| |
|
|
|
WET van 10 juli 1995, houdende bepalingen
ten aanzien van het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
wettelijke bepalingen vast te stellen ten aanzien van het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover
niet anders blijkt - verstaan onder:
a. overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering: overeenkomsten
van verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van de
mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan
geldelijke prestaties;
b. natura-uitvaartverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten
van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering voor eigen
rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf
gesloten overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, ook al wordt
daarmee niet beoogd het maken van winst;
c. verzekeraar: ieder die het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
uitoefent, met uitzondering van levensverzekeraars als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993;
d. vestiging: zetel of bijkantoor van een verzekeraar op het
grondgebied van een staat;
e. zetel: plaats waar de verzekeraar overeenkomstig zijn statuten
zijn zetel heeft;
f. bijkantoor: elke duurzame aanwezigheid, met uitzondering van
de zetel, van een verzekeraar op het grondgebied van een staat, ook
indien er slechts sprake is van een bureau, beheerd door eigen
personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die
gemachtigd is duurzaam voor de verzekeraar op te treden;
g. verrichten van diensten: het in de uitoefening van het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf sluiten van een overeenkomst van
natura-uitvaartverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een
andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone
verblijfplaats heeft;
h. premie: de in geld uitgedrukte prestatie, door de
verzekeringnemer verschuldigd uit hoofde van een overeenkomst van
natura-uitvaartverzekering;
i. vertegenwoordiger: degene die door een verzekeraar met zetel
buiten Nederland is aangesteld om hem in Nederland te
vertegenwoordigen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
naleving van de voorschriften die ingevolge deze wet voor hem
gelden;
j. acquisitie: alle handelingen, strekkende tot het voorbereiden
of tot stand brengen van overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering;
k. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
l. toezichthoudende autoriteit: de instantie die in enige staat
bij of krachtens de wet met het toezicht op het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf is belast;
m. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk
belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal
van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen
uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een
onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van
een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming; bij het
bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een onderneming of
instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede gerekend de
stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op
grond van artikel 12 van de Wet melding zeggenschap en
kapitaalbelang in ter beurze genoteerde vennootschappen;
n. Pensioen- & Verzekeringskamer: de Pensioen- &
Verzekeringskamer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
o. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk
persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen
een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen
betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen
met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap
dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen
wordt aangemerkt als groep.
Artikel 2
1. Het toezicht op de verzekeraars, zoals dit uit deze wet
voortvloeit, berust bij de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt Onze Minister
desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de
uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene
beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
Artikel 3
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt jaarlijks over
haar werkzaamheden en bevindingen ingevolge deze wet aan Ons verslag
uit. In het verslag worden niet opgenomen de door haar gegeven
aanwijzingen, bedoeld in artikel 27, eerste lid, waarvan geen
mededeling is gedaan, noch wordt ten aanzien van afzonderlijke
verzekeraars melding gemaakt van inlichtingen die niet in de openbaar
te maken staten, bedoeld in artikel 33, vierde lid, zijn opgenomen.
Een oordeel over enige verzekeraar wordt in dit verslag niet kenbaar
gemaakt.
2. Het verslag wordt door de zorg van de Pensioen- &
Verzekeringskamer openbaar gemaakt.
Artikel 4
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt te haren kantore
ten behoeve van een ieder een lijst ter inzage van de verzekeraars:
a. die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel
11;
b. met zetel buiten Nederland die bevoegd zijn naar Nederland
diensten te verrichten.
2. Bij de verzekeraars als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
met zetel buiten Nederland worden tevens de naam en de woonplaats van de
vertegenwoordiger vermeld.
Artikel 5
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt het sluiten van overeenkomsten die strekken tot fondsvorming ter
voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens als uitoefening
van het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf beschouwd indien deze
overeenkomsten worden aangegaan door verzekeraars en voor deze
verzekeraars geen beleggingsrisico inhouden.
Artikel 5a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de
Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992
onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,
belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen,
effecteninstellingen, kredietinstellingen onderscheidenlijk
verzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte
regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriële regeling aan te
wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge deze wet als het
toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten betreffen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer voert het toezicht
ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen,
bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de
overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten
overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie
en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over
uitvoering van toezicht. De Pensioen- & Verzekeringskamer draagt er
zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde
autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze
Minister.
3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de
Pensioen- & Verzekeringskamer in samenwerking met de overige in het
eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat
openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze
waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 6
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, voor zover
noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op
verzekeraars die deel uitmaken van een groep, samen met de
autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet
toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op
kredietinstellingen, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk
effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep
behoren.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer pleegt, in de gevallen
bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als
bedoeld in het eerste lid.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, in de gevallen
bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer
daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te
komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over
het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van
werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het
uitwisselen van gegevens en inlichtingen.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt aan een
autoriteit als bedoeld in het eerste lid dan wel de autoriteit die is
belast met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of
de Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die zij
verkregen heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet
opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van
personen als bedoeld in artikel 18, eerste en derde lid,
onderscheidenlijk de voornemens, de handelingen en de antecedenten van
personen als bedoeld in artikel 18, tweede en vierde lid, voor zover de
Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat deze gegevens of
inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat
door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in
het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 88, eerste lid.
Artikel 7
Deze wet is, tenzij daaruit anders voortvloeit, van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat betreft:
1°. een bijkantoor in Nederland;
2°. het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 8
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist voor de
toepassing van deze wet of een handeling of een samenstel van
handelingen al dan niet uitoefening van het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt
en of een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet
uitoefening van het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf vanuit een
vestiging in Nederland vormt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist ambtshalve dan
wel op aanvraag van:
a. hetzij degene die de handeling of het samenstel van handelingen
verricht of voornemens is te verrichten onderscheidenlijk de
verzekeraar die de overeenkomst van natura-uitvaartverzekering sluit
of voornemens is te sluiten;
b. hetzij een representatieve organisatie van verzekeraars als
bedoeld in artikel 92, tweede lid.
Artikel 9
1. Deze wet is niet van toepassing op verenigingen en
onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefenen en:
a. naar Nederlands recht zijn opgericht voor 1 januari 1995;
b. waarvan het aantal meerderjarige verzekerden minder dan 3000
bedraagt; en
c. die niet binnen de in artikel 94 genoemde termijn een vergunning
als bedoeld in artikel 11 hebben aangevraagd.
2. Op verzekeraars die voldoen aan de onderdelen a en b
van het eerste lid, maar die voor 1 januari 1995 niet de rechtsvorm
vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij bezaten, is artikel 95 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat deze verzekeraars zich
slechts kunnen omzetten in een onderlinge waarborgmaatschappij.
Hoofdstuk 2. De toegang tot het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 10
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten
Nederland voor wat betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 11
Het is verboden het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uit te oefenen
zonder een vergunning van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 12
1. Bij de aanvraag van een vergunning legt de aanvrager aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een programma van werkzaamheden;
b. een authentiek afschrift van de akte van oprichting;
c. een exemplaar van zijn statuten;
d. een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en
commissarissen.
e. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en
handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de
maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels,
bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a.
Deze regels kunnen verschillen naar gelang de zetel van de
verzekeraar zich bevindt in of buiten Nederland.
Artikel 13
Indien de stukken die bij de aanvraag van een vergunning zijn
overgelegd, de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot
het maken van opmerkingen, stelt zij de aanvrager in de gelegenheid op
deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden.
Artikel 14
De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een vergunning aan
ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning
voldoet.
Artikel 15
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht
weken. Indien toepassing is gegeven aan artikel 13, begint de in de
eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen
door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van
een vergunning mededeling in de Staatscourant.
§ 2. Verzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 16
Bij de aanvraag van een vergunning legt de aanvrager tevens aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een lijst met namen en adressen van de personen die het
dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort
en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de aanvrager mede
bepalen;
b. een lijst met namen en adressen van de personen die het beleid
bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en
tevens uit dien hoofde het beleid van de aanvrager mede bepalen;
c. gegevens over de identiteit van degenen die een
gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming van de aanvrager
alsmede over de omvang van die deelneming;
d. gegevens over de formele en de feitelijke
zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de aanvrager behoort.
Artikel 17
1. Verzekeraars met zetel in Nederland dienen de rechtsvorm van
naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij te bezitten.
Zij kunnen eveneens de rechtsvorm aannemen van een Europese
vennootschap zodra deze bestaat.
2. Het dagelijks beleid van een verzekeraar wordt bepaald door
ten minste twee personen.
3. Een verzekeraar die de rechtsvorm van naamloze vennootschap of
Europese vennootschap bezit, heeft ten minste drie commissarissen als
bedoeld in artikel 140 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar
van het bepaalde in het tweede of derde lid ontheffing verlenen en aan
deze ontheffing beperkingen stellen of voorschriften verbinden,
onverminderd het bepaalde in artikel 158 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Een ontheffing kan worden ingetrokken.
5. Een verzekeraar behoort niet tot een groep waarbinnen de
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze, naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, een belemmering vormt voor het adequaat uitoefenen
van toezicht op de verzekeraar.
6. Indien een verzekeraar in een groep is verbonden met een
natuurlijke of rechtspersoon op wie, onderscheidenlijk waarop, het recht
van een staat die geen lid is van de Europese Unie van toepassing is,
mag het recht van die staat, naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, niet een belemmering vormen voor het adequaat
uitoefenen van toezicht op de verzekeraar.
Artikel 18
1. De deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid
van een verzekeraar bepalen, dient naar het oordeel van de Pensioen-
& Verzekeringskamer voldoende te zijn in verband met de
uitoefening van het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
2. De voornemens, de handelingen of de antecedenten van de
personen die het beleid van de verzekeraar bepalen of mede bepalen,
mogen de Pensioen- & Verzekeringskamer geen aanleiding geven tot het
oordeel dat, met het oog op de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken
zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te
sluiten met de verzekeraar, de betrouwbaarheid van deze personen niet
buiten twijfel staat.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het dagelijks
beleid van de verzekeraar mede bepalen.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de
personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de
verzekeraar mede bepalen.
Artikel 18a
De personen die het dagelijks beleid van een verzekeraar bepalen,
verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.
Artikel 19
De geschiktheid van de houders van een gekwalificeerde deelneming in
de onderneming van de aanvrager dient naar het oordeel van de Pensioen-
& Verzekeringskamer voldoende te zijn met het oog op een gezonde,
prudente en integere bedrijfsvoering van de verzekeraar. Onder integere
bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met
uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische
gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995.
Artikel 20
De aanvrager van een vergunning dient te beschikken over:
a. het minimum bedrag van het garantiefonds bedoeld in artikel
40, tweede lid;
b. financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten
voor de inrichting van de administratie en van het produktienet.
§ 3. Verzekeraars met zetel buiten Nederland
Artikel 21
1. Bij de aanvraag van een vergunning legt de verzekeraar met
zetel buiten Nederland tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
over de akte van aanstelling van de vertegenwoordiger alsook, indien
de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze
rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het
handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon,
bedoeld in artikel 23, vijfde lid.
2. De modellen van de akten van aanstelling worden door de
Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
Artikel 22
1. Een verzekeraar die een vergunning aanvraagt dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te
zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van
het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, dit bedrijf vanuit een
vestiging in die staat daadwerkelijk uit te oefenen en bevoegd te zijn
een bijkantoor in Nederland te openen;
c. met betrekking tot zijn gehele in en buiten Nederland
uitgeoefende natura-uitvaartverzekeringsbedrijf over een
solvabiliteitsmarge te beschikken, die ten minste overeenkomt met de
ingevolge artikel 40 vereiste solvabiliteitsmarge;
d. met inachtneming van artikel 47, tweede lid, te beschikken over
het minimum bedrag van het garantiefonds bedoeld in artikel 40, tweede
lid;
e. het in onderdeel d bedoelde minimum bedrag van het
garantiefonds aan te houden in bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen waarden volgens de daarbij te stellen regels;
f. te beschikken over financiële middelen tot dekking van de te
verwachten kosten voor de inrichting van de administratie en van het
produktienet in Nederland;
g. zowel in zijn bijkantoor als in de staat van zijn zetel te
beschikken over een goede administratieve organisatie en adequate
interne controleprocedures; en
h. zowel in zijn bijkantoor als in de staat van zijn zetel te
beschikken over adequate maatregelen, gericht op het bevorderen en
handhaven van een integere bedrijfsvoering.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit lid verstaan de
bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de
effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
2. In de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan worden
voorgeschreven dat de verzekeraar voor bepaalde handelingen toestemming
van de Pensioen- & Verzekeringskamer behoeft.
