Nadere regelgeving:
- Beleidsregel
betrouwbaarheidstoetsing
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren
- Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren
WET van 17 december 2003, houdende het
toezicht op trustkantoren (Wet toezicht trustkantoren)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, ter bevordering van de
integriteit van het financiële stelsel in Nederland, wenselijk is
trustkantoren onder toezicht te plaatsen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. trustkantoor: een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke
persoon die, al dan niet tezamen met andere rechtspersonen,
vennootschappen of natuurlijke personen, beroeps- of bedrijfsmatig
een of meer van de in onderdeel d genoemde diensten verleent;
b. doelvennootschap: een rechtspersoon of vennootschap waaraan de
in onderdeel d, onder 1° en 2°, genoemde diensten worden verleend;
c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die een
gekwalificeerde deelneming houdt in een doelvennootschap, dan wel
begunstigde is van ten minste tien procent van het vermogen van een
stichting of van een trust als bedoeld in het Verdrag inzake het
recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van
trusts (Trb. 1985, 141);
d. dienst:
1°. het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon
of vennootschap in opdracht van een, niet tot dezelfde groep als
waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende rechtspersoon,
vennootschap of natuurlijke persoon;
2°. het in opdracht van een niet tot dezelfde groep als
waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende rechtspersoon,
vennootschap of natuurlijke persoon, ter beschikking stellen van
het adres of het postadres, bedoeld in de artikelen 11, eerste
lid, onderdeel c, en 14, eerste lid, onderdeel c, van de
Handelsregisterwet 2007, aan een andere rechtspersoon of
vennootschap, indien ten minste een van de volgende bijkomende
werkzaamheden wordt verricht ten behoeve van die rechtspersoon
of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep
behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke
persoon:
i) het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of
het verlenen van bijstand, met uitzondering van het
verrichten van receptiewerkzaamheden;
ii) het verstrekken van belastingadvies of het verzorgen
van belastingaangiften en daarmee verband houdende
werkzaamheden;
iii) het verrichten van werkzaamheden in verband met het
opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of
het voeren van administraties;
iv) het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon
of vennootschap;
v) andere bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen bijkomende werkzaamheden;
3°. het verkopen van rechtspersonen;
4°. het zijn van een trustee in de zin van het Verdrag
inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de
erkenning van trusts in opdracht van een, niet tot dezelfde
groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende
rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon; of
5°. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
diensten;
e. bijkantoor: een of meer onderdelen zonder
rechtspersoonlijkheid van een trustkantoor;
f. groep: een economische eenheid waarin rechtspersonen,
vennootschappen en natuurlijke personen organisatorisch zijn
verbonden;
g. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk
belang van ten minste tien procent van het geplaatste
aandelenkapitaal of een daarmee vergelijkbaar belang, of het
rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien
procent van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare zeggenschap;
h. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
i. politiek prominente persoon: een persoon als bedoeld in
artikel 2 van de Uitvoeringsrichtlijn 2006/70/EG van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 1 augustus 2006 tot vaststelling
van uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees
Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek
prominente personen en wat betreft de technische criteria voor
vereenvoudigde cliëntenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen
op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten (PbEU
L 214);
j. toezichthouder: De Nederlandsche Bank N.V..
Hoofdstuk 2. Vergunning
Paragraaf 1. Verbodsbepaling
Artikel 2
1.Het is verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit
een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
1º. De Nederlandsche Bank N.V.;
2º. een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in
artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
3º. een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die
beroeps- of bedrijfsmatig opdrachten van tijdelijke aard die
betrekking hebben op management- en organisatievraagstukken, met
de daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden,
uitvoert of doet uitvoeren, voor zover deze de diensten, bedoeld
in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, verleent.
3.Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het in het eerste lid
vervatte verbod, indien de situatie van een onderscheiden categorie
trustkantoren dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in
strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een
vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen
worden gesteld.
4.De toezichthouder kan, op verzoek, ontheffing verlenen van het in
het eerste lid vervatte verbod, indien de specifieke situatie van een
trustkantoor dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in
strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden
gesteld.
5.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan, onder door de
toezichthouder te stellen voorschriften en beperkingen, aan een groep
van trustkantoren worden verleend. Tenzij in de vergunning anders is
bepaald, geldt de vergunning, alsmede de daaraan verbonden
voorschriften of gestelde beperkingen, in gelijke zin voor alle
trustkantoren die onderdeel uitmaken van de groep.
