichten.
3. De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de
kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in
het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede
lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat
als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de
financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in
kennis.
Hoofdstuk VI. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële
instelling in Nederland door financiële instellingen die in een andere
Lid-Staat zijn gevestigd
§ 1. Bijkantoor
Artikel 50
1. Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat,
niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een
maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is
gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid,
vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de
toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende
wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het
werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft,
uitsluitend de werkzaamheden vermeld in het programma van
werkzaamheden als bedoeld onder a, (1), door middel van een
bijkantoor in Nederland te verrichten, indien
a. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende
autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:
(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen
werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn
vermeld;
(2). het adres van het bijkantoor;
(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van
het bijkantoor zullen bepalen;
(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële
instelling; en
(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de
kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële
instelling dochtermaatschappij is; en
b. de Bank de ontvangst van de kennisgeving bedoeld onder a aan de
financiële instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn
verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als
bedoeld onder a heeft ontvangen.
2. De in een andere Lid-Staat gevestigde financiële instelling
als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende
autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren
in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in
het eerste lid, onder a, sub (1), (2) of (3) of, in voorkomend
geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel
van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.
§ 2. Verrichten van diensten
Artikel 51
Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde
een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in
die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als
bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft
verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar
werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts
toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de
Richtlijn betreft, uitsluitend de in de kennisgeving vermelde
werkzaamheden door middel van het verrichten van diensten in Nederland
te verrichten, indien de financiële instelling een kennisgeving heeft
gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat,
welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.
Hoofdstuk VII. Register
Artikel 52
1. Er is een register dat door de zorg van de Bank wordt
gehouden.
2. De Bank draagt zorg voor de inschrijving van iedere
kredietinstelling:
a. die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen;
b. die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft
verkregen;
c. die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van
kredietinstelling mag uitoefenen;
d. die krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar werkzaamheden
door middel van het verlenen van diensten mag verrichten;
en van iedere financiële instelling:
e. die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, heeft verkregen;
f. die krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland mag
verrichten; en
g. die krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag
verrichten.
3. De Bank draagt zorg voor de doorhaling van een inschrijving
van iedere kredietinstelling:
a. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 6 is ingetrokken;
b. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid is
ingetrokken;
c. die niet langer krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf
van kredietinstelling mag uitoefenen;
d. die niet langer krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar
werkzaamheden door middel van het verlenen van diensten mag
verrichten;
en van iedere financiële instelling:
e. waarvan de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, is ingetrokken;
f. die niet langer krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland
mag verrichten; en
g. die niet langer krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland
mag verrichten.
4. Van de inschrijving dan wel de doorhaling van een inschrijving
in het register van een kredietinstelling of financiële instelling
wordt door de zorg van de Bank binnen twee weken na de dag, waarop deze
heeft plaats gehad, mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. In de maand januari van elk jaar wordt door de zorg van de
Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van
het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst.
6. Een afschrift van het register ligt voor een ieder kosteloos
ter inzage ten kantore van de Bank.
Hoofdstuk VIII. Informatie-inwinning, geheimhouding,
informatie-uitwisseling en samenwerking
Afdeling 1. Informatie-inwinning
§ 1. Informatie-inwinning door de Bank bij niet-geregistreerde
ondernemingen en instellingen
Artikel 53
De Bank kan bij iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan
kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens
deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen
die redelijkerwijs nodig zijn om dit te beoordelen.
§ 2. Informatie-inwinning door de Bank ten behoeve van haar toezicht
op kredietinstellingen
Artikel 54
1. De Bank kan bij:
a. iedere kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid,
onder a, b, of c, is geregistreerd;
b. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het
bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, onder d, dan wel
overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 25, tweede lid, onder c,
binnen de reikwijdte van de consolidatie valt;
c. iedere onderneming of instelling die met een onder a genoemde
kredietinstelling in een groep is verbonden;
d. iedere onderneming of instelling die een gekwalificeerde
deelneming houdt als bedoeld in artikel 24, eerste lid, en artikel
30d, eerste lid,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig
zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond
van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze
wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Ten aanzien van personen die door de Bank zijn belast met het
inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en
bevoegdheden die de Bank heeft op grond van het bij of krachtens deze
wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste
lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en
die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden
tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 55
1. Een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid,
onder a of b is geregistreerd, dient bij de Bank periodiek binnen de
daartoe vastgestelde termijnen staten, al dan niet tevens op
geconsolideerde basis, inzake haar bedrijf in, die de Bank nodig heeft
voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij artikel 2 van deze
wet opgelegd. Op verzoek van de Bank dient een kredietinstelling die
ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c is geregistreerd, deze
staten, al dan niet periodiek, binnen de daartoe vastgestelde termijn
bij de Bank in.
2. De vorm, waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten
worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten welke zij
moeten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking
moeten hebben, de termijnen, binnen welke zij moeten worden ingediend en
de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten worden door
de Bank bepaald en kunnen voor onderscheiden groepen van
kredietinstellingen verschillend zijn.
3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht
noodzakelijk acht, kan zij een kredietinstelling opdragen staten als
bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben
op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan
ingevolge het tweede lid is bepaald.
4. De verplichtingen als omschreven in het eerste lid gelden niet
voor zover aan een kredietinstelling een ontheffing als bedoeld in de
artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, vierde lid is
verleend.
5. De staten als bedoeld in het eerste lid moeten periodiek zijn
voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht
tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of
ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de
kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle
inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden
nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de
Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid
aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de
accountant.
6. De accountant, bedoeld in het vijfde lid, meldt de Bank zo
spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van
zijn werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid kennis heeft gekregen
en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een
vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
7. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming
of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het zesde lid, van
overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling
dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel
indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de
kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder
dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien
verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn
van een natuurlijk persoon of vennootschap.
8. De accountant die op grond van het zesde of zevende lid tot
een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade
die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt
dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot
melding had mogen worden overgegaan.
9. De Bank kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de
verplichting als omschreven in het eerste lid en aan deze ontheffing
voorschriften verbinden.
Artikel 56
1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a
of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in
kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de
regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a.
2. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c,
is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen
van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in
artikel 21.
3. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 2°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of
b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te
stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels,
bedoeld in de artikelen 30b, 30c of 30ca.
Artikel 56a
De Bank is bevoegd de personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onder b, c, d en e, op te roepen. Deze
personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen. De oproeping
geschiedt op een door de Bank te bepalen wijze. De personen zijn
verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.
Artikel 57
Bij of krachtens de in de artikelen 22a en 30ca bedoelde algemene
maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat kredietinstellingen
bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de Bank
melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de
bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 58
1. Een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54,
eerste lid, onder b, dient een zodanige boekhouding te voeren, dat zij
de Bank de inlichtingen, bedoeld in artikel 54, kan verschaffen.
2. Indien de Bank van oordeel is dat een onderneming of
instelling niet aan het bepaalde in het eerste lid voldoet, kan zij aan
die onderneming of instelling een voorschrift met betrekking tot het
voeren van haar boekhouding geven.
Artikel 59
De artikelen 54, 55 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot een financiële instelling die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft
verkregen.
§ 3. Grensoverschrijdende verificatie ter plaatse
Artikel 60
1. Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel
54, eerste lid, in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten
behoeve van het toezicht:
a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter
plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te
overtuigen; dan wel
b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere
Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de
juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te
doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, of artikel 48, eerste lid, kan de Bank, ten behoeve van het
toezicht:
a. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verzoeken
zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte
inlichtingen te overtuigen; dan wel
b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de
andere Lid-Staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de
juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te
doen overtuigen.
Artikel 61
1. Ingeval, in overeenstemming met de Richtlijn, ten behoeve
van het toezicht op kredietinstellingen in een andere Lid-Staat door
dan wel omtrent een in Nederland gevestigde onderneming of instelling
inlichtingen aan de toezichthoudende autoriteiten van die Lid-Staat
zijn verstrekt, zal de Bank na daartoe door de toezichthoudende
autoriteit van de desbetreffende Lid-Staat te zijn verzocht:
a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende
autoriteit van de andere Lid-Staat verstrekte inlichtingen overtuigen;
dan wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat toestaan
zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte
inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.
2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, of artikel 50, eerste lid, zal, ten behoeve van het toezicht in de
andere Lid-Staat:
a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van
de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die
toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan
wel
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer
deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van
de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te
doen overtuigen.