Artikel 23
1. De verzekeraar stelt als zijn vertegenwoordiger een
natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan, die zijn woonplaats in
Nederland heeft.
2. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van
het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in
Nederland van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij
maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer
zulks verlangt.
3. De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar te
voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het
ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de
verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ambtshalve of op
aanvraag van de verzekeraar ontheffing verlenen van het bepaalde in de
eerste volzin van het derde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen
worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden
ingetrokken.
5. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn
beurt een natuurlijk persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft
en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn uit deze
wet voortvloeiende verplichtingen.
6. Als woonplaats van de verzekeraar in Nederland geldt de
woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met dien verstande dat, indien de
vertegenwoordiger een natuurlijk persoon is die een kantoor houdt, dit
kantoor als woonplaats van de verzekeraar wordt aangemerkt.
7. Artikel 18, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is
aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het vijfde lid.
Hoofdstuk 3. De uitoefening van het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 24
Dit hoofdstuk is, behoudens de artikelen 25, 26 en 28 tot en met 30,
niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat
betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
Artikel 25
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken
informatie door verzekeraars.
2. Onze Minister kan, op aanvraag, bepalen dat een verzekeraar
niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels,
indien de verzekeraar aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig
kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken
anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als
bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken, indien naar zijn
oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn
gewijzigd, dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer
worden bereikt.
3. De artikelen 27, eerste en tweede lid en 28 zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit
artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden
overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de
verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze Minister als
verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts
plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten
voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken
en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon, dat een onafhankelijke
vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo
veel mogelijk is gewaarborgd.
6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen
beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 26
1. Een verzekeraar draagt er zorg voor dat in overeenkomsten
van natura-uitvaartverzekering uitdrukkelijk wordt bepaald dat de
verzekeringnemer beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen,
gerekend vanaf het tijdstip waarop de verzekeringnemer ervan in kennis
wordt gesteld dat de overeenkomst is gesloten, om de overeenkomst met
onmiddellijke ingang schriftelijk op te zeggen. De kennisgeving van de
verzekeraar geschiedt schriftelijk binnen vier weken na het sluiten
van de overeenkomst. De opzegging door de verzekeringnemer heeft ten
gevolge dat hij en de verzekeraar met ingang van het tijdstip waarop
de verzekeraar deze opzegging heeft ontvangen, worden ontheven van
alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
overeenkomsten die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de
verzorging van de uitvaart van de mens.
Artikel 27
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks
noodzakelijk acht in het belang van degenen die als verzekeringnemers
of verzekerden betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering, gesloten of te sluiten door een
verzekeraar, kan zij die verzekeraar een aanwijzing geven.
2. De verzekeraar volgt een aanwijzing binnen de door de
Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde termijn op.
3. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer niet binnen twee
weken na de bekendmaking van de aanwijzing een haar bevredigend antwoord
van de verzekeraar heeft ontvangen of naar haar oordeel niet of
onvoldoende aan haar aanwijzing is gevolg gegeven, kan zij:
a. de verzekeraar aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of
bepaalde organen van de verzekeraar, daaronder voor de toepassing van
dit artikel de vertegenwoordiger begrepen, hun bevoegdheden slechts
mogen uitoefenen na toestemming door een of meer door de Pensioen-
& Verzekeringskamer aangewezen personen en met inachtneming van de
opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht
wordt;
b. de verzekeraar aanzeggen, dat de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de aanwijzing mededeling zal doen in de Staatscourant
en in een of meer dagbladen te harer keuze, bij welke mededeling,
indien de verzekeraar dit verlangt, tevens de correspondentie wordt
gepubliceerd, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de
Pensioen- & Verzekeringskamer en de verzekeraar is gevoerd.
4. Indien het in het eerste lid bedoelde belang onverwijld
ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
zonder toepassing van het eerste lid onmiddellijk uitvoering geven aan
het derde lid, onderdeel a, nadat zij de verzekeraar in de
gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering
te geven.
5. De organen van de verzekeraar verlenen de door de Pensioen-
& Verzekeringskamer aangewezen personen alle medewerking. De
Pensioen- & Verzekeringskamer kan de betrokken organen van de
verzekeraar toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te
verrichten.
6. De door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen
personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren
na de bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid,
onderdeel a, behoudens de bevoegdheid van de Pensioen- &
Verzekeringskamer om deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste
een jaar. Een zodanige verlenging maakt de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan de verzekeraar bekend. De verlenging wordt
terstond van kracht. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan te allen
tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen.
7. Voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht
in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de verzekeraar
verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de verzekeraar. De
verzekeraar kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de
wederpartij wist, dat de vereiste toestemming ontbrak of daarvan niet
onkundig kon zijn.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt in elk geval de
maatregel, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in zodra zij
van oordeel is, dat het in het eerste lid bedoelde belang deze maatregel
niet langer noodzakelijk maakt.
9. De werking van het besluit tot publikatie van een aanwijzing,
bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist. Indien de verzekeraar na de publikatie alsnog voldoet
aan de aanwijzing doet de Pensioen- & Verzekeringskamer hiervan op
dezelfde wijze mededeling als bij de voorafgaande publikatie.
Artikel 27a
1. Indien een verzekeraar tot een groep behoort en de
deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 18, derde en vierde
lid, bedoelde personen naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet langer buiten twijfel staat, kan deze aan de
personen of instellingen die via een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur het beleid bepalen van de groep waartoe de
verzekeraar behoort, de aanwijzing geven dat de eerstgenoemde personen
het beleid van die verzekeraar niet meer kunnen bepalen of mede
bepalen.
2. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
volgen deze binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde
termijn op.
3. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht,
informeren de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar
gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de
aanwijzing gevolg te geven.
4. De verzekeraar geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere
instructies van personen op wie een aanwijzing van de Pensioen- &
Verzekeringskamer als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.
Artikel 28
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bij:
a. verzekeraars;
b. vertegenwoordigers;
c. ondernemingen of instellingen die met een verzekeraar met zetel
in Nederland in een groep zijn verbonden;
d. ondernemingen of instellingen die een gekwalificeerde deelneming
houden in een verzekeraar met zetel in Nederland;
e. ondernemingen of instellingen waarop onderdeel c niet van
toepassing is en waarin door een verzekeraar met zetel in Nederland of
door een lid of meer leden te zamen van een in onderdeel c bedoelde
groep voor meer dan vijftig procent rechtstreeks of middellijk wordt
deelgenomen;
f. pools waarin verzekeraars ter egalisering van risico's
samenwerken en daarmee vergelijkbare vormen van samenwerking tussen
verzekeraars op verzekeringstechnisch gebied;
g. een ieder die zich naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer voordoet als verzekeraar,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig
zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond
van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze
wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
worden verlangd, verstrekt deze binnen de door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te stellen termijn.
3. Ten aanzien van personen die door de Pensioen- &
Verzekeringskamer zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met
de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de Pensioen- &
Verzekeringskamer heeft op grond van het bij of krachtens deze wet
bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 89, eerste
lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en
die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden
tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 29
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan getuigen en
deskundigen alsmede bestuurders en commissarissen van een verzekeraar
en van een in artikel 28, eerste lid, bedoelde onderneming, instelling
of pool en de betrokken vertegenwoordiger oproepen. Indien deze
vertegenwoordiger rechtspersoon is, geldt deze bevoegdheid ten aanzien
van de bestuurders en commissarissen van de vertegenwoordiger en ten
aanzien van de door hem aangewezen natuurlijke persoon die hem
vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de
nakoming van zijn verplichtingen.
2. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen.
3. De oproeping geschiedt op de wijze door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen.
4. Bij oproeping door middel van dagvaarding wordt de tussenkomst
van het Openbaar Ministerie ingeroepen en vinden de bepalingen aangaande
het dagvaarden van getuigen en deskundigen in strafzaken overeenkomstige
toepassing.
5. Indien de opgeroepene niet op de dagvaarding verschijnt, kan
de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan proces-verbaal opmaken. Zij
kan hem andermaal doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging
voegen of zodanig bevel laten uitvaardigen. Tot het ten uitvoer leggen
van zodanig bevel verleent het Openbaar Ministerie zijn tussenkomst; de
Pensioen- & Verzekeringskamer richt het verzoek daartoe tot de
officier van justitie, hoofd van het parket bij de rechtbank binnen
welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
6. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, behoudens
verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De deskundigen zijn
verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. De
overige in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht alle
gevraagde inlichtingen te verschaffen.
7. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de getuige de eed
afnemen. Artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is
van toepassing.
8. De artikelen 17 en 23, eerste lid, van de Wet op de
Parlementaire Enquête, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat deskundigen niet worden gegijzeld.
9. Het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen alsook
van de overige in het eerste lid bedoelde personen geschiedt op een
plaats, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen. Zij kan
een of meer van de leden van haar bestuur dan wel een of meer van haar
medewerkers machtigen een verhoor als in de eerste volzin bedoeld af te
nemen. Het afnemen van de eed geschiedt echter steeds door een lid van
haar bestuur.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer kent aan getuigen en
deskundigen op hun verlangen een vergoeding toe overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken.
Artikel 30
Bij of krachtens de in artikel 31a bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden voorgeschreven dat verzekeraars bepaalde gegevens ter
zake van de integere bedrijfsvoering aan de Pensioen- &
Verzekeringskamers melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit
artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat
wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in
artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 31
1. Een verzekeraar draagt zorg voor een goede administratieve
organisatie en adequate interne controleprocedures.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan verzekeraars
regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de
administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële
administratie – en de interne controle.
Artikel 31a
1. Een verzekeraar draagt zorg voor adequate maatregelen,
gericht op het bevorderen en handhaven van een integere
bedrijfsvoering.
2. Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur aan verzekeraars regels gesteld
ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de verzekeraar
of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn
werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk
verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de
verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van
de cliënten van de verzekeraar;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
3. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan
de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door
de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 32
1. Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in
het eerste lid ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan
worden ingetrokken.
Artikel 33
1. Een verzekeraar dient binnen vier maanden na afloop van elk
boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer staten in, die te
zamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar gevoerde
beheer en van zijn financiële toestand. De indiening geschiedt in
tweevoud en voor wat betreft de staten die ingevolge het zesde lid
openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer andere aantallen vaststelt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat een
of meer van deze staten met een hogere frequentie of binnen een kortere
termijn worden ingediend of dat staten vergezeld worden van een
toelichting.
3. Een van de staten behelst het actuarieel verslag dat wordt
voorzien van een verklaring van de actuaris. Met zijn verklaring
bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het
actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en de
in een staat opgenomen sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten
bewijze van een en ander waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij
is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een
voorbehoud te maken. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het
onderzoek de actuaris schriftelijk om desgevraagd of ingevolge een
daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de actuaris en de
Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze
geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of
krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer
stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het
verstrekken van inlichtingen door de actuaris.
4. Indien de actuaris naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het derde lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
5. De modellen van de staten worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke staten openbaar moeten worden gemaakt.