Paragraaf 2. Vereisten voor een vergunning
Artikel 3
1.De aanvrager van een vergunning verstrekt de volgende gegevens:
a. de identiteit en de antecedenten van de bestuurders en
commissarissen van het trustkantoor;
b. de identiteit en de antecedenten van degenen die het beleid
van het trustkantoor bepalen of mede bepalen;
c. de identiteit en de antecedenten van degenen die een
gekwalificeerde deelneming houden in het trustkantoor, alsmede de
omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;
d. de formele en feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep
waartoe het trustkantoor behoort;
e. de naam, het adres en de statutaire zetel van het
trustkantoor en, indien van toepassing, de naam en het adres van
zijn bijkantoren;
f. de voorziene bedrijfsvoering, waaronder begrepen de
maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een
integere bedrijfsvoering, en de voorziene administratieve
organisatie en interne controle van het trustkantoor;
g. overige gegevens en bescheiden die de toezichthouder nodig
acht in het belang van de beoordeling van de aanvraag.
2.Indien de antecedenten van de personen, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a, b en c, reeds zijn beoordeeld voor de toepassing
van de Wet op het financieel toezicht, bevat de aanvraag, in
aanvulling op de in het eerste lid bedoelde gegevens, de datum van
deze beoordeling.
3.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en
beperkingen worden gesteld.
4.De toezichthouder beslist binnen dertien weken na ontvangst van
de aanvraag.
Artikel 4
De toezichthouder verleent een vergunning tenzij:
a. hij op grond van de voornemens of de antecedenten van de
personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c,
van oordeel is dat de betrouwbaarheid van een van deze personen niet
buiten twijfel staat;
b. hij van oordeel is dat de deskundigheid van een of meer van de
personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b,
onvoldoende is om het beroep of bedrijf van trustkantoor uit te
oefenen;
c. hij van oordeel is dat de groep waartoe het trustkantoor
behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in
zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering vormt of
zou kunnen vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op het
trustkantoor;
d. hij van oordeel is dat, gelet op hetgeen het trustkantoor
ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdelen f en g, bij de aanvraag
heeft overgelegd, het trustkantoor niet in staat zal zijn te voldoen
aan de op grond van artikel 10 te stellen regels.
Artikel 5
1.Een trustkantoor meldt vooraf schriftelijk aan de toezichthouder
een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdelen a, b of c, voor zover het de identiteit van de daar
genoemde personen betreft, of van de gegevens, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel d.
2.Een wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet
doorgevoerd, indien de toezichthouder het voornemen daartoe afwijst
binnen zes weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste
lid, of, indien de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen
heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of
inlichtingen.
3.Indien zich een wijziging voordoet in de antecedenten, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b, of c, dan wel in de gegevens,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen e tot en met g, meldt het
trustkantoor deze onverwijld schriftelijk aan de toezichthouder.
Paragraaf 3. Intrekken van de vergunning
Artikel 6
De toezichthouder kan een vergunning intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. in geval de houder in staat van faillissement is verklaard of
ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling,
bedoeld in titel III van de Faillissementswet, is uitgesproken;
c. in geval van ontbinding of, indien de houder een natuurlijke
persoon is, overlijden van de houder;
d. in geval de houder gedurende een termijn van meer dan zes
maanden kennelijk niet langer werkzaamheden als trustkantoor
verricht;
e. in geval de houder in gebreke blijft om te voldoen aan de
verplichtingen, hem bij of krachtens deze wet opgelegd;
f. in geval de toezichthouder informatie bekend wordt die, was
zij hem bekend geweest op het moment van het verlenen van de
vergunning, ertoe zou hebben geleid dat de vergunning niet zou zijn
verleend;
g. in geval de toezichthouder na de tenuitvoerlegging van de in
artikel 8, negende lid, bedoelde executoriale titel, niet de
ingevolge dat artikel verschuldigde betaling heeft ontvangen.
Paragraaf 4. Het register
Artikel 7
1.De toezichthouder houdt een register waarin zijn ingeschreven de
trustkantoren die op grond van een vergunning als bedoeld in artikel
2, eerste lid, hun diensten mogen verlenen en de trustkantoren die op
grond van een ontheffing als bedoeld in artikel 2, vierde lid, hun
diensten mogen verlenen.