3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt
geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de
in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en
diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede
uitvoering van die verificatie, met dien verstande dat degene bij wie
het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder
toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in
zakelijke gegevens en bescheiden. De Bank kan aan die verificatie
deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere
machtiging aangewezen, doen deelnemen.
§ 4. Bijzondere bepalingen
Artikel 62
1. De onderneming of instelling waar bij of namens de Bank op
grond van de artikelen 53 of 54, eerste lid, inlichtingen worden
ingewonnen, verstrekt deze binnen de door de Bank te stellen termijn.
2. Iedere onderneming of instelling is verplicht de Bank
desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid van de
verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van zakelijke gegevens
en bescheiden en daarbij zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.
3. Een derde, die de in het tweede lid bedoelde zakelijke
gegevens en bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze
daartoe over te leggen dan wel toegankelijk te maken.
4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van
overeenkomstige toepassing ingeval een toezichthoudende autoriteit van
een andere Lid-Staat zich krachtens artikel 61 van de juistheid van de
aan haar verstrekte inlichtingen overtuigt.
Artikel 63
De bij of krachtens deze wet te verschaffen inlichtingen en opgaven
moeten tijdig, naar waarheid en op niet misleidende wijze worden
verstrekt.
Afdeling 2. Geheimhouding
Artikel 64
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen
zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van
een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a,
eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a ,
eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het
onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat evenzo, ten
aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de
toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van
partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een
verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om
gegevens of inlichtingen omtrent een kredietinstelling die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is
ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of
inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende
kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid is de Bank bevoegd
met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de
vervulling van haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen te
doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
ondernemingen of instellingen.
Afdeling 3. Informatie-uitwisseling
Artikel 65
1. Onze Minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van
artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen
verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar
ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan Nederlandse of
buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of
buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister
onderscheidenlijk de Bank deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse
instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor
een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid
heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat
verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de
aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
Artikel 65a
1. Onze minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van
artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen
die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen
de kredietinstelling in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten
verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar
ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een
rechter-commissaris voor zover die is belast met het toezicht uit
hoofde van artikel 76d in een noodregeling als bedoeld in hoofdstuk X,
indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, of, indien een machtiging is verleend als
bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c, zo lang de
bewindvoerder nog niet activa te gelde heeft gemaakt met het oogmerk
deze te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
2. Onze minister onderscheidenlijk de Bank verstrekt geen
gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die
deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de
gegevens of inlichtingen.
3. Artikel 64, eerste tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste
lid verstrekte gegevens.
Artikel 65b
In afwijking van artikel 64 kunnen in een noodregeling als bedoeld in
hoofdstuk X gegevens of inlichtingen die geen betrekking hebben op
derden die betrokken zijn bij pogingen de kredietinstelling in staat te
stellen haar bedrijf voort te zetten, door de bewindvoerder worden
opgenomen in de verslagen, bedoeld in artikel 72, zesde lid, indien een
machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of, indien een machtiging is verleend als bedoeld in
artikel 75, eerste lid en aanhef, onderdeel c, activa van de
kredietinstelling te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te
verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Artikel 65c
In afwijking van artikel 64 is artikel 65a van overeenkomstige
toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op derden
die betrokken zijn bij pogingen de kredietinstelling in staat te stellen
haar bedrijf voort te zetten, ongeacht of een machtiging is verleend,
als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b of c, en
ongeacht of activa te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te
verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Artikel 66
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die
op die markten werkzaam zijn, is Onze Minister onderscheidenlijk de
Bank bevoegd ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een
Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland
valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van
wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen,
inlichtingen te vragen aan of een onderzoek in te stellen of te doen
instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn
respectievelijk haar toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of
inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, is verplicht deze gegevens of inlichtingen
binnen een door Onze minister onderscheidenlijk de Bank te stellen
termijn te verstrekken.
Artikel 66a
1. Onze Minister onderscheidenlijk de Bank kan toestaan dat een
functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 66,
eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in
dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
Artikel 67
1. De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking
van een vergunning als bedoeld in artikel 6 met betrekking tot een
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1°, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten
van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
2. De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van
een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45,
eerste lid, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten
van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Afdeling 4. Samenwerking met de autoriteiten die ingevolge de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht
beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer
1995 belast zijn met het toezicht op verzekeraars,
beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en
vermogensbeheerders
Artikel 67a
1. De Bank werkt samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet
toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995,
de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk
de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast zijn met het
toezicht op beleggingsinstellingen, effecteninstellingen,
natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk verzekeraars, met het
oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid
ter zake van bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwerpen die
zowel het toezicht ingevolge deze wet als het toezicht ingevolge een
van de eerdergenoemde wetten betreffen.
2. De Bank voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het
betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met
inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten
afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en
in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. De Bank draagt er
zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze
Minister.
3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de
Bank in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt
gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering
is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 68
1. De Bank werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de
uitoefening van het toezicht op kredietinstellingen die deel uitmaken
van een groep, samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht
beleggingsinstellingen (Stb. 1990, 380) onderscheidenlijk de
Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op
verzekeraars, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk
effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep
behoren.
2. De Bank pleegt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar
nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.
3. De Bank werkt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar
nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als
bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen
betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke
eisen, het coördineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders
uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en
inlichtingen.
4. De Bank verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste
lid danwel de autoriteit die belast is met de uitvoering van de Wet
inzake de geldtransactiekantoren of de Wet toezicht trustkantoren de
gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van
de haar ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op
de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onder b en d, onderscheidenlijk de voornemens of
antecedenten van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c
en e, voor zover de Bank van oordeel is dat deze gegevens of
inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat
door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in
het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid.
Hoofdstuk IX. Liquidatie
Artikel 69
1. Een kredietinstelling die in Nederland is gevestigd dan wel
een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een
Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling, welke tot algehele of
gedeeltelijke liquidatie van haar bedrijf dan wel tot ontbinding heeft
besloten, is verplicht de Bank te raadplegen en aan de Bank mededeling
te doen van de wijze waarop de liquidatie onderscheidenlijk de
ontbinding zal plaatsvinden ten minste dertien weken, voordat aan het
besluit uitvoering wordt gegeven; de Bank kan deze termijn verkorten.
De Bank wordt aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel
23, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ingeval een
kredietinstelling als bedoeld in de eerste volzin besluit tot
ontbinding en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de
artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste
lid, en 23c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 23, eerste lid, en 23a,
eerste lid, gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de
vennootschapsovereenkomst als statuten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een kredietinstelling, die op grond van artikel 6, tweede lid,
is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 6, derde lid, is
ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid;
b. een kredietinstelling, die op grond van artikel 31, vierde lid,
is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 31, vijfde lid,
is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid;
c. een kredietinstelling die op grond van artikel 38, derde lid, is
vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 38, vierde lid, is
ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid.
Hoofdstuk X. Noodregeling en in andere Staten dan Nederland
vastgestelde saneringsmaatregelen
Afdeling 1. Kredietinstellingen die zijn gevestigd in Nederland of in
een Staat die niet een Lid-Staat is
Artikel 70
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. een kredietinstelling, die op grond van artikel 6, tweede lid,
is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 6, derde lid,
is ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid;
b. een kredietinstelling, die op grond van artikel 31, vierde
lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 31,
vijfde lid, is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid;
c. een kredietinstelling die op grond van artikel 38, derde lid,
is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 38, vierde
lid, is ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid.
Artikel 71
1. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een
kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft
verkregen dan wel van een bijkantoor in Nederland van een in een
Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een
vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen,
tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in
die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank,
binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor
is gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren, dat de
kredietinstelling verkeert in een toestand welke in het belang van de
gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.
2. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een
kredietinstelling waarop het verbod van artikel 6 van toepassing is, een
kredietinstelling die in een andere Lid-Staat is gevestigd met
bijkantoor in Nederland en die niet voldoet aan het bepaalde in artikel
31, eerste lid, onder a, dan wel een kredietinstelling die is gevestigd
in een Staat die niet een Lid-Staat is met bijkantoor in Nederland en
waarop het verbod van artikel 38, eerste lid, van toepassing is, naar
het oordeel van de Bank zodanig is dat te voorzien is dat de
kredietinstelling haar verplichtingen ter zake van de door haar
verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank,
binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is
gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren dat de kredietinstelling
verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke
schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.
3. De Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de
betrokken kredietinstelling en, in voorkomend geval, het bijkantoor en
geeft kennis van de inhoud van het verzoekschrift aan:
a. indien het een in Nederland gevestigde kredietinstelling
betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de Lid-Staten van
ontvangst;
b. indien het een buiten de Unie gevestigde kredietinstelling
betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten
waarheen zij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland.