6. De verzekeraar legt de openbaar te maken staten op al zijn
kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na
afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij ieder op verzoek een
afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
7. Een verzekeraar met zetel buiten Nederland dient zijn
jaarrekening in drievoud bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in
zodra hij deze openbaar heeft gemaakt of krachtens het recht van de
staat van zijn zetel openbaar moet hebben gemaakt. Op deze jaarrekening
is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
staten, bedoeld in het tweede lid, niet vergezeld gaan van een
verklaring als bedoeld in het derde lid of van een verklaring als
bedoeld in artikel 33a, eerste lid.
Artikel 33a
1. Een verzekeraar doet de staten, bedoeld in artikel 33,
eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ten bewijze dat de staten door
hem zijn onderzocht of, indien het staten betreft als bedoeld in
artikel 33, tweede lid, in zijn onderzoek zijn betrokken, waarmerkt de
accountant de staten. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het
onderzoek de accountant schriftelijk desgevraagd of ingevolge een
daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de accountant
en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die
redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling
van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen-
& Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid
aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de
accountant.
2. De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt de Pensioen-
& Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan
hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het eerste
lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen;
c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent
de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de
verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of
instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van
overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is
van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere
onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar.
Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij
verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een verzekeraar
tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of
vennootschap.
4. De accountant die op grond van het tweede of derde lid tot een
melding aan de Pensioen- & Verzekeringskamer is overgegaan, is niet
aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij
aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden,
in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
5. Indien de accountant naar het oordeel van de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze
de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal
vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking
tot die verzekeraar af te leggen.
Artikel 33b
Op een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, die de jaarrekening van een verzekeraar
controleert, is artikel 33a, tweede tot en met vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33c
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar,
categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat
bijzondere opgaven met een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
bepaalde frequentie en binnen een door haar bepaalde termijn worden
ingediend.
2. De modellen van de bijzondere opgaven worden bij ministeriële
regeling vastgesteld. Deze opgaven worden niet openbaar gemaakt.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de
bijzondere opgaven vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in
artikel 33, derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 33a,
eerste lid.
Artikel 34
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland dient binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar zijn jaarverslag in drievoud bij de
Pensioen- & Verzekeringskamer in, tenzij de Pensioen- &
Verzekeringskamer een ander aantal vaststelt. Een verzekeraar die
artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek toepast, dient het
jaarverslag, bedoeld in artikel 403, eerste lid, onderdeel e, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, onverwijld na de neerlegging daarvan ten
kantore van het handelsregister bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer in.
2. Een verzekeraar met zetel buiten Nederland dient, tenzij de
Pensioen- & Verzekeringskamer een ander aantal vaststelt, zijn
jaarverslag in drievoud bij haar in zodra hij het openbaar heeft gemaakt
of krachtens het recht van de staat van zijn zetel openbaar moet hebben
gemaakt.
3. Artikel 33, vijfde lid, geldt ook voor het ingediende
jaarverslag.
Artikel 35
1. Een verzekeraar:
a. legt een authentiek afschrift van elke wijziging in zijn
statuten aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over en brengt elke
wijziging in de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger,
bedoeld in artikel 23, eerste lid, ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer, een en ander binnen twee weken na de totstandkoming
van de desbetreffende wijziging. Dezelfde verplichting rust op de
vertegenwoordiger die rechtspersoon is met betrekking tot elke
wijziging in zijn statuten en in de akte van aanstelling van de door
hem overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, aangewezen natuurlijke
persoon;
b. brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en
raad van commissarissen en elke aanstelling van een vertegenwoordiger
als bedoeld in artikel 42, eerste lid, en 44, tweede lid, vooraf ter
kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
c. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en uit dien hoofde het dagelijks beleid van de verzekeraar
mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- &
Verzekeringskamer;
d. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die
het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar
behoort en uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede bepalen
vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. Een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c of
d, wordt niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer
binnen zes weken na ontvangst van de melding of, indien de Pensioen-
& Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft
verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of
inlichtingen aan de verzekeraar bekend maakt dat zij niet met de
voorgenomen wijziging instemt.
3. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten,
bedoeld in artikel 18, tweede of vierde lid, stelt de verzekeraar de
Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
4. Een verzekeraar doet binnen twee weken na het voor de eerste
maal sluiten van een nieuw type overeenkomst van
natura-uitvaartverzekering aan de Pensioen- & Verzekeringskamer
opgave van de technische grondslagen voor de berekening van het
desbetreffende tarief en van de desbetreffende technische voorzieningen.
5. Een verzekeraar doet binnen twee weken aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer opgave van de wijzigingen in de technische grondslagen
voor de berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.
Artikel 36
1. Het is een verzekeraar verboden overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een vestiging in
Nederland, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten
rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een vestiging van deze
verzekeraar buiten Nederland.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ontheffing verlenen
van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar
aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken
overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich tegen de overboeking niet
verzetten. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of
voorschriften worden verbonden.
§ 2. Verzekeraars met zetel in Nederland
Artikel 37
Een verzekeraar met zetel in Nederland mag geen ander bedrijf dan het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefenen.
Artikel 38
1. Een verzekeraar houdt toereikende technische voorzieningen
aan.
Rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming
stelt hij de premies voor te sluiten overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering op adequate wijze vast. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in dit
lid nadere regels worden gesteld.
2. De technische voorzieningen worden volledig door waarden
gedekt. Ten aanzien van deze waarden kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
dient tegemoet te komen.
3. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen moeten in toereikende mate kunnen worden geïnd of te
gelde gemaakt in de muntsoort van de staat waarin de verzekerde ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn woonplaats heeft. Voor
zover deze waarden dienen tot dekking van de technische voorzieningen
voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen
moeten zij in Nederland aanwezig zijn.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het
derde lid.
Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de Pensioen-
& Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan verlenen van
gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen
beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij
kunnen worden ingetrokken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de
waarden, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking kunnen worden genomen.
Ten aanzien van deze waarden is het derde lid, laatste volzin, niet van
toepassing.
Artikel 39
1. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane
verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering, worden als zodanig door de verzekeraar
geadministreerd.
2. In een der staten, bedoeld in artikel 33, vermeldt de
verzekeraar de bedragen die de in het eerste lid bedoelde waarden per
categorie, als aangegeven in de desbetreffende staat, in totaal belopen.
Artikel 40
1. Een verzekeraar dient te beschikken over een
solvabiliteitsmarge die ten minste een bedrag beloopt dat wordt
berekend op de wijze, voorgeschreven bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur.
2. Een derde gedeelte van de overeenkomstig het eerste lid
berekende solvabiliteitsmarge vormt het garantiefonds. Het garantiefonds
beloopt evenwel ten minste € 45 378,02.
3. In afwijking van het eerste lid beloopt de solvabiliteitsmarge
ten minste het minimum bedrag van het garantiefonds.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke vermogensbestanddelen de solvabiliteitsmarge en het garantiefonds
kunnen vormen en welke vermogensbestanddelen daarbij een aftrek dienen
te vormen.
Voorts wordt vermeld de mate waarin en de voorwaarden waaronder het
in de eerste volzin bepaalde geschiedt. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de waardering van de vermogensbestanddelen
bedenkingen naar voren brengen.
5. Indien een verzekeraar weet of redelijkerwijze kan voorzien
dat zijn solvabiliteitsmarge niet voldoet of zal voldoen aan de eisen
die daaraan krachtens het eerste of derde lid zijn gesteld, doet hij
hiervan terstond aan de Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling.
Artikel 40a
1. Een verzekeraar die voornemens is een bijkantoor te openen
buiten Nederland, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan
schriftelijk in kennis.
2. De kennisgeving geschiedt onder opgave van:
a. de staat waarin de verzekeraar voornemens is het bijkantoor te
openen;
b. een programma van werkzaamheden, met betrekking waartoe bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld en waarin met name
de aard van de overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering die door
het bijkantoor zullen worden gesloten en de voorziene
organisatiestructuur – met inbegrip van de financiële administratie
en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn
vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de naam en het adres van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de naam en het adres van de
natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 40c, tweede lid.
3. De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
4. Indien de verzekeraar, gezien de werkzaamheden die hij vanuit
het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet voldoet of naar het
oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet zal kunnen voldoen
aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van:
a. de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de
antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de
verzekeraar bepalen of van de vertegenwoordiger en, zo de
vertegenwoordiger rechtspersoon is, de deskundigheid, de voornemens,
de handelingen of de antecedenten van de natuurlijke persoon, bedoeld
in artikel 40c, tweede lid;
b. de technische voorzieningen;
c. de solvabiliteitsmarge;
d. de administratieve organisatie; en
e. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering,
geeft de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming voor
opening van het bijkantoor. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit
lid verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt
geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a
van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt binnen zes weken na
ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, haar
beslissing over het verlenen van toestemming voor het openen van het
bijkantoor bekend aan de verzekeraar.
Artikel 40b
1. Een verzekeraar meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld
in artikel 40a, tweede lid, onderdelen b tot en met d, ten minste een
maand tevoren schriftelijk aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. De verzekeraar doet de in het eerste lid bedoelde gegevens
vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- &
Verzekeringskamer zulks verlangt.
3. Indien de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 40
vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt zij dit aan de
verzekeraar bekend.
4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit
het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- &
Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in
kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit
onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 40c
1. De vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 40a, heeft ten
aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit het
bijkantoor van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit,
tenzij het recht van de staat waar het bijkantoor is gevestigd zich
daartegen verzet. Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen-
& Verzekeringskamer zulks verlangt.
2. Is de vertegenwoordiger een rechtspersoon, dan wijst hij op
zijn beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder
ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij
de nakoming van zijn verplichtingen.
3. Artikel 18, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is
aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het tweede lid.
§ 3. Verzekeraars met zetel buiten Nederland
Artikel 41
Een verzekeraar met zetel buiten Nederland mag vanuit de bijkantoren
in Nederland geen ander bedrijf dan het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefenen.
Artikel 42
1. Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het
gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger met gebruikmaking van
het model, bedoeld in artikel 21, tweede lid. Het ontslag gaat niet in
voordat een akte van ontslag en de akte van aanstelling van de
opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd en
zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij tegen
het ontslag geen bedenkingen heeft. Is de opvolger rechtspersoon, dan
doet de verzekeraar de akte van aanstelling vergezeld gaan van de
statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving
in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke
persoon, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, opgemaakt overeenkomstig
artikel 21, tweede lid.
2. De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn
hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de
Pensioen- & Verzekeringskamer en zij aan het bestuur van de
verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
Artikel 43
1. De vertegenwoordiger houdt van rechtswege op
vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het op hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de
verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de
ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen,
bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de
ondercuratelestelling.
2. De aanwijzing, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, vervalt van
rechtswege vanaf de dag van het op hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van
surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld
in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de
onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel
19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling
van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van verlening
van surséance van betaling of faillietverklaring van de
vertegenwoordiger.
Artikel 44
1. Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van
betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van
één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de
vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 23,
vijfde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon geeft
de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen een week
aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis.
2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval
dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel
23, vijfde lid, heeft bedankt, stelt de verzekeraar of wijst de
vertegenwoordiger binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer
te bepalen termijn een nieuwe vertegenwoordiger onderscheidenlijk een
ander natuurlijk persoon aan. Artikel 21, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar
geacht zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van
justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar
volgens artikel 23, zesde lid, het laatst zijn woonplaats had, of anders
ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker
rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
Artikel 45
1. Een verzekeraar houdt voor zijn vanuit de bijkantoren in
Nederland aangegane verplichtingen uit overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering toereikende technische voorzieningen aan.
Rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming
stelt hij de premies voor te sluiten overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering op adequate wijze vast. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in dit
lid nadere regels worden gesteld.
2. De technische voorzieningen worden volledig door waarden
gedekt. Ten aanzien van deze waarden kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld. De Pensioen- &
Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden
bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar
dient tegemoet te komen.
3. De waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen moeten in toereikende mate kunnen worden geïnd of te
gelde gemaakt in de muntsoort van de staat waarin de verzekerde ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn woonplaats heeft. Deze
waarden moeten in Nederland aanwezig zijn.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het
derde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de
Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan
verlenen van gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een
ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden
verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de
waarden, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking kunnen worden genomen.