2.In het register worden ten aanzien van een trustkantoor de
volgende gegevens opgenomen:
a. de naam, het adres en de statutaire zetel van het
trustkantoor en, indien van toepassing, de naam en het adres van
zijn bijkantoren;
b. de datum van inschrijving van het trustkantoor in het
register;
c. het nummer van inschrijving van het trustkantoor bij de
Kamer van Koophandel en Fabrieken; en
d. de aan de vergunning of de ontheffing verbonden
voorschriften en gestelde beperkingen, tenzij de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer of van gerechtvaardigde
bedrijfsbelangen zich daartegen verzet.
3.De toezichthouder draagt zorg voor de doorhaling van de
inschrijving van een trustkantoor waarvan de vergunning dan wel de
ontheffing is ingetrokken.
4.De toezichthouder houdt de gegevens in het register voor een
ieder kosteloos ter inzage.
Paragraaf 5. Kosten
Artikel 8
1.De aanvrager is ter zake van een aanvraag van een vergunning of
van een ontheffing aan de toezichthouder een bedrag verschuldigd.
2.Het trustkantoor dat is ingeschreven in het register is, ter
dekking van de kosten verbonden aan het toezicht op de ingeschreven
trustkantoren, aan de toezichthouder een bedrag verschuldigd.
3.De hoogte van de in dit artikel bedoelde bedragen wordt zodanig
vastgesteld dat het totaal van de in rekening te brengen bedragen
gezamenlijk ten hoogste gelijk is aan de kosten die de toezichthouder
maakt ter zake van de behandeling van de vergunningaanvragen, de
ontheffingsaanvragen en ter zake van het toezicht dat de
toezichthouder uitoefent op ingeschreven trustkantoren.
4.De in dit artikel bedoelde bedragen worden vastgesteld door Onze
Minister.
5.Het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag wordt betaald
binnen vier weken na dagtekening van de brief waarbij de
betalingsverplichting is opgelegd.
6.Bij gebreke van betaling wordt het verschuldigde bedrag
vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de
in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken.
7.Indien het verschuldigde bedrag niet binnen de gestelde termijn
is betaald, stuurt de toezichthouder een schriftelijke aanmaning om
binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning dit bedrag, verhoogd
met de rente en de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De
aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dit niet
binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het achtste
lid zal worden ingevorderd.
8.Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder het
bedrag, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering,
bij dwangbevel invorderen.
9.Het dwangbevel wordt op kosten van het trustkantoor bij
deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de
zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
10.Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen
het dwangbevel open door dagvaarding van de toezichthouder.
11.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de
voorzieningenrechter desgevraagd anders beslist.
Hoofdstuk 3. Toezicht en inlichtingen
Artikel 9
1.De toezichthouder kan bij:
a. in het register ingeschreven trustkantoren;
b. trustkantoren waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel
2, derde lid, van toepassing is;
c. een ieder die met een in de onderdelen a of b bedoeld
trustkantoor in een groep is verbonden;
d. een ieder van wie of waarvan redelijkerwijs kan worden
vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze
wet gestelde regels; alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen,
die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en
bevoegdheden die hij op grond van deze wet heeft en teneinde na te
gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden
nageleefd.
2.Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden
verlangd, verstrekt deze binnen de door de toezichthouder te stellen
redelijke termijn.
3.Ten aanzien van de personen die door de toezichthouder zijn
belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van
andere taken en bevoegdheden die de toezichthouder heeft op grond van
het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13,
5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een
onderzoek als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt ingesteld,
degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge
deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen
van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 10
1. Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld aan
trustkantoren. Hieronder worden begrepen regels met betrekking tot de
administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële
administratie – en de interne controle, zodanig dat:
a. het trustkantoor de identiteit kent van de uiteindelijk
belanghebbende of over informatie beschikt waaruit blijkt dat er
geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de
bestemming van de gelden van de doelvennootschap;
c. het trustkantoor kennis heeft van de relevante delen van de
structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort;
d. het trustkantoor kennis heeft van het doel waarmee de in
onderdeel c bedoelde structuur is opgezet;
e. het trustkantoor:
1°. beschikt over een op risico gebaseerd beleid om te
bepalen of de uiteindelijk belanghebbende een politiek
prominent persoon is;
2°. de beslissing tot het aangaan van een relatie met een
politiek prominent persoon laat nemen of laat goedkeuren door
personen die daartoe door het trustkantoor gemachtigd zijn;
3°. adequate maatregelen treft om de bron van het vermogen
vast te stellen die bij de zakelijke relatie worden gebruikt;
en
4°. doorlopende controle uitoefent op de zakelijke
relatie.
f. het trustkantoor de identiteit kent van de koper en van de
houders van een gekwalificeerde deelneming in de koper, indien
door het trustkantoor een dienst wordt verleend als bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, onder 3°;
g. het trustkantoor in zijn hoedanigheid van trustee de
identiteit kent van de insteller van een trust in de zin van het
Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake
de erkenning van trusts;
h. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien
niet wordt voldaan aan onderdeel a of f.