4. De rechtbank behandelt het verzoek met de meeste spoed.
5. De rechtbank is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen door
deskundigen, daartoe door haar aangewezen, van zakelijke gegevens en
bescheiden van de betrokken kredietinstelling dan wel bijkantoor. De
artikelen 53 en 62, eerste tot en met derde lid, zijn daarbij van
overeenkomstige toepassing.
6. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de
kredietinstelling dan wel het bijkantoor en de Bank zijn gehoord,
althans behoorlijk opgeroepen.
7. Indien het verzoek wordt toegewezen, bevat de beschikking van
de rechtbank de benoeming van een van haar leden of van de leden van een
andere rechtbank tot rechter-commissaris en de benoeming van een of meer
bewindvoerders. De Bank kan voor de benoeming van de bewindvoerder of
bewindvoerders voordrachten doen.
8. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op
een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan
onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het
Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse
dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van
ontvangst. Het uittreksel vermeldt naam en woonplaats van de
kredietinstelling en, indien aanwezig, het bijkantoor in Nederland van
een buiten de Unie gevestigde kredietinstelling, en de woonplaats of het
kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. In de
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de twee
landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat wordt daarenboven vermeld dat
op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van
toepassing is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beslissing
beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld met vermelding
van het volledige adres van de Hoge Raad, het onderwerp van de
beslissing en de rechtsgrondslag. De publicatie in de landelijke
dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken
lidstaat. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot
aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande
enige daartegen gerichte voorziening.
9. In afwijking van de laatste volzin van het achtste lid, werkt
de beschikking, bedoeld in het eerste of het tweede lid, niet terug ten
aanzien van een door een kredietinstelling voor het tijdstip waarop de
rechtbank de beschikking heeft gegeven:
a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening, of enige
uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering,
verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht
volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a,
onderdeel b van de Faillissementswet;
b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of
vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening
of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig
uit te voeren.
10. De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste
lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een
door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in
het eerste of het tweede lid bedoelde beschikking heeft gegeven:
a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening, of enige
uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering,
verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht
volledig uit te voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld
in artikel 212a, onder b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd
op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de
centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het
verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de
Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering
van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn
van de door de rechtbank gegeven beschikking;
b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening
of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig
uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze ten
tijde van het sluiten van die overeenkomst niet op de hoogte was of op
de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven
beschikking.
11. De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste
lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een
door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in
het eerste of het tweede lid, bedoelde beschikking heeft gegeven,
gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een
dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of
andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te
voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a,
onder b van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de
rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de
afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel
212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de
uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte
behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
12. Het negende en het elfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de toekenning en op de uitoefening van een bevoegdheid als
bedoeld in het tiende lid.
13. De griffier van de rechtbank stelt de Bank onverwijld in
kennis van de inhoud van de beschikking alsmede van de mogelijke
gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt daarna
onverwijld de door Onze minister op grond van artikel 212d van de
Faillissementswet aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten
van de overige Lid-Staten in kennis van de beschikking, alsmede van de
mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.
14. De bewindvoerders geven van de beschikking, bedoeld in het
zevende lid, onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk
kennis.
15. Wanneer het verzoek aanhangig is tegelijk met een verzoek of
vordering tot faillietverklaring - eigen aangifte daaronder begrepen -,
wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot
faillietverklaring geschorst, totdat op het eerstgenoemde verzoek is
beschikt. Wordt een verklaring als bedoeld in het eerste of tweede lid,
gegeven, dan vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring
van rechtswege.
16. Bij een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid,
bepaalt de rechtbank de duur op ten hoogste anderhalf jaar. Voor het
verstrijken van de gestelde termijn kan de Bank eenmaal of meermalen
verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar
verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek
tot uitspreken van de verklaring. Zolang bij afloop van de
geldigheidsduur van de verklaring op een verzoek tot verlenging nog niet
is beschikt, blijft de verklaring gehandhaafd. Indien het verzoek tot
verlenging wordt toegewezen, is het zevende lid van toepassing.
16. De bewindvoerders kunnen verzoeken dat de noodregel wordt
ingeschreven in een openbaar register in een andere Lid-Staat.
17. De kosten van inschrijving op de voet van het zestiende lid
zijn boedelschuld.
Artikel 71a
Indien de rechtbank het noodzakelijk acht dat ten aanzien van een
bijkantoor in Nederland van een in een andere lidstaat gevestigde
kredietinstelling die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van
kredietinstelling mag uitoefenen, een saneringsmaatregel wordt
vastgesteld, stelt de griffier van de rechtbank de Bank daarvan in
kennis. De Bank stelt de bevoegde instanties van de lidstaat van
herkomst daarvan in kennis.
Artikel 72
1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden
van de organen van de kredietinstelling uit.
2. De bewindvoerders waken voor de belangen der gezamenlijke
schuldeisers.
3. De organen van de kredietinstelling zijn verplicht alle door
de bewindvoerders gevraagde medewerking te verlenen.
4. Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, wordt voor de
geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij
staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de
rechtbank vereist. De bewindvoerder, aan wie bij de beschikking van de
rechtbank, bedoeld in artikel 71, zevende lid, een bepaalde werkkring is
aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen
bevoegd.
5. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en
de Bank gehoord, althans behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en
door een ander vervangen, of hem een of meer bewindvoerders toevoegen,
een en ander op verzoek van hemzelf, de andere bewindvoerders, de Bank
of een of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.
6. De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun
bevoegdheden telkens na verloop van drie maanden alsmede na beëindiging
daarvan zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de
rechtbank.
7. Het loon van de deskundigen, aangewezen ingevolge artikel 71,
vijfde lid, alsook het loon en de verschotten van de bewindvoerders
worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.
Artikel 73
1. De rechtbank is bevoegd bij of na een verklaring als bedoeld
in artikel 71, eerste of tweede lid, op verzoek van de Bank dan wel op
verzoek van de bewindvoerders of van een of meer schuldeisers of
ambtshalve, de Bank gehoord, zodanige regelingen te treffen, als zij
ter beveiliging van de belangen der schuldeisers van de
kredietinstelling nodig oordeelt.
2. Met betrekking tot beschikkingen van de rechter-commissaris,
gegeven ter uitvoering van het toezicht op de overdracht
onderscheidenlijk de liquidatie, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid,
van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid
van artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover
de daarin opgesomde artikelen in artikel 76 van overeenkomstige
toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald
met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van
toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling.
Artikel 74
1. Een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede
lid, heeft ten gevolge, dat de kredietinstelling niet kan worden
genoodzaakt tot nakoming van haar verplichtingen; aangevangen
executies worden geschorst; gelegde beslagen vervallen. Artikel 36 van
de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in de
eerste volzin bedoelde verplichtingen. Voorts zijn de artikelen 63a
tot en met 63c van de Faillissementswet van overeenkomstige
toepassing, waarbij de aldaar genoemde bevoegdheden van de
rechter-commissaris worden uitgeoefend door de rechtbank, indien niet
op de voet van artikel 73, tweede lid, een rechter-commissaris is
benoemd. Hetgeen in de artikelen 63a tot en met 63c van de
Faillissementswet is bepaald met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 76 geldt het bij het
eerste lid bepaalde niet ten aanzien van vorderingen welke voortvloeien
uit handelingen, met de kredietinstelling dan wel het bijkantoor na de
verklaring verricht, noch voor vorderingen als bedoeld in artikel 232
van de Faillissementswet, noch voor vorderingen tot nakoming van
financiëlezekerheidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 51 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek.
3. Overigens zijn de artikelen 234 tot en met 241e van de
Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 75
1. De rechtbank kan de bewindvoerders machtigen tot:
a. overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling welke
zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het
ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan, of van een deel
daarvan;
b. gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de
kredietinstelling; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als liquidatie als
bedoeld in onderdeel b.
2. Indien bij overdracht van verbintenissen als bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel a of c, de bedingen in de
overeenkomsten, waaruit die verbintenissen voortvloeien, worden
gewijzigd, hebben de bewindvoerders daartoe de bijzondere machtiging van
de rechtbank nodig met dien verstande, dat de bedingen in de
overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel
74, tweede lid, daarbij niet kunnen worden gewijzigd. De wijziging laat
onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 76 zijn gedaan voor
de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in
het eerste lid.
3. Met betrekking tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, is het bepaalde in artikel 71, zesde en achtste lid, eerste
en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.
4. Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden,
maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de
overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen openbaar door
bekendmaking in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese
Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen
van iedere Lid-Staat van ontvangst.
5. De overdracht en de wijzigingen van de bedingen in de
overeenkomsten worden alsdan van kracht ten aanzien van alle
belanghebbenden met ingang van de dag, volgende op die van de
dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is
geplaatst.
6. Gedurende de liquidatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onderdeel b of c, regelt de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en
gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de
geldingsduur van lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het
advies van de bewindvoerders en de Bank heeft ingewonnen.
7. Zodra de liquidatie is beëindigd, doen de bewindvoerders
daarvan mededeling in de Staatscourant, het Publicatieblad van de
Europese Unie, alsmede in een of meer door de rechtbank aan te wijzen
dagbladen.
Artikel 75a
1. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in
artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan op voordracht van
de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de
machtiging worden uitgebreid tot een machtiging als bedoeld in artikel
75, eerste lid, aanhef en onderdeel c.
2. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het eerste lid
wordt niet beslist dan nadat de rechtbank de Bank in de gelegenheid
heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Bank maakt
met de meeste spoed haar mening kenbaar.
3. Nadat de Bank haar mening ingevolge het tweede lid kenbaar
heeft gemaakt, of indien zij niet van de in het tweede lid bedoelde
gelegenheid gebruik heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht
of het verzoek met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting
op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan
bij deze wet niet is afgeweken.
4. Artikel 71, achtste tot en met veertiende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 75b
Ten aanzien van een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat
die niet een Lid-Staat is, hebben de machtigingen betrekking op het
vanuit haar bijkantoren in Nederland uitgeoefende bedrijf van
kredietinstelling.
Artikel 76
1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op de vorderingen
waarop artikel 74, eerste lid, van toepassing is, voor zover dit gelet
op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling verantwoord is te
achten en mits is voldaan aan de volgende leden.
2. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard
en het bedrag van de baten en schulden van de kredietinstelling, de
namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der
vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders
gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een
ieder ter griffie van de rechtbank nedergelegd.
3. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de
rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden
ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering
zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek,
bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders
daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis.
Deze kennisgeving betreft in ieder geval tevens de gevolgen van het
indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in
de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders
moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op
een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. De
bewindvoerders doen tevens aankondiging van de beschikkingen in de
Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee
Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat
van ontvangst. Vanaf de dag waarop de eerste aankondiging heeft
plaatsgevonden vallen de vorderingen die bevoorrecht zijn hetzij op
zekere bepaalde goederen van de kredietinstelling of, in geval van een
bijkantoor in Nederland van een in een Staat die niet een Lid-Staat is
gevestigde kredietinstelling, op goederen in Nederland, hetzij op al
zijn goederen onderscheidenlijk de goederen in Nederland, onder de
werking van artikel 74, eerste lid. De artikelen 110 tot en met 113
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders
onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel, in geval van een
bijkantoor van een in een Staat die niet een Lid-Staat is gevestigde
kredietinstelling, het bijkantoor.
4. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende
schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de
bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om aldaar
gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering
kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven
alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk
van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de
verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de
nederlegging mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie,
alsmede in ten minste twee door de rechter-commissaris aan te wijzen
Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat
van ontvangst.
5. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 59, 119
tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste
lid, 261 en het eerste en derde lid van artikel 262 van de
Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de
bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de
gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de
kredietinstelling. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van
de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge het
derde lid van dit artikel voor de indiening van vorderingen is bepaald.
De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de
beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, worden
geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze
vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van
vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 75, eerste lid,
slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is
toegepast.
6. De bestuurders van een kredietinstelling dan wel degenen die
de feitelijke leiding hebben over het bijkantoor wonen de
verificatievergadering bij teneinde daar alle inlichtingen over de
oorzaken van de in artikel 71, eerste of tweede lid, bedoelde toestand
en de staat van de boedel te geven die hun door de rechter-commissaris
worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken
omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de
bestuurders dan wel de feitelijke leidinggevenden te vragen. De vragen
aan de bestuurders dan wel de feitelijke leidinggevenden gesteld en de
door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In
afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de
Faillissementswet levert het proces-verbaal van de
verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de
kredietinstelling welke ingevolge artikel 75 worden overgedragen slechts
kracht van gewijsde op voor zover de desbetreffende bedingen niet worden
gewijzigd.
7. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de
bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de
goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van
ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de
bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het
geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen
uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het
bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van
overeenkomstige toepassing.
8. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking
tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of
die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen
afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die
bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker
gesteld.
9. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst
wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om
aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter
inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling
in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in
twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere
Lid-Staat van ontvangst. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der
erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de
nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken
bedrag. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde
lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met
betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat
in afwijking van de in artikel 184 bedoelde termijn geldt de in de
eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het
krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet
gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de
vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit
artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel
nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter
inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats
gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot
uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een
verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de
beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra
die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
10. In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op
geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van
de beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, voor
zover artikel 75, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd
toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen
opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide
middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de
bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen
zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere
wijze zeker gesteld.
Artikel 76a
1. De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in
artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onmiddellijk aan
alle bekende schuldeisers kennis.
2. Elke schuldeiser kan in geval van een machtiging als bedoeld
artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, zijn vordering en
schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de
bewindvoerders.
Artikel 76b
1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, aan een
bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een
Lid-Staat, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle
officiële talen van de Lid-Staten het opschrift draagt «Oproep tot
indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen. Termijnen».
2. Elke schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in
een Lid-Staat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen
betreffende zijn vordering indienen in de officiële taal van die
Lid-Staat met een verklaring als opschrift in de Nederlandse taal
«Indiening van een vordering» onderscheidenlijk «Indiening van
opmerkingen betreffende een vordering».
3. De bewindvoerders kunnen een vertaling in het Nederlands van
het stuk waarbij de vordering wordt ingediend en van de opmerkingen
betreffende de vordering verlangen.
Artikel 76c
Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef
en onderdeel b of c, is gegeven, stellen de bewindvoerders alle bekende
schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval
het verloop van de noodregeling.
Artikel 76d
De rechter-commissaris houdt toezicht op de in artikel 75, eerste
lid, bedoelde overdracht onderscheidenlijk liquidatie.
Artikel 76e
1. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid,
aanhef en onderdeel b, is verleend, trekt de Bank de vergunning in op
het tijdstip waarop die machtiging is verleend, of zo spoedig mogelijk
daarna, voor zover de kredietinstelling onmiddellijk voorafgaand aan
dat tijdstip nog een vergunning heeft.
2. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid,
aanhef en onderdeel c, is verleend, trekt de Bank de vergunning in op
het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa
van de kredietinstelling te gelde worden gemaakt met het oogmerk de
opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of
zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, voor zover de kredietinstelling
onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog
een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de Bank in kennis van het
voor de eerste keer te gelde maken van de activa, zo mogelijk
voorafgaand aan het te gelde maken, of anders onverwijld daarna, tenzij
de vergunning reeds is ingetrokken.
Artikel 76f
1. Artikel 52 van de Faillissementswet is van overeenkomstige
toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, bevrijdt voldoening na de
bekendmaking van de vaststelling van de noodregeling van een
kredietinstelling die geen natuurlijk persoon is tegenover de boedel
indien degene die haar deed, bewijst dat hij niet bekend was met de
vaststelling van de noodregeling.
Artikel 77 [Vervallen per 15-05-2005]
Artikel 77a [Vervallen per 15-05-2005]
Artikel 78
De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de
verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, intrekken.
Artikel 71, zesde en achtste lid, is alsdan van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 79
Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde lid, indien deze
bekendmaking betrekking had op alle verbintenissen van de
kredietinstelling, artikel 75, zevende lid, of artikel 78 dan wel
artikel 212o, eerste lid, van de Faillissementswet, vervallen van
rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de
verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden
verkregen.
Artikel 80
Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 71,
eerste of tweede lid, en 75, eerste en tweede lid, staat geen hoger
beroep open. Beroep in cassatie tegen deze beschikkingen moet worden
ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. De behandeling
heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. Het arrest
wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken en de zakelijke inhoud
ervan wordt door de bewindvoerders in de Staatscourant, het
Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse
dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van
ontvangst bekendgemaakt.
Afdeling 2. Bepalingen van internationaal privaatrecht
Artikel 80a
1. Een in een andere Lid-Staat van herkomst dan Nederland
genomen beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel wordt
van rechtswege erkend.