Deze waarden behoeven niet in Nederland aanwezig te zijn.
Artikel 46
Ten aanzien van de waarden die dienen tot dekking van de technische
voorzieningen is artikel 39 van toepassing.
Artikel 47
1. Een verzekeraar dient voor het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dat hij vanuit de bijkantoren in
Nederland uitoefent, te beschikken over een solvabiliteitsmarge ten
aanzien waarvan artikel 40 van overeenkomstige toepassing is.
2. De waarden die de solvabiliteitsmarge vertegenwoordigen,
dienen in Nederland aanwezig te zijn.
Artikel 48
Een verzekeraar voert hier te lande de administratie met betrekking
tot de bijkantoren in Nederland en bewaart hier te lande de
desbetreffende zakelijke gegevens en bescheiden.
Hoofdstuk 4. Het verrichten van diensten naar Nederland
Artikel 49
1. Een verzekeraar met zetel buiten Nederland, die diensten
verricht naar Nederland, dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te
zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van
het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een
vestiging in die staat daadwerkelijk uit te oefenen; en
c. met betrekking tot het gehele door hem uitgeoefende
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf te beschikken over een
solvabiliteitsmarge, die ten minste overeenkomt met de ingevolge
artikel 40 vereiste solvabiliteitsmarge.
2. De verzekeraar die voornemens is voor de eerste maal diensten
te verrichten naar Nederland, legt, onder vermelding van de adressen van
zijn zetel en van de vestiging van waaruit hij de diensten wenst te
verrichten, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een
exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen
van zijn bestuurders en commissarissen; en
b. bescheiden waaruit blijkt dat de verzekeraar voldoet aan de in
het eerste lid gestelde eisen.
3. De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf
de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- &
Verzekeringskamer van de in het tweede lid bedoelde bescheiden.
Artikel 50
Een verzekeraar die diensten verricht naar Nederland, dient binnen
zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer een opgave in van de in dat boekjaar uit hoofde van
het verrichten van diensten naar Nederland geboekte premies, zonder
aftrek van herverzekering. Het model van de opgave wordt door de
Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
Artikel 51
1. Een verzekeraar die bij het verrichten van diensten naar
Nederland in strijd handelt met de belangen van degenen die als
verzekeringnemers of verzekerden zullen worden betrokken bij
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering of inbreuk maakt op hier
te lande geldende voorschriften maakt daaraan op verzoek van de
Pensioen- & Verzekeringskamer een einde.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar
voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie met
betrekking tot overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, door de
verzekeraar te sluiten bij het verrichten van diensten naar Nederland.
De voorschriften en het verbod kunnen slechts worden opgelegd in het
belang van degenen die als verzekeringnemers of verzekerden zullen
worden betrokken bij deze overeenkomsten of indien de verzekeraar
inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3. Van het besluit van de Pensioen- & Verzekeringskamer,
houdende voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie, en de
intrekking daarvan, wordt in de Staatscourant mededeling gedaan
zodra de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
zodra op het beroep is beslist.
4. Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere
soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de
totstandkoming van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering met
betrekking waartoe aan een verzekeraar een verbod van acquisitie is
opgelegd, dan wel te handelen in strijd met de voorschriften of het
verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
Hoofdstuk 5. Overdracht van rechten en verplichtingen uit
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering en omzetting van de
rechtsvorm van een verzekeraar
Artikel 52
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland kan slechts met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en
bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten
van natura-uitvaartverzekering:
a. gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een
andere verzekeraar of aan een levensverzekeraar met vestiging in
Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een
vestiging in Nederland;
b. gesloten vanuit een bijkantoor in een andere staat overdragen
aan een andere verzekeraar of levensverzekeraar in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien de
wetgeving van de staat van het bijkantoor voorziet in een dergelijke
overdracht en de toezichthoudende autoriteit in die staat, voor zover
aanwezig, daarmee instemt.
2. Een verzekeraar met zetel buiten Nederland kan slechts met
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en
bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten
van natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in
Nederland, overdragen aan een andere verzekeraar of levensverzekeraar in
het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in
Nederland.
3. Indien de wetgeving van een andere staat niet voorziet in een
toestemmingsprocedure voor een verzekeraar met zetel aldaar tot
overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit een of meer
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een
bijkantoor in Nederland, aan een andere verzekeraar of aan een
levensverzekeraar met zetel buiten Nederland, in het kader van diens
bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland kan de overdracht
bij akte plaatsvinden met schriftelijke toestemming van de Pensioen-
& Verzekeringskamer. De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent
geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit, voor zover
aanwezig, van de staat van de zetel van de overdragende verzekeraar
heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
4. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid kan een
verzekeraar zijn rechten en verplichtingen uit een overeenkomst van
natura-uitvaartverzekering op schriftelijk verzoek van de
verzekeringnemer overdragen.
5. Met overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering wordt gelijkgesteld de
overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in
artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing
als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. In dit hoofdstuk wordt onder levensverzekeraar verstaan een
levensverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Artikel 53
1. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de
Pensioen- & Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en
verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle
ter toelichting dienende stukken.
2. Voor een overdracht aan een verzekeraar of levensverzekeraar
met zetel in Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen toestemming indien deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen
overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.
3. Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel buiten
Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een
bijkantoor in Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer
geen toestemming indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge.
4. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer aanvankelijk al
dan niet bedenkingen heeft tegen het ontwerp van de tot de overdracht
strekkende overeenkomst, maakt zij dit aan de verzekeraar bekend.
Artikel 54
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer tegen het
ontwerp aanvankelijk geen bedenkingen heeft of nadat aan deze
bedenkingen is tegemoetgekomen, doet de verzekeraar van zijn voornemen
tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling in de Staatscourant
en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen
wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Pensioen- &
Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken
polishouders zich bij de Pensioen- & Verzekeringskamer
schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2. Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de
gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, kan een overdracht
niet volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht
niet hebben verzet. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt dit aan
de verzekeraar bekend.
3. Heeft de Pensioen- & Verzekeringskamer alsnog bedenkingen
tegen de overdracht, dan maakt zij deze bedenkingen na afloop van de
gestelde termijn aan de verzekeraar bekend.
4. Indien zich niet binnen de gestelde termijn een vierde of meer
van de polishouders tegen de overdracht hebben verzet en tegen de
overdracht ook bij de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen
bestaan of aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, verleent de
Pensioen- & Verzekeringskamer de verzekeraar toestemming tot de
overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien
van alle belanghebbenden.
5. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft overgedragen,
doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant met
vermelding van de datum waarop zij is geschied. De inhoud van deze
publikatie behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer.
6. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge
waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan
wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland,
ingevolge de overdracht geen overeenkomst van natura-uitvaartverzekering
meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap uit
dien hoofde van rechtswege met ingang van de tweede dag, volgende op die
van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is
geplaatst.
7. Voor de toepassing van het eerste, tweede of vierde lid wordt
onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger.
Artikel 55
1. Een verzekeraar met zetel in Nederland kan zich zonder
schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer
niet omzetten in een andere rechtsvorm.
2. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen-
& Verzekeringskamer tot omzetting gaat vergezeld van een ontwerp van
een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat met alle
ter toelichting dienende stukken.
3. Indien met toestemming van de Pensioen- &
Verzekeringskamer omzetting heeft plaatsgevonden, doet de verzekeraar
van de omzetting mededeling in de Staatscourant en op andere door
de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover door
de verzekeraar in dienstverrichting naar een andere staat overeenkomsten
in de uitoefening van het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf zijn
gesloten, doet de verzekeraar van de omzetting tevens mededeling in die
staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande
toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Hoofdstuk 6. Bijzondere maatregelen
Artikel 56
1. Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet voldoet
aan de bij of krachtens artikel 38 gestelde eisen met betrekking tot
de technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij
zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met
schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te
beschikken over deze waarden.
2. Indien een verzekeraar met zetel buiten Nederland niet voldoet
aan de bij of krachtens artikel 45 gestelde eisen met betrekking tot de
technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer de
vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, die betrekking
hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf,
beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van
de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
3. De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- &
Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de
verzekeraar bekendgemaakt.
4. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid
bedoelde eisen.
Artikel 57
1. Indien een verzekeraar niet meer beschikt over de vereiste
solvabiliteitsmarge, dient hij - tenzij het tweede lid van toepassing
is - binnen acht weken of zoveel eerder als de Pensioen- &
Verzekeringskamer bepaalt, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer
een saneringsplan ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en
binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang
zal worden gebracht.
2. Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel
van de Pensioen- & Verzekeringskamer zal dalen beneden het
garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen een door haar te bepalen termijn een
financieringsplan ter toestemming in, dat aangeeft hoe op korte termijn
de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
3. Ingeval het eerste lid reeds toepassing vond, geeft het
financieringsplan tevens aan hoe het saneringsplan waarvoor reeds
toestemming is verleend, daarin wordt verwerkt.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op aanvraag van de
verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend
toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan
eisen of de toestemming intrekken.
Artikel 58
Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of
krachtens deze wet gestelde eisen, doet aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn en op de door
haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 39 onderscheidenlijk
artikel 46 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin vervolgens
optreden.
Artikel 59
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in het geval,
bedoeld in artikel 57, eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden,
waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de
verzekeraar nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld
in artikel 57, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar
over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem
verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen-
& Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2. De beslissing waarbij de beperking of het verbod wordt
opgelegd, wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel
van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
3. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling,
verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de
wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het
verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens
deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge.
Hoofdstuk 7. Intrekking van een vergunning
Artikel 60
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning intrekken
indien de verzekeraar:
a. daarom verzoekt;
b. niet meer voldoet aan de eisen die voor het verkrijgen van de
vergunning zijn gesteld;
c. niet binnen de ingevolge artikel 57 door de Pensioen- &
Verzekeringskamer goedgekeurde termijn de solvabiliteitsmarge op de
vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, hem bij of
krachtens de wet in of buiten Nederland opgelegd, te voldoen;
e. met zetel in Nederland dan wel, vanuit zijn bijkantoren in
Nederland, indien hij zijn zetel buiten Nederland heeft, de
bedrijfsuitoefening gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;
of
f. binnen twaalf maanden na de verlening van de vergunning
daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
Artikel 61
1. De werking van het besluit tot intrekking van een vergunning
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien de
verzekeraar de voorzitter van het College van Beroep voor het
bedrijfsleven heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, op
dat verzoek is beslist.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van het besluit in
de Staatscourant mededeling, zodra de intrekking van kracht is
geworden. Zij kan, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers of
verzekerden acht, het besluit eveneens op andere door haar te bepalen
wijze publiceren.
Artikel 62
1. Houdt de verzekeraar op te bestaan, dan vervallen de aan hem
verleende vergunningen. Artikel 61, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Herleeft de rechtspersoon vervolgens, dan is artikel 63 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 63
De intrekking van de vergunning verplicht de verzekeraar zijn bedrijf
af te wikkelen, tenzij de intrekking gepaard gaat met de verlening van
een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993. De verzekeraar die verplicht is zijn
bedrijf af te wikkelen, blijft onderworpen aan de bepalingen van deze
wet.
Artikel 64
1. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer de vergunning
intrekt op grond van artikel 60, onderdelen b, c of d, beperkt zij de
uitoefening van de beschikkingsbevoegdheid door de verzekeraar over
zijn waarden of verbiedt zij hem om anders dan met haar schriftelijke
machtiging over deze waarden te beschikken, voor zover zulks niet
reeds is geschied.
2. Bij de publikatie, bedoeld in artikel 61, tweede lid, wordt
tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd
ingevolge het eerste lid of de artikelen 56, eerste en tweede lid, en
59, eerste lid.