2. Een trustkantoor zendt binnen een door de toezichthouder te
stellen redelijke termijn aan de toezichthouder desgevraagd een
rapportage omtrent zijn bedrijfsvoering en administratieve organisatie
en interne controle. De toezichthouder bepaalt de wijze waarop de
rapportage geschiedt en de periode waarop de rapportage betrekking
heeft.
Artikel 11
1.De toezichthouder kan, indien niet is voldaan aan artikel 5,
eerste of derde lid, of indien zich een omstandigheid voordoet als
bedoeld in artikel 6, onderdeel e, aan het trustkantoor dan wel aan de
bevoegde organen, een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan
te geven onderwerpen een bepaalde gedragslijn te volgen. Het
trustkantoor dan wel de bevoegde organen aan wie de aanwijzing is
gegeven, volgt dan wel volgen deze op binnen een door de
toezichthouder te stellen termijn.
2.Indien de deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 3,
eerste lid, onderdelen a, b of c bedoelde personen, voor zover zij via
een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen of
mede bepalen van het trustkantoor, niet langer buiten twijfel staat,
kan de toezichthouder de aanwijzing geven dat deze personen het beleid
van het trustkantoor niet meer kunnen bepalen of mede bepalen.
Hoofdstuk 4. Bepalingen inzake uitwisseling van gegevens of
inlichtingen
Artikel 12
1.Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze
wet bepaalde omtrent afzonderlijke rechtspersonen, vennootschappen of
natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en
inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2.Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze
wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult,
verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of
van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, verkregen, of
van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens
en bescheiden ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan
verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn
taak of door deze wet wordt geëist.
3.Het eerste en tweede lid laten ten aanzien van degene op wie het
tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 13
1.In afwijking van artikel 12, eerste en tweede lid, kan de
toezichthouder gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling
van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan
Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
die zijn belast met het toezicht op financiële markten of op
rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die
markten werkzaam zijn, tenzij:
a. de verstrekking van gegevens of inlichtingen in
internationaal verband niet kan plaatsvinden op basis van
wederkerigheid;
b. de gegevens betrekking hebben op een rechtspersoon,
vennootschap of natuurlijke persoon waaraan of aan wie het
trustkantoor diensten verleent, onverlet de toepasselijkheid van
de bepalingen van de Sanctiewet 1977, de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme, de Nederlandse
belastingwetgeving, de bilaterale belastingverdragen en verdragen
tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel de
toepasselijkheid van bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties met betrekking tot het toezicht op de financiële
markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die
markten werkzaam zijn;
c. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
gebruikt onvoldoende is bepaald;
d. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet
past in het kader van het toezicht op financiële markten of op
natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die
markten werkzaam zijn;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet
zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
f. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
voldoende mate is gewaarborgd;
g. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen
die deze wet beoogt te beschermen; of
h. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze
worden verstrekt.
2.Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste
lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel
van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is
belast met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke
personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten
werkzaam zijn, verstrekt de toezichthouder deze niet aan een
Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid,
tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen
zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van
de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met
het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of
inlichtingen zijn verstrekt.
3.Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste of
tweede lid aan de toezichthouder verzoekt om de gegevens of
inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen
gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt
dat verzoek slechts ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste
lid; of
b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de
daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking
over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
4.Indien het in het derde lid bedoelde verzoek betrekking heeft op
een onderzoek naar strafbare feiten, wordt dit niet ingewilligd dan na
toestemming van Onze Minister van Justitie.
Artikel 14
1.Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of
inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op
financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en
vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, kan de
toezichthouder ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een
Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland
valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, en die in die Staat is belast met de uitvoering van
wettelijke regelingen inzake het toezicht op de financiële markten,
inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen
bij ieder ingeschreven trustkantoor dat ingevolge deze wet onder zijn
toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang
kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als
hiervoor bedoeld.
2.Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste
lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen
een door de toezichthouder te stellen termijn.