2. De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het
tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de Lid-Staat van herkomst.
Artikel 80b
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de
saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel
worden beheerst door het recht van de Lid-Staat waar de
saneringsmaatregel is vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 80c
1. De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel
laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een
derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met
een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren
aan de kredietinstelling en die zich op het tijdstip waarop de
beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen
heeft, bevinden op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de
Lid-Staat van herkomst.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:
a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te
worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in
het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder
op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie
tot zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt
op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een
ongestoord genot te verlangen;
d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te
trekken.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een
goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register
ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als
bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.
4. Voor de toepassing van dit artikel is de Lid-Staat waar een
goed zich bevindt:
a. met betrekking tot registergoederen en rechten op
registergoederen: de Lid-Staat onder het gezag waarvan het
desbetreffende register wordt gehouden;
b. met betrekking tot zaken, voor zover niet vallend onder
onderdeel a: de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de zaak zich
bevindt;
c. met betrekking tot schuldvorderingen: de Lid-Staat op het
grondgebied waarvan de derde-schuldenaar is gevestigd.
Artikel 80d
1. Ingeval de kredietinstelling een zaak heeft gekocht, laat de
beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op
een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de
zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het
tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de
saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied
van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst.
2. Ingeval de kredietinstelling een zaak heeft verkocht, is de
beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor
ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de
saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te
verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot
vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het
grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst.
3. Artikel 80c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80e
Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de
kredietinstelling bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering
op de kredietinstelling op grond van het recht dat van toepassing is op
de vordering van de kredietinstelling, laat de beslissing tot
vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 80f
De artikelen 80c tot en met 80e staan er niet aan in de weg dat een
vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet
kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling
van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg
is.
Artikel 80g
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere
rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend
beheerst door het recht van de Lid-Staat dat op die overeenkomst of
rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 80h
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het
genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst
door het recht van Lid-Staat op het grondgebied waarvan de onroerende
zaak is gelegen. Dit recht bepaalt of een zaak roerend dan wel onroerend
is.
Artikel 80i
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor de rechten van de kredietinstelling op een
registergoed beheerst door het recht van de Lid-Staat onder het gezag
waarvan het register wordt gehouden.
Artikel 80j
In afwijking van artikel 80b worden, onverminderd artikel 80p, de
gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen
van deelnemers aan een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1,
onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten
op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141) uitsluitend
beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.
Artikel 80k
In afwijking van artikel 80b wordt de rechtsgeldigheid van een
rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de
kredietinstelling na het tijdstip tot vaststelling van een
saneringsmaatregel, waarmee zij beschikt over een registergoed,
financiële instrumenten of rechten op financiële instrumenten waarvan
het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk
voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening
veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een
Lid-Staat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het
recht van de Lid-Staat onder het gezag waarvan het register, de rekening
of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak
betreft, door het recht van de Lid-Staat waar de onroerende zaak is
gelegen.
Artikel 80l
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van de
saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een
goed waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft
verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat waar het
rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 80m
Artikel 80b is niet van toepassing op regels betreffende de
nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers
nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of
dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene
die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een
andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst; en
b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de
mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast
onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 80n
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor een overeenkomst tot verrekening als bedoeld in
artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet uitsluitend beheerst
door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 80o
In afwijking van artikel 80b worden, onverminderd artikel 80p, de
gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst waarbij de ene
partij, de koper, zich verbindt tot een latere overdracht van een
gelijke hoeveelheid activa van dezelfde soort aan de verkoper,
uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat dat van toepassing
is op die overeenkomst.
Artikel 80p
In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een
saneringsmaatregel voor het uitoefenen van rechten op financiële
instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een
register, op een rekening of in een in een Lid-Staat bijgehouden of
gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt, uitsluitend
beheerst door het recht van de Lid-Staat waar het register, de rekening
of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn
ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd.
Artikel 80q
1. Behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een
dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een
geding of een geschil heeft de bewindvoerder uit een andere Lid-Staat
van herkomst dan Nederland in Nederland de bevoegdheden die hij in de
Lid-Staat van herkomst heeft. De wijze van uitoefenen van deze
bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
2. De bewindvoerders kunnen personen aanwijzen om hen te
vertegenwoordigen of anderszins bij te staan.
3. Indien personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te
vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden
die zij hebben op grond van het recht van die Lid-Staat uitoefenen op
het grondgebied van Nederland.
Artikel 80r
1. Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een
andere Lid-Staat dan Nederland volstaat een voor eensluidend
gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander
door de bevoegde instanties van de Lid-Staat gegeven schriftelijke
verklaring.
2. De bewindvoerder uit een andere Lid-Staat dan Nederland toont
op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit
te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 80s
1. Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere Lid-Staat
dan Nederland worden de gegevens met betrekking tot een
saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lid-staat dan Nederland,
door de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Faillissementswet.
Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen
Artikel 81
1. Onze minister kan bepalen dat
a. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de Bank de
behandeling van door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat,
die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen
gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 voor een bepaalde
termijn opschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn
als bedoeld in artikel 8, derde lid, dan wel dat de Bank slechts een
door Onze minister te bepalen aantal door dochtermaatschappijen van in
een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde
ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in
artikel 6 zal verlenen; en
b. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26 de
behandeling van door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is,
gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor een bepaalde
termijn worden opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de
termijn als bedoeld in artikel 26, vierde lid, dan wel dat slechts een
door Onze minister te bepalen aantal door in een bepaalde Staat, die
niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen
gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24,
eerste lid, zullen worden verleend; en
c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van
de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat
is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld
overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn
wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn
als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij
door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde
ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig
artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen
aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen;
en.
d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31
onderscheidenlijk 32 dan wel 32a het bepaalde in de artikelen 38 tot
en met 44 onderscheidenlijk 82 van toepassing is op in een Staat, niet
zijnde een Staat die lid is van de Unie, die partij is bij de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
ondernemingen of instellingen die een voor de uitoefening van het
bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die
dochtermaatschappij zijn van in een bepaalde Staat, die niet een
Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde
dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen
tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde
deelnemingen zijn van in één van de Lid-Staten gevestigde
ondernemingen of instellingen die een voor het uitoefenen van het
bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning hebben verkregen.
3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van
iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder
a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld
in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld
in het eerste lid, onder c.
4. Onze minister kan bepalen dat, in afwijking van het bepaalde
in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van een in een
Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen
gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 38, eerste lid weigert dan
wel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden
van voorschriften met inachtneming van door Onze minister te stellen
richtlijnen.
5. Indien een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die
niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het
tweede lid die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid
onder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van
voorschriften heeft verkregen, een handeling verricht zonder dat alle
bij die vergunning gestelde beperkingen respectievelijk alle aan de
vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, is die
kredietinstelling gehouden binnen een door de Bank te stellen termijn de
verrichte handeling ongedaan te maken of aan de niet nagekomen
beperkingen alsnog te voldoen respectievelijk de niet nagekomen
voorschriften alsnog te vervullen.
6. Een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid kan door
de Bank worden ingetrokken indien niet binnen de door de Bank gestelde
termijn aan het bepaalde in het vijfde lid is voldaan. Alsdan is artikel
15 tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 81a
1. Indien de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of
tweede lid, betrekking heeft op een kredietinstelling die is gevestigd
in een Staat die geen Lid-Staat is en geen machtiging als bedoeld in
artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, is gegeven, stelt
de griffier van de rechtbank de Bank onverwijld in kennis van de
inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan
in het desbetreffende geval. De Bank stelt daarna onverwijld de
bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de
kredietinstelling een bijkantoor heeft in kennis van de beschikking,
alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.
De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten van de
Unie in kennis van de beschikking en van de beëindiging van de
noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X.
2. Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 75,
eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreffende een kredietinstelling die
is gevestigd in een Staat die geen Lid-Staat is en de bewindvoerder
overgaat tot liquidatie, alsmede indien een machtiging is gegeven als
bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c, stelt de
griffier van de rechtbank de Bank onverwijld in kennis van de inhoud van
de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het
desbetreffende geval. De Bank stelt daarna onverwijld de bevoegde
autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de kredietinstelling een
bijkantoor heeft in kennis van de beschikking, alsmede van de mogelijke
gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt de bevoegde
autoriteiten van de andere Lid-Staten in kennis van de beschikking en
van de beëindiging van de noodregeling.
3. Indien een vergunning als bedoeld in artikel 31 overeenkomstig
artikel 76e, eerste of tweede lid, wordt ingetrokken, stelt de Bank de
bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de kredietinstelling
een bijkantoor heeft in kennis van die intrekking.