3. De verzekeraar kan niet op grond van de beperking of het
verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid, een beroep doen op de
ongeldigheid van een rechtshandeling die voor de openbaarmaking is
verricht, tenzij de wederpartij de beperking onderscheidenlijk het
verbod kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
4. Indien het besluit tot intrekking wordt vernietigd, heft de
Pensioen- & Verzekeringskamer de beperking of het verbod, opgelegd
ingevolge het eerste lid, op.
Hoofdstuk 8. Noodregeling en faillissement
Artikel 65
1. Een verzoek tot faillietverklaring van een verzekeraar -
eigen aangifte daaronder begrepen - wordt niet in behandeling genomen
zolang de verzekeraar in het bezit is van een vergunning als bedoeld
in artikel 11.
2. Op een verzoek tot faillietverklaring van een verzekeraar
wordt niet beslist dan nadat de rechter de Pensioen- &
Verzekeringskamer in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelen
daaromtrent kenbaar te maken en nadat de vergunning is ingetrokken.
3. De wettelijke bepalingen inzake surséance van betaling zijn
op verzekeraars niet van toepassing.
Artikel 66
1. Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers bij de
afwikkeling van het bedrijf van een verzekeraar een bijzondere
voorziening vordert, kan de rechtbank binnen welker rechtsgebied de
verzekeraar zijn woonplaats heeft, op verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer de noodregeling uitspreken, ongeacht of de
verzekeraar over een vergunning beschikt of heeft beschikt.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank
één of meer bewindvoerders. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan
voor de benoeming voordrachten doen.
3. De rechtbank verleent aan de bewindvoerders een machtiging. De
machtiging strekt zowel tot vereffening van het geheel of van een
gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar als tot overdracht van
alle of van een deel van zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering. Zolang nog niet blijkt
dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekt de
machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van
de verzekeraar.
4. Ten aanzien van een verzekeraar met zetel buiten Nederland
heeft de machtiging betrekking op het vanuit zijn bijkantoren in
Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald welke activa en passiva tot dat
bedrijf moeten worden gerekend.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van
haar verzoekschrift aan de verzekeraar.
6. De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- &
Verzekeringskamer tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste
spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de
rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet
is afgeweken.
7. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke
gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 30 is daarbij van
overeenkomstige toepassing.
8. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de verzekeraar
en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord althans behoorlijk
zijn opgeroepen.
9. De beschikking van de rechtbank wordt met redenen omkleed en
wordt, indien de noodregeling wordt uitgesproken, op een openbare
terechtzitting uitgesproken. De griffier doet van de zakelijke inhoud
van de beschikking mededeling in de Staatscourant.
10. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot
aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande
enige daartegen gerichte voorziening.
11. Bij de beschikking bepaalt de rechtbank de duur van de
machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Voor het verstrijken van de
gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen
verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar
verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek
tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de
geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is
beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.
12. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzoek tot het
uitspreken van de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder
tussenkomst van een procureur.
13. In afwijking van het tiende lid werkt de beschikking niet
terug ten aanzien van een door een verzekeraar voor het tijdstip waarop
de rechtbank de beschikking heeft gegeven gesloten
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een
pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst
voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling
die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
14. Het tiende lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten
aanzien van een door een verzekeraar, na het tijdstip waarop de
rechtbank de in het eerste of het tweede lid genoemde beschikking heeft
gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een
dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening
of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig
uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op
de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven
beschikking.
Artikel 67
1. Wanneer een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling
aanhangig is tegelijk met een verzoek tot faillietverklaring, wordt de
behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst totdat op
het verzoek tot het uitspreken van de noodregeling is beschikt. Indien
de rechtbank de noodregeling uitspreekt, vervalt het verzoek tot
faillietverklaring van rechtswege.
2. Het uitspreken van de noodregeling heeft mede tot gevolg dat
de verzekeraar slechts in staat van faillissement kan worden verklaard
overeenkomstig artikel 78.
3. De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of
ambtshalve de noodregeling beëindigen. De griffier doet van de
intrekking mededeling in de Staatscourant.
4. De bewindvoerders kunnen een verzoek tot het beëindigen van
de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een
procureur.
5. Door de beschikking, bedoeld in het derde lid of de
mededeling, bedoeld in artikel 74, vierde lid, vervallen van rechtswege
de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de machtiging,
bedoeld in artikel 66 of de bijzondere machtiging, bedoeld in artikel
74, eerste lid, hadden verkregen.
Artikel 68
Op verzoek van de bewindvoerders benoemt de rechtbank een van haar
leden tot rechter-commissaris die toezicht houdt op de vereffening welke
plaats heeft ingevolge artikel 72a. Met betrekking tot de beschikkingen
van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in de eerste
volzin bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de
Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid van
artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover de
daarin opgesomde artikelen in artikel 72a van overeenkomstige toepassing
zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met
betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van
toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel
het bijkantoor.
Artikel 69
Vanaf het begin van de dag van de uitspraak waarbij de rechtbank de
machtiging verleent, mogen aan de in de artikelen 39 en 46 bedoelde
waarden geen andere waarden worden toegevoegd dan de sindsdien ontvangen
premies of de met die premies verkregen waarden, voor zover deze dienen
tot dekking van de technische voorzieningen. Indien faillissement wordt
uitgesproken zonder voorafgaande machtiging of later dan vier weken na
de beëindiging van de machtiging, geldt hetzelfde verbod vanaf de dag
van de faillietverklaring.
Artikel 70
1. Indien de rechtbank de machtiging verleent, oefenen de
bewindvoerders bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders,
de commissarissen of de vertegenwoordiger van de verzekeraar uit.
2. De bewindvoerders waken voor de belangen van de gezamenlijke
schuldeisers.
3. De bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van
de verzekeraar verlenen bij de uitoefening door de bewindvoerders van de
in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door hen gevraagde
medewerking.
4. Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, is voor de
geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij
staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de
rechtbank vereist. De bewindvoerder aan wie bij de machtiging, bedoeld
in artikel 66, derde lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is
binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
5. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na deze en
de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, althans behoorlijk
opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of aan de
bewindvoerder één of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander op
verzoek van de bewindvoerder, de andere bewindvoerders, de Pensioen-
& Verzekeringskamer of één of meer schuldeisers dan wel
ambtshalve.
6. De bewindvoerders kunnen de bestuurders of de
vertegenwoordiger van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te
verrichten.
7. Een besluit van aandeelhouders of leden van een verzekeraar
met zetel in Nederland behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming
van de bewindvoerders.
8. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden dat ingevolge de
statuten of reglementen van een verzekeraar met zetel in Nederland voor
een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de
volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan kunnen de
bewindvoerders dit besluit nemen.
9. De bewindvoerders kunnen personen machtigen alle of een deel
van de bevoegdheden uit te oefenen die zij ingevolge het eerste lid
hebben. De bewindvoerders kunnen de rechtbank verzoeken een beloning
voor de gemachtigden vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam
en woonplaats van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van
een machtiging mededeling in de Staatscourant.
10. Het loon van de personen, aangewezen ingevolge artikel 66,
zevende lid, het loon en de verschotten van de bewindvoerders, alsmede
de overige kosten van de noodregeling worden bepaald door de rechtbank
en vormen een boedelschuld.
Artikel 71
Ingevolge de hun verleende machtiging kunnen de bewindvoerders,
ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de verzekeraar is
bepaald:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het
geplaatste kapitaal onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een
verzekeraar uitschrijven en innen;
b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van een
onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een
onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel
buiten Nederland bepaalde maximum.
Artikel 72
1. Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de
verzekeraar niet kan worden genoodzaakt tot betaling van zijn schulden
die voor het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan. Alle uit
dien hoofde aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen
vervallen. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige
toepassing op de in de eerste zin bedoelde schulden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
vorderingen als bedoeld in artikel 80, derde lid.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 72a, geldt het in het
eerste lid bepaalde niet voor:
a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de
verzekeraar zijn gedekt;
b. termijnen van huurkoop;
c. vorderingen voortvloeiend uit een
financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek.
4. Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt,
niet op de daaraan onderworpen goederen kunnen worden verhaald, werkt de
uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.
5. Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van
de borgen en andere medeschuldenaren van de verzekeraar.
Artikel 72a
1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die
niet voortvloeien uit handelingen met de verzekeraar na het uitspreken
van de noodregeling verricht, voor zover dit gelet op de
liquiditeitspositie van de verzekeraar verantwoord is te achten en
indien is voldaan aan de volgende leden.
2. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard
en het bedrag van de baten en schulden van de verzekeraar, de namen en
woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van
iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van
deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de
rechtbank neergelegd.
3. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de
rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden
ingediend, en voorts dag, uur en plaats, waarop de
verificatievergadering zal worden gehouden. De bewindvoerders geven van
deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers
schriftelijk kennis en doen daarvan aankondiging in een of meer door de
rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. De artikelen 110 tot en met
113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator
onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders
onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel het bijkantoor. Artikel 78,
vierde lid, onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende
schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de
bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar
gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering
kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven
alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk
van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de
verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de
nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan
te wijzen dagbladen.
5. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 119 tot en
met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid,
261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van
overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking
tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de
bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar. Artikel 59 van de
Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing met uitzondering van
het aldaar bepaalde ten aanzien van de vergoeding bedoeld in artikel
63a, derde lid, en de vergoeding voor het gebruik, bedoeld in artikel
63b, vierde lid, van de Faillissementswet. In afwijking van de in
artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt
de termijn die ingevolge het derde lid van dit artikel voor de indiening
van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of
na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 66, eerste lid,
worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip
waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten
aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 74,
eerste lid, slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze
vorderingen is toegepast.
6. De bestuurders van de verzekeraar dan wel de
vertegenwoordigers van het bijkantoor wonen de verificatievergadering
bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel
66, eerste lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die
hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen
de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven
punten inlichtingen aan de bestuurders dan wel aan de vertegenwoordigers
van het bijkantoor te vragen. De vragen aan de bestuurders dan wel aan
de vertegenwoordigers van het bijkantoor gesteld en de door hen gegeven
antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van het
bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het
proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de
verbintenissen van de verzekeraar welke ingevolge artikel 74, eerste
lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voor zover de
desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.
7. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de
bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de
goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van
ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de
bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het
geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen
uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het
bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van
overeenkomstige toepassing.
8. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking
tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of
die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen
afgezonderd tot tenminste het beloop van het totaal van de bedragen die
bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker
gesteld.
9. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst
wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om
aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter
inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling
in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk
toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder
vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 184 tot en
met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator
van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in
artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn geldt de in de
eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het
krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet
gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de
vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit
artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel
nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter
inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats
gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot
uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een
verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de
beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra
die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
10. In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op
geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van
de beschikking als bedoeld in artikel 66, eerste lid, voor zover artikel
74, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een
uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn
geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen
afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die
bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen
worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker
gesteld.
Artikel 73
1. Met betrekking tot verrekening en schuldoverneming vinden de
artikelen 234 en 235 van de Faillissementswet overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de verzekeraar
die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder,
gehouden is te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik der
uitspraak, waarbij het verzoek werd toegewezen, te goeder trouw had
verkregen.
2. Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen
en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en
arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij de verzekeraar ten
aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken, partij is, vinden de
artikelen 236, 237, 237a , 238 en 239 van de Faillissementswet
overeenkomstige toepassing.
3. De bewindvoerders kunnen bestuurders, commissarissen en de
vertegenwoordiger namens de verzekeraar ontslaan. Bij dit ontslag worden
de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien
verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende
is.
4. Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de
verzekeraar nadat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 240 van
de Faillissementswet overeenkomstige toepassing.
Artikel 74
1. De rechtbank kan tegelijk met de in artikel 66 bedoelde
machtiging of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere
machtiging verlenen die strekt tot een of meer van de volgende
handelingen:
a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit
of krachtens overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, van die
overeenkomsten;
b. verkorting van de duur van overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering.
2. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer
verplichtingen worden opgelegd.