Artikel 15
1.De toezichthouder verstrekt aan de Stichting Autoriteit
Financiële Markten, voor de toepassing van de Wet op het financieel
toezicht, de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen bij de
vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak en die
betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c, voorzover deze naar het
oordeel van de toezichthouder van belang zijn of zouden kunnen zijn
voor het toezicht dat door de Stichting Autoriteit Financiële Markten
wordt uitgeoefend.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien de gegevens of
inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie of
van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie als
bedoeld in artikel 13, tenzij die buitenlandse instantie waarvan de
gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd
met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend
geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor
de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
Artikel 16
1.De toezichthouder kan toestaan dat een functionaris van een
buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
2.Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 14, eerste
lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde
functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering
van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek
wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat,
slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens
en bescheiden.
3.De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen
op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.
Artikel 17
1.Schriftelijke afspraken tussen de toezichthouder en andere
toezichthoudende autoriteiten die tot uitwerking van de in artikel 13
bedoelde informatie-uitwisseling dienen, worden ter voorafgaande
instemming van Onze Minister voorgelegd. Onze Minister kan zijn
instemming slechts onthouden indien naar zijn oordeel de belangen die
worden gediend door verdragen of bindende besluiten als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, dan wel het algemeen belang zich tegen die
afspraken verzetten onderscheidenlijk verzet.
2.In schriftelijke afspraken als bedoeld in het eerste lid met
toezichthoudende autoriteiten van een staat waarmee het Koninkrijk
geen verdrag als bedoeld in dat lid heeft gesloten, wordt bepaald dat
deze afspraken bij de totstandkoming nadien van een dergelijk verdrag
met die staat wederom ter instemming aan Onze Minister worden
voorgelegd. In dat geval toetst Onze Minister die afspraken aan het
betrokken verdrag.
3.Instemming als bedoeld in het eerste lid of tweede lid wordt
geacht te zijn verleend, indien Onze Minister niet heeft beslist
binnen vier weken na ontvangst van het desbetreffende voorstel of,
indien hij om nadere inlichtingen heeft verzocht, binnen vier weken na
ontvangst daarvan.
4.Van schriftelijke afspraken als bedoeld in het eerste lid waarmee
Onze Minister heeft ingestemd, wordt door de toezichthouder mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Hoofdstuk 5. Advies en rapportage
Artikel 18
1.Voor de totstandkoming, wijziging of intrekking van een
vrijstelling als bedoeld in artikel 2, derde lid, de vast te stellen
bedragen als bedoeld in artikel 8, vierde lid, en het stellen van
regels als bedoeld in de artikelen 20, derde lid en 21, derde lid, kan
het advies van de toezichthouder worden ingewonnen. De toezichthouder
is verplicht dit advies uit te brengen.
2.Eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei, wordt door de
toezichthouder verslag uitgebracht aan Onze Minister over de
uitoefening van zijn taken en bevoegdheden in het voorgaande
kalenderjaar. Dit verslag wordt door de zorg van de toezichthouder
openbaar gemaakt, met dien verstande dat gegevens met betrekking tot
afzonderlijke trustkantoren niet openbaar worden gemaakt zonder hun
schriftelijke toestemming.
Hoofdstuk 6. Beroep
Artikel 19
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Hoofdstuk 7. Last onder dwangsom en bestuurlijke boete
Artikel 20
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 2, eerste en derde tot en met vijfde lid, 3, derde lid, 5,
9, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 10, 11, 14,
tweede lid, en 16, tweede lid.
2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van
de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake
van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de
artikelen 2, eerste en derde tot en met vijfde lid, 3, derde lid, 5,
9, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift
inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 10, 11, 14,
tweede lid, en 16, tweede lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 22
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete
voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een
afzonderlijke overtreding verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven
overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de
overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en
maximumbedragen. Daarbij wordt de volgende indeling gebruikt:
|
Categorie |
Basisbedrag |
Minimumbedrag |
Maximumbedrag |
|
1 |
€ 10 000,– |
€ 0,– |
€ 10 000,– |
|
2 |
€ 500 000,– |
€ 0,– |
€ 1 000 000,– |
|
3 |
€ 2 000 000,– |
€ 0,– |
€ 4 000 000,– |
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke
vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het voordeel
dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen indien
diens voordeel groter is dan€ 2 000 000.