Artikel 81b
1. Indien een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat
die geen Lid-Staat is een bijkantoor heeft in Nederland en een of meer
bijkantoren in andere Lid-Staten, trachten zowel de rechtbank als de
Bank hun optreden te coördineren met de bevoegde instanties
onderscheidenlijk de toezichthoudende autoriteiten van die andere
lidstaten.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval trachten de in
Nederland benoemde bewindvoerders hun optreden te coördineren met de
bewindvoerders in de andere Lid-Staten waarin aan de kredietinstelling
een vergunning is verleend.
Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen
§ 1. Verbod op het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare
gelden van het publiek
Artikel 82
1. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op
termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter
beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in
enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het
publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op
termijn opvorderbare gelden.
2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van
toepassing op:
a. ondernemingen en instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a, onder 1°, welke ingevolge artikel 52, tweede lid,
onder a, b, c of d, zijn geregistreerd;
b. de Bank;
c. de Lid-Staten, alsmede de regionale of locale overheden van de
Lid-Staten; en
d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan
één of meer Lid-Staten deelnemen.
3. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend
van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze
wet beoogt te beschermen naar het oordeel van Onze minister anderszins
voldoende worden beschermd. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen
worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4. De Bank kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen
naar haar oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van het verlenen van de ontheffing. Daarbij kunnen regels
worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen.
Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
§ 2. Bescherming van het woord "bank"
Artikel 83
1. Aan ondernemingen en instellingen, die niet ingevolge
artikel 52, tweede lid, zijn geregistreerd, is het verboden het woord
"bank" of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in hun
naam of bij de uitoefening van hun bedrijf, tenzij zulks in zodanige
samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat de
desbetreffende onderneming of instelling niet werkzaam is op
financiële markten.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing
op:
a. de Bank;
b. de representatieve organisaties; en
c. iedere in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of
instelling die van de toezichthoudende autoriteit van die andere
Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van
kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen.
3. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het in het eerste
lid genoemde verbod. Onze Minister kan aan de vrijstelling beperkingen
stellen of voorschriften verbinden.
4. De Bank kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
genoemde verbod. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen of
voorschriften verbinden.
§ 3. Collectieve garantieregeling
Artikel 84
1. De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve
organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie
voor nader te bepalen schuldvorderingen van natuurlijke personen,
rechtspersonen en vennootschappen tot een nader te bepalen maximum op
kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, zijn
geregistreerd, tegen het risico, dat een zodanige onderneming of
instelling haar verplichtingen met betrekking tot die
schuldvorderingen niet nakomt.
2. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het
eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken
representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen
bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van
de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994
inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) verplicht zijn
aan de uitvoering van die regeling mede te werken.
3. Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge
artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is
aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te
werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op
die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig
is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn
94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).
4. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het
eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt
tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent
overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft,
een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de
Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de
gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te
voeren regeling kenbaar te maken.
5. Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde
lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal
gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel
door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt
deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
6. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk
vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking
van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die
bepalingen.
§ 4. Minimumconditieregeling
Artikel 85
Bij koninklijk besluit kunnen, nadat de Bank daarover advies heeft
uitgebracht, aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a
of b, zijn geregistreerd voorschriften worden gegeven omtrent de
rente en de overige voorwaarden die zij met betrekking tot de direct
opvraagbare tegoeden van natuurlijke personen, verenigingen en
stichtingen in acht moeten nemen.
Paragraaf 5. Verstrekking van informatie aan het publiek
Artikel 85a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken
informatie door kredietinstellingen en financiële instellingen die
zijn geregistreerd ingevolge artikel 52, tweede lid.
2. Onze minister kan, op aanvraag, bepalen dat een
kredietinstelling of een financiële instelling niet behoeft te voldoen
aan alle in het eerste lid bedoelde regels indien de kredietinstelling
of de financiële instelling aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet
volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te
bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze minister kan een
besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken indien
naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen
zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken
niet langer worden bereikt.
3. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van
het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn
van overeenkomstige toepassing.
4. Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van dit
artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo
veel mogelijk is gewaarborgd.
6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Paragraaf 6. Omwisseling elektronisch geld
Artikel 85b
1. Een kredietinstelling wisselt, op verzoek van een houder van
elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling
van het elektronische geld in munten of bankbiljetten of door storting
op een rekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling
noodzakelijke kosten mogen worden berekend.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de omwisseling, bedoeld in het eerste
lid.
3. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van
het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn
van overeenkomstige toepassing.
4. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit
artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze Minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo
veel mogelijk is gewaarborgd.
6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
§ 7. Kosten van de toezichttaken
Artikel 86
Kosten, die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet en de
krachtens deze wet genomen besluiten, kunnen overeenkomstig door Onze
minister goed te keuren regelen op de betrokken ondernemingen en
instellingen worden verhaald.
§ 8. Publicaties en verslagen
Artikel 87
1. De Bank doet periodiek in de Staatscourant mededeling
van de voornaamste gegevens, voorkomende in de stukken en staten,
bedoeld in de artikelen 30, 37, 44 en 55.
2. Zonder schriftelijke toestemming van de hierbij betrokkenen
worden gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en
instellingen niet gepubliceerd.
Artikel 88
De Bank brengt jaarlijks aan Onze minister verslag uit over de
uitvoering van deze wet en van de krachtens deze wet genomen besluiten.
Dit verslag wordt door de zorg van de Bank gepubliceerd, behoudens het
gedeelte van het verslag, handelende over de uitvoering van de artikelen
10, vijfde lid, 11, vijfde lid, 14, 28, 29, 30, derde lid, 30e, 35 en
42, met dien verstande dat zonder schriftelijke toestemming van de bij
het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen gegevens met
betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet
gepubliceerd worden.
§ 9. Aanwijzingsrecht van de minister van Financiën
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1999]
§ 10. Advisering door de Bank
Artikel 89a
1. Indien onze minister de
Bank advies vraagt over een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 6,
tweede lid, 31, vierde lid, 32, derde lid, 38, derde lid, 38a, tweede
lid, 82, derde lid, of 83, derde lid, is de Bank verplicht het
advies uit te brengen.
2. De Bank verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen
die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van
voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor
zover deze betrekking hebben op het kredietwezen.
Hoofdstuk XIII. Beroep
Artikel 90
1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet
bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet
de rechtbank te Rotterdam bevoegd
2. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten, genomen ter
uitvoering van de artikelen 14, 26, eerste lid, 28, 29, 30e, 35
of 90a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met
gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan medegedeeld aan de verzoeker
en de Bank onderscheidenlijk Onze minister.
Hoofdstuk XIIIA. Onderzoek door onze minister
Artikel 90a
1. Onze minister is bevoegd aan de Bank de gegevens of
inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een
onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de
Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van
het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.
2. De Bank is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid
bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister
de Bank vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die
onder artikel 64, eerste en tweede lid, vallen, is de Bank niet
verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling die een
vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 38 heeft verkregen of
een financiële instelling die een verklaring van
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft
verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring
is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig
artikel 71 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak
is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een kredietinstelling of
financiële instelling in staat te stellen haar bedrijf voort te
zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 65,
eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij
een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland
gevestigde instelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is
verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende
autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3. Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken
voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of
de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 64 is van
toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en
titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Hoofdstuk XIII B. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 90b
1. Onze Minister of de Bank kan een last onder dwangsom
opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of
krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid,
7, 7a, eerste en tweede lid, 7b, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11,
eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 14, eerste, tweede, zevende,
achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, zesde en achtste lid, 16a,
zesde lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid,
tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en
tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde
lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a,
tweede en derde lid, 26, achtste lid, 28, tweede lid en vijfde lid,
onder a, 29, tweede lid, 30, eerste en tweede lid, 30b, eerste lid,
30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid,
31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid,
onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a onder a, 36, 37, 38, eerste,
tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44,
50, eerste lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het
voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden,
55, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede
lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid,
63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 72, derde lid, 81, vijfde lid,
82, eerste en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde
en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste lid, voor zover zij
zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die
artikelen.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze
minister tot het opleggen van een last onder dwangsom worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde
bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
uitoefening van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid is
gewaarborgd.