3. Ten aanzien van de bijzondere machtiging zijn de artikelen 66,
vierde tot en met achtste lid, negende lid, eerste volzin, tiende en
elfde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in
artikel 66 bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, doen de
bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn
verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging,
van deze handelingen mededeling in de Staatscourant en in ten
minste drie door de rechtbank aan te wijzen dagbladen. De bewindvoerders
kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden
of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde overdracht en
handelingen tevens op andere wijze publiceren
5. De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden
dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag,
volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de
publikatie is geplaatst. Op de overdracht zijn de artikelen 52, eerste,
tweede, vierde en vijfde lid, 53, eerste, tweede en vierde lid, en 54
niet van toepassing.
6. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, laten
onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 72a zijn gedaan voor
de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 74a
1. Een vereniging waarvan ten minste 35% van de
verzekeringnemers van de verzekeraar ten aanzien waarvan de
noodregeling is uitgesproken lid is, kan zich aanmelden bij de
bewindvoerders.
2. De bewindvoerders horen de vereniging alvorens zij de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 74, eerste lid, uitoefenen, indien deze
op een door de bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de
bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid
gestelde vereisten voldoet.
Artikel 75
Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge dit hoofdstuk
mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende
schuldeisers.
Artikel 76 [Vervallen per 17-11-1999]
Artikel 77
Voor de toepassing van de artikelen 194, 342 en 343 van het Wetboek
van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand
waarin een verzekeraar verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling
als bedoeld in artikel 66 van kracht is.
Artikel 78
1. De bewindvoerders dienen, de Pensioen- &
Verzekeringskamer gehoord, een verzoek tot faillietverklaring in,
indien blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en
het met de verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of
niet meer kan worden verwezenlijkt. De Pensioen- &
Verzekeringskamer dient een verzoek tot faillietverklaring in indien
geen machtiging werd verleend en geen redelijk vooruitzicht meer
bestaat dat het met een machtiging te bereiken doel alsnog kan worden
verwezenlijkt.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van
een verzekeraar met zetel buiten Nederland worden uitsluitend de activa
en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het
vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De bewindvoerders onderscheidenlijk de Pensioen- &
Verzekeringskamer kunnen een verzoek als bedoeld in de eerste volzin
onderscheidenlijk de tweede volzin van het eerste lid zonder tussenkomst
van een procureur indienen. De faillietverklaring wordt uitgesproken
ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben
opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel en in artikel 284
van de Faillissementswet is overigens van toepassing.
4. De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van
kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt
verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt
uitgesproken binnen vier weken na de beëindiging van de noodregeling,
gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 van
de Faillissementswet vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het
tijdstip waarop de beschikking houdende machtiging uitvoerbaar is
geworden;
b. een beroep op verrekening kan in afwijking van artikel 53 van de
Faillissementswet slechts worden gedaan indien de vordering en de
schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de
beschikking, houdende machtiging, uitvoerbaar is geworden, of
voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde
verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 70 door of namens de
bewindvoerders verricht gedurende de tijd dat de machtiging van kracht
was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl
boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement
als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de
verzekeraar die in strijd met artikel 70, eerste en zesde lid, zijn
aangegaan gedurende de tijd dat de machtiging van kracht was, dan voor
zover deze daardoor is gebaat;
e. vorderingen uit overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering
kunnen in afwijking van artikel 110, eerste lid, van de
Faillissementswet worden ingediend door overlegging van de polis of
een afschrift daarvan, zonder dat de waarde van de vordering behoeft
te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt
hij de omvang daarvan vast;
e. overigens is, voor zover niet reeds ingevolge artikel 72a tot
volledige uitvoering gekomen, het bepaalde in titel I van de
Faillissementswet van toepassing.
Artikel 78a
Indien een faillietverklaring wordt uitgesproken op verzoek van de
bewindvoerders dan wel binnen vier weken na het einde van de
noodregeling, geldt dat het tijdstip waarop de termijnen vermeld in de
artikelen 43 en 45 van de Faillissementswet en in artikel 138, zesde
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend
vanaf het tijdstip waarop de noodregeling is uitgesproken.
Artikel 79
De bewindvoerders brengen tijdens de noodregeling telkens na verloop
van drie maanden, alsmede na beëindiging van de noodregeling zo spoedig
mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een
afschrift van dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en
aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 80
1. In geval van noodregeling overeenkomstig dit hoofdstuk of
van faillissement van een verzekeraar worden de boedelschulden,
overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet, al naar gelang
de aard van de betrokken boedelschuld hetzij mede over de in de
artikelen 39 en 46 bedoelde waarden omgeslagen, hetzij uitsluitend van
een bepaalde bate van de boedel afgetrokken.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid dienen in geval
van noodregeling of van faillissement van een verzekeraar de waarden,
ingevolge de artikelen 39 en 46 geadministreerd voor de vanuit de
vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen uit of krachtens
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, uitsluitend tot
voldoening van de volgende vorderingen en wel in de hierna vermelde
volgorde:
a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de
vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen
termijnen van pensioen, voor zover de vordering niet ouder is dan een
jaar;
b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de
verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede
de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst
tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over
het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd
is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge
artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag
van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever
gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens
titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen en rechten betreffende prestaties, die zijn
ontstaan of nog zullen ontstaan uit overeenkomsten van
natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een vestiging in
Nederland.
3. Onder de in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde
vorderingen worden mede begrepen de vorderingen ter zake van prestaties
krachtens lopende overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering,
ontstaan op of na de dag waarop de machtiging, bedoeld in artikel 66, is
verleend dan wel, indien een faillissement wordt uitgesproken zonder
voorafgaande machtiging of later dan vier weken na de beëindiging van
de machtiging, op of na de dag waarop het faillissement is uitgesproken.
4. Op de ingevolge de artikelen 39 en 46 geadministreerde waarden
voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen uit
of krachtens overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering zijn,
behoudens vorderingen die door pand of hypotheek op deze waarden zijn
gedekt, geen andere vorderingen verhaalbaar, tenzij vaststaat dat alle
vorderingen, genoemd in het tweede lid, zullen kunnen worden voldaan en
dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan.
5. Ingeval de in het tweede lid bedoelde vorderingen niet
volledig uit de ingevolge de artikelen 39 en 46 geadministreerde waarden
voor de vanuit de vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen uit
of krachtens overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering zijn voldaan,
hebben de betrokken schuldeisers voor het overblijvende deel van hun
vorderingen te zamen met de overige schuldeisers een gelijk recht om
naar evenredigheid van ieders vordering uit de overige goederen te
worden voldaan, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen
Artikel 81 [Vervallen per 15-09-2004]
Artikel 82
1. Het is iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring
van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met
zetel in Nederland te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige
zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een
verzekeraar met zetel in Nederland uit te oefenen.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld
in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de
betrokken verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen die
als verzekeringnemers of verzekerden betrokken zijn of zullen worden
bij overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, gesloten of te
sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken
verzekeraar;
b. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken
verzekeraar behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de
formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat
uitoefenen van toezicht op de verzekeraar;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de
handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector;
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat een
integere bedrijfsvoering onvoldoende is gewaarborgd; of
e. Onze Minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou
kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële
sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als
bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als
bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c en d, onderscheidenlijk
het tweede lid, onderdeel e, beperkingen worden gesteld en voorschriften
worden verbonden.
4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een
gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste
lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen
bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde
natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze
Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te
maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting
vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende
handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel
de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een
gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste
lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het
vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen
van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in
een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen
bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende
zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan
worden vernietigd op vordering van Onze Minister dan wel vanwege Onze
Minister van de Pensioen- & Verzekeringskamer. Het besluit wordt in
dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de verzekeraar
gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende
zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet
zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een
verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht
genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover
nodig de gevolgen van de vernietiging.
6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het
eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze
Minister dan wel vanwege Onze Minister de Pensioen- &
Verzekeringskamer een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding
zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen
voorschriften alsnog moet vervullen.
Artikel 83
1. Voor het geval van een houder van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 82, eerste lid, die aan het hoofd staat
van een groep waartoe een of meer verzekeraars als bedoeld in artikel
1, onderdeel c , en een of meer kredietinstellingen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht
kredietwezen 1992 behoren en waartoe ten minste één verzekeraar met
zetel in Nederland behoort die een vergunning als bedoeld in artikel
11 heeft verkregen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer, in
overeenstemming met de autoriteit die ingevolge de Wet toezicht
kredietwezen 1992 belast is met het toezicht op kredietinstellingen,
op grond van de overwegingen als bedoeld in artikel 82, tweede lid,
onderdelen a en b , voorschriften formuleren.
2. De voorschriften worden overeenkomstig artikel 82, derde lid,
door Onze Minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 82, eerste lid, verbonden.
3. Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze Minister,
de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze
Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- &
Verzekeringskamer, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de
verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste
lid is verleend.
4. De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 84
1. Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in artikel 82, eerste lid, wordt beslist door
Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel
in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door de
Pensioen- & Verzekeringskamer.
2. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend, kan de
aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van de
gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100
procent kan gelden. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt
verleend voor een deelneming in een verzekeraar, kan op verzoek van de
aanvrager worden bepaald dat de verleende verklaring van geen bezwaar
geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, onverminderd artikel
23 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.
3. De aanvraag wordt ingediend bij de Pensioen- &
Verzekeringskamer. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt de
aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze Minister behoudens in de
gevallen waarin zij vanwege Onze Minister beslist.
4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
5. De verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
artikel 82, eerste lid, wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze
Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken
verzekeraar bekendgemaakt.
6. Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door
Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant,
behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou
kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
beslissing betrokkenen of derden.
7. Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze Minister, de
Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister
bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door de Pensioen- &
Verzekeringskamer worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op aanvraag van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter
verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of
onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn
genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste
omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien niet alsnog binnen de termijn, bedoeld in artikel 82,
zesde lid, aan alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde
voorschriften wordt voldaan.
8. Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van
geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke:
a. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot
strijd met het belang leiden of zouden kunnen leiden van degenen die
als verzekeringnemers of verzekerden betrokken zijn of zullen worden
bij overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, gesloten of te
sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken
verzekeraar onderscheidenlijk tot een invloed op de betrokken
verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen die als
verzekeringnemers of verzekerden betrokken zijn of zullen worden bij
overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering, gesloten of te sluiten
door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken
verzekeraar;
b. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe
leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken verzekeraar zou gaan
behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een
belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de
verzekeraar;
c. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe
leiden of zouden kunnen leiden dat een integere bedrijfsvoering
onvoldoende is gewaarborgd, waarbij onder integere bedrijfsvoering
wordt verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat
wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in
artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
d. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer of
Onze Minister leiden of zouden kunnen leiden tot een ongewenste
ontwikkeling van de financiële sector;
en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen
bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest,
een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring
van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften zou zijn verleend, kan Onze Minister, de Pensioen- &
Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde
gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan
de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen of nadere
voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.
9. De wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 82, eerste lid, wordt door Onze Minister
dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer
aan de betrokken verzekeraar bekendgemaakt.
10. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring
van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de
afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.
11. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen
bezwaar wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de
Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant,
behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou
kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
beslissing betrokkenen of derden.
Artikel 85
1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt de
Pensioen- & Verzekeringskamer vooraf in kennis van een zodanige
wijziging van diens gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met
zetel in Nederland:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95
procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een
dochtermaatschappij wordt;
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50,
95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
2. Een verzekeraar met zetel in Nederland stelt, voor zover hem
bekend, de Pensioen- & Verzekeringskamer in de maand juli van elk
jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze verzekeraar
houdt. Tevens stelt de verzekeraar met zetel in Nederland, zodra zulks
hem bekend wordt, de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van
iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde
deelneming in deze verzekeraar:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95
procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een
dochtermaatschappij wordt; of
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50,
95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een
dochtermaatschappij te zijn.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt Onze Minister eens
per jaar in kennis van de gegevens waarover zij ingevolge het eerste en
het tweede lid beschikt.