Artikel 23
1. Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting
tot betaling van de bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van de verplichting tot betaling van de
bestuurlijke boete schorst niet de berekening van de wettelijke rente.
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 25 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 26 [Vervallen per 01-08-2009]
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2009]
Hoofdstuk 8. Openbaarmaking van overtredingen
Artikel 31
De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 12, teneinde de
naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
a. zijn weigering om een aangevraagde vergunning of ontheffing te
verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden
getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning of
ontheffing verleend;
b. het feit dat een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke
persoon waarop naar zijn oordeel het verbod, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van toepassing is, niet over een vergunning beschikt;
c. het feit dat een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke
persoon die beschikt over een vergunning, zich niet houdt aan de
voorschriften of de beperkingen die aan die vergunning zijn
verbonden of zijn gesteld;
d. het feit dat een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke
persoon waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2, derde lid
of een ontheffing als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van
toepassing is, zich niet houdt aan de voorschriften of de
beperkingen die aan die vrijstelling of ontheffing zijn verbonden of
gesteld;
e. het feit dat een trustkantoor de aanwijzing op grond van
artikel 11 niet heeft opgevolgd.
Artikel 32
Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de
toezichthouder zijn handelen of nalaten op grond van artikel 31 ter
openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige
verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 33
1.De toezichthouder geeft, indien hij voornemens is op grond van
artikel 31 een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene
daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust.
2.In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht,
is de toezichthouder niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te
stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de
betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een
redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 34
De beschikking om op grond van artikel 31 een feit ter openbare
kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht;
en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 35
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel
toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 31
een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 36
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht
treedt de beschikking om op grond van artikel 31 een feit ter openbare
kennis te brengen in werking op de dag waarop het feit ter openbare
kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de
beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt
opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres
ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 37
1.De bevoegdheid om op grond van artikel 31 een feit ter openbare
kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2.Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als
bedoeld in artikel 31 vervalt, indien de toezichthouder het feit reeds
ter openbare kennis heeft gebracht.
Artikel 38
1.De bevoegdheid om op grond van artikel 31 een feit ter openbare
kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft
plaats gehad.
2.De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de
bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis
wordt gebracht.
Artikel 39
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 31 ter
openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die
niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het
daaraan voorafgaande onderzoek.
Hoofdstuk 9. Wijzigingen van andere wetten
Artikel 40
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie]
Artikel 41
[Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen]
Artikel 42
[Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995]
Artikel 43
[Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf]
Artikel 45
[Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993]
Artikel 46
[Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren]
Artikel 47
[Wijzigt de Sanctiewet 1977]
Artikel 48
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 49
[Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening]
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 50
1.Een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vanuit een vestiging in
Nederland als trustkantoor werkzaam is, wordt geacht niet in strijd te
handelen met het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2.Het in het eerste lid bedoelde trustkantoor meldt zich binnen
acht weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet
schriftelijk bij de toezichthouder en verstrekt binnen een door de
toezichthouder te stellen termijn de gegevens en inlichtingen die de
toezichthouder nodig acht om te beoordelen of het trustkantoor voldoet
aan het bij of krachtens deze wet bepaalde. Deze melding wordt
beschouwd als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel
2, eerste lid.
3.Op de aanvraag voor een vergunning beslist de toezichthouder
binnen een jaar na de ontvangst van de in het tweede lid, eerste
volzin, bedoelde gegevens en inlichtingen, of, indien de
toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht,
binnen een jaar na de ontvangst van die nadere gegevens en
inlichtingen.
4.In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt het besluit om een aanvraag voor een vergunning
niet te behandelen, aan het trustkantoor bekendgemaakt binnen acht
weken nadat de in het tweede lid, eerste volzin, bedoelde gegevens en
inlichtingen zijn verstrekt of nadat de daarvoor gestelde termijn
ongebruikt is verstreken.
5.Indien het trustkantoor niet of niet tijdig heeft voldaan aan het
tweede lid, is het eerste lid niet langer van toepassing.
6.Indien de toezichthouder op grond van de gegevens en inlichtingen
waarvan hij ingevolge het tweede lid, eerste volzin, kennis heeft
genomen van oordeel is dat het trustkantoor niet voldoet aan het bij
of krachtens deze wet bepaalde, is het in het eerste lid bepaalde niet
langer van toepassing.
Artikel 51
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 52
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht trustkantoren.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 2003
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de vijftiende januari 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage [Vervallen per 01-08-2009]
|