6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 90c
1. Onze Minister of de Bank kan een bestuurlijke boete opleggen
ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens
de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a,
eerste en tweede lid, 7b, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste
en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, 14, eerste, tweede, zevende,
achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, eerste, tweede, vijfde,
zesde en achtste lid, 16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b,
eerste, tweede en derde lid, 16c, eerste, tweede en vierde lid, 17,
eerste en tweede lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en
vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin,
22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde,
vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25,
eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, 27, eerste en
tweede lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste
lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste
lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a,
onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b, 36, 37,
38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde
lid, 43, 44, 48, eerste, tweede en vijfde lid, 49, eerste en tweede
lid, 50, eerste en tweede lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het
betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke
gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en
zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 57, 58, eerste en
tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde
lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81,
vijfde lid, 82, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 83,
eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste
lid, en 85b, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering
van het toezicht ter zake van die artikelen.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door
de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Bank indien deze door
haar is opgelegd.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze
minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen
aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond
van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de
desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid
van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 90d
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een
boete op te leggen, kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de
bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval
op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
5. In afwijking van het eerste lid worden de bedragen van de
boetes terzake van overtreding van de afzonderlijke regels, gesteld bij
de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 22a, 30ca,
57, 85a en 85b, bepaald op de wijze als voorzien in die algemene
maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 90e
Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel door de Bank voor zover
zij bevoegd is een boete op te leggen, een handeling is verricht waaraan
hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een
overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake
daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis
gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 90f
1. Indien Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd
is een boete op te leggen, voornemens is een boete op te leggen, geeft
hij, dan wel de Bank, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding
van de gronden waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij
bevoegd is een boete op te leggen, de betrokkene in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding
betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 90d, is aangewezen.
Artikel 90g
1. Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een
boete op te leggen, legt de boete op bij beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 90i, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 90h
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 90i
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 90f, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister,
dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een
aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de
aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de
boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald,
overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de
Bank indien zij de boete heeft opgelegd, de boete, verhoogd met de
kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel
invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de Bank
indien zij de boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 90j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 90c vervalt, indien Onze Minister,
dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, ter
zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
Artikel 90k
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 90l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 90m
1. Met het oog op de belangen van crediteuren, kunnen Onze
Minister en de Bank, onverminderd artikel 64, eerste en tweede lid,
het feit terzake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke
boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het
adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze
minister tot het ter openbare kennis brengen worden overgedragen aan een
of meer rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XIIIC. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 90n
1. De Bank kan, in afwijking van artikel 64, teneinde de
naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
a. haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of
verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet
meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was
hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;
b. het feit dat een onderneming of instelling waarop naar haar
oordeel het verbod, bedoeld in artikel 6 of artikel 38 van toepassing
is, niet over een vergunning beschikt;
c. het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming
of instelling in strijd met artikel 31 door middel van een bijkantoor
in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent;
d. het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming
of instelling die het bedrijf van kredietinstelling uitoefent in
strijd met artikel 32 onderscheidenlijk artikel 32a door middel van
het verrichten van diensten in Nederland al dan niet op termijn
opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking verkrijgt dan wel
gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt
uitgegeven;
e. het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met
artikel 38a;
f. het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met
artikel 82;
g. het feit dat het woord «bank» of vertalingen of vormen daarvan
worden gebezigd in strijd met artikel 83.
Artikel 90o
Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij
in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn
handelen of nalaten op grond van artikel 90n ter openbare kennis zal
brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te
leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
Artikel 90p
1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel
90n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan
kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht, is de Bank niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid
te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke
inspanning kan worden verkregen.
Artikel 90q
De beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 90r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 90n
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 90s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 90t
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 90n vervalt, indien de Bank het feit reeds ter
openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 90u
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 90v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 90n ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
Artikel 91
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 93
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 94
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 95
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 96
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 97
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 98
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 99
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 100
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 101
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 102
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 103
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 105
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 106
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 107
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 108
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 109
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 110
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 111
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 112
1. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in
werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht
kredietwezen (Stb. 1978, 255) is verleend dan wel op grond van
artikel 62 van die wet of artikel 7 van de Postbankwet (Stb.
1985, 510) wordt geacht te zijn verleend aan een in Nederland
gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, wordt geacht aan die kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° te zijn
verleend op grond van artikel 6.
2. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking
treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen is
verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te
zijn verleend aan een buiten de Unie dan wel in een Lid-Staat ten
aanzien waarvan Onze minister op dat tijdstip een maatregel als bedoeld
in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of
instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° door middel van een bijkantoor in
Nederland uitoefent, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° te zijn verleend op
grond van artikel 38, eerste lid.
3. De in een andere Lid-Staat, niet zijnde een Lid-Staat ten
aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33,
eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die, op
het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die
daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht
kredietwezen heeft verkregen dan wel op grond van artikel 62 van die wet
geacht wordt te hebben verkregen, wordt geacht te hebben voldaan aan
artikel 31, eerste lid, onder b en c.
Artikel 112a
1. Een onderneming of instelling die op het tijdstip dat dit
artikel in werking treedt, in Nederland het bedrijf van
kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 2°, uitoefent, wordt geacht over een vergunning als bedoeld in
artikel 6 te beschikken.
2. Een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of
instelling die op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, in
Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van
diensten het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, wordt geacht te hebben
voldaan aan artikel 31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 32a.
3. Een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste of
tweede lid, meldt zich binnen één maand na het tijdstip waarop dit
artikel in werking treedt bij de Bank en verstrekt binnen zes maanden na
het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt aan de Bank alle
gegevens die de Bank nodig heeft om te beoordelen of de onderneming of
instelling voldoet aan deze wet.
4. Indien de Bank op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge
het derde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de onderneming of
instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn
het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.
5. Indien een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste
en het tweede lid, niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit
artikel in werking treedt, heeft voldaan aan het bepaalde in het derde
lid zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.
Artikel 112b
1. Indien een Lid-Staat richtlijn nr. 2000/46/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september
2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het
bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor
elektronisch geld (PbEG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september
2000 tot wijziging van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000
betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen (PbEG L 275) niet of onvolledig heeft uitgevoerd,
kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat
gevestigde ondernemingen of instellingen het tweede en derde lid
gelden.
2. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste
lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 2°, door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van
artikel 31, eerste lid, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.
3. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste
lid, is, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van
kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in
plaats van artikel 32a, artikel 38a van toepassing.
4. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt
de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat
tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van een bijkantoor in
Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in
artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan
artikel 31, eerste lid, onder b en c. De aan deze onderneming of
instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid,
vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
5. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt
de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat
tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van
diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een ontheffing als
bedoeld in artikel 38a, derde lid, heeft verkregen, geacht te hebben
voldaan aan artikel 32a. De aan deze onderneming of instelling verleende
ontheffing als bedoeld in artikel artikel 38a, derde lid, vervalt op dat
tijdstip van rechtswege.
Artikel 113
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 8 van de Wet
toezicht kredietwezen wordt, voor zover deze ontheffing strekt,
beschouwd als een ontheffing als bedoeld in artikel 12 tot een jaar na
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 114
1. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van
artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen en die op het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt niet is vervallen of ingetrokken,
wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 26 voor de in de
artikelen 23 en 24 genoemde handelingen die overeenkomen met de
handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar was verleend, met
dien verstande dat voor zover die verklaring van geen bezwaar
betrekking heeft op het verwerven of vergroten van een deelneming of
het uitoefenen van zeggenschap die tevens wordt geacht te zijn
verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming.
2. Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van
toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 23 of 24 een verklaring
van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 25 van de Wet toezicht
kredietwezen niet van toepassing was, blijven de verboden als bedoeld in
de artikelen 23 en 24 buiten toepassing tot de eerste dag van de negende
kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 23
en 24.
3. Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming die reeds werd
gehouden op 1 januari 1979 en waarvoor ingevolge de artikelen 23
onderscheidenlijk 24 een verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt
de kredietinstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid,
onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in
artikel 24, eerste lid, geacht te beschikken over een verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 24, eerste lid.
Artikel 115
1. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 42 van
de Wet toezicht kredietwezen wordt geacht te zijn verleend op grond
van artikel 82.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de in een andere
Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die, op het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent en al
dan niet op termijn opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt door
middel van het verrichten van diensten in Nederland en die daarvoor een
ontheffing als bedoeld in artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen
heeft verkregen en die van de toezichthoudende autoriteit van de andere
Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° benodigde
vergunning heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32,
eerste lid, onder b.
Artikel 116
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 43 van de Wet
toezicht kredietwezen aan een onderneming of instelling die niet
ingevolge artikel 52, tweede lid, is geregistreerd, wordt geacht te zijn
verleend op grond van artikel 83.