Artikel 86
Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere
soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de
totstandkoming van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering met een
verzekeraar die het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent zonder
in het bezit te zijn van de ingevolge artikel 11 vereiste vergunning dan
wel die diensten verricht naar Nederland zonder te hebben voldaan aan de
procedure die ingevolge deze wet is vereist voor verzekeraars met zetel
buiten Nederland.
Artikel 87
1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke verzekeraars zijn verstrekt of
zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als
bedoeld in de artikelen 88, eerste lid, of 88a, eerste lid,
zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in de artikelen 88, eerste lid, of 88a,
eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het
onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of
anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie
het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene
op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid
van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van
artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als
getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent
gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge
deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of
inlichtingen omtrent een verzekeraar die in staat van faillissement is
verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het
in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen
die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn geweest
bij een poging de desbetreffende verzekeraar in staat te stellen zijn
bedrijf voort te zetten.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer is, in afwijking van het
eerste en tweede lid, bevoegd met gebruikmaking van gegevens of
inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet
opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden
herleid tot afzonderlijke verzekeraars.
Artikel 88
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van
artikel 87, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen
bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak,
verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of
op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in
het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs
in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt
te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van
een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast
met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en
rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt de Pensioen-
& Verzekeringskamer deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse
instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse
instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of
inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor
een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste
lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid
heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat
verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die
gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de
aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
Artikel 88a
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van
artikel 87, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen
bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak,
verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die belast is met
het toezicht uit hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de
curator die betrokken is bij het beheer en de vereffening van de
failliete boedel van een verzekeraar.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt geen gegevens
of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die
deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam
zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de
gegevens of inlichtingen.
3. Artikel 87, eerste tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste
lid verstrekte gegevens.
Artikel 89
1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens
of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die
op die markten werkzaam zijn, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer
ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een staat die met
Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder
eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en
die in die staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen
inzake het toezicht op het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen
bij een ieder die ingevolge deze wet onder haar toezicht valt dan wel
bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over
gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de
uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen
binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen termijn.
Artikel 90
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan toestaan dat een
functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 89,
eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in
dat lid.
2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 89, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van
dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt
ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts
is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de
aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is
belast.
Artikel 91
1. De kosten van de Pensioen- & Verzekeringskamer,
verbonden aan de uitoefening van deze wet en van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993, worden verhaald op de wijze, bedoeld in
artikel 186, eerste, derde en vierde lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993.
2. De kosten en beloning van door de Pensioen- &
Verzekeringskamer aangewezen personen, bedoeld in artikel 27, derde lid,
onderdeel a , en de kosten van de publikaties, bedoeld in artikel
27, derde lid, onderdeel b, en negende lid, komen ten laste van
de betrokken verzekeraar, die daartoe van de Pensioen- &
Verzekeringskamer een aanslag ontvangt.
Artikel 92
1. Voor de uitvoering van deze wet kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
2. Onze Minister kan representatieve organisaties van
verzekeraars aanwijzen.
Hoofdstuk 10. Beroep
Artikel 93
1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet
bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet
de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2. Ten aanzien van een besluit tot intrekking van een vergunning
blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.
3. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten als bedoeld in
de artikelen 27, 53, 54, 55, 56, 57, 59, 61, 84 en 93a, eerste lid, zal
de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak
wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.
Hoofdstuk 10A. Onderzoek door onze minister
Artikel 93a
1. Onze Minister is bevoegd aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn
oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet
uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het
bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.
2. De Pensioen- & Verzekeringskamer is verplicht aan Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te
verstrekken. Indien Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer
vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder
artikel 87, eerste en tweede lid, vallen, is de Pensioen- &
Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te
verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een
afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met
uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of
herleidbaar zijn tot een afzonderlijke verzekeraar die in het bezit is
van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of waarvan die vergunning
is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig
artikel 66 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak
is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die
betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een verzekeraar in staat
te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 88,
eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die
instantie.
3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of
inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te
onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister
de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of
inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij
ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken
voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of
de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert
of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn
verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede
volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 87 is van
toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de
aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit
getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies
in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en
titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met
betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die
Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
Hoofdstuk 10 B. Dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 93b
1. Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen
een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van
voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 11, 17, eerste
tot en met derde lid, 17, vierde lid, eerste volzin, 17, vijfde lid,
18, eerste tot en met vierde lid, 18a, 22, eerste lid, onderdeel e,
22, tweede lid, 23, tweede lid, laatste volzin, 23, derde lid, eerste
volzin, 23, derde lid, laatste volzin, 23, vierde lid, tweede volzin,
23, vijfde lid, 25, 27, tweede lid, 27, derde lid, onderdeel a, 27,
vijfde lid, eerste volzin, 27a, tweede tot en met vierde lid, 28,
tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29, zesde lid,
laatste volzin, 30, 31, eerste en tweede lid, 31a, eerste en tweede
lid, 32, eerste lid, 32, tweede lid, tweede volzin, 33, eerste tot en
met derde lid, vijfde volzin, 33, vijfde en zesde lid, 33, zevende
lid, eerste volzin, 33a, eerste lid, eerste en derde volzin, 33c,
eerste lid, 34, eerste en tweede lid, 35, eerste, vierde en vijfde
lid, 36, eerste lid, 36, tweede lid, tweede volzin, 37, 38, eerste tot
en met vijfde lid, 39, eerste en tweede lid, 40, eerste, derde en
vierde lid, 40c, eerste lid, laatste volzin, 40c, tweede lid, 41, 44,
tweede lid, 45, eerste tot en met vierde lid, 46, 47, eerste en tweede
lid, 48, 49, eerste tot en met derde lid, 50, 51, eerste lid, 51,
tweede lid, eerste volzin, 51, vierde lid, 54, eerste en vijfde lid,
55, derde lid, 56, eerste en tweede lid, 57, eerste, tweede en vierde
lid, 58, 59, eerste lid, 63, 64, eerste lid, 82, eerste, vierde en
zesde lid, 84, achtste lid, 86, 89, tweede lid, 90, tweede lid, en 92,
eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het
toezicht ter zake van die artikelen.
2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot
en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 93c
1. Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen
een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van
voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 11, 17, eerste
tot en met derde lid, 17, vierde lid, eerste volzin, 17, vijfde lid,
18, eerste tot en met vierde lid, 18a, 22, eerste lid, onderdeel e,
22, tweede lid, 23, tweede lid, laatste volzin, 23, derde lid, eerste
volzin, 23, derde lid, laatste volzin, 23, vierde lid, tweede volzin,
23, vijfde lid, 25, 26, eerste lid, eerste en tweede volzin, 26,
tweede lid, 27, tweede lid, 27, derde lid, onderdeel a, 27, vijfde
lid, eerste volzin, 27a, tweede tot en met vierde lid, 28, tweede en
derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van
de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in
zakelijke gegevens en bescheiden, 29, zesde lid, laatste volzin, 30,
31, eerste en tweede lid, 31a, eerste en tweede lid, 32, eerste lid,
32, tweede lid, tweede volzin, 33, eerste tot en met derde lid, vijfde
volzin, 33, vijfde en zesde lid, 33, zevende lid, eerste volzin, 33a,
eerste lid, eerste en derde volzin, 33a, tweede en derde lid, 33b,
33c, eerste lid, 34, eerste en tweede lid, 35, eerste tot en met
vijfde lid, 36, eerste lid, 36, tweede lid, tweede volzin, 37, 38,
eerste tot en met vijfde lid, 39, eerste en tweede lid,40, eerste en
derde tot en met vijfde lid, 40a, eerste tot en met derde lid, 40b,
eerste, tweede en vierde lid, 40c, eerste lid, laatste volzin, 40c,
tweede lid,41, 44, eerste en tweede lid, 45, eerste tot en met vierde
lid, 46, 47, eerste en tweede lid, 48, 49, eerste tot en met derde
lid, 50, 51, eerste lid, 51, tweede lid, eerste volzin, 51, vierde
lid, 54, eerste en vijfde lid, 55, derde lid, 56, eerste en tweede
lid, 57, eerste, tweede en vierde lid, 58, 59, eerste lid, 63, 64,
eerste lid, 82, eerste, vierde en zesde lid, 84, achtste lid, 85,
eerste en tweede lid, 86, 89, tweede lid, 90, tweede lid, en 92,
eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het
toezicht ter zake van die artikelen.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat indien deze door
de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Pensioen- &
Verzekeringskamer indien deze door haar is opgelegd.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de
bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 93d
1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als
voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een
afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het
bedrag van de deswege op te leggen boete.
3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
4. Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer
voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de
boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van
de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden
onevenredig hoog is.
5. Voor overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens
een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 22, eerste
lid, onderdeel e, 25, eerste lid, 31a, tweede lid, 33, vijfde lid, 38,
eerste lid, laatste volzin, 38, tweede lid, tweede volzin, 38, vierde
lid, eerste volzin, 38, vijfde lid, 40, eerste en vierde lid, 45, eerste
lid, laatste volzin, 45, tweede lid, tweede volzin, 45, vierde en vijfde
lid, en 92, eerste lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de
wijze als voorzien in de bijlage behorend bij die algemene maatregel van
bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke
overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
Artikel 93e
Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een
handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd,
is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij
wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie
wordt gevraagd.
Artikel 93f
1. Indien Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen,
voornemens is een boete op te leggen, geeft hij dan wel de Pensioen-
& Verzekeringskamer de betrokkene daarvan kennis onder vermelding
van de gronden waarop het voornemen berust.
2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Pensioen- &
Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de
betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd,
tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage, of de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 93d, is aangewezen.
Artikel 93g
1. Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer
voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, legt de boete op bij
beschikking.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het
overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit
bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 93i, eerste lid, waarbinnen de
boete moet worden betaald.
Artikel 93h
1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien
beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de
beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op
grond van artikel 93f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de
bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het
bezwaar is beslist.
Artikel 93i
1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de
inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen
vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken
zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van
artikel 93f, tweede lid, is aangewezen.
3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister,
dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft
opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning
bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de
gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden
ingevorderd.
4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de
Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd, de
boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering,
bij dwangbevel invorderen.
5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de
Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd.
7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders
beslist.
8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete
ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 93j
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter
zake van de overtreding een strafvordering is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het
recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een
overtreding als bedoeld in artikel 93c vervalt, indien Onze Minister,
dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is
een boete op te leggen, ter zake van die overtreding reeds een boete
heeft opgelegd.
Artikel 93k
1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na
de dag waarop de overtreding is begaan.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 93l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van
een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest
bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande
onderzoek.
Artikel 93m
1. Met het oog op de belangen van degenen die als
verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen
betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering,
gesloten of te sluiten met de verzekeraar, kunnen Onze Minister en de
Pensioen- & Verzekeringskamer, onverminderd artikel 87, eerste en
tweede lid, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de
bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de
naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis
brengen.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening
van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 10C. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 93n
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van
artikel 87, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter
openbare kennis brengen:
a. haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of
verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet
meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was
hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;
b. het feit dat een verzekeraar het
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent zonder in het bezit te
zijn van de ingevolge artikel 11 vereiste vergunning;
c. het feit dat een verzekeraar diensten verricht naar Nederland
zonder te hebben voldaan aan de procedure die ingevolge artikel 49 is
vereist voor verzekeraars met zetel buiten Nederland.
Artikel 93o
Degene jegens wie door de Pensioen- & Verzekeringskamer een
handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn handelen of
nalaten op grond van artikel 93n ter openbare kennis zal brengen, is
niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt
hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
Artikel 93p
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft, indien zij
voornemens is op grond van artikel 93n een feit ter openbare kennis te
brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust.
2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet
bestuursrecht, is de Pensioen- & Verzekeringskamer niet gehouden de
betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te
brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook
niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 93q
De beschikking om op grond van artikel 93n een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 93r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 93n
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 93s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 93t
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 93n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 93n vervalt, indien de Pensioen- &
Verzekeringskamer het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 93u
1. De bevoegdheid om op grond van artikel 93n een feit ter
openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het
feit heeft plaats gehad.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 93v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 93n ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Artikel 94
1. Verzekeraars die op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefenen, vragen
binnen zes maanden na dit tijdstip bij de Verzekeringskamer de
vergunning aan, die zij ingevolge artikel 11 van deze wet of artikel
24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 behoeven
voor de uitoefening van hun bedrijf op genoemd tijdstip.
2. Met betrekking tot de aanvraag zijn de artikelen 12, onderdeel
a, 20, onderdeel b, en 22, eerste lid, onderdeel f,
niet van toepassing, met dien verstande dat de polisvoorwaarden en de
jaarstukken over het laatstverstreken jaar wel overgelegd worden.
3. In afwijking van artikel 15, eerste lid, maakt de
Verzekeringskamer haar beslissing op de aanvraag binnen vijftien maanden
na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aan de aanvrager bekend.
De Verzekeringskamer kan deze termijn verlengen. Een afwijzende
beslissing staat wat haar gevolgen betreft gelijk met een besluit van de
Verzekeringskamer tot intrekking van een vergunning.
4. Zolang een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid de
beslissing van de Verzekeringskamer nog niet heeft ontvangen, wordt hij
gelijkgesteld met een verzekeraar die de aangevraagde vergunning bezit.
Artikel 95
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 94, eerste lid, met
zetel in Nederland, mag het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
voortzetten zonder te voldoen aan artikel 17, eerste lid, van deze wet
of aan artikel 28, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 zulks evenwel gedurende ten hoogste twaalf maanden na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. De in het eerste lid bedoelde verzekeraar kan zich gedurende
twaalf maanden na het in werking treden van deze wet zonder machtiging
van de rechter omzetten in een naamloze vennootschap of onderlinge
waarborgmaatschappij. Hiertoe is een besluit vereist waarop de
bepalingen van de wet en de statuten of reglementen over
statutenwijziging van toepassing zijn. De omzetting geschiedt bij
notariële akte die de nieuwe statuten bevat. De verzekeraar doet opgave
van de omzetting ter inschrijving in de openbare registers waarin hij
moet zijn of moet worden ingeschreven.
3. Indien de verzekeraar die de rechtsvorm van stichting bezit,
zich omzet in een onderlinge waarborgmaatschappij, dient in de statuten
iedere verplichting van de leden of oud-leden om in een tekort bij te
dragen te worden uitgesloten.
4. Indien en voor zover statutaire bepalingen de omzetting niet
toestaan of een ander orgaan van de verzekeraar dan het bestuur zijn
medewerking tot omzetting niet verleent, kan niettemin tot omzetting
worden besloten door het bestuur van de verzekeraar met machtiging van
de rechtbank binnen welker rechtsgebied hij statutair is gevestigd,
gegeven op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de
verzekeraar.
Artikel 96
1. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 94, eerste lid, wiens
solvabiliteitsmarge, zonder dat rekening wordt gehouden met de
herverzekering van zijn verplichtingen, lager is dan het
overeenkomstig artikel 40, eerste lid, voorgeschreven bedrag, of wiens
solvabiliteitsmarge lager is dan het minimum bedrag van het
garantiefonds, bedoeld in artikel 40, tweede lid, is ontheven van de
verplichting over de vereiste solvabiliteitsmarge onderscheidenlijk
over het minimum bedrag van het garantiefonds te beschikken.
Deze ontheffing geldt tot het einde van het boekjaar waarin aan de
vereisten wordt voldaan, doch uiterlijk tot vier jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet.
2. Een verzekeraar kan slechts een beroep doen op de ontheffing
indien hij beschikt over een door de Verzekeringskamer goedgekeurd plan
dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn de
solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang zal worden gebracht. De
verzekeraar dient dit plan binnen acht weken na de inwerkingtreding van
deze wet bij de Verzekeringskamer ter goedkeuring in.
3. De Verzekeringskamer is bevoegd op verzoek van de verzekeraar
wijzigingen in een goedgekeurd plan toe te staan dan wel, bij gewijzigde
omstandigheden, wijzigingen in het plan te eisen of de goedkeuring in te
trekken.
Artikel 97
Ten aanzien van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering die met
een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en
waaruit de rechten en verplichtingen na het in werking treden van deze
wet worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in
afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het
nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Artikel 98
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de
faillietverklaring van een verzekeraar is uitgesproken, blijven op het
faillissement en op de vereffening of de overdracht van verbintenissen
de bepalingen van toepassing die voor dat tijdstip golden.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 99
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 100
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 101
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 102
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 103
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 105
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 106
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 107
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 108
Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 109
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 110
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 10 juli 1995
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de eerste augustus 1995
De Minister van Justitie a.i.,
J.J.C. Voorhoeve
Bijlage, bedoeld in
artikel 93d, eerste lid, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
Artikel 1
Voor de
overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het
tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk 10 B van deze
wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:
|
Tariefnummer:
|
Bedrag
(vast tarief):
|
|
1.
|
€ 453
|
|
2.
|
€ 907
|
|
3.
|
€ 5 445
|
|
4.
|
€ 21 781
|
|
5.
|
€ 87 125
|
Artikel 2
1. Indien een
boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling
als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de
hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar
balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:
Categorie-indeling
normgeadresseerden
Categorie
I: natura-uitvaartverzekeraars met een balanstotaal van
minder dan € 4 538 000; factor: 1;
Categorie
II: natura-uitvaartverzekeraars met een balanstotaal van
ten minste € 4 538 000 maar minder dan € 22 689 000;
factor: 2;
Categorie
III: natura-uitvaartverzekeraars met een balanstotaal
van ten minste € 22 689 000 maar minder dan
€ 113 445 000; factor: 3;
Categorie
IV: natura-uitvaartverzekeraars met een balanstotaal van
ten minste € 113 445 000 maar minder dan
€ 453 780 000; factor: 4;
Categorie
V: natura-uitvaartverzekeraars met een balanstotaal van
ten minste € 453 780 000; factor: 6.
2. De boete wordt
vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te
vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie
naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de
gegevens omtrent het balanstotaal niet aan Onze Minister of
de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn
gesteld, kan Onze Minister of de Pensioen- &
Verzekeringskamer aan degene aan wie de boete wordt
opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door hem
onderscheidenlijk haar te stellen termijn te verstrekken.
Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet
aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de
boete categorie V van toepassing.
Artikel 3
Indien het een
overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 is vastgesteld
en waarop de tabellen 1 of 2 van toepassing zijn of
waarvoor tariefnummer 2 is vastgesteld indien tabel 2 van
toepassing is, behoeft op grond van artikel 93f, tweede lid,
de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
Tabel
1
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
17, eerste
lid
|
3
|
|
17, tweede
lid
|
3
|
|
17, derde
lid
|
3
|
|
17, vierde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
17, vijfde
lid
|
3
|
|
18, eerste
lid
|
4
|
|
18, tweede
lid
|
4
|
|
22, tweede
lid
|
3
|
|
23, derde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
23, vierde
lid, tweede volzin
|
3
|
|
26, eerste
lid, eerste en tweede volzin
|
3
|
|
26, tweede
lid
|
3
|
|
27, tweede
lid
|
4
|
|
27, derde
lid, onderdeel a
|
4
|
|
27a,
vierde lid
|
3
|
|
28, tweede
lid
|
3
|
|
28, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
|
3
|
|
31, eerste
lid
|
3
|
|
31a,
eerste lid
|
3
|
|
32, eerste
lid
|
2
|
|
32, tweede
lid, tweede volzin
|
2
|
|
33, eerste
lid
|
3
|
|
33, tweede
lid
|
4
|
|
33, derde
lid, vijfde volzin
|
1
|
|
33, zesde
lid
|
1
|
|
33,
zevende lid, eerste volzin
|
1
|
|
33a,
eerste lid, eerste en derde volzin
|
1
|
|
33c,
eerste lid
|
4
|
|
34, eerste
lid
|
1
|
|
34, tweede
lid
|
1
|
|
35, eerste
lid, onderdeel a, eerste volzin
|
2
|
|
35, eerste
lid, onderdelen b tot en met d
|
2
|
|
35, tweede
lid
|
3
|
|
35, derde
lid
|
3
|
|
35, vierde
lid
|
2
|
|
35, vijfde
lid
|
2
|
|
36, eerste
lid
|
3
|
|
36, tweede
lid, tweede volzin
|
3
|
|
37
|
3
|
|
38, eerste
lid, eerste en tweede volzin
|
4
|
|
38, tweede
lid, eerste en laatste volzin
|
4
|
|
38, derde
lid
|
4
|
|
39, eerste
lid
|
4
|
|
39, tweede
lid
|
4
|
|
40, derde
lid
|
4
|
|
40, vijfde
lid
|
4
|
|
40a,
eerste lid
|
1
|
|
40a,
tweede lid
|
1
|
|
40a, derde
lid
|
1
|
|
40b,
eerste lid
|
1
|
|
40b,
tweede lid
|
1
|
|
40b,
vierde lid
|
1
|
|
41
|
3
|
|
44, eerste
lid
|
3
|
|
44, tweede
lid
|
3
|
|
45, eerste
lid, eerste en tweede volzin
|
4
|
|
45, tweede
lid, eerste en laatste volzin
|
4
|
|
45, derde
lid
|
4
|
|
46
|
4
|
|
47, eerste
lid
|
4
|
|
47, tweede
lid
|
4
|
|
48
|
3
|
|
49, eerste
lid
|
1
|
|
49, tweede
lid
|
1
|
|
49, derde
lid
|
1
|
|
50
|
1
|
|
51, eerste
lid
|
4
|
|
51, tweede
lid, eerste volzin
|
4
|
|
54, eerste
lid
|
2
|
|
54, vijfde
lid
|
2
|
|
55, derde
lid
|
2
|
|
56, eerste
lid
|
4
|
|
56, tweede
lid
|
4
|
|
57, eerste
lid
|
3
|
|
57, tweede
lid
|
3
|
|
57, vierde
lid
|
3
|
|
58
|
3
|
|
59, eerste
lid
|
4
|
|
63
|
4
|
|
64, eerste
lid
|
4
|
|
84,
achtste lid
|
3
|
|
85, tweede
lid
|
2
|
Tabel
2
|
Overtreding
van voorschriften, gesteld bij artikel:
|
Tariefnummer:
|
|
11
|
5
|
|
18, derde
lid
|
4
|
|
18, vierde
lid
|
4
|
|
18a
|
3
|
|
23, tweede
lid, laatste volzin
|
3
|
|
23, derde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
23, vierde
lid, tweede volzin
|
3
|
|
23, vijfde
lid
|
3
|
|
27, vijfde
lid, eerste volzin
|
3
|
|
27a,
tweede lid
|
3
|
|
27a, derde
lid
|
3
|
|
28, tweede
lid
|
3
|
|
28, derde
lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het
voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens
en bescheiden
|
3
|
|
29, zesde
lid, laatste volzin
|
3
|
|
33a,
tweede lid
|
3
|
|
33a, derde
lid
|
3
|
|
33b
|
3
|
|
35, eerste
lid, onderdeel a, laatste volzin
|
2
|
|
40c,
eerste lid, laatste volzin
|
3
|
|
40c,
tweede lid
|
3
|
|
44, eerste
lid
|
3
|
|
44, tweede
lid
|
3
|
|
51, vierde
lid
|
4
|
|
63
|
3
|
|
82, eerste
lid
|
3
|
|
82, vierde
lid
|
3
|
|
82, zesde
lid
|
3
|
|
84,
achtste lid
|
3
|
|
85, eerste
lid
|
2
|
|
86
|
3
|
|
89, tweede
lid
|
3
|
|
90, tweede
lid
|
3
|
Voetnoten:
|
|
|