Artikel 117
Het koninklijk besluit van 10 april 1986 (Stb. 189) tot
verbindend verklaring van de herziene collectieve garantieregeling op
grond van artikel 44 van de Wet toezicht kredietwezen geldt als het
koninklijk besluit als bedoeld in artikel 84, tweede lid. De
verwijzingen in deze herziene collectieve garantieregeling naar
bepalingen in de Wet toezicht kredietwezen worden gelezen als
verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.
Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 119
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 120
Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 1991 ingediende
wetsvoorstel houdende bepalingen voor de jaarrekening van banken, nadat
het tot wet is verheven, in werking treedt, wordt, indien artikel VI,
eerste lid, van die wet wordt toegepast, het totale bedrag van de
onderwaardering alsmede dat van de terugnemingen gemeld aan de Bank.
Artikel 121
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 122
De wet van 13 april 1978, Stb. 255, wordt ingetrokken.
Artikel 123
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 124
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht kredietwezen 1992.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 1992
BEATRIX
De Minister van Financiën,
W. Kok
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage, bedoeld in
artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992
Artikel 1
Voor de
overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het
tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XIII B van deze
wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:
|
Tariefnummer:
|
Bedrag
(vast tarief):
|
|
1.
|
€ 453
|
|
2.
|
€ 907
|
|
3.
|
€ 5 445
|
|
4.
|
€ 21 781
|
|
5.
|
€ 87 125
|
Artikel 2
1. Indien een
boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling
als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de
hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar
balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:
Categorie-indeling
normgeadresseerden
Categorie
I: kredietinstellingen en financiële instellingen
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze
wet met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000;
Factor: 1;
Categorie
II: kredietinstellingen en financiële instellingen
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze
wet met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar
minder dan € 453 780 000; Factor: 2;
Categorie
III: kredietinstellingen en financiële instellingen
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze
wet met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar
minder dan € 4 537 800.000; Factor: 3;
Categorie
IV: kredietinstellingen en financiële instellingen
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze
wet met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800.000
maar minder dan € 45 378 020.000; Factor: 4;
Categorie
V: kredietinstellingen en financiële instellingen
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze
wet met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020.000;
Factor: 5.
2. De boete wordt
vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie
naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de
gegevens omtrent het balanstotaal niet aan Onze Minister of
de Bank beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister of de
Bank aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken
deze gegevens binnen een door hem, respectievelijk door
haar, te stellen termijn te verstrekken. Indien de
betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit
verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete
categorie V van toepassing.
Artikel 3
Op grond van
artikel 90f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de
gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de
boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft
waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.
Tabel
1
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
4, eerste
lid
|
3
|
|
7
|
3
|
|
7a, eerste
lid
|
3
|
|
7a, tweede
lid
|
3
|
|
7b
|
4
|
|
10, eerste
lid
|
3
|
|
10, tweede
lid
|
3
|
|
10, derde
lid
|
3
|
|
10, vierde
lid
|
3
|
|
10, vijfde
lid
|
3
|
|
11, eerste
lid
|
4
|
|
11, vijfde
lid
|
3
|
|
12, tweede
lid
|
3
|
|
13
|
2
|
|
14, eerste
lid
|
4
|
|
14,
negende lid
|
3
|
|
14, tweede
lid
|
4
|
|
16, eerste
lid
|
1
|
|
16, tweede
lid
|
1
|
|
16, vijfde
lid
|
1
|
|
16, zesde
lid
|
4
|
|
16,
achtste lid
|
4
|
|
16a,
eerste lid
|
1
|
|
16a,
tweede lid
|
1
|
|
16a,
vijfde lid
|
1
|
|
16a, zesde
lid
|
4
|
|
16b,
eerste lid
|
1
|
|
16b,
tweede lid
|
1
|
|
16b, derde
lid
|
1
|
|
16c,
eerste lid
|
1
|
|
16c,
tweede lid
|
1
|
|
16c,
vierde lid
|
1
|
|
17, eerste
lid
|
1
|
|
17, tweede
lid
|
1
|
|
20, eerste
lid
|
4
|
|
20, tweede
lid, vierde volzin
|
4
|
|
20, vierde
lid
|
3
|
|
21, eerste
lid
|
4
|
|
21, tweede
lid, vierde volzin
|
4
|
|
22, eerste
lid
|
4
|
|
22, tweede
lid, vierde volzin
|
4
|
|
23, eerste
lid
|
3
|
|
23, derde
lid
|
3
|
|
23, vierde
lid
|
4
|
|
23, vijfde
lid
|
4
|
|
26,
achtste lid
|
3
|
|
27, tweede
lid
|
2
|
|
28, tweede
lid
|
4
|
|
29, tweede
lid
|
4
|
|
30, eerste
lid
|
1
|
|
30, tweede
lid
|
1
|
|
30b,
eerste lid
|
4
|
|
30c,
eerste lid
|
4
|
|
30d,
vierde lid
|
2
|
|
31, tweede
lid
|
4
|
|
31, derde
lid
|
1
|
|
32, tweede
lid
|
4
|
|
36
|
3
|
|
37
|
1
|
|
38, tweede
lid
|
4
|
|
43
|
3
|
|
44
|
1
|
|
48, eerste
lid
|
1
|
|
48, tweede
lid
|
1
|
|
48, vijfde
lid
|
1
|
|
49, eerste
lid
|
1
|
|
49, tweede
lid
|
1
|
|
50, eerste
lid
|
4
|
|
50, tweede
lid
|
1
|
|
51
|
1
|
|
54, tweede
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
|
3
|
|
55, eerste
lid
|
3
|
|
55, tweede
lid
|
4
|
|
55, derde
lid
|
4
|
|
55, vijfde
lid
|
1
|
|
56, eerste
lid
|
4
|
|
56, tweede
lid
|
4
|
|
62, eerste
lid
|
3
|
|
56, derde
lid
|
4
|
|
69
|
3
|
|
81, vijfde
lid
|
4
|
|
84, tweede
lid
|
4
|
|
84, derde
lid
|
4
|
|
84, vierde
lid
|
4
|
|
85
|
4
|
|
85b,
eerste lid
|
4
|
Tabel
2
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
6, eerste
lid
|
5
|
|
6, tweede
lid
|
3
|
|
6, derde
lid
|
3
|
|
14,
zevende lid
|
3
|
|
14,
achtste lid
|
3
|
|
15, vijfde
lid
|
3
|
|
24, eerste
lid
|
3
|
|
24, derde
lid
|
3
|
|
24, vierde
lid
|
3
|
|
24, zesde
lid
|
3
|
|
25, eerste
lid
|
3
|
|
25a,
tweede lid
|
3
|
|
25a, derde
lid
|
3
|
|
26,
achtste lid
|
3
|
|
27, eerste
lid
|
2
|
|
28, vijfde
lid, onder a
|
3
|
|
30, vierde
lid
|
3
|
|
30, vijfde
lid
|
3
|
|
30d,
eerste lid
|
3
|
|
30d,
tweede lid
|
2
|
|
31, eerste
lid, onder a
|
5
|
|
31, vierde
lid
|
3
|
|
31, vijfde
lid
|
3
|
|
32, eerste
lid, onder a
|
4
|
|
32, eerste
lid, onder b
|
1
|
|
32, derde
lid
|
3
|
|
32, vierde
lid
|
3
|
|
32a,
eerste lid, onder a
|
4
|
|
32a, onder
b
|
1
|
|
38, eerste
lid
|
5
|
|
38, derde
lid
|
3
|
|
38, vierde
lid
|
3
|
|
38a,
eerste lid
|
4
|
|
38a,
tweede lid
|
3
|
|
38a, derde
lid
|
3
|
|
54, tweede
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens
en bescheiden
|
3
|
|
55, zesde
lid
|
3
|
|
55,
zevende lid
|
3
|
|
56a
|
3
|
|
58, eerste
lid
|
2
|
|
58, tweede
lid
|
3
|
|
61, derde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
62, eerste
lid
|
3
|
|
62, tweede
lid
|
3
|
|
62, derde
lid
|
3
|
|
63
|
1
|
|
66, tweede
lid
|
3
|
|
66a,
tweede lid
|
3
|
|
72, derde
lid
|
3
|
|
82, eerste
lid
|
5
|
|
82, vierde
lid
|
3
|
|
82, vijfde
lid
|
2
|
|
82, zesde
lid
|
2
|
|
82,
zevende lid
|
2
|
|
83, eerste
lid
|
4
|
|
83, vierde
lid
|
3
|
Voetnoot:
|
|